52004DC0054

Verslag van de Commissie op grond van artikel 18 van het kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure {SEC(2004)102} /* COM/2004/0054 def. */


VERSLAG VAN DE COMMISSIE op grond van artikel 18 van het kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure {SEC(2004)102}

1. Inleiding

1.1. Achtergrond

Krachtens artikel 18 van het kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure [1] dient de Commissie een verslag op te stellen over de maatregelen die de lidstaten hebben getroffen om dit kaderbesluit na te leven.

[1] PB L 82 van 22.3.2001, blz. 1.

Artikel 17 van het kaderbesluit van 15 maart 2001 verplicht de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om dit kaderbesluit na te leven en dit uiterlijk

- op 22 maart 2006 voor wat artikel 10 betreft,

- op 22 maart 2004 voor wat de artikelen 5 en 6 betreft,

- op 22 maart 2002 voor wat de overige bepalingen betreft.

Volgens artikel 18 moeten de lidstaten tegen deze data aan het secretariaat-generaal van de Raad en aan de Commissie de tekst meedelen van de voorschriften waarmee zij hun verplichtingen uit hoofde van dit kaderbesluit in nationaal recht omzetten. De Raad beoordeelt binnen een termijn van een jaar volgend op die data de maatregelen die de lidstaten hebben getroffen om dit kaderbesluit na te leven, aan de hand van een verslag dat door het secretariaat-generaal van de Raad wordt opgesteld op basis van de gegevens van de lidstaten en een schriftelijk verslag van de Commissie.

Op 22 maart 2002 had echter geen enkele lidstaat de tot omzetting van dit kaderbesluit getroffen maatregelen aan de Commissie meegedeeld. Enkel Zweden heeft op 25 maart 2002 van zich laten horen. Op 31 december 2002 hadden slechts negen lidstaten (België, Duitsland, Finland, Ierland, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Zweden) een dergelijke mededeling gedaan.

Aangezien de waarde van dit verslag in grote mate afhangt van de kwaliteit en de nauwkeurigheid van de aan de Commissie toegezonden nationale gegevens, zou het geen zin hebben gehad op basis van deze gegevens een verslag op te stellen. Op 7 januari 2003 heeft de Commissie derhalve een herinnering gezonden aan alle lidstaten die hun verplichting niet waren nagekomen. Het opstellen van het verslag werd aldus uitgesteld tot 25 maart 2003. Op basis van de in het kaderbesluit en de herinnering gestelde termijnen heeft de Commissie besloten dat eventuele antwoorden die na deze datum zouden worden ontvangen, niet meer in het verslag zouden worden verwerkt. Dit verslag schetst dus de stand van zaken met betrekking tot de omzetting per 25 maart 2003. Sommige lidstaten hebben na die datum verdere gegevens verstrekt, die in een extra verslag zullen worden verwerkt.

Bij de afronding van dit verslag hadden slechts tien lidstaten (België, Duitsland, Finland, Ierland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Zweden) een relatief volledige bijdrage betreffende de omzetting van het kaderbesluit in hun nationale wetgeving gezonden. Denemarken heeft geen bijdrage gezonden. Griekenland heeft bij schrijven van 20 januari 2003 verklaard dat een comité was belast met het onderzoek en de uitwerking van de noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen en zijn werkzaamheden in de komende maanden zou beëindigen. Frankrijk heeft de nationale omzettingsmaatregelen van het kaderbesluit niet artikel per artikel opgesomd. Nederland en het Verenigd Koninkrijk hebben de teksten waarmee de bepalingen van het kaderbesluit worden omgezet niet bij hun verslag gevoegd. De navolgende analyse kan dan ook niet anders dan onvolledig zijn. Het leek echter niet gerechtvaardigd het verslag nog langer uit te stellen.

Ten slotte dient te worden opgemerkt dat in de inleiding van het verslag van het Verenigd Koninkrijk wordt vermeld dat het betrekking heeft op Engeland, Wales, Schotland en Noord-Ierland. Het Verenigd Koninkrijk heeft evenwel nog een aanvullende bijdrage gezonden betreffende de omzetting van het kaderbesluit in Schotland. De Schotse regeling wordt besproken voorzover zij afwijkt van de in het verslag van het Verenigd Koninkrijk vermelde bepalingen.

1.2. Evaluatiemethode en -criteria voor dit kaderbesluit

1.2.1. Kaderbesluiten op grond van artikel 34, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de Europese Unie

Het onderhavige kaderbesluit is gegrond op het Verdrag betreffende de Europese Unie en met name op artikel 31 en artikel 34, lid 2, onder b).

Het rechtsinstrument dat het best met het kaderbesluit kan worden vergeleken, is de richtlijn [2]. Beide instrumenten zijn verbindend voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Kaderbesluiten hebben geen rechtstreekse werking. De Commissie kan zich echter niet tot het Hof van Justitie wenden - ten minste niet bij de huidige stand van het recht van de Europese Unie - om een lidstaat te dwingen een kaderbesluit om te zetten. Bij het Hof kan echter wel een geschil tussen twee lidstaten aanhangig worden gemaakt betreffende de uitlegging of de toepassing (met inbegrip van de omzetting) van een kaderbesluit [3]. De eventuele uitoefening van dit vorderingsrecht vereist een solide feitelijke basis: het verslag van de Commissie, dat op grond van de meegedeelde informatie is opgesteld, kan helpen om deze te vormen.

[2] Artikel 249 van het EG-Verdrag.

[3] Artikel 35, lid 7, van het EU-Verdrag.

1.2.2. Evaluatiecriteria

Om objectief te kunnen beoordelen of een kaderbesluit integraal door een lidstaat is uitgevoerd, moeten bepaalde algemene criteria, die om analoge redenen voor richtlijnen werden uitgewerkt, mutatis mutandis op kaderbesluiten worden toegepast. Het betreft met name de volgende criteria:

(a) de vorm en de middelen voor omzetting moeten zo worden gekozen dat het nuttig effect van de richtlijn, gelet op haar voorwerp, wordt verzekerd [4];

[4] Zie de jurisprudentie betreffende de uitvoering van richtlijnen: zaak 48/75, Royer, Jurispr. 1976, blz. 497-518.

(b) de lidstaten moeten richtlijnen ten uitvoer leggen op een wijze die volledig aan de eisen van de rechtszekerheid voldoet en moeten bijgevolg de bepalingen van de richtlijnen omzetten in dwingende bepalingen van intern recht [5];

[5] Zie de jurisprudentie betreffende de uitvoering van richtlijnen: zaak 239/85, Commissie/België, Jurispr. 1986, blz. 3645-3659. Zie ook zaak 300/81, Commissie/Italië, Jurispr. 1983, blz. 449-456.

(c) de omzetting van een richtlijn vereist niet noodzakelijkerwijs het exact overschrijven ervan in een uitdrukkelijke nationale rechtsbepaling; het bestaan van algemene rechtsbeginselen (die bijvoorbeeld voortvloeien uit reeds geldende maatregelen) kan volstaan voorzover deze beginselen daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn verzekeren en een rechtssituatie creëren die voldoende bepaald en duidelijk is [6];

[6] Zie de jurisprudentie betreffende de uitvoering van richtlijnen, bijvoorbeeld: zaak 29/84, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1985, blz. 1661-1673.

(d) de richtlijnen moeten ten uitvoer worden gelegd binnen de hiervoor bepaalde termijn [7].

[7] Zie de jurisprudentie betreffende de uitvoering van richtlijnen, bijvoorbeeld: zaak 52/75, Commissie/Italië, Jurispr. 1976, blz. 277-284; zie algemeen de jaarlijkse verslagen van de Commissie over de controle op de toepassing van het gemeenschapsrecht, bijvoorbeeld COM(2001)309 definitief.

Beide instrumenten zijn verbindend voor de lidstaten "ten aanzien van het te bereiken resultaat". Er kan worden gesteld dat het resultaat - in rechte of in feite - de belangen die deze instrumenten krachtens het Verdrag moeten dienen, tot hun recht moeten laten komen [8].

[8] P.J.G. Kapteyn en P. Verloren van Themaat, "Introduction to the law of the European Communities", 3de uitgave, 1998, blz. 328.

De algemene evaluatie van de naleving van het kaderbesluit door de lidstaten, waarin artikel 18 voorziet, moet zoveel mogelijk op deze criteria worden gebaseerd, waarbij rekening moet worden gehouden met de hiervoor aangehaalde verschillen.

1.2.3. Context van de evaluatie

Met betrekking tot de aard van het gebied waarop de regelgeving betrekking heeft, dient de volgende opmerking te worden gemaakt. Het kaderbesluit heeft betrekking op de definitie van een algemene status van slachtoffers, die een eenvormige bescherming van hoog niveau waarborgt. Hoewel de meeste regelingen op hetzelfde neerkomen, bestaan er nog steeds verschillen tussen de rechtsstelsels van de lidstaten. Bij de opname van de bepalingen betreffende de status van slachtoffers wordt derhalve rekening gehouden met de bijzonderheden van elk stelsel. Bovendien laat de formulering van het kaderbesluit de lidstaten een grote bewegingsvrijheid voor de omzetting. Om deze reden wordt met betrekking tot deze algemene strafrechtelijke kwesties indien nodig het algemeen strafrechtelijk kader in de lidstaten in aanmerking genomen bij de evaluatie van de mate waarin de lidstaten de nodige voorschriften hebben aangenomen om het kaderbesluit na te leven.

1.3. Algemeen doel van het kaderbesluit

Overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 heeft het kaderbesluit van 15 maart 2001 algemeen tot doel in de gehele Europese Unie een vergelijkbaar hoog beschermingsniveau voor slachtoffers te creëren en te waarborgen, ongeacht in welke lidstaat zij zich bevinden. De lidstaten dienen hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen onderling aan te passen voorzover dit nodig is ter verwezenlijking van dit doel [9]. Er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan het recht van het slachtoffer met respect te worden bejegend, te spreken en geïnformeerd te worden, te begrijpen en begrepen te worden, en beschermd te worden in de verschillende fasen van de procedure; ook moet rekening worden gehouden met het nadelige feit dat het slachtoffer in een andere lidstaat verblijft dan die waar het misdrijf is gepleegd [10]. Daarom zijn de bepalingen van dit kaderbesluit niet beperkt tot de behartiging van de belangen van het slachtoffer in het kader van de strafprocedure sensu stricto. Zij behelzen ook een aantal maatregelen voor bijstand aan slachtoffers vóór, tijdens of na de strafprocedure, die de effecten van het misdrijf kunnen verlichten [11].

[9] Vierde overweging van de considerans van het kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001.

[10] Achtste overweging van de considerans van het kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001.

[11] Zesde overweging van de considerans van het kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001.

Er is derhalve een onderlinge aanpassing nodig van de voorschriften en praktijken met betrekking tot de status en de voornaamste rechten van het slachtoffer, met bijzondere aandacht voor het recht van het slachtoffer met respect te worden bejegend, te spreken en geïnformeerd te worden, te begrijpen en begrepen te worden, en beschermd te worden in de verschillende fasen van de procedure; ook moet rekening worden gehouden met het nadelige feit dat het slachtoffer in een andere lidstaat verblijft dan die waar het misdrijf is gepleegd [12].

[12] Achtste overweging van de considerans van het kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001.

De bepalingen van het kaderbesluit verplichten de lidstaten echter niet de slachtoffers een behandeling te garanderen die gelijkwaardig is aan die van de procespartijen [13].

[13] Negende overweging van de considerans van het kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001.

1.4. Algemene doelstelling van het onderhavige verslag

Aan de hand van dit verslag moet de Raad kunnen beoordelen in welke mate de lidstaten de nodige voorschriften hebben aangenomen om het kaderbesluit na te leven.

2. Artikelsgewijze analyse van de nationale maatregelen tot uitvoering van het kaderbesluit

De navolgende analyse is gebaseerd op de door de lidstaten meegedeelde maatregelen (zie de bij het onderhavige verslag gevoegde tabel).

Artikel 1: Begripsomschrijvingen

Enkel Finland, Italië, het Verenigd Koninkrijk en Zweden hebben aan het eerste artikel aandacht besteed. Italië stelt dat een eenvoudige begrippenlijst niet in de nationale rechtsorde dient te worden omgezet. Aangezien het doel van een kaderbesluit de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten is, is het echter nodig dat de lidstaten dezelfde terminologische basis hebben. Anders zou immers de doeltreffendheid van het kaderbesluit nadelig kunnen worden beïnvloed. Bij het onderzoek van de meegedeelde nationale bepalingen zijn evenwel geen terminologische verschillen met deze werking aan het licht gekomen. Het Verenigd Koninkrijk heeft een ruime definitie van het begrip "slachtoffer" uitgewerkt, die het slachtoffer, zijn ouders, zijn eventuele voogd en, bij moord, de naaste vrienden van het slachtoffer omvat. Deze definitie vormt geen probleem voor de conformiteit, aangezien zij aan de minimumvereisten van de definitie van het begrip "slachtoffer" in het kaderbesluit voldoet. Bovendien breidt artikel 8, lid 2, van het kaderbesluit de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de goede naam uit tot de familie van het slachtoffer of daarmee gelijkgestelde personen.

Artikel 2: Respect en erkenning

Het eerste lid van artikel 2 van het kaderbesluit verwijst naar de achtste overweging van de considerans, die bepaalt dat er "een onderlinge aanpassing nodig [is] van de voorschriften en praktijken met betrekking tot de status en de voornaamste rechten van het slachtoffer, met bijzondere aandacht voor het recht van het slachtoffer met respect te worden bejegend". Deze bepaling verwoordt derhalve het algemene doel dat door de auteurs van het besluit wordt nagestreefd: het waarborgen van een werkelijke status voor slachtoffers in het kader van de strafprocedure.

Sommige lidstaten (België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal, Zweden) hebben uitdrukkelijk naar artikel 2, lid 1, verwezen. Gelet op de voornamelijk declaratieve functie van dit lid, kan slechts geconcludeerd worden dat een lidstaat een werkelijke status voor slachtoffers in de zin van het kaderbesluit heeft gecreëerd wanneer alle artikelen van het kaderbesluit correct zijn omgezet. Zoals hierna uit de analyse blijkt, kan geen enkele lidstaat beweren dat hij het geheel van de uit het kaderbesluit voortvloeiende verplichtingen heeft omgezet.

Het tweede lid heeft betrekking op bijzonder kwetsbare slachtoffers, voor wie de lidstaten een "een specifieke behandeling (...) die zo goed mogelijk aan hun situatie beantwoordt" moeten waarborgen.

Om te beginnen kan worden opgemerkt dat de werkingssfeer van de meegedeelde beschermingsmaatregelen verschilt naargelang de invulling die aan het (in het kaderbesluit niet-gedefinieerde) begrip van "bijzonder kwetsbare slachtoffers" is gegeven.

* Enkele staten, zoals Frankrijk, Italië of het Verenigd Koninkrijk, hebben personen die als kwetsbaar worden beschouwd vanwege hun fysieke of mentale zwakheid (minderjarigen of fysiek gehandicapten) speciaal beschermd.

* Staten zoals Finland, Nederland of Spanje hebben zich daarentegen gericht op situaties die een dergelijke zwakheid kunnen veroorzaken (huiselijk geweld, terrorisme).

* Een aantal staten heeft ten slotte geopteerd voor een ruimere bescherming die alle soorten personen en situaties omvat. Duitsland voorziet bijvoorbeeld in de opname van de getuigenis van een slachtoffer wanneer blijkt dat hij of zij niet in staat zal zijn om ter zitting te verschijnen en zijn of haar medewerking nodig is om de waarheid aan het licht te brengen.

Ook de middelen om deze bijzonder kwetsbare slachtoffers te beschermen verschillen: in verschillende gevallen is voorzien in de geluidsopname of audiovisuele opname van de getuigenis (België, Duitsland, Luxemburg, Oostenrijk, Verenigd Koninkrijk) [14], terwijl Finland en Spanje enkel het bestaan van financiële steun voor deze getuigen vermelden.

[14] Betreffende de geluidsopname of audiovisuele opname van getuigenissen: zie de opmerkingen bij artikel 8, lid 4.

Meer specifiek kunnen betreffende de antwoorden van bepaalde lidstaten de volgende opmerkingen worden gemaakt:

Griekenland heeft geen omzettingsbepaling voor artikel 2, lid 2, van het kaderbesluit meegedeeld.

Het Ierse ministerie van Justitie heeft een Handvest van het slachtoffer gepubliceerd, dat het strafrechtsstelsel beschrijft vanuit het oogpunt van het slachtoffer. Er is uitdrukkelijk bepaald dat dit Handvest slechts een leidraad is en niet tot doel heeft de erin aangehaalde wetgeving te interpreteren of rechten toe te kennen [15]. Anderzijds heeft artikel 3-5 van de wet van 1996 uitsluitend betrekking op slachtoffers van huiselijk geweld, zodat een groot aantal categorieën van kwetsbare personen zonder gepaste bescherming blijft.

[15] Bladzijde 5 van het Handvest van het slachtoffer.

De door Frankrijk verrichte omzetting, zoals zij uit de door de Commissie ontvangen documenten blijkt, heeft enkel betrekking op de bescherming van informatie betreffende minderjarigen.

Ten slotte lijkt er in het Verenigd Koninkrijk niet veel aandacht te zijn voor bijzonder kwetsbare slachtoffers, behalve in Schotland, waar uiteenlopende maatregelen zijn voorzien die hen moeten beschermen tegen de druk die tijdens een strafprocedure van verschillende kanten wordt uitgeoefend. De door Schotland meegedeelde wetgevende maatregelen zijn evenwel nog niet van kracht: de "Sexual Offences (Procedure and Evidence) (Scotland) Act" wacht bijvoorbeeld nog op koninklijke goedkeuring. Het zou dus goed zijn om op de hoogte te worden gehouden van de actuele juridische waarde van deze maatregelen. Voor andere ter bescherming van deze slachtoffers ondernomen acties, zoals de oprichting van gespecialiseerde politiediensten, is geen rechtsgrondslag meegedeeld.

In de meerderheid van de lidstaten is de bescherming van bijzonder kwetsbare slachtoffers weliswaar gewaarborgd, maar het juridisch dwingend karakter van bepaalde maatregelen is twijfelachtig.

Artikel 3: Hoor en bewijslevering

Artikel 3, lid 1: het horen van de slachtoffers

Betreffende de maatregelen die de mogelijkheid van slachtoffers om tijdens de procedure gehoord te worden moeten waarborgen, kunnen een aantal opmerkingen worden gemaakt.

* De meeste landen (België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje) maken melding van de mogelijkheid voor het slachtoffer om als burgerlijke partij op te komen. Op deze manier maakt het slachtoffer deel uit van de strafprocedure en heeft hij of zij een aantal rechten, zoals het recht om het horen van getuigen te vragen (met name in Finland, Frankrijk en Luxemburg).

* Ook het indienen van memories is een middel dat de lidstaten vaak gebruiken om het slachtoffer de mogelijkheid te geven zijn vordering uitvoeriger uiteen te zetten.

* Betreffende dit punt van het kaderbesluit zijn de door sommige lidstaten meegedeelde gegevens echter onvolledig. Zoals uit de tabel blijkt, hebben Denemarken, Duitsland, Finland en Griekenland geen omzettingsbepalingen meegedeeld en hebben Frankrijk, Ierland en het Verenigd Koninkrijk hun omzettingsbepalingen slechts gedeeltelijk meegedeeld.

Artikel 3, lid 1: bewijselementen

De mogelijkheid voor het slachtoffer om in de loop van de procedure bewijselementen aan te dragen is over het algemeen in de meeste lidstaten goed gewaarborgd. Niettemin kunnen een aantal opmerkingen worden gemaakt.

Vijf landen hebben dienaangaande geen omzettingsbepalingen meegedeeld (Denemarken, Finland, Griekenland, Nederland, Verenigd Koninkrijk). In Ierland, Italië en Zweden wordt weliswaar de mogelijkheid voor het slachtoffer om de juistheid van zijn argumenten te bewijzen vermeld, maar jammer genoeg wordt in de meegedeelde documenten geen melding gemaakt van het recht van de slachtoffers om te vorderen dat de nodige formaliteiten worden verricht om de strafbare feiten te onderzoeken. Deze laatste mogelijkheid vormt immers een reële bescherming van het belang van slachtoffers: zij bestaat in België, Frankrijk, Luxemburg en Spanje.

Artikel 3, lid 2: ondervraging van slachtoffers

Met betrekking tot de ondervraging van slachtoffers hebben slechts zes lidstaten (Finland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Spanje, Zweden) nationale voorschriften meegedeeld die lid 2 van het kaderbesluit correct omzetten. Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Portugal en het Verenigd Koninkrijk (met uitzondering van Schotland) hebben voor dit artikel geen omzettingsbepalingen meegedeeld.

Wat Schotland betreft, worden naast de "Sexual Offences (Procedure en Evidence) (Scotland) Act" - die op de datum van het verslag nog niet van kracht was - slechts maatregelen meegedeeld die weliswaar relevant zijn, maar geen degelijke rechtsgrond hebben: men kan zich inderdaad vragen stellen over het dwingend karakter van gedragslijnen die de "Law Society of Scotland" moet opstellen.

Samenvattend hangt de mogelijkheid voor het slachtoffer om in de loop van de procedure te worden gehoord en bewijselementen aan te dragen grotendeels af van zijn hoedanigheid als procespartij. Ook in dit geval is helaas sprake van onvolledige uitvoering van dit artikel, met name van het tweede lid.

Artikel 4: Recht op informatie

Artikel 4, lid 1: recht op informatie, met name bij het begin van een strafprocedure

Het eerste lid van artikel 4 heeft betrekking op het recht van slachtoffers op informatie, "in het bijzonder vanaf het eerste contact met de handhavingsdiensten".

Met betrekking tot deze bepaling kunnen de lidstaten in vier categorieën worden onderverdeeld.

1. Sommige lidstaten [België, Duitsland, Finland, Ierland, Nederland, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk (met name Schotland)] hebben deze verplichting omgezet door de vereiste informatie op de website van de betrokken instanties en organen op te nemen en/of informatiebrochures samen te stellen. Hiermee wordt evenwel niet volledig aan de bij artikel 4, lid 1, opgelegde verplichting voldaan. Dienaangaande kunnen twee opmerkingen worden gemaakt.

Om te beginnen is het juist dat de lidstaten volgens artikel 4, lid 1, van het kaderbesluit de middelen kunnen kiezen die zij geschikt achten om toegang te krijgen tot de relevante informatie. Er dient evenwel aan te worden herinnerd, dat de bepalingen van kaderbesluiten verbindend zijn voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat. Overeenkomstig artikel 4, lid 1, waarvan de titel "recht op informatie" luidt, waarborgt elke lidstaat dat "het slachtoffer (...) toegang heeft tot de voor de bescherming van zijn belangen relevante informatie". Dit betekent dat de lidstaten de nodige maatregelen dienen te nemen om hun autoriteiten te verplichten deze informatie uit eigen beweging aan de slachtoffers te bezorgen. Het in artikel 4, lid 1, beschreven doel - het verkrijgen van inlichtingen vanaf het eerste contact met de handhavingsdiensten - wordt echter niet gerealiseerd door het eenvoudigweg uitgeven van informatiebrochures of door het creëren van een website, zonder dat de autoriteiten op actieve wijze informatie verstrekken aan individuele slachtoffers. Uit de meegedeelde informatie kan bijvoorbeeld niet worden afgeleid op welke wijze het Ierse Handvest van het slachtoffer wordt verspreid en of het werkelijk de doelgroep bereikt.

Verder is het juist dat onze maatschappij steeds sterker door de media wordt beheerst en dat het internet gemeengoed wordt. Men kan zich echter terecht de vraag stellen of eenieder in staat is deze informatie op internet op te zoeken: dit veronderstelt immers dat men weet dat deze informatie beschikbaar is en toegang heeft tot een computer, wat zeker niet voor alle slachtoffers het geval zal zijn. En welke garantie is er dat de betrokkene de ter beschikking gestelde inlichtingen werkelijk heeft begrepen?

Italië en het Verenigd Koninkrijk hebben ter zake onvoldoende voorschriften voorzien, aangezien de autoriteiten in het geheel niet gehouden zijn om de informatie aan de slachtoffers te geven.

Schotland heeft evenwel websites gecreëerd en verschillende informatiebrochures uitgegeven.

De door Portugal meegedeelde maatregelen vormen geen correcte omzetting van artikel 4, lid 1, aangezien niet voorzien is in de verplichting van de nationale autoriteiten om de in artikel 4, lid 1, bepaalde informatie uit eigen beweging aan de slachtoffers te bezorgen. Bovendien is resolutie 6/99 van de ministerraad slechts geldig gedurende een periode van twee jaar vanaf 1 januari 1999.

2. Andere lidstaten (Frankrijk, Luxemburg, Spanje) hebben een ander systeem ingevoerd, dat beter beantwoordt aan de doelstelling van artikel 4, lid 1, van het kaderbesluit. Zo zijn de personen die de strafvervolging uitoefenen, zoals de officieren van gerechtelijke politie of de openbare aanklager, verplicht om de slachtoffers te informeren over hun rechten en mogelijkheden. Hier dient een kleine opmerking te worden gemaakt: in Luxemburg zijn alle bepalingen opgenomen in een wetsontwerp. Het zou goed zijn te weten of dit definitief is goedgekeurd.

3. Denemarken en Griekenland ten slotte hebben voor dit artikel geen omzettingsbepalingen meegedeeld.

Tot slot dienen betreffende de omzetting van artikel 4, lid 1, voor alle lidstaten nog twee andere zwakke punten te worden aangehaald. Het eerste betreft het taalprobleem. Het kaderbesluit beveelt aan om de informatie "zoveel mogelijk in de algemeen begrepen talen" te verstrekken. Enkele landen, zoals Duitsland, Finland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk (met name Schotland), stellen informatie ter beschikking in meerdere talen (onder meer het Engels). De meeste landen melden echter niets met betrekking tot dit aspect. De tweede leemte betreft artikel 4, lid 1, onder h), dat gewoonweg door alle landen is genegeerd, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk (met name Schotland), dat een telefoonlijn heeft voorzien waardoor men rechtstreeks toegang krijgt tot tolken.

Artikel 4, lid 2: recht op informatie betreffende het verloop van de zaak

Over het algemeen is dit artikel door de meeste lidstaten (met uitzondering van Denemarken, Griekenland en het Verenigd Koninkrijk) op correcte wijze in nationaal recht omgezet: de slachtoffers kunnen zodoende daadwerkelijk informatie krijgen over de stand van hun dossier in de complexe rechtsgang.

Niettemin kan gewezen worden op enkele zwakke punten in de nationale stelsels.

Met betrekking tot artikel 4, lid 2, onder c), betreffende de kennisgeving van de uitgesproken beslissing wordt in de door Frankrijk meegedeelde documenten niets over deze kennisgeving vermeld. Italië deelt de beslissing van de rechter enkel mee aan slachtoffers die als burgerlijke partij opkomen. Finland heeft de verplichting onder c) klaarblijkelijk in nationaal recht omgezet, maar deelt geen tekst mee op grond waarvan dit zou zijn gebeurd. De door Portugal meegedeelde artikelen [86, 89, 90, 313(2), 321, 372(4) van het wetboek van strafvordering] garanderen weliswaar dat het slachtoffer zich kan informeren, maar waarborgen niet dat het slachtoffer "dat de wens daartoe kenbaar heeft gemaakt" op actieve wijze door de nationale autoriteiten wordt geïnformeerd.

Ten slotte kunnen twee reeds eerder gemaakte opmerkingen worden herhaald. De omzetting van de verplichtingen onder a) en b) is voorzien in een Luxemburgs wetsontwerp: het zou goed zijn te weten of dit definitief is goedgekeurd. In Ierland is de kennisgeving uitsluitend gegrond op het Handvest van het slachtoffer, waarvan het niet-dwingend karakter te betreuren is, alsmede het feit dat de kennisgeving van de informatie bedoeld in artikel 4, lid 2, slechts bij een volgende herziening van het Handvest in aanmerking moet worden genomen.

Artikel 4, lid 3: recht op informatie betreffende de invrijheidstelling van de dader

Enkel Finland heeft de verplichting om het slachtoffer op de hoogte te stellen van de invrijheidstelling van de persoon die wegens het misdrijf vervolgd of veroordeeld is, op correcte wijze omgezet.

* In het Ierse Handvest van het slachtoffer wordt weliswaar voorzien in de kennisgeving aan het slachtoffer van de invrijheidstelling van de dader, maar bij niet-naleving van deze verplichting kunnen de slachtoffers als enig rechtsmiddel een brief richten aan de "Garda Victim Liaison Officer" of de "local Superintendent", die hierop binnen eenentwintig dagen moet antwoorden. Het dwingende karakter van deze maatregel is dan ook zeer relatief.

* Italië geeft aan dat de "maatregelen van deze bepaling niet in de Italiaanse rechtsorde voorkomen".

* De in het Verenigd Koninkrijk geldende voorschriften hebben twee zwakke punten. Enerzijds voorziet de Criminal Justice and Court Service Act 2000 in de kennisgeving aan het slachtoffer van plannen om de dader in vrijheid te stellen en van de voorwaarden die aan de invrijheidstelling worden verbonden. Dit is evenwel beperkt tot personen die tot meer dan 12 maanden zijn veroordeeld voor een geweldmisdrijf of een seksueel misdrijf. Anderzijds voorziet het Schotse rechtsstelsel in de mogelijkheid voor het slachtoffer om op de hoogte te worden gebracht van de invrijheidstelling van een in voorlopige hechtenis genomen dader, maar het dwingend karakter van het daarvoor bepaalde instrument is onzeker, temeer daar is geschreven dat dit stelsel binnenkort wettelijk zal worden vastgelegd. Bovendien wordt de kennisgeving van de voorwaardelijke invrijheidstelling eenvoudigweg gewaarborgd door de "gangbare praktijken" van de politie.

* Luxemburg vermeldt dienaangaande geen omzettingsmaatregelen, zodat niet kan worden nagegaan of er werkelijk bepalingen zijn vastgesteld.

* Frankrijk en Spanje melden enkel dat er dienaangaande werkzaamheden worden verricht.

* Portugal geeft toe dat artikel 4, lid 3, van het kaderbesluit nog niet is uitgevoerd.

* De door Zweden meegedeelde omzettingsmaatregelen [artikel 13 van de wet inzake het vooronderzoek (1947:948)] hebben slechts betrekking op de situatie voor het begin van de strafprocedure. Met betrekking tot het ogenblik van invrijheidstelling van vervolgde of veroordeelde personen werd geen omzettingsbepaling meegedeeld.

* Denemarken, Duitsland, Griekenland en Nederland ten slotte hebben voor dit artikel geen omzettingsbepalingen meegedeeld.

Artikel 4, lid 4: recht om geen informatie te ontvangen

Met deze bepaling is zeer weinig rekening gehouden door de lidstaten. De facto heeft enkel Finland de volledige omzetting ervan mogelijk gemaakt. Dit land uitgezonderd is het resultaat bedroevend.

* In hun verslagen verklaren Italië en Spanje eenvoudigweg dat er momenteel in hun nationale rechtsstelsel geen bepaling in die zin bestaat.

* Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk en Zweden hebben voor dit artikel geen omzettingsbepalingen meegedeeld.

* In Ierland is de mededeling van de informatie van artikel 4, lid 3, weliswaar optioneel, maar hier stelt zich opnieuw het probleem van de juridische waarde van het Handvest van het slachtoffer. Om deze reden kan de door dit land verrichte omzetting niet als volledig bevredigend worden beschouwd.

* De door Portugal meegedeelde omzettingsbepalingen [artikelen 89, 90, 277(3), 283 (5), 313 (3) van het wetboek van strafvordering] zetten artikel 4, lid 4, van het kaderbesluit niet om omdat ze het recht van het slachtoffer om de betrokken informatie niet te ontvangen, niet waarborgen.

* België heeft deze bepaling slechts gedeeltelijk omgezet: er wordt enkel melding gemaakt van de mededeling van informatie betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling van de dader van het misdrijf.

Betreffende de omzetting van artikel 4 van het kaderbesluit kunnen een aantal slotopmerkingen worden gemaakt.

* De lidstaten moeten zich meer proactief opstellen en de slachtoffers tegemoet komen. De brochures en websites kunnen niet werkelijk waarborgen dat de slachtoffers toegang krijgen tot de informatie die zij nodig hebben voor de bescherming van hun belangen.

* Het is te betreuren dat de leden 3 en 4 van artikel 4 slechts gedeeltelijk en soms op niet-dwingende wijze zijn omgezet.

Artikel 7: Uitgaven van het slachtoffer in verband met de strafprocedure

Het is te betreuren dat slechts zes lidstaten (Duitsland, Italië, Oostenrijk, Portugal, Spanje en Zweden) in de meegedeelde documenten rekening hebben gehouden met het onderscheid dat in het kaderbesluit wordt gemaakt tussen het slachtoffer als partij of als getuige. De vereiste bijstand zal verschillen naargelang de hoedanigheid van het slachtoffer: als getuige heeft het slachtoffer vooral behoefte aan een vergoeding van zijn reiskosten, terwijl bij het slachtoffer als partij in de eerste plaats de honoraria van een advocaat ten laste zullen moeten worden genomen.

Met uitzondering van België, Ierland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk hebben alle lidstaten in hun wetgeving voorzien in de mogelijkheid om de advocatenkosten ten laste te nemen in geval het slachtoffer opkomt als burgerlijke partij. In een recente wet van 9 september 2002 heeft Frankrijk zelfs het begrip bestaansmiddelen geschrapt als voorwaarde voor het verkrijgen van rechtsbijstand voor bepaalde als bijzonder ernstig beschouwde misdrijven.

Ten slotte zij opgemerkt dat in Italië en Luxemburg (in het wetsontwerp) is bepaald dat de advocatenkosten van het slachtoffer uitsluitend ten laste van de dader van het misdrijf kunnen worden gelegd. Er kan echter getwijfeld worden aan de reële doeltreffendheid van een dergelijke maatregel, gelet op de mogelijke insolvabiliteit van de dader.

Samenvattend laat artikel 7 enige ruimte aan de lidstaten voor een gedifferentieerde omzetting naargelang het slachtoffer de hoedanigheid van burgerlijke partij of van getuige heeft. De vergoeding van de uitgaven van het slachtoffer als burgerlijke partij blijft evenwel onzeker indien zij in geval van insolvabiliteit van de dader van het misdrijf niet door de staat ten laste worden genomen.

Artikel 8: Recht op bescherming

Artikel 8, leden 1 en 2: veiligheid en persoonlijke levenssfeer

De omzetting in nationaal recht van de twee eerste leden van artikel 8 van het kaderbesluit wordt samen onderzocht vanwege het gemeenschappelijke thema. Zoals in het Finse antwoord wordt onderstreept, bevat lid 1 immers de algemene bepaling die de verplichting oplegt om voor het slachtoffer en zijn familieleden een passend niveau van bescherming te bieden wat betreft hun veiligheid en de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Deze verplichting wordt gepreciseerd in lid 2 met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het kader van een strafrechtelijke procedure.

1. De verplichting om de veiligheid van bedreigde slachtoffers en hun familieleden te waarborgen lijkt te zijn omgezet door België, Duitsland, Finland, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje en Zweden.

In de context van artikel 8, lid 1, van het kaderbesluit en het nagestreefde doel (een passend niveau van bescherming wat betreft de veiligheid) zij eraan herinnerd, dat de kaderbesluiten verbindend zijn voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch dat aan de nationale instanties de bevoegdheid wordt gelaten vorm en middelen te kiezen (artikel 34, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de Europese Unie). Daarenboven bestaat het passend niveau van bescherming wat betreft de veiligheid uit meerdere, sterk verschillende elementen of deeldoelstellingen (bijv. de fysieke bescherming van de slachtoffers-getuigen, het vertrouwelijke karakter van de getuigenverklaringen, de verschillende methoden om slachtoffers-getuigen te ondervragen, de verwijdering van de beklaagde tijdens de ondervraging, enz.) en laat de tekst van artikel 8, lid 1, de lidstaten een zekere vrijheid met betrekking tot de keuze van deze elementen of deeldoelstellingen.

Niettemin moeten ten aanzien van de omzetting van deze bepalingen een aantal voorbehouden worden geformuleerd.

* Frankrijk heeft in het strafwetboek een nieuw artikel 434-5 ingevoegd, dat bepaalt dat elke bedreiging of intimiderende handeling ten aanzien van wie ook die tot doel heeft het slachtoffer van een strafbaar feit ertoe aan te zetten geen klacht in te dienen of zich terug te trekken, wordt bestraft met een gevangenisstraf van drie jaar of een boete van 45 000 EUR. Door de invoering van dit misdrijf wordt evenwel enkel het slachtoffer beschermd en niet zijn familie, zoals nochtans door artikel 8, lid 1, van het kaderbesluit is opgelegd. Met betrekking tot de andere aspecten van artikel 8, lid 1, heeft Frankrijk geen omzettingsbepalingen meegedeeld.

* In Ierland is de verplichting om het slachtoffer te beschermen, zoals reeds gesteld, enkel vastgelegd in het Handvest van het slachtoffer, waarvan het dwingende karakter twijfelachtig is.

* Luxemburg heeft deze verplichting opgenomen in zijn wetsontwerp: het zou dan ook goed zijn om te weten wat de goedkeuringsdatum van dit wetgevend instrument is.

2. Met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers hebben alle lidstaten de mogelijkheid van behandeling achter gesloten deuren vermeld. Dienaangaande kunnen niettemin een aantal voorbehouden worden geformuleerd.

* Om te beginnen kan worden betreurd dat enkele landen, zoals Duitsland en Ierland, niet de bepalingen hebben meegedeeld op grond waarvan de verspreiding van informatie betreffende slachtoffers, of minstens betreffende de kwetsbaarste groep van slachtoffers, kan worden bestraft.

* Ten slotte vermeldt enkel Finland uitdrukkelijk de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de familieleden van het slachtoffer, hoewel de tekst van de wet betreffende de transparantie van de activiteiten van de openbare overheden niet is meegedeeld.

3. Met betrekking tot de in artikel 8, lid 2, vermelde bescherming van de goede naam kan enkel worden betreurd dat de grote meerderheid van de lidstaten geen gegevens hebben meegedeeld. Enkel Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk en Portugal hebben dienaangaande bepalingen meegedeeld die overeenstemmen met het kaderbesluit.

Denemarken en Griekenland hebben voor de leden 1 en 2 van dit artikel in het geheel geen omzettingsbepalingen meegedeeld.

Artikel 8, lid 3: afzonderlijke wachtkamers voor slachtoffers

Enkel Duitsland heeft deze vereiste van het kaderbesluit correct omgezet. België, Denemarken, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk hebben voor dit artikel helemaal geen omzettingsbepalingen meegedeeld. Oostenrijk, Portugal en Zweden hebben geen omzettingsbepalingen meegedeeld met betrekking tot de inrichting van afzonderlijke wachtkamers. Spanje heeft slechts gedeeltelijk rekening gehouden met artikel 8, lid 3, van het kaderbesluit, aangezien de terbeschikkingstelling van afzonderlijke wachtkamers enkel van toepassing is op slachtoffers-getuigen. In Finland, Ierland, Luxemburg en - gedeeltelijk - Zweden zou de regeling in de praktijk bestaan. Het probleem is dat geen enkel nationale tekst het recht van een slachtoffer vastlegt om niet in contact te moeten komen met de dader van het misdrijf.

Artikel 8, lid 4: omstandigheden waaronder bijzonder kwetsbare slachtoffers getuigenverklaringen kunnen afleggen

Deze zorg om de bescherming van getuigen is ook reeds vastgelegd in de resolutie van de Raad van 23 november 1995 [16]. De meeste lidstaten hebben artikel 8, lid 4, omgezet, met name door te voorzien in de mogelijkheid voor slachtoffers om via audiovisuele verbinding verklaringen af te leggen of door de anonimiteit van als bijzonder kwetsbaar beschouwde getuigen te waarborgen.

[16] Resolutie van de Raad van 23 november 1995 inzake de bescherming van getuigen in het kader van de bestrijding van de internationale georganiseerde criminaliteit, PB C 327 van 7.12.1995, blz. 5.

Denemarken, Frankrijk en Griekenland hebben met betrekking tot dit specifieke punt geen omzettingsbepalingen meegedeeld.

Finland maakt melding van beschermingsmaatregelen voor minderjarigen. Deze zijn echter opgenomen in een wetsontwerp waarvan niet bekend is of het reeds is goedgekeurd.

Het Verenigd Koninkrijk past een aantal maatregelen toe in de Crown Court, zoals het plaatsen van schermen rond de getuigenbank, de behandeling achter gesloten deuren van seksuele misdrijven en gevallen van intimidatie, audiovisuele verbinding en het afleggen van pruiken en toga's. In de Magistrates' Court zijn de maatregelen beperkt tot het gebruik van audiovisuele verbindingen.

Samenvattend blijft de omzetting van artikel 8 zeer onvolledig. Enkel de omzetting van artikel 8, lid 4, is bevredigend. Met de verplichting van artikel 8, leden 1 en 2, om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de veiligheid van de slachtoffers te waarborgen, hebben daarentegen niet alle lidstaten volledig rekening gehouden. Met betrekking tot het invoeren van afzonderlijke wachtkamers voor slachtoffers melden de meeste lidstaten slechts dat dit in de praktijk is gerealiseerd; andere delen dienaangaande geen gegevens mee.

Artikel 9: Recht op schadeloosstelling in het kader van de strafprocedure

Artikel 9, lid 1: Recht op schadeloosstelling in het kader van de strafprocedure

De meeste lidstaten hebben geoordeeld dat de omzetting van het eerste lid van dit artikel mogelijk was via de mogelijkheid als burgerlijke partij op te komen in het kader van de strafprocedure, wat de behandeling zou versnellen. Ierland maakt geen melding van een bepaling van die aard, doch enkel van compensatiemechanismen ten gunste van bepaalde categorieën slachtoffers. Denemarken, Griekenland en het Verenigd Koninkrijk hebben geen omzettingsbepalingen meegedeeld. Daarenboven hebben bepaalde lidstaten, zoals bijvoorbeeld België, Duitsland, Frankrijk, Spanje en Zweden, voor bepaalde categorieën van slachtoffers voorzien in de mogelijkheid van schadeloosstelling door de staat. Dergelijke maatregelen vormen evenwel geen omzetting van artikel 9, lid 1: zij kunnen hoogstens in aanmerking worden genomen als mogelijke uitzonderingen op grond van de laatste woorden van dit lid.

Artikel 9, lid 2: Maatregelen om ervoor te zorgen dat de dader het slachtoffer schadeloos stelt

Met betrekking tot het tweede lid van artikel 9 hebben zeven lidstaten (Duitsland, Frankrijk, Ierland, Italië, Nederland, Oostenrijk, Spanje) bepalingen meegedeeld die ervoor moeten zorgen dat de dader van het misdrijf het slachtoffer voldoende schadeloos stelt. Finland beweert dat het deze verplichting heeft omgezet, maar verwijst in zijn verslag niet naar een precieze tekst. Luxemburg verklaart dat er een wetsontwerp bestaat waarin de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt onderworpen aan het stellen van een borg, die met name de schadeloosstelling van het slachtoffer en de vergoeding van zijn uitgaven moet waarborgen. Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, met name met betrekking tot het gedrag van de dader ten aanzien van het slachtoffer. Het Belgisch recht bevat dienaangaande geen enkele bepaling. Denemarken, Griekenland en het Verenigd Koninkrijk hebben geen omzettingsbepalingen meegedeeld, hoewel het wat Schotland betreft mogelijk lijkt de betaling van de door de dader verschuldigde schadeloosstelling te controleren.

Artikel 9, lid 3: Teruggave van goederen van het slachtoffer

Het laatste lid van artikel 9 voorziet ten slotte in de verplichting om goederen van het slachtoffer die in de loop van de strafprocedure in beslag zijn genomen, terug te geven. De meeste lidstaten hebben deze verplichting ingevoerd (België, Finland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Zweden). Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Griekenland en Spanje hebben geen omzettingsbepalingen meegedeeld. Ierland en het Verenigd Koninkrijk stellen in hun verslag dat in de praktijk zeker aan deze verplichting voldaan is, hoewel zij geen enkele tekst hebben meegedeeld waarop deze verplichting kan worden gegrond.

Onder voorbehoud van controle bij de lidstaten die onvoldoende gegevens hebben meegedeeld, is aan het eerste lid van dit artikel in zijn geheel gevolg gegeven. Het is evenwel te betreuren dat de omzetting van de volgende leden van artikel 9 over het algemeen zeer onvolledig is en slechts door minder dan de helft van de lidstaten is aangetoond.

Artikel 11: Slachtoffers met woonplaats in een andere lidstaat

Artikel 11, lid 1: Slachtoffers met woonplaats in een andere lidstaat

België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk en Zweden hebben geen omzettingsbepaling meegedeeld betreffende de mogelijkheid om meteen nadat het strafbaar feit gepleegd is, een verklaring af te leggen, hoewel hun wetgeving in deze mogelijkheid lijkt te voorzien. Spanje geeft toe dat het dienaangaande geen bepaling in zijn nationale wetgeving heeft ingevoerd. Frankrijk deelt geen documenten mee. Luxemburg, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden geven een beschrijving van hun systeem voor het indienen van een klacht, maar verwijzen niet naar wetgevende teksten.

Met betrekking tot de bepalingen inzake videoconferentie en telefoonconferentie zij opgemerkt dat de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 29 mei 2000 tot op heden enkel werd geratificeerd door Portugal en Spanje en dus nog niet in werking is getreden [17]. De Commissie roept de lidstaten die de overeenkomst nog niet hebben geratificeerd, op om dit zo spoedig mogelijk te doen. Verschillende lidstaten hebben niettemin de artikelen 10 en 11 van de overeenkomst van 29 mei 2000 omgezet (België, Duitsland, Finland, Ierland, Italië, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Zweden). De verslagen van Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland blijven evenwel onvolledig. Denemarken en Griekenland hebben geen omzettingsbepalingen meegedeeld.

[17] Zie artikel 27 van de overeenkomst van 29 mei 2000.

Artikel 11, lid 2: Mogelijkheid om klacht in te dienen in de staat van woonplaats van het slachtoffer

De mate van omzetting van het tweede lid van artikel 11 van het kaderbesluit is zeer onbevredigend: Frankrijk, Italië, Portugal, Spanje en Zweden hebben dit lid niet omgezet. België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Nederland, Oostenrijk en Zweden hebben geen omzettingsbepalingen meegedeeld. Verschillende landen (België, Ierland, Nederland) lijken de klachten te aanvaarden en zenden ze zo nodig door naar het land waar de feiten zijn gepleegd, hoewel niet wordt verwezen naar de precieze rechtsgrondslag. Enkel Finland en Luxemburg lijken dit lid op correcte wijze te hebben omgezet.

Het is duidelijk dat dit artikel belangrijke bepalingen bevat, die nagenoeg niet zijn ten uitvoer gelegd.

Artikel 12: Samenwerking tussen lidstaten

De meeste lidstaten verwijzen eenvoudigweg naar de gebruikelijke netwerken van organisaties voor slachtofferhulp en naar de communautaire initiatieven die op dit gebied zijn ontwikkeld. Met uitzondering van Portugal heeft geen enkel land wetgevende teksten aangehaald. België vermeldt zijn initiatief met het oog op de aanneming van een besluit van de Raad tot oprichting van een Europees netwerk van nationale contactpunten voor het herstelrecht. Dit initiatief past eerder in het kader van artikel 10 van het kaderbesluit van 15 maart 2001 dan in het kader van artikel 12. Aangezien het bovendien om een instrument van de Europese Unie gaat, kan het initiatief niet als nationale omzettingsbepaling dienen. Het Verenigd Koninkrijk verwijst naar zijn financiering van "Victim Support", als lid van het Europees Forum voor de bemiddeling tussen slachtoffer en dader. Frankrijk en Italië daarentegen vermelden niets met betrekking tot de samenwerking tussen lidstaten. Finland ten slotte deelt mee dat voor de omzetting van dit artikel geen wetgevende maatregelen nodig zijn.

Samenvattend kan worden gesteld, dat dit artikel de lidstaten weliswaar een grote beoordelingsmarge laat en niet noodzakelijk een wetgevend initiatief vereist, maar niettemin meer van de lidstaten vraagt dan een passieve houding.

Artikel 13: Gespecialiseerde diensten en organisaties voor slachtofferhulp

Artikel 13 heeft betrekking op hulp en bijstand aan het slachtoffer vanaf de initiële opvang van het slachtoffer en nadien. Met uitzondering van Denemarken en Griekenland (die geen substantiële gegevens hebben meegedeeld) en Italië (dat deze bepaling niet heeft omgezet) merken de lidstaten in het algemeen op dat er een door de overheid gefinancierde dienst voor slachtofferhulp bestaat, die tot taak heeft de burger te informeren ten aanzien van zijn rechten en hem begeleiden en bijstand te verlenen. Enkel Frankrijk (enkel met betrekking tot lid 1), Oostenrijk, Portugal en Zweden hebben nationale bepalingen meegedeeld betreffende de verschillende taken die deze verenigingen kunnen vervullen en met name betreffende de mogelijke hulp aan slachtoffers na afloop van de strafprocedure.

Spanje en gedeeltelijk Frankrijk verwijzen naar bestaande nationale wetgeving, zonder de artikelen te preciseren: het is dus niet mogelijk te controleren of alles is omgezet. België preciseert enkele omzettingsbepalingen, maar heeft deze niet bijgevoegd. Het Verenigd Koninkrijk (met name Schotland) merkt op dat de overheid voor slachtofferhulp en voor hulp aan getuigen subsidieert en vermeldt hun functies, maar deelt niet mee welke wetteksten van toepassing zijn.

Samenvattend kan zoals voor de overige artikelen worden gesteld, dat de omzettingsteksten in onvoldoende mate door de lidstaten zijn overgelegd.

Artikel 14: Beroepsopleiding van de personen die in de strafprocedure optreden of anderszins met het slachtoffer in contact staan

Portugal en Zweden zijn de enige landen die de twee leden van dit artikel in hun nationale wetgeving hebben omgezet. De meeste andere landen, met uitzondering van Denemarken, Griekenland en Italië (die dienaangaande geen substantiële gegevens hebben meegedeeld), beperken zich tot een verwijzing naar de opdracht van bepaalde organisaties, die bestaat in het verstrekken van een beroepsopleiding aan personen die in de sector optreden. Het is niet steeds duidelijk of deze organisaties ook door de lidstaat worden gefinancierd, zoals artikel 14 voorschrijft. Bovendien is de beschrijving van deze programma's in de nationale verslagen te vaag en niet gericht op het aspect "opleiding". De door Oostenrijk meegedeelde omzettingsbepaling zet artikel 14 van het kaderbesluit niet om, aangezien zij geen betrekking heeft op de beroepsopleiding voor personen die in de sector optreden.

Artikel 15: Praktische voorwaarden inzake de situatie van het slachtoffer in de strafprocedure

Slechts twee lidstaten (Oostenrijk en Spanje) hebben de maatregelen genomen die nodig zijn om aan dit artikel van het kaderbesluit te voldoen.

De overige lidstaten, met uitzondering van Denemarken, Griekenland en Italië (die dienaangaande geen gegevens hebben meegedeeld), hebben laten weten dat zij de nodige maatregelen hebben ingevoerd. De beschrijving van de maatregelen is echter te vaag en weinig bevredigend. België geeft toe dat het artikel niet in nationale wetgeving is omgezet.

Met betrekking tot het tweede lid verwijzen de lidstaten - met uitzondering van Denemarken, Griekenland, Italië (die dienaangaande geen gegevens hebben meegedeeld) en Zweden - eenvoudigweg naar het eerste lid. Zweden deelt mee dat de meeste politiediensten momenteel over een afzonderlijke verhoorkamer voor kinderen beschikken. Voor de andere categorieën van getuigen worden werkzaamheden verricht om tegen maart 2005 op alle andere plaatsen aangepaste omstandigheden te realiseren.

Artikel 16: Territoriale werkingssfeer

Dit artikel bepaalt dat het kaderbesluit van toepassing is op Gibraltar. Het Verenigd Koninkrijk heeft geen gegevens meegedeeld waaruit kan worden afgeleid dat deze bepaling is omgezet.

3. ALGEMENE CONCLUSIES

Samenvattend moet worden vastgesteld, dat de Commissie ingevolge de ontbrekende of onvolledige bijdragen van sommige lidstaten slechts een oppervlakkig beeld heeft kunnen krijgen van de omzetting van dit kaderbesluit. Op grond van dit oppervlakkige beeld kan niettemin worden geconcludeerd dat de huidige omzettingsstand van de bepalingen van het kaderbesluit onbevredigend is.

a. In detail is de stand van zaken met betrekking tot de omzetting op de referentiedatum 25 maart 2003 artikelsgewijs als volgt

Artikel 1:

Enkel Finland, Italië, het Verenigd Koninkrijk en Zweden hebben aan het eerste artikel aandacht besteed. Italië stelt dat een eenvoudige begrippenlijst niet in de nationale rechtsorde dient te worden omgezet. Aangezien het doel van een kaderbesluit de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten is, is het echter nodig dat de lidstaten dezelfde terminologische basis hebben. Anders zouden immers de doeltreffendheid en de eenvormige toepassing van het kaderbesluit nadelig kunnen worden beïnvloed. Bij het onderzoek van de meegedeelde nationale bepalingen zijn evenwel geen terminologische verschillen met deze werking aan het licht gekomen.

Artikel 2:

Gelet op de voornamelijk declaratieve functie van lid 1, kan slechts geconcludeerd worden dat een lidstaat een werkelijke status voor slachtoffers in de zin van het kaderbesluit heeft gecreëerd wanneer alle artikelen van het kaderbesluit correct zijn omgezet. Geen enkele lidstaat kan echter beweren dat hij het geheel van de uit het kaderbesluit voortvloeiende verplichtingen heeft omgezet, aangezien moet worden vastgesteld dat geen enkele lidstaat artikel 2, lid 1, correct heeft omgezet.

Met betrekking tot lid 2 kan worden opgemerkt dat de werkingssfeer van de meegedeelde beschermingsmaatregelen verschilt naargelang de invulling die aan het (in het kaderbesluit niet-gedefinieerde) begrip van "bijzonder kwetsbare slachtoffers" is gegeven. Ook de middelen om deze bijzonder kwetsbare slachtoffers te beschermen verschillen: in verschillende gevallen is voorzien in de geluidsopname of audiovisuele opname van de getuigenis (België, Duitsland, Luxemburg, Oostenrijk, Verenigd Koninkrijk), terwijl Finland en Spanje enkel het bestaan van financiële steun voor deze getuigen vermelden. Onder voorbehoud van de navolgende vaststellingen, kan worden gesteld dat de bescherming van bijzonder kwetsbare slachtoffers in de meerderheid van de lidstaten gewaarborgd is. Denemarken en Griekenland hebben tegen de gestelde termijn (25 maart 2003) geen omzettingsbepalingen meegedeeld. De door Frankrijk verrichte omzetting, zoals zij uit de door de Commissie ontvangen documenten blijkt, heeft enkel betrekking op de bescherming van informatie betreffende minderjarigen. Het juridisch dwingend karakter van de door Ierland genomen maatregelen is twijfelachtig. De omzetting door het Verenigd Koninkrijk is onvolledig. Met name wat schotland betreft, zijn de meegedeelde wetgevende maatregelen nog niet in werking getreden.

Artikel 3, lid 1:

De meeste landen (België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje) maken melding van de mogelijkheid voor het slachtoffer om als burgerlijke partij op te komen. Op deze manier heeft het slachtoffer een aantal rechten, zoals het recht om het horen van getuigen te vragen (met name in Finland, Frankrijk en Luxemburg). Betreffende dit punt van het kaderbesluit zijn de door sommige lidstaten meegedeelde gegevens echter onvolledig (Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland en het Verenigd Koninkrijk).

De mogelijkheid voor het slachtoffer om in de loop van de procedure bewijselementen aan te dragen is over het algemeen in de meeste lidstaten goed gewaarborgd. Vijf landen hebben dienaangaande echter geen omzettingsbepalingen meegedeeld (Denemarken, Finland, Griekenland, Nederland, Verenigd Koninkrijk). In Ierland, Italië en Zweden wordt weliswaar de mogelijkheid voor het slachtoffer om de juistheid van zijn argumenten te bewijzen vermeld, maar jammer genoeg wordt in de meegedeelde documenten geen melding gemaakt van het recht van de slachtoffers om te vorderen dat de nodige formaliteiten worden verricht om de strafbare feiten te onderzoeken. Deze laatste mogelijkheid vormt immers een reële bescherming van het belang van slachtoffers: zij bestaat in België, Frankrijk, Luxemburg en Spanje.

Artikel 3, lid 2:

Slechts zes lidstaten (Finland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Spanje, Zweden) hebben nationale voorschriften meegedeeld die lid 2 van het kaderbesluit correct omzetten. Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Griekenland en Portugal ten slotte hebben voor dit artikel geen omzettingsbepalingen meegedeeld. Het Verenigd Koninkrijk heeft enkel de "Sexual Offences (Procedure en Evidence) (Scotland) Act" meegedeeld, die op de gestelde termijn nog niet van kracht was, en voor het overige slechts maatregelen die weliswaar relevant zijn, maar vragen doen rijzen over het dwingend karakter van de gedragslijnen.

Artikel 4, lid 1:

Sommige lidstaten [België, Duitsland, Finland, Ierland, Nederland, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk (met name Schotland)] hebben de verplichtingen van artikel 4, lid 1, omgezet door de vereiste informatie op de website van de betrokken instanties en organen op te nemen en/of informatiebrochures samen te stellen. Hiermee wordt evenwel niet aan de bij artikel 4, lid 1, opgelegde verplichting voldaan, aangezien de lidstaten de nodige maatregelen dienen te nemen om hun autoriteiten te verplichten deze informatie uit eigen beweging aan de slachtoffers te bezorgen. Frankrijk en Spanje hebben een ander systeem ingevoerd, dat beter beantwoordt aan de doelstelling van artikel 4, lid 1, van het kaderbesluit. Zo zijn de personen die de strafvervolging uitoefenen, zoals de officieren van gerechtelijke politie of de openbare aanklager, verplicht om de slachtoffers te informeren over hun rechten en mogelijkheden. Luxemburg heeft enkel een wetsontwerp meegedeeld. De door Portugal meegedeelde maatregelen zetten de verplichting van artikel 4, lid 1, niet correct om, aangezien de nationale autoriteiten niet verplicht worden om de door artikel 4, lid 1, opgelegde informatie uit eigen beweging aan de slachtoffers te bezorgen. Bovendien is resolutie 6/99 van de ministerraad slechts geldig gedurende een periode van twee jaar vanaf 1 januari 1999.

Wat het taalprobleem betreft, stellen enkele landen, zoals Duitsland, Finland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk (met name Schotland), informatie ter beschikking in meerdere talen (onder meer het Engels). De meeste landen melden echter niets met betrekking tot dit aspect. De tweede leemte betreft artikel 4, lid 1, onder h), dat gewoonweg door alle landen is genegeerd, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk (met name Schotland).

Artikel 4, lid 2:

Dit artikel is door de meeste lidstaten (met uitzondering van Denemarken, Griekenland en het Verenigd Koninkrijk) op correcte wijze in nationaal recht omgezet. Met betrekking tot artikel 4, lid 2, onder c), betreffende de kennisgeving van de uitgesproken beslissing wordt in de door Frankrijk meegedeelde documenten niets over deze kennisgeving vermeld. Italië deelt de beslissing van de rechter enkel mee aan slachtoffers die als burgerlijke partij opkomen. Finland heeft de verplichting onder c) klaarblijkelijk in nationaal recht omgezet, maar deelt geen tekst mee op grond waarvan dit zou zijn gebeurd. Het juridisch dwingend karakter van de door Ierland genomen maatregelen lijkt niet gewaarborgd. De door Portugal meegedeelde artikelen garanderen weliswaar dat het slachtoffer zich kan informeren, maar waarborgen niet dat het slachtoffer "dat de wens daartoe kenbaar heeft gemaakt" op actieve wijze door de nationale autoriteiten wordt geïnformeerd. De omzetting van de verplichtingen onder a) en b) is voorzien in een Luxemburgs wetsontwerp, waarvan de Commissie niet weet of dit definitief is goedgekeurd.

Artikel 4, lid 3:

Enkel Finland heeft deze bepaling correct omgezet. Frankrijk en Spanje melden enkel dat er dienaangaande werkzaamheden worden verricht. De omzettingsmaatregelen van Ierland hebben geen juridisch dwingend karakter. Italië geeft aan dat de "maatregelen van deze bepaling niet in de Italiaanse rechtsorde voorkomen". Luxemburg meldt dienaangaande geen omzettingsmaatregel. Portugal geeft toe dat artikel 4, lid 3, van het kaderbesluit nog niet is uitgevoerd. De door Zweden meegedeelde omzettingsmaatregelen hebben slechts betrekking op de situatie voor het begin van de strafprocedure. Met betrekking tot het ogenblik van invrijheidstelling van vervolgde of veroordeelde personen werd geen omzettingsbepaling meegedeeld. De in het Verenigd Koninkrijk geldende regels vertonen twee bijzonderheden: de kennisgeving aan het slachtoffer is enkel opgelegd in geval van veroordeling tot meer dan 12 maanden voor een geweldmisdrijf of een seksueel misdrijf. Anderzijds wordt de mogelijkheid voor het slachtoffer om op de hoogte te worden gebracht van de invrijheidstelling van een in voorlopige hechtenis genomen dader, waarin het Schotse rechtsstelsel voorziet, eenvoudigweg gewaarborgd door de "gangbare praktijken" van de politie. Denemarken, Duitsland, Griekenland en Nederland ten slotte hebben voor dit artikel geen omzettingsbepalingen meegedeeld.

Artikel 4, lid 4:

Enkel Finland heeft deze bepaling correct omgezet. In hun verslagen verklaren Italië en Spanje eenvoudigweg dat er momenteel in hun nationale rechtsstelsel geen bepaling in die zin bestaat. Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk en Zweden hebben voor dit artikel geen omzettingsbepalingen meegedeeld. In Ierland stelt zich opnieuw het probleem van de juridische waarde van het Handvest van het slachtoffer. De door Portugal meegedeelde omzettingsbepalingen zetten artikel 4, lid 4, van het kaderbesluit niet om omdat ze het recht van het slachtoffer om de betrokken informatie niet te ontvangen, niet waarborgen. België heeft deze bepaling slechts gedeeltelijk omgezet: er wordt enkel melding gemaakt van de mededeling van informatie betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling van de dader van het misdrijf.

Artikel 7:

Enkel Duitsland, Italië, Oostenrijk, Portugal, Spanje en Zweden hebben rekening hebben gehouden met het onderscheid dat in het kaderbesluit wordt gemaakt tussen het slachtoffer als partij of als getuige. De meeste lidstaten (met uitzondering van België, Ierland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk) hebben voorzien in de mogelijkheid om de advocatenkosten ten laste te nemen in geval het slachtoffer opkomt als burgerlijke partij. In het Italiaanse recht en het Luxemburgse wetsontwerp is bepaald dat de advocatenkosten van het slachtoffer uitsluitend ten laste van de dader van het misdrijf kunnen worden gelegd. Dit kan echter problemen geven in geval van insolvabiliteit van de dader.

Artikel 8:

De verplichting om de veiligheid van slachtoffers en hun familieleden te waarborgen lijkt te zijn omgezet door België, Duitsland, Finland, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje en Zweden. Frankrijk lijkt te hebben voorzien in de bescherming van het slachtoffer, maar niet van de familie en heeft geen omzettingsbepalingen meegedeeld voor de overige aspecten van artikel 8, lid 1. Ierland heeft artikel 8, lid 1, omgezet in zijn Handvest van het slachtoffer, waarvan het dwingend karakter onzeker is. Luxemburg heeft deze verplichting opgenomen in zijn wetsontwerp, dat nog niet is aangenomen. Met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers hebben alle lidstaten de mogelijkheid van behandeling achter gesloten deuren vermeld. Enkele landen, zoals Duitsland en Ierland, hebben niet de bepalingen meegedeeld op grond waarvan de verspreiding van informatie betreffende slachtoffers, of minstens betreffende de kwetsbaarste groep van slachtoffers, kan worden bestraft en enkel Finland vermeldt uitdrukkelijk de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de familieleden van het slachtoffer, hoewel de betrokken tekst niet is meegedeeld. De meeste lidstaten (met uitzondering van Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk en Portugal) hebben geen informatie meegedeeld betreffende de bescherming van de goede naam. Denemarken en Griekenland hebben geen gegevens meegedeeld over de omzetting van de leden 1 en 2.

Enkel Duitsland, Italië en Spanje hebben omzettingsbepalingen voor artikel 8, lid 3, betreffende het invoeren van afzonderlijke wachtkamers voor slachtoffers meegedeeld. Enkel Duitsland heeft deze bepaling correct omgezet, Spanje slechts gedeeltelijk, aangezien de terbeschikkingstelling van afzonderlijke wachtkamers enkel van toepassing is op slachtoffers-getuigen. In Finland, Ierland, Luxemburg en - gedeeltelijk - Zweden zou de regeling in de praktijk bestaan. Geen enkel nationale tekst legt het recht van een slachtoffer vast om niet in contact te moeten komen met de dader van het misdrijf.

De meeste lidstaten hebben artikel 8, lid 4, betreffende de omstandigheden waaronder bijzonder kwetsbare slachtoffers getuigenverklaringen kunnen afleggen omgezet. Denemarken, Frankrijk en Griekenland hebben ter zake niets meegedeeld. Finland maakt in een wetsontwerp melding van beschermingsmaatregelen voor minderjarigen. Het Verenigd Koninkrijk past een aantal beschermingsmaatregelen toe in de Crown Court. De toepassing ervan in de Magistrates' Court blijft dus beperkt tot het gebruik van audiovisuele verbindingen.

Met betrekking tot artikel 8 kan worden geconcludeerd dat enkel de omzetting van lid 4 bevredigend is; de omzetting van de eerste drie leden daarentegen is onbevredigend.

Artikel 9:

De meeste lidstaten hebben geoordeeld dat de omzetting van artikel 9, lid 1, betreffende het recht op schadeloosstelling in het kader van de strafprocedure mogelijk was via de mogelijkheid als burgerlijke partij op te komen in het kader van de strafprocedure. Ierland maakt geen melding van een bepaling van die aard, doch enkel van compensatiemechanismen ten gunste van bepaalde categorieën slachtoffers. Denemarken, Griekenland en het Verenigd Koninkrijk hebben geen omzettingsbepalingen meegedeeld. Bepaalde lidstaten (zoals bijvoorbeeld België, Duitsland, Frankrijk, Spanje en Zweden) hebben voor bepaalde categorieën van slachtoffers voorzien in de mogelijkheid van schadeloosstelling door de staat. Er is reeds opgemerkt dat dergelijke maatregelen geen omzetting van artikel 9, lid 1, vormen.

Zeven lidstaten (Duitsland, Frankrijk, Ierland, Italië, Nederland, Oostenrijk, Spanje) hebben bepalingen meegedeeld betreffende de verplichting van de lidstaten om de door artikel 9, lid 2, opgelegde maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de dader het slachtoffer schadeloos stelt. Finland beweert dat het deze verplichting heeft omgezet, maar heeft in zijn verslag niet verwezen naar een precieze tekst. In het Luxemburgse wetsontwerp wordt de voorwaardelijke invrijheidstelling onderworpen aan het stellen van een borg, die met name de schadeloosstelling van het slachtoffer en de vergoeding van zijn uitgaven moet waarborgen. Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen tevens bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, met name met betrekking tot het gedrag van de dader ten aanzien van het slachtoffer. Denemarken, Griekenland en het Verenigd Koninkrijk hebben geen omzettingsbepalingen meegedeeld. Wat Schotland betreft, lijkt het mogelijk de betaling van de door de dader verschuldigde schadeloosstelling te controleren.

De meeste lidstaten hebben de verplichting van teruggave van goederen van het slachtoffer van artikel 9, lid 3, ingevoerd. Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Griekenland en Spanje hebben betreffende deze bepaling niets meegedeeld. Ierland en het Verenigd Koninkrijk stellen dat aan deze verplichting voldaan is, hoewel zij geen enkele tekst hebben meegedeeld waarop deze verplichting kan worden gegrond.

Artikel 11:

België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk en Zweden hebben niets meegedeeld betreffende de omzetting van artikel 11, lid 1. Hun wetgeving lijkt evenwel te voorzien in de mogelijkheid om meteen nadat het strafbaar feit gepleegd is, een verklaring af te leggen. Spanje geeft toe dat het dienaangaande niets gedaan heeft. Frankrijk deelt geen documenten mee. Luxemburg, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden hebben een beschrijving van hun systeem voor het indienen van een klacht gegeven, maar verwijzen niet naar wetgevende teksten.

Frankrijk, Italië, Portugal, Spanje en Zweden hebben artikel 11, lid 2, niet omgezet. België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Nederland, Oostenrijk en Zweden hebben ter zake niets meegedeeld. Zoals gezegd lijken verschillende landen (België, Ierland, Nederland) de klachten te aanvaarden en zenden zij ze zo nodig door naar het land waar de feiten zijn gepleegd, hoewel niet wordt verwezen naar de precieze rechtsgrondslag. Enkel Finland en Luxemburg lijken dit lid op correcte wijze te hebben omgezet.

Artikel 12:

Wat de omzetting van artikel 12 betreft, heeft, met uitzondering van Portugal, geen enkel land wetgevende teksten aangehaald. Frankrijk en Italië hebben niets meegedeeld. Finland heeft meegedeeld dat voor de omzetting van dit artikel geen wetgevende maatregelen nodig zijn. Hiervoor is reeds opgemerkt dat dit artikel de lidstaten weliswaar een grote beoordelingsmarge laat, maar niettemin meer van de lidstaten vraagt dan een passieve houding.

Artikel 13:

Met betrekking tot artikel 13 merken de meeste lidstaten in het algemeen op dat er een door de overheid gefinancierde dienst voor slachtofferhulp bestaat, die tot taak heeft de burger te informeren ten aanzien van zijn rechten en hem te begeleiden en bijstand te verlenen. Enkel Frankrijk (enkel met betrekking tot lid 1), Oostenrijk, Portugal en Zweden hebben nationale bepalingen meegedeeld betreffende de verschillende taken die deze verenigingen kunnen vervullen en met name betreffende de mogelijke hulp aan slachtoffers na afloop van de strafprocedure.

Spanje en (gedeeltelijk) Frankrijk verwijzen naar hun bestaande wetgeving, zonder de artikelen te preciseren: het is dus niet mogelijk te controleren of alles is omgezet. België preciseert enkele omzettingsbepalingen, maar heeft deze niet bijgevoegd. Het Verenigd Koninkrijk (met name Schotland) merkt op dat de overheid voor slachtofferhulp en voor hulp aan getuigen subsidieert en vermeldt hun functies, maar deelt niet mee welke wetteksten van toepassing zijn.

Artikel 14:

Portugal en Zweden zijn de enige landen die de twee leden van dit artikel in hun nationale wetgeving hebben omgezet. De meeste andere landen (met uitzondering van Denemarken, Griekenland en Italië, die dienaangaande geen substantiële gegevens hebben meegedeeld), beperken zich tot een verwijzing naar de opdracht van bepaalde organisaties, die bestaat in het verstrekken van een beroepsopleiding aan personen die in de sector optreden. Het is niet steeds duidelijk of deze organisaties ook door de lidstaat worden gefinancierd, zoals artikel 14 voorschrijft. De door Oostenrijk meegedeelde omzettingsbepaling beantwoordt niet aan artikel 14 van het kaderbesluit niet, aangezien zij geen betrekking heeft op de beroepsopleiding voor personen die in de sector optreden.

Artikel 15:

Enkel Oostenrijk en Spanje hebben dit artikel omgezet. De overige lidstaten, met uitzondering van Denemarken, Griekenland en Italië, hebben laten weten dat zij de nodige maatregelen hebben ingevoerd. De beschrijving van de maatregelen is echter te vaag en weinig bevredigend. België erkent dat het artikel niet in nationale wetgeving is omgezet. Met betrekking tot lid 2 verwijzen de meeste lidstaten eenvoudigweg naar het eerste lid. Zweden heeft meegedeeld dat de meeste politiediensten momenteel over een afzonderlijke verhoorkamer voor kinderen beschikken; voor de andere categorieën van getuigen worden werkzaamheden verricht om tegen maart 2005 op alle andere plaatsen aangepaste omstandigheden te realiseren.

Artikel 16:

Het Verenigd Koninkrijk heeft geen gegevens meegedeeld waaruit kan worden afgeleid dat deze bepaling is omgezet voor Gibraltar.

b. Ondanks de hiervoor aangehaalde leemten, kan evenwel worden erkend dat in bepaalde lidstaten, zoals Frankrijk en Luxemburg, de omzettingsprocedure voor een deel van de nog om te zetten bepalingen, reeds loopt: zo heeft Luxemburg een aantal bepalingen van het kaderbesluit in een wetsontwerp opgenomen en heeft Frankrijk een programma van 14 maatregelen met betrekking tot slachtoffers meegedeeld, die in de komende vijf jaar zullen worden uitgewerkt.

Verder moet worden toegegeven dat een aantal bepalingen van het kaderbesluit zeer ruime doelstellingen vastleggen en de lidstaten een ruime beoordelingsmarge laten, zodat het moeilijk is voor de Commissie om de correcte omzetting van het kaderbesluit te controleren: artikel 8 bepaalt bijvoorbeeld dat "elke lidstaat (...) een passend niveau van bescherming voor het slachtoffer [waarborgt]". Met betrekking tot slachtoffers met woonplaats in een andere lidstaat vermeldt artikel 11 bepaalde maatregelen die "in het bijzonder" door de betrokken lidstaten moeten worden genomen.

Daarenboven zijn de om te zetten bepalingen zeer uiteenlopend van aard: sommige (met name artikel 7) vereisen wetgevend optreden, terwijl andere (zoals de artikelen 8, lid 3, of 15, lid 1) praktische maatregelen vergen. Ten slotte wordt soms van de lidstaten een financiële ondersteuning voor niet-publieke organisaties voor slachtofferhulp geëist.

Gelet op het voorgaande nodigt de Commissie de lidstaten uit om te zorgen voor een snelle en volledige omzetting van de bepalingen van het kaderbesluit en haar hiervan onmiddellijk en uiterlijk 15 maart 2004 in kennis te stellen, waarbij de getroffen maatregelen dienen te worden beschreven en de tekst van de van kracht zijnde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen dient te worden bijgevoegd als bewijs.

DOCUMENT DE TRAVAIL DES SERVICES DE LA COMMISSION - Annexe au RAPPORT DE LA COMMISSION fondé sur l'article 18 de la décision-cadre du Conseil du 15 mars 2001 relative au statut des victimes dans la cadre de procédures pénales {COM(2004)54 final}

ANNEXE AU RAPPORT DE LA COMMISSION fondé sur l'article 18 de la décision-cadre du Conseil du 15 mars 2001 relative au statut des victimes dans la cadre de procédures pénales

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>


Beheerd door het Publicatiebureau