Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van richtlijn 2004/80/EG van de Raad betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven [SEC(2009) 495]
/* COM/2009/0170 def. */
| BG | ES | CS | DA | DE | ET | EL | EN | FR | GA | IT | LV | LT | HU | MT | NL | PL | PT | RO | SK | SL | FI | SV |
| html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | |
| doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc |
| Twee talen naast elkaar: BG CS DA DE EL EN ES ET FI FR HU IT LT LV MT NL PL PT RO SK SL SV |
[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |
Brussel, 20.4.2009
COM(2009) 170 definitief
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT EN HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
over de toepassing van Richtlijn 2004/80/EG van de Raad betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven
[SEC(2009) 495]
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT EN HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
over de toepassing van Richtlijn 2004/80/EG van de Raad betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven
1. INLEIDING
Slachtoffers van misdrijven in de Europese Unie kunnen aanspraak maken op een billijke en passende schadeloosstelling wegens letsel, ongeacht de plaats in de Europese Gemeenschap waar het misdrijf is gepleegd. Bij Richtlijn 2004/80/EG van de Raad betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven[1] (hierna "de richtlijn" genoemd) wordt een systeem van samenwerking opgezet om de toegang van slachtoffers van misdrijven tot schadeloosstelling in grensoverschrijdende situaties te vergemakkelijken. Dit systeem functioneert op basis van de schadeloosstellingsregelingen van de lidstaten voor slachtoffers van op hun grondgebied gepleegde opzettelijke geweldmisdrijven.
Artikel 19 van de richtlijn bepaalt dat de Commissie uiterlijk op 1 januari 2009 bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag moet indienen over de toepassing van deze richtlijn. Met dit verslag wordt aan die verplichting voldaan. Het bestrijkt de periode van 1 januari 2006[2] tot en met 31 december 2008[3].
Om het verslag voor te bereiden heeft de Commissie de opdracht gegeven tot een studie over de toepassing van de richtlijn, die werd uitgevoerd door een contractant[4]. De belangrijkste doelstelling van de studie was na te gaan in welke mate alle lidstaten de richtlijn op dat ogenblik ten uitvoer hadden gelegd. Daartoe heeft de contractant een overzicht gemaakt van:
- de toepassing van de richtlijn: beoordelen van de schadeloosstellingsregelingen op operationeel niveau;
- de doeltreffendheid van de richtlijn: vaststellen van omgevingsfactoren, reglementering en procedures (in voorkomend geval) die tenuitvoerleggingsproblemen hebben veroorzaakt;
- de inhoud van de nationale wetgeving: vergelijken van de schadeloosstellingsregelingen van de lidstaten; nagaan of de schadeloosstellingsregelingen in overeenstemming zijn met de bepalingen van de richtlijn.
Voorts werd de toepassing van de richtlijn besproken op een bijeenkomst van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 16 van de richtlijn aangewezen centrale contactpunten, die in het kader van het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken werd georganiseerd en plaatsvond op 23 oktober 2008.
De richtlijn en alle gegevens die de lidstaten op grond van de richtlijn hebben verstrekt, zijn beschikbaar in de Europese justitiële atlas in burgerlijke zaken (hierna "de atlas" genoemd)[5].
2. DE BELANGRIJKSTE ASPECTEN VAN DE RICHTLIJN
Artikel 1 van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat, wanneer een "opzettelijk geweldmisdrijf" is gepleegd in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de aanvrager van de schadeloosstelling zijn gewone verblijfplaats heeft, de aanvrager het recht heeft een aanvraag om schadeloosstelling in deze staat in te dienen. De bevoegde instantie van de lidstaat waar de aanvrager dan verblijft (de "assistentieverlenende instantie") verleent de aanvrager assistentie. De verplichtingen tegenover het slachtoffer zijn opgenomen in de artikelen 5 tot en met 11 van de richtlijn. De assistentieverlenende instantie beoordeelt de aanvraag niet. De beoordeling komt toe aan de instantie van de lidstaat waar het slachtoffer een verzoek indient onder de schadeloosstellingsregeling (de "beslissende instantie").
De lidstaten zijn derhalve verplicht om assistentieverlenende en beslissende instanties op te richten en centrale contactpunten aan te wijzen (artikel 3, leden 1 en 2, en artikel 16).
Assistentieverlenende instanties zijn verantwoordelijk voor:
- het informeren van potentiële aanvragers over de schadeloosstellingsregeling (artikel 4);
- het assisteren van aanvragers bij het invullen van het aanvraagformulier voor schadeloosstelling (artikel 5);
- het verzenden van de aanvragen aan de beslissende instanties (artikel 6);
- het geven van raad aan de aanvrager wanneer om aanvullende informatie wordt verzocht (artikel 8);
- het horen van betrokkenen wanneer de beslissende instantie daarom verzoekt (artikel 9).
Beslissende instanties zijn verantwoordelijk voor:
- het bevestigen van de ontvangst van de aanvraag, het doorgeven van de naam van de voor de afhandeling van de zaak verantwoordelijke contactpersoon en het geven van een indicatie van de verwachte beslissingstermijn (artikel 7);
- het mededelen van de beslissing aan de assistentieverlenende instantie en aan de aanvrager (artikel 10).
Artikel 12, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat de toegang tot schadeloosstelling in grensoverschrijdende situaties functioneert op basis van de schadeloosstellingsregelingen van de lidstaten. Artikel 12, lid 2, bepaalt dat alle lidstaten bij het specificeren van de constitutieve bestanddelen van die regelingen ervoor zorgen "dat hun nationale wetgeving voorziet in een schadeloosstellingsregeling voor slachtoffers van op hun grondgebied gepleegde opzettelijke geweldmisdrijven, die een billijke en passende schadeloosstelling van slachtoffers garandeert".
De lidstaten zorgen ervoor dat potentiële aanvragers toegang hebben tot essentiële informatie over de mogelijkheden om schadeloosstelling aan te vragen (artikel 4). De schadeloosstelling wordt betaald door de bevoegde instantie van de lidstaat op het grondgebied waarvan het misdrijf is gepleegd (artikel 2). De administratieve formaliteiten moeten tot een minimum worden beperkt (artikel 3, lid 3) en voor de toezending van aanvragen en beslissingen moeten standaardformulieren worden gebruikt (artikel 14).
3. TOEPASSING VAN DE RICHTLIJN
In het volgende punt wordt een overzicht gegeven van verschillende aspecten van de toepassing van de richtlijn, in het bijzonder de kennisgeving van de omzettingsmaatregelen, de naleving van de richtlijn, de toepassing en doeltreffendheid van de richtlijn en de nationale schadeloosstellingsregelingen in het kader van artikel 12. Voorts worden de in hoofdstuk III van de richtlijn opgelegde uitvoeringsbepalingen behandeld.
3.1. Kennisgeving van de omzettingsmaatregelen
Op grond van artikel 18, lid 1, moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om vóór 1 januari 2006 aan de richtlijn te voldoen[6][7].
15 lidstaten hebben vóór die datum de nationale omzettingsmaatregelen aangenomen: Bulgarije, Denemarken, Duitsland, Estland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Begin 2006 werden van nog zeven andere lidstaten kennisgevingen ontvangen (België, Tsjechië, Cyprus, Litouwen, Hongarije, Portugal en Slowakije).
In 2006-2007 heeft de Commissie op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag inbreukprocedures wegens niet-kennisgeving ingeleid tegen Griekenland, Italië, Letland, Malta en Roemenië. Italië, Letland, Malta en Roemenië hebben inmiddels overeenkomstig de op hen rustende verplichting de nationale omzettingsmaatregelen meegedeeld.
Op dit ogenblik heeft Griekenland de Commissie nog niet in kennis gesteld van nationale maatregelen tot omzetting van de richtlijn. Griekenland werd in juli 2007 door het Europees Hof van Justitie veroordeeld[8]. In 2008 heeft de Commissie tegen Griekenland de procedure op grond van artikel 228 van het EG-Verdrag ingeleid; deze procedure loopt momenteel.
De door de lidstaten meegedeelde omzettingsmaatregelen zijn opgenomen in bijlage 1.
3.2. Naleving van de richtlijn
Door de laattijdige kennisgevingen is de beoordeling van de conformiteit van de omzettingsmaatregelen met de vereisten van de richtlijn nog niet volledig voltooid. Op basis van de thans beschikbare informatie is de situatie als volgt:
Artikelen 1 tot en met 3: Alle lidstaten, met uitzondering van Griekenland en Italië, beschikken over een regeling waarmee slachtoffers een aanvraag kunnen indienen (artikel 1) en hebben de artikelen 2 en 3 uitgevoerd (oprichting van bevoegde instanties en administratieve procedures). De bevoegde instanties zijn gepubliceerd in de atlas[9].
Artikel 4: Van 20 lidstaten zijn gegevens beschikbaar over maatregelen en methoden voor het informeren van potentiële aanvragers. In de meeste gevallen hebben de lidstaten via het internet informatie verstrekt over hun schadeloosstellingsregelingen, hetzij op nationale websites, hetzij in de atlas. Zij hebben ook folders en brochures opgesteld. De voorlichtingsmaatregelen zijn opgenomen in bijlage 2[10].
Artikelen 5 tot en met 10: Thans is er van 12 lidstaten informatie beschikbaar over de werking van de procedures die door de artikelen 5 tot en met 10 van de richtlijn worden opgelegd: Tsjechië, Denemarken, Ierland, Spanje, Cyprus, Letland, Luxemburg, Hongarije, Portugal, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk.
Artikel 11: 17 lidstaten aanvaarden aanvragen in andere talen dan hun officiële ta(a)l(en). De meest aanvaarde vreemde taal is het Engels. Spanje, Frankrijk, Luxemburg, Slovenië en Slowakije aanvaarden alleen het gebruik van hun officiële ta(a)l(en). De gegevens van de lidstaten over de talen zijn opgenomen in bijlage 3[11].
3.3. Toepassing en doeltreffendheid van de richtlijn in de praktijk
De beschikbare gegevens over de praktische toepassing van de richtlijn in de verschillende lidstaten zijn beperkt[12]. In de tabel hieronder zijn het aantal met de hulp van de assistentieverlenende instantie ingediende grensoverschrijdende aanvragen en het aantal door de beslissende instantie ondernomen acties opgenomen. De belangrijkste conclusie is dat er tot dusver nog slechts zeer weinig gevallen zijn.
Lidstaat | Aantal grensoverschrijdende aanvragen (optredend als assistentieverlenende/beslissende instantie)[13] |
België | 1 geval / 22 gevallen |
Bulgarije | (nog geen gegevens) |
Tsjechië | 0 gevallen / 3 gevallen |
Denemarken | 2 gevallen / 2 gevallen |
Duitsland | (geen gegevens) |
Estland | 3 gevallen / 4 gevallen |
Griekenland | (niet omgezet) |
Spanje | (geen gegevens over de assistentieverlenende instantie) / 48 gevallen |
Frankrijk | (geen gegevens over de assistentieverlenende instantie) / 28 gevallen |
Ierland | 1 geval / 31 gevallen |
Italië | (geen instanties) |
Cyprus | (geen gegevens over de assistentieverlenende instantie) / 2 gevallen |
Letland | 2 gevallen / 1 geval |
Litouwen | 3 gevallen / 0 gevallen |
Luxemburg | 0 gevallen / 1 geval |
Hongarije | 0 gevallen / 0 gevallen |
Malta | 0 gevallen / (geen gegevens over de beslissende instantie) |
Nederland | 39 gevallen / 3 gevallen |
Oostenrijk | (geen gegevens over de assistentieverlenende instantie) / 3 gevallen |
Polen | 5 gevallen / 5 gevallen |
Portugal | (geen gegevens over de assistentieverlenende instantie) / 3 gevallen |
Roemenië | 1 geval / 0 gevallen |
Slovenië | 0 gevallen / 1 geval |
Slowakije | 0 gevallen / 0 gevallen |
Finland | 6 gevallen / 1 geval |
Zweden | 7 gevallen / 14 gevallen |
Verenigd Koninkrijk | Ongeveer 100 gevallen / (geen gegevens over de beslissende instantie) |
Dat bepaalde relevante gegevens niet beschikbaar zijn, lijkt volgens de studie te wijten aan het feit dat sommige lidstaten de richtlijn nog maar recentelijk hebben uitgevoerd. Andere lidstaten hebben bij de uitvoering hindernissen ondervonden, waaronder de taal, een gebrek aan kennis van de rechtsstelsels en de juridische procedures van andere lidstaten, en uiteenlopende standpunten over snelheid en doeltreffendheid. Deze respondenten hebben eveneens opgemerkt dat er weinig succesvolle gevallen konden worden gemeld.
Naast de statistische resultaten volgen hieronder de voornaamste vaststellingen op basis van de studie:
3.3.1. Doeltreffendheid van de richtlijn
De beslissende en assistentieverlenende instanties waren over het algemeen positief over de werking van het huidige systeem alsook over de centrale contactpunten, het gebruik van standaardformulieren, talen en het gebruik van communicatietechnologie. De relatief lage respons deed echter vragen rijzen over de mate waarin de respondenten het systeem werkelijk hebben gebruikt.
In het algemeen beschouwden de beslissende en assistentieverlenende instanties hun voornaamste gesprekspartners als doeltreffend. Weinig respondenten waren kritisch over hun officiële tegenhangers. Ook de centrale contactpunten kregen positieve beoordelingen.
De aanvragers waren daarentegen veel minder positief over de procedure dan de instanties. Zij vonden de aanvraagprocedure ingewikkeld en tijdrovend. Taalbarrières, gebrek aan informatie en juridisch advies werden als belangrijke problemen aangemerkt. Derhalve blijk dat, ondanks de vereisten van artikel 11 van de richtlijn, taalbarrières – en communicatie in het algemeen – een belangrijk probleem blijven in de aanvraagprocedure.
3.3.2. Werklast en beslissingen
Tijdens de verslagperiode was het voor de gehele EU geschatte aantal aanvragen in het kader van de richtlijn zeer laag, zoals blijkt uit de tabel hierboven. Er zijn echter aanwijzingen dat het aantal aanvragen, verhoren en verzoeken om informatie tussen 2006 en 2008 aanzienlijk is gestegen. Ondanks de stijging van het aantal aanvragen bleef het succespercentage ongeveer gelijk (ongeveer 10 %). Volgens de studie zijn de absolute bedragen, zowel de gevraagde als de uitbetaalde, aanzienlijk gestegen. Als een percentage van het gevraagde bedrag zijn de betalingen meestal zeer uiteenlopend, naargelang van jaar en plaats.
3.3.3. Organisatie en communicatie
In de studie wordt erop gewezen dat de mogelijkheden om aanvragen en beslissingen te verwerken en te verzenden in de Unie zeer erg verschillen. Gemiddeld neemt het verzenden van een aanvraag ongeveer vier weken in beslag en het ontvangen door de beslissende instantie ongeveer twee weken. Verzoeken om follow-up informatie kunnen tot vier maanden in beslag nemen.
Het gebruik van communicatietechnologie lijkt te hebben bijgedragen tot de stijging van het aantal verhoren, maar niet substantieel. In 2006 vonden in ongeveer 10 % van de gevallen verhoren plaats, en in 2007 in 19 % van de gevallen. Er waren een paar gevallen waarin tele- of videoconferenties moeilijkheden veroorzaakten. Een belangrijke minderheid van de beslissende instanties (een kwart) was ook bereid e-mail en fax te gebruiken.
Ten slotte verklaarde de meerderheid van de respondenten dat zij tevreden waren over het taalgebruik. Een belangrijke minderheid (ongeveer een kwart) heeft echter zijn bezorgdheid geuit, en er werden verscheidene suggesties geformuleerd over de wijze waarop de situatie kon worden verbeterd, onder meer het gebruik van tolken die naar hun moedertaal vertalen.
3.3.4. Uitvalpercentage
Op grond van het in de context van de studie beschikbare bewijsmateriaal is het waarschijnlijk dat slechts een relatief klein aantal slachtoffers een aanvraag heeft ingediend voor grensoverschrijdende schadeloosstelling.
Mogelijke verklaringen zijn onwetendheid over het bestaan van de regelingen en het niet bereid zijn samen te werken met de instantie die de vorderingen behandelt (de assistentieverlenende instantie). Bovendien kunnen ook contextuele factoren tot het hoge uitvalpercentage tijdens de procedure hebben geleid bijvoorbeeld waargenomen taalbarrières, ontbreken van een centrale informatiebron en betrokkenheid van twee instanties[14].
3.4. Schadeloosstellingsregelingen van lidstaten (artikel 12)
3.4.1. Bestaan van nationale schadeloosstellingsregelingen
Artikel 12 vereist ten eerste dat de lidstaten in hun nationale wetgeving voorzien in een schadeloosstellingsregeling voor slachtoffers van op hun grondgebied gepleegde opzettelijke geweldmisdrijven.
Alle lidstaten behalve Griekenland lijken aan deze verplichting te voldoen.
3.4.2. De onder de regelingen vallende gebeurtenissen die slachtoffers schade toebrengen en de "billijke en passende schadeloosstelling" vereist door artikel 12
De studie en de website van het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken[15] bevatten een aanzienlijke hoeveelheid informatie over nationale schadeloosstellingsregelingen. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de huidige praktijken van de nationale schadeloosstellingsregelingen, en met name twee belangrijke aspecten daarvan, te weten de kwestie van de gebeurtenissen die slachtoffers schade toebrengen en de kwestie van de "billijke en passende schadeloosstelling".
Alle lidstaten behalve Griekenland voorzien in schadeloosstelling voor slachtoffers van opzettelijke misdrijven tegen personen. Met betrekking tot de familieleden van slachtoffers van opzettelijke misdrijven tegen personen die leiden tot de dood van het slachtoffer, is de verhouding tussen de regelingen die dodelijke letsels dekken en de regelingen die dat niet doen 2:1. De meerderheid van de lidstaten sluit onopzettelijke letsels uit, zowel ten aanzien van slachtoffers als ten aanzien van hun familieleden.
De grote meerderheid van de lidstaten voorziet in schadeloosstelling van zowel letsels als overlijden. De grote meerderheid van lidstaten neemt ook ziekte en mentale letsels op in hun regelingen.
In de meeste gevallen komen zowel slachtoffers als hun naaste familieleden (wanneer het misdrijf doodslag of moord is) voor schadeloosstelling in aanmerking.
Op twee na leggen alle lidstaten een termijn vast voor het invullen en indienen van een aanvraag tot schadeloosstelling en de meeste lidstaten (3:1) bepalen dat die termijn in bepaalde omstandigheden kan worden verlengd. Die omstandigheden houden grotendeels verband met de medische consequenties van het misdrijf voor het slachtoffer.
De meerderheid van de lidstaten (2:1) legt daarentegen geen financiële minimumdrempel op voor schadeloosstelling, en in het geval waarin dat toch gebeurd is, lopen die minima sterk uiteen.
Aangezien in geen van de regelingen het voltooien van de strafprocedure of de identificatie van de dader als voorwaarde wordt gesteld om voor schadeloosstelling in aanmerking te komen, is het in bijna alle regelingen vereist dat het slachtoffer het misdrijf bij de politie aangeeft. In ongeveer de helft van de regelingen wordt echter een termijn opgelegd waarbinnen een dergelijke aangifte moet worden gedaan. Wanneer in een termijn is voorzien, zijn de regelingen ook ongeveer gelijk verdeeld over de kwestie of die termijn kan worden verlengd.
Bijna alle regelingen bevatten een bepaling op grond waarvan slachtoffers die op een bepaalde manier tot de omstandigheden hebben bijgedragen waarin zij een letsel hebben opgelopen, minder of helemaal geen schadeloosstelling kunnen krijgen. In de grote meerderheid (4:1) van de regelingen worden slachtoffers die een strafblad hebben echter niet om die reden (geheel of gedeeltelijk) uitgesloten van schadeloosstelling.
In het onderzoek werd gevraagd of de respondenten vonden dat hun regelingen, zoals de richtlijn vereist, voorzagen in een "billijke en passende schadeloosstelling". Deze vraag werd door minder dan de helft van de beslissende instanties beantwoord. De instanties die dat deden, beweerden dat hun regelingen aan deze norm voldeden.
Aan de respondenten werd een aantal vragen gesteld over de vaststelling en reikwijdte van de schadeloosstelling waarin hun regelingen voorzien. Voor de meerderheid van de respondenten (2:1) is de vaststelling van de schadeloosstelling gebaseerd op hun nationaal recht betreffende schadeloosstelling voor letsels of overlijden. Sommige regelingen hanteren een tarief dat een financiële waarde kleeft op specifieke letsels.
Naast niet-financiële schade voorziet de grote meerderheid van de regelingen in schadeloosstelling voor financiële schade die voortkomt uit letsels (bijvoorbeeld gederfde inkomsten), en in de meeste regelingen is in schadeloosstelling voorzien voor arbeidsongeschiktheid op langere termijn. Voorts voorziet de meerderheid van de regelingen in schadeloosstelling voor personen ten laste zowel voor niet-financieel (verlies van een dierbare) en als voor financieel verlies (verlies van levensonderhoud).
De meerderheid van de regelingen (4:1) legt in elk geval een bovengrens op voor de totale schadeloosstelling. Over de vraag of er een bovengrens moet zijn voor het vergoeden van gederfde inkomsten, zijn de regelingen in gelijke mate verdeeld.
Een aanvrager kan ook een beroep doen op twee andere bronnen van schadeloosstelling: de eerste is vergoeding door de dader. Het nationale recht kan erin voorzien dat de instantie die de vordering behandelt, gesubrogeerd wordt in de burgerrechtelijke vordering van het slachtoffer tegen de dader. Uit het overzicht blijkt dat een kleine meerderheid van de nationale regelingen niet vereist dat slachtoffers zelf redelijke stappen ondernemen om zich door de dader te laten vergoeden. De tweede bron zijn nevenvoordelen die door de staat, de werkgever van de aanvrager of op grond van eigen verzekeringspolissen worden uitgekeerd. Aangaande dit punt waren de respondenten het erover eens dat de regelingen dubbele vergoeding mogen uitsluiten.
Ook al zijn de schadeloosstellingsregelingen ingewikkeld en kunnen hun kenmerken van lidstaat tot lidstaat verschillen, toch lijken alle onderzochte lidstaten een werkende regeling inzake de schadeloosstelling van slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven te hebben vastgesteld.
Wat de vereiste van een billijke en passende schadeloosstelling betreft, waren de respondenten in het onderzoek het erover eens dat de lidstaten de bepaling inzake een "billijke en passende schadeloosstelling voor slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven" in aanzienlijke mate naleefden:
- alle respondenten hebben verklaard dat er is voorzien in schadeloosstelling van slachtoffers van opzettelijke misdrijven tegen personen;
- de meerderheid van de lidstaten sluit onopzettelijke letsels uit van de schadeloosstellingsregeling;
- de grote meerderheid van de lidstaten voorziet in schadeloosstelling voor zowel letsels als overlijden;
- er bestaat ook consensus over het feit dat ziekte en mentale letsels onder de regelingen moeten vallen;
- de minimumnorm die bepaalt dat zowel slachtoffers als hun naaste familieleden (wanneer het misdrijf moord of doodslag is) voor schadeloosstelling in aanmerking moeten komen, wordt in grote mate nageleefd;
- op twee na hebben alle beslissende instanties gemeld dat zij een termijn opleggen voor het invullen en indienen van een aanvraag tot schadeloosstelling;
- bijna alle regelingen bevatten een bepaling dat slachtoffers die bijdragen tot de omstandigheden waarin zij een letsel hebben opgelopen, minder of helemaal geen schadeloosstelling kunnen krijgen;
- de grote meerderheid is van mening (niet voorgesteld in de minimumnormen) dat slachtoffers die een strafblad hebben, niet om die reden uitgesloten moeten worden van schadeloosstelling;
- de grote meerderheid van de regelingen voorziet in schadeloosstelling voor financiële schade die voortvloeit uit de letsels en de meeste regelingen voorzien in schadeloosstelling voor arbeidsongeschiktheid op langere termijn;
- sommige regelingen hanteren een tarief dat een financiële waarde kleeft op specifieke letsels;
- de meerderheid van de regelingen legt in elk geval een bovengrens op voor de totale schadeloosstelling.
4. DE UITVOERINGSBEPALINGEN ONDER HOOFDSTUK III VAN DE RICHTLIJN
Artikel 13, lid 1, vereist dat de lidstaten de Commissie de lijst van de assistentieverlenende en beslissende instanties, de in artikel 11 bedoelde talen, de op grond van artikel 4 ter beschikking gestelde informatie en de formulieren voor het aanvragen van schadeloosstelling meedelen.
13 lidstaten hebben alle gevraagde gegevens meegedeeld: België, Tsjechië, Denemarken, Ierland, Frankrijk, Letland, Hongarije, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slowakije, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. De andere lidstaten moeten nog bepaalde gegevens aanvullen.
Op basis daarvan heeft de Commissie een handleiding met deze informatie samengesteld overeenkomstig artikel 13, lid 2. De handleiding is vertaald in alle talen en op het internet in de atlas gepubliceerd. Zij wordt regelmatig bijgewerkt op basis van door de lidstaten meegedeelde aanvullingen en wijzigingen.
De in artikel 14 bedoelde standaardformulieren voor toezending van aanvragen en beslissingen werden op 19 april 2006 vastgesteld in Besluit 2006/337/EG van de Commissie[16].
De in artikel 16 vermelde centrale contactpunten zijn één keer bijeengekomen, op 23 oktober 2008.
5. CONCLUSIES
Op grond van deze bevindingen komt de Commissie tot de volgende conclusies betreffende de toepassing van de richtlijn:
- Met betrekking tot de door de richtlijn vereiste nationale schadeloosstellingsregelingen, blijken de lidstaten in een billijke en passende schadeloosstelling voor slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven te voorzien. Op dit punt lijken de lidstaten de richtlijn in grote mate na te leven.
- Wat de procedurele aspecten van de richtlijn voor grensoverschrijdende gevallen betreft, zijn de beslissende en assistentieverlenende instanties zeer positief over de werking van het huidige systeem, met inbegrip van de centrale contactpunten, het gebruik van standaardformulieren, talen en het gebruik van communicatietechnologie. De aanvragers zijn echter minder positief over de procedure dan de instanties. Veel aanvragers vinden de aanvraagprocedure ingewikkeld en tijdrovend en vinden dat taalbarrières – en communicatie in het algemeen – een belangrijke hinderpaal zijn voor het vergemakkelijken van de aanvraagprocedure voor slachtoffers.
De Commissie is daarom van mening dat de werking van de richtlijn moet worden verbeterd met betrekking tot de volgende aspecten van de toepassing ervan:
- De lidstaten moeten gegevens over de toepassing van de richtlijn verzamelen om de doeltreffendheid van de procedure beter te kunnen beoordelen.
- De lidstaten moeten – voor zover mogelijk – ervoor zorgen dat aan de burgers meer informatie over de richtlijn en over de nationale schadeloosstellingsregelingen wordt verstrekt aangezien te weinig potentiële aanvragers op de hoogte blijken te zijn van hun rechten.
- Voorts moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de taalvereisten van de richtlijn worden nageleefd om de meest doeltreffende procedures voor de aanvragers te waarborgen.
- Ten slotte zijn duidelijkheid en doorzichtigheid over de belangrijkste elementen van nationale schadeloosstellingsregelingen belangrijk. Dit is met name het geval voor de vraag welke inbreuken en letsels onder de regelingen vallen. De atlas en de website van het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken bevatten reeds een aanzienlijke hoeveelheid informatie over de nationale schadeloosstellingsregelingen. Er moet echter worden nagegaan of inspanningen nodig zijn om de informatie die op deze websites over de richtlijn en de nationale schadeloosstellingsregelingen beschikbaar is, verder te verbeteren.
Omdat de richtlijn nog niet zo lang wordt toegepast en de praktische ervaring bijgevolg beperkt is, zal de Commissie geen wijzigingen van de richtlijn voorstellen. Zij is echter van oordeel dat de uitvoering op basis van de huidige bepalingen kan worden verbeterd. Voorts zal de Commissie haar bevoegdheden in het kader van het Verdrag gebruiken om de eventueel onvolledige maatregelen te vervolledigen.
- [1] PB L 261 van 6.8.2004, blz. 15. Er zij opgemerkt dat de rechtsgrondslag van de richtlijn artikel 308 van het EG-Verdrag is. Derhalve is de richtlijn van toepassing in alle lidstaten, met inbegrip van Denemarken, dat niet valt onder communautaire maatregelen op het gebied van civiel recht die overeenkomstig Titel IV van het EG-Verdrag zijn vastgesteld.
[2] Volgens artikel 18, lid 1, van de richtlijn moesten de lidstaten de richtlijn uiterlijk op 1 januari 2006 uitvoeren.
[3] De bijlagen bij dit verslag zijn opgenomen in werkdocument nr. … van de diensten van de Commissie.
[4] "Matrix Insight: The application of Directive 2004/80/EC relating to compensation to crime victims EMPIRICAL REPORT", 12 december 2008 , en "Analysis of the application of Directive 2004/80/EC relating to compensation to crime victims SYNTHESIS REPORT", 12 december 2008 (hierna "de studie" genoemd). De studie is beschikbaar op: http://ec.europa.eu/justice_home/doc_centre/civil/studies/doc_civil_studies_en.htm.
[5] http://ec.europa.eu/justice_home/judicialatlascivil/html/cv_information_nl.htm.
[6] Voor Bulgarije en Roemenië was de uiterste datum 31 december 2006.
[7] Zie werkdocument nr. … van de diensten van de Commissie.
[8] Zaak C-2007/026, Commissie/Griekenland, arrest van 18 juli 2007.
[9] Zij zijn ook opgenomen in hoofdstuk 9.2 van "Analysis of the application of Directive 2004/80/EC relating to compensation to crime victims – SYNTHESIS REPORT", 12 december 2008.
[10] Zie werkdocument nr. … van de diensten van de Commissie.
[11] Zie werkdocument nr. … van de diensten van de Commissie.
[12] In het door de contractant gevoerde onderzoek heeft de meerderheid van de respondenten ervoor gekozen de vragen over aanvragen, verzoeken om informatie, beslissingen, verhoren enz., niet te beantwoorden. Daarom zijn de gegevens voor de gehele EU over deze aangelegenheden bij benadering gegeven.
[13] De tijdvakken waarop de beschikbare gegevens betrekking hebben, variëren. De aantallen zijn gebaseerd op de studie en op de op de bijeenkomst van de centrale contactpunten van 23 oktober 2008 ontvangen gegevens.
[14] In de studie worden nog andere, meer algemene redenen voor het hoge uitvalpercentage (dat wil zeggen het percentage van terugtrekking) vermeld.
[15] http://ec.europa.eu/civiljustice/comp_crime_victim/comp_crime_victim_gen_nl.htm.
[16] PB L 125 van 12.5.2006, blz. 25.
| Naar boven |