Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de uitvoering van het Europees Handvest voor kleine bedrijven
/* COM/2003/0021 def. */
| BG | ES | CS | DA | DE | ET | EL | EN | FR | GA | IT | LV | LT | HU | MT | NL | PL | PT | RO | SK | SL | FI | SV |
| html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | ||||||||||||
| doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc |
| Twee talen naast elkaar: DA DE EL EN ES FI FR IT NL PT SV |
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT over de uitvoering van het Europees Handvest voor kleine bedrijven
INHOUDSOPGAVE
I. WIE LUISTERT ER EIGENLIJK NAAR KLEINE BEDRIJVEN?
1. Kleine bedrijven hoog op de politieke agenda houden
2. Luisteren naar kleine bedrijven
3. Van elkaar leren
4. De prestatiekloof overbruggen
5. De aandacht op de belangrijkste terreinen richten
6. Verantwoordelijkheid delen
II. WAAR STAAN WE EN WAT IS DE VOLGENDE STAP?
III. WAT IS ER BEREIKT?
Inleiding
1 Onderwijs en opleiding in ondernemerschap
2 Goedkopere en snellere start
3 Betere wet- en regelgeving
4 Beschikbaarheid van vaardigheden
5 Betere on-linetoegang
6 Meer profijt trekken van de interne markt
7 Belastingen en financiën
8 De technologische capaciteit van kleine ondernemingen versterken
9 Succesvolle modellen voor elektronische handel en eersteklasondersteuning van kleine topondernemingen
10 Sterkere en doeltreffender behartiging van de belangen van het kleinbedrijf op het niveau van de Unie en op nationaal niveau
I. Wie luistert er eigenlijk naar kleine bedrijven?
1. Kleine bedrijven hoog op de politieke agenda houden
Twee en een half jaar nadat de staatshoofden en regeringsleiders in juni 2000 [1] in Santa Maria da Feira het Europees Handvest voor kleine bedrijven hebben bekrachtigd, is het bemoedigend te zien welke vorderingen al zijn gemaakt met het uitvoeren van de aanbevelingen uit dat handvest. Maar doet de EU nog altijd waartoe zij zich in het handvest heeft verbonden?
[1] Bijlage III van de conclusies van de Raad van 19-20 juni 2000 in Santa Maria da Feira. Het handvest verplicht de Commissie om elk jaar tijdens de voorjaarsontmoeting aan de Europese Raad een jaarverslag over de uitvoering van het handvest te presenteren.
Het handvest gaat uit van het principe "eerst aan de kleintjes denken" en van de erkenning dat kleine ondernemingen de ruggengraat van de Europese economie zijn en de sleutel tot de concurrentiekracht van Europa. Daarom is het handvest ook van wezenlijk belang voor het verwerkelijken van de doelstelling van Lissabon om Europa de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te maken. Het is van cruciaal belang om deze doelstelling levend te houden.
De Conferentie van ministers verantwoordelijk voor het MKB, die in februari 2002 in Aranjuez is georganiseerd door het Spaanse voorzitterschap, heeft er veel toe bijgedragen om de vaart erin te houden. Het verzoek van de Europese Raad van Barcelona [2] aan de lidstaten om de uitvoering van het handvest te bespoedigen, vormde eveneens een impuls voor de verwezenlijking van de aanbevelingen van het handvest.
[2] Conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad in Barcelona van 15-16 maart 2002, punt 15.
Het Handvest wint aan invloed. Nu het in april 2002 in Maribor [3] ook is ondertekend door de kandidaat-lidstaten, is het de hoeksteen van het beleid inzake kleine ondernemingen van de toekomstige uitgebreide Europese Unie. De lidstaten moeten nu het goede voorbeeld geven.
[3] Een analyse van de door de kandidaat-lidstaten geboekte vooruitgang staat in het 'Verslag over de uitvoering van het Europees Handvest voor kleine bedrijven in de kandidaat-lidstaten van 21.1.2003', SEC(2003). 57
De meeste maatregelen leiden niet op de korte termijn tot zichtbare resultaten, en het is onmogelijk om voor alle gebieden per jaar volledig vast te stellen welke vooruitgang is geboekt. De lidstaten zouden er ook niet naar moeten streven om elk jaar een groot aantal maatregelen in te voeren. Versterking en verbetering van bestaande maatregelen is minstens zo belangrijk. De regeringen kunnen niet alles tegelijk doen. Gerichte inspanningen kunnen leiden tot echte vooruitgang. Het is beter voort te bouwen op wat al is bereikt en de aandacht op maar enkele gebieden tegelijk te richten, dan op alle fronten tegelijk te weinig te doen.
Door in het ondernemingenbeleid vrijwillige kwantitatieve doelen te stellen, kunnen lidstaten hun aandacht richten op de hoofdpunten en wordt de vooruitgang meetbaar. De doelstellingen die de lidstaten in 2002 hebben geformuleerd, vormen een bemoedigende stap in deze richting [4].
[4] Kwantitatieve doelstellingen in het ondernemingsbeleid - Stappen in de richting van de doelstellingen van Lissabon, SEC(2002) 1214 van 7.11.2002.
2. Luisteren naar kleine bedrijven
In het vorige verslag over de uitvoering van het handvest [5] werd benadrukt dat de belangen van kleine bedrijven beter moeten worden behartigd. Ook werd onderstreept dat als regeringen niet eerst aan de kleintjes denken, ze dat misschien wel nooit doen.
[5] Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, 'Jaarverslag over de uitvoering van het Europees Handvest voor kleine bedrijven', COM(2002) 68 definitief van 6.2.2002.
Luistert er dan wel iemand naar kleine bedrijven? Het antwoord is ja. Lidstaten als Denemarken, Zweden, Finland en het Verenigd Koninkrijk hebben een aantal indrukwekkende maatregelen genomen waardoor andere landen zich zouden kunnen laten inspireren. Niettemin loopt er nog steeds een scheidslijn tussen enerzijds de weinige lidstaten die stelselmatig kleine bedrijven raadplegen over nieuwe wetgeving of beleid, en anderzijds de lidstaten die dat niet doen. Verscheidene lidstaten bieden kleine bedrijven nog steeds geen mogelijkheid om hun belangen kenbaar te maken. Op dit punt is het afgelopen jaar maar weinig vooruitgang gemeld. Hoe kunnen lidstaten nu ooit aan de kleintjes gaan denken als ze niet luisteren naar kleine ondernemingen?
Kleine bedrijven vormen de overgrote meerderheid van bedrijven in Europa. Als de lidstaten en de Commissie aan de kleintjes willen denken, moeten ze eerst met kleine ondernemingen in gesprek raken. Gebeurt dat niet, dan gaat de stem van de meerderheid van Europese bedrijven verloren. De Commissie wil bereiken dat al in een vroeg stadium alle belanghebbenden worden betrokken bij de ontwikkeling van wetgeving en beleid.
3. Van elkaar leren
Steeds vaker zijn de lidstaten op zoek naar oplossingen die elders in Europa zijn bedacht. Dit verslag laat zien dat de lidstaten van elkaar beginnen te leren en geleidelijk aan ook goede praktijken gaan uitwisselen. In steeds meer lidstaten is het duidelijk dat hun nationale beleidsmaatregelentot stand zijn gekomen onder invloed van ideeën uit andere landen . Dat is een werkelijke vooruitgang.
Zo is in Zweden een garantieregeling voor leningen voor het MKB in het leven geroepen, waarbij men was geïnspireerd door bestaande regelingen in Nederland en Finland. België liet zich door Denemarken, Frankrijk, Nederland en Oostenrijk inspireren voor een clusterbeleid. Geïnspireerd door de resultaten van een project in het kader van de Best-procedure, ontwierp Denemarken een website waar bedrijven zich on line kunnen registreren.
Deze beginnende trend verdient verdere aanmoediging. De Commissie blijft dit proces van leren van goede praktijken, dat nu zijn vruchten begint af te werpen, ondersteunen.
4. De prestatiekloof overbruggen
Uitwisseling van goede praktijken is de beste manier om te voorkomen dat er binnen Europa grote prestatieverschillen ontstaan. Het klimaat voor het MKB zou overal in de EU gunstig moeten zijn. Lidstaten beginnen van elkaar te leren, maar de prestaties binnen de EU lopen nog altijd uiteen. Is het zo dat de beste beter worden en de slechtste steeds verder achteropraken?
In sommige lidstaten is het bijvoorbeeld al mogelijk een nieuw bedrijf on line te registreren, terwijl andere landen nog steeds worstelen met langdurige en ingewikkelde procedures voor startende ondernemingen. Sommige lidstaten bieden kleine bedrijven al de mogelijkheid om on line aan verschillende verplichtingen te voldoen, terwijl andere landen nog maar net beginnen de formulieren on line beschikbaar te stellen.
5. De aandacht op de belangrijkste terreinen richten
Twee terreinen waarop de overheden hun inspanningen duidelijk aanzienlijk hebben versterkt, zijn onderwijs en betere regelgeving. In dit verslag zijn volop voorbeelden te vinden van vooruitgang op deze terreinen.
Het Handvest benadrukt dat mensen al op jonge leeftijd ondernemersvaardigheden aangeleerd moeten krijgen. Een jaar geleden maakten slechts twee lidstaten melding van initiatieven om op lagere scholen ondernemersvaardigheden te bevorderen. Op dit moment zijn er zeker vijf landen waar dergelijke maatregelen op lagere scholen zijn genomen, en er is meer in voorbereiding. Er zijn verschillende nieuwe maatregelen genomen gericht op middelbare scholen. Europa staat eindelijk op het punt om echt "ondernemend" te worden.
Zowel nationale regeringen als de Commissie hebben zich voorgenomen ondernemingen minder zwaar te belasten. De lidstaten melden een heel scala aan maatregelen, variërend van consolidatie en vereenvoudiging van wetgeving tot ontwikkeling van systemen ter beoordeling van de effecten van regelgeving. Ook de Commissie concentreert zich op dit gebied met het nieuwe Actieplan voor de vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving.
6. Verantwoordelijkheid delen
Het Europees Parlement heeft verklaard dat "de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van bijna alle actielijnen van het Europees Handvest voor het MKB bij de lidstaten ligt" [6]. Het klimaat waarin kleine ondernemingen functioneren, wordt namelijk grotendeels door de lidstaten zelf bepaald. In dit verslag worden daarom hoofdzakelijk conclusies getrokken ten aanzien van de door de lidstaten geboekte vooruitgang, maar ook vorderingen die de Commissie heeft bereikt, krijgen aandacht. [7]
[6] Resolutie van het Europees Parlement van 20 maart 2002 inzake de resultaten van de Europese Raad in Barcelona.
[7] Een gedetailleerde beschrijving van de maatregelen die de Commissie heeft genomen, is te vinden in het verslag 'Naar een ondernemend Europa: de activiteiten van de Europese Unie ten behoeve van het midden- en kleinbedrijf (MKB)', SEC(2003) 58, 21.1.2003, dat als ondersteunend document voor het onderhavige verslag werd gebruikt.
Organisaties van het bedrijfsleven raken steeds meer betrokken bij het veranderingsproces naar aanleiding van het handvest. Voor hen is een belangrijke rol weggelegd als het gaat om het signaleren van de echte knelpunten, het vaststellen van de effecten van genomen maatregelen en het verspreiden van goede praktijken. Om meer landen en belanghebbenden bij de uitvoering van het handvest te betrekken moet systematischer te werk worden gegaan en moeten de krachten worden gebundeld. De Commissie wil deze uitdaging aangaan.
Het feit dat het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité zich ertoe hebben verbonden voor een volledige uitvoering van het handvest te zorgen, heeft er in belangrijke mate toe bijgedragen dat kleine ondernemingen hoog op de politieke agenda zijn blijven staan.
De Commissie heeft nota genomen van twee resoluties van het Parlement waarin de Raad wordt gevraagd "rechtsgeldigheid" aan het handvest te verlenen [8]. De meeste terreinen van het handvest vallen echter onder de bevoegdheid van de lidstaten. Het Handvest zelf maakt deel uit van de "open coördinatiemethode" voor het beleid van de lidstaten, zoals dat gevraagd is door de Europese Raad van Lissabon.
[8] Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2002 over de mededeling van de Commissie 'De verbintenissen trouw blijven, het tempo opvoeren' en Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2002 over het verslag van de Commissie 'Groei- en werkgelegenheidsinitiatief'.
Voorts hebben het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité [9] verzocht om een nieuw meerjaren Actieplan voor de uitvoering van het handvest. De Commissie spant zich in om de belangrijkste taak die het handvest haar geeft, uit te voeren, namelijk nauw met de lidstaten samen te werken om hen te helpen het ondernemingsklimaat voor kleine bedrijven te verbeteren. Hiervoor heeft de Commissie een scala aan beleidsmaatregelen genomen, waaronder het meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap en de financiële instrumenten daarvan, die nauw aansluiten op de doelstellingen van het handvest. Bovendien maakt de Commissie gebruik van haar bevoegdheden uit hoofde van het Verdrag om de EU-wetgeving te verbeteren.
[9] Tweede advies over het Europees Handvest voor kleine bedrijven van het Economisch en Sociaal Comité, 28 november 2001.
Voortbouwend op de resultaten van deze inspanningen en op het proces van de uitvoering van het handvest, dat nu goed op gang is, is de discussie verbreed door de publicatie van het groenboek van de Commissie over ondernemerschap, waarin vragen worden opgeworpen over hoe er meer ondernemers kunnen worden "gemaakt" en over hoe groei van bedrijven in Europa kan worden bewerkstelligd. De follow-up van het Groenboek zal naar verwachting bijdragen tot verwezenlijking van de doelstellingen van het Europees Handvest voor kleine bedrijven.
* * *
Dit document heeft tot doel een kort overzicht te geven van de belangrijkste maatregelen die in het afgelopen jaar zijn genomen door de lidstaten, Noorwegen en de Commissie om het handvest uit te voeren. Het probeert de sterke en zwakke punten in de hele Europese Unie aan te wijzen, veelbelovende maatregelen op nationaal niveau onder de aandacht te brengen en aanbevelingen te doen voor toekomstige acties.
Dit verslag is bedoeld om de vaart erin te houden en de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken tussen de lidstaten te bevorderen.
II. Waar staan we en wat is de volgende stap?
De vooruitgang die is geboekt sinds het vorige verslag is bemoedigend. Een belangrijk succes is het feit dat de lidstaten steeds meer goede praktijken uitwisselen. Dat neemt niet weg dat de hervormingen sneller moeten worden uitgevoerd. Daarom worden de lidstaten aangemoedigd om hun aandacht vooral te richten op versterking en verbetering van bestaande maatregelen in plaats van op het elk jaar starten van talrijke nieuwe initiatieven. Het is lastig om voor alle gebieden de jaarlijkse voortgang te beoordelen, maar de belangrijkste trends worden hieronder geschetst. Het overzicht in dit deel en de gedetailleerde beschrijvingen in deel III vormen een neerslag van hoe de Commissie de huidige situatie ziet op basis van de door de lidstaten verstrekte gegevens.
1. Onderwijs en opleiding in ondernemerschap
In de lidstaten groeit het besef dat ondernemerschap in het onderwijs moet worden gestimuleerd. De landen hebben op dit terrein dan ook tal van initiatieven genomen. In Ierland, Finland, Zweden, het VK en Noorwegen zijn naar aanleiding van de aanbevelingen in het vorige verslag nieuwe initiatieven ontwikkeld om ondernemersvaardigheden op lagere scholen te stimuleren. Landen als België, Denemarken, Griekenland, Ierland, Luxemburg, Zweden en het VK hebben hun inspanningen op middelbare scholen geïntensiveerd. Het werkelijke effect van deze maatregelen is echter moeilijk vast te stellen.
De lidstaten worden dringend opgeroepen meer actie te ondernemen om onderwijs in ondernemerschap op lagere en middelbare scholen te bevorderen. Zij kunnen zich hiervoor laten inspireren door maatregelen die in dit verslag onder de aandacht worden gebracht en door de maatregelen die zijn onderzocht in het project over onderwijs en opleiding in ondernemerschap in het kader van de Best-procedure Gezien de tijd die er overheen gaat voordat de initiatieven tot zichtbare resultaten leiden, is hierbij haast geboden.
Er zijn vorderingen geboekt in de opleiding in ondernemerschap, maar op dit terrein moeten alle lidstaten zich nog verder verbeteren. De meeste experimentele initiatieven hebben een beperkte reikwijdte omdat ze zijn gericht op opleiding in een zeer specifieke sector of regio. Vooral initiatieven gericht op ondernemers van kleine en micro-ondernemingen, zoals ontwikkeld in Griekenland en Portugal, worden toegejuicht.
De lidstaten worden aangespoord om hun opleidingsstrategieën gericht op kleine ondernemers verder te versterken en uit te breiden.
De Commissie blijft de inspanningen van de lidstaten om het ondernemerschap te bevorderen, ondersteunen.
2. Goedkopere en snellere start
Na de opmerkelijke vooruitgang die vorig jaar is geboekt met het beperken van de kosten en tijd die het starten van een nieuwe onderneming kost, bouwen veel lidstaten nu voort op wat ze hebben bereikt. On-lineregistratie is al werkelijkheid aan het worden in Denemarken, Zweden, Noorwegen en Oostenrijk. Ook Spanje en Frankrijk naderen dit doel. De prestatieverschillen op dit terrein worden echter groter binnen de EU. Terwijl in sommige lidstaten on-lineregistratie langzamerhand mogelijk wordt, worstelen andere landen nog steeds met het verkorten van langdurige procedures voor startende ondernemingen.
De lidstaten worden opgeroepen om stappen te ondernemen om on-lineregistratie mogelijk te maken, naar het voorbeeld van de bovengenoemde lidstaten. Er zijn veel mogelijkheden om op dit terrein goede praktijken uit te wisselen.
Lidstaten met hoge registratiekosten worden dringend opgeroepen om deze kosten omlaag te brengen.
De lidstaten moeten de procedures voor het starten van een onderneming verder vereenvoudigen en versnellen zodat de gemiddelde tijd die het kost om een onderneming te starten dichter bij de minimaal benodigde tijd komt te liggen.
3. Betere wet- en regelgeving
Alle regeringen spannen zich in om de regelgeving te verbeteren en te vereenvoudigen en sinds het laatste verslag zijn er op dit gebied bemoedigende vorderingen geboekt. De landen worden zich steeds meer bewust van de noodzaak om de administratieve lasten voor bedrijven te verlichten. Bovendien zijn verscheidene lidstaten begonnen met het herzien van hun faillissementswetgeving.
De lidstaten worden opgeroepen om regelingen in te voeren waardoor het na een faillissement makkelijker wordt opnieuw een bedrijf te beginnen. De lidstaten - en met name die landen die bezig zijn met de herziening van hun insolventiewetgeving - worden aangespoord om ervaringen en goede praktijken uit te wisselen in het kader van het project over faillissement en een nieuwe start in het kader van de Best-procedure.
Sommige landen hebben tijdig stappen ondernomen om systemen voor de effectbeoordeling van regelgeving in te voeren. Dit wordt toegejuicht. Maar terwijl bepaalde lidstaten, zoals Denemarken, Zweden en het VK, bezig zijn hun sinds enkele jaren bestaande effectbeoordelingssystemen te herzien, zijn er nog steeds andere lidstaten die helemaal geen effectbeoordeling uitvoeren voordat ze nieuwe wetgeving invoeren.
De lidstaten worden met klem opgeroepen om systemen in te voeren voor de stelselmatige effectbeoordeling van regelgeving en om kleine bedrijven al in een vroeg stadium te betrekken bij het ontwerp van wetgeving. De lidstaten zouden reguliere systemen moeten opzetten voor de raadpleging van kleine bedrijven voorafgaand aan de goedkeuring van wetgeving die op deze bedrijven betrekking heeft.
De lidstaten moeten verder inspanningen leveren om overbodige regelgeving af te schaffen en om bestaande wetgeving te consolideren.
De Commissie legt sterk de nadruk op kwaliteitsverbetering van wetgeving en op meting van de mogelijke gevolgen van wetgeving voor kleine bedrijven. Het Actieplan voor de vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving vormt in dit opzicht een ambitieus programma.
4. Beschikbaarheid van vaardigheden
Kleine en micro-ondernemingen ervaren het gebrek aan geschoold personeel in toenemende mate als een belemmering voor hun bedrijfsvoering Meer dan 20% van de microbedrijven en bijna 30% van de kleine bedrijven ziet dit als hun grootste knelpunt [10]. Terwijl Europa nog steeds geen oplossing heeft voor het gebrek aan bepaalde vaardigheden, blijkt uit een aantal initiatieven die na het vorige verslag zijn ontwikkeld, dat men zich er in sommige lidstaten, zoals Duitsland, Ierland en Italië, steeds meer van bewust wordt dat het tekort aan personeel met de juiste vaardigheden om passende maatregelen vraagt.
[10] Het aantal microbedrijven dat het gebrek aan geschoolde arbeidskrachten als hun belangrijkste knelpunt ziet, is tussen 1999 en 2001 toegenomen met 150%. Bron: 'Highlights from the 2001 Survey', 2002/1, Waarnemingspost voor het MKB.
Alle lidstaten worden opgeroepen om meer inspanningen te leveren om tekorten aan arbeidskrachten met de juiste vaardigheden in kaart te brengen en aan te pakken.
Nieuwe samenwerkingsinitiatieven tussen universiteiten en het bedrijfsleven worden toegejuicht en moeten worden voortgezet.
De Commissie zet zich in om de lidstaten via de tenuitvoerlegging van de Europese werkgelegenheidsstrategie en het Actieplan voor vaardigheden en mobiliteit te steunen in hun pogingen om de tekorten aan gekwalificeerd personeel aan te vullen.
5. Betere on-linetoegang
Er is aanzienlijke vooruitgang geboekt op het gebied van de e-overheid, en alle lidstaten zetten zich in om hierin nog beter te presteren. Toch lijken de verschillen tussen de lidstaten in hun vorderingen op dit gebied alleen maar groter te worden. Terwijl in sommige lidstaten al verschillende procedures on line kunnen worden afgehandeld, beginnen andere nog maar net met het on line beschikbaar maken van informatie en formulieren. Zelfs in de meest "e-vriendelijke" lidstaten valt het gebruik dat wordt gemaakt van e-overheidsfaciliteiten nog tegen. Dit kan erop wijzen dat meer bekendheid moet worden gegeven aan dergelijke diensten en dat het vertrouwen van ondernemers in deze diensten moet worden versterken.
De lidstaten die pas aan het begin staan van de ontwikkeling van e-overheid, kunnen inspiratie opdoen bij verschillende lidstaten, waaronder Ierland en Zweden, die al diensten on line aanbieden. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan het stroomlijnen van informatie op portaalsites die één toegangspoort vormen naar verschillende diensten.
E-overheid moet het leven voor kleine bedrijven makkelijker maken. Door het on line beschikbaar stellen van informatie en formulieren kunnen procedures verder worden vereenvoudigd. Op dit gebied valt er nog heel wat vooruitgang te boeken.
De Commissie spant zich in om meer gebruik te maken van internet als middel voor interactieve en efficiënte communicatie met belanghebbenden. Een stap in deze richting zijn de onlangs ontwikkelde on-lineraadplegingsmechanismen.
6. Meer profijt trekken van de interne markt
De interne markt bestaat nu tien jaar en heeft ertoe bijgedragen dat EU-bedrijven in een steeds opener en transparanter Europese markt kunnen opereren. De interne markt, met vrij verkeer van goederen, diensten en kapitaal, is de hoeksteen van de EU en vormt het rechtskader dat het mogelijk maakt zonder belemmeringen zaken te doen over nationale grenzen heen. Op sommige terreinen, waaronder de dienstverlening, is die interne markt echter nog lang niet verwezenlijkt. Lidstaten moeten zich onverminderd inspannen voor doeltreffende en tijdige omzetting van EU-wetgeving in nationale wetgeving. Tweederde van de lidstaten - namelijk alle lidstaten behalve Denemarken, Nederland, Finland, Zweden en het VK - halen op dit moment de 1,5%-doelstelling voor de omzettingsachterstand niet. Bovendien heeft in 2002 de omzetting nog meer vertraging opgelopen. Alleen Finland voldoet volledig aan de nieuwe doelstelling die in Barcelona is vastgesteld.
De helft van de lidstaten moet vóór het voorjaar van 2003 meer dan 50 wetsteksten hebben omgezet om te voldoen aan de 1,5%-doelstelling. Er zijn dus drastische maatregelen nodig, in het bijzonder voor de lidstaten die nog het verst verwijderd zijn van de verwezenlijking van dit doel.
De lidstaten worden herinnerd aan de tijdens de Europese Raad van Barcelona vastgestelde nieuwe doelstelling dat in het voorjaar van 2003 alle richtlijnen die meer dan twee jaar te laat zijn volledig ten uitvoer moeten zijn gelegd.
De lidstaten wordt gevraagd belemmeringen voor de interne markt weg te nemen en ervoor te zorgen dat er geen nieuwe belemmeringen ontstaan door nationale administratieve en wetgevingsmaatregelen.
In haar hoedanigheid van hoedster van het Verdrag zet de Commissie zich in om het vrije verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen te waarborgen en het toezicht op de toepassing van EU-wetgeving te verbeteren.
7. Belastingen en financiën
De maatregelen die sommige landen, zoals België, Denemarken, Ierland en het VK, hebben genomen om de fiscale lasten voor kleine ondernemingen te verlichten, worden toegejuicht en kunnen als voorbeeld van goede praktijken gelden.
De lidstaten worden uitgenodigd kennis te nemen van voorbeelden van goede praktijken van fiscale lastenverlichting voor kleine bedrijven, waardoor startende ondernemingen een extra stimulans krijgen, de groeimogelijkheden van kleine bedrijven verbeteren en de opvolging in bedrijven wordt vergemakkelijkt.
Toegang tot financiering blijft een belangrijk probleem voor bedrijven in de hele EU. Een bemoedigende stap vooruit is de invoering van flexibele microleningen door Duitsland, Spanje en Zweden. Deze leningen vormen met name een extra stimulans voor startende ondernemingen en bieden de kleinste ondernemingen groeikansen.
De lidstaten worden opgeroepen om, in overeenstemming met de nationale omstandigheden, financieringsinstellingen meer te steunen zodat kleine bedrijven betere toegang krijgen tot financiering, en met name tot microleningen.
De lidstaten worden dringend opgeroepen om de fiscale en structurele hervormingen uit te voeren die nodig zijn om investeringen in risicokapitaalfondsen te bevorderen, zoals wordt aanbevolen in het kader van het Actieplan voor financiële diensten.
Business angels zijn in toenemende mate een belangrijke financieringsbron voor kleine bedrijven.
De lidstaten worden aangemoedigd om meer bekendheid te geven aan de mogelijkheden die business angels bieden, een fiscaal klimaat te bevorderen dat gunstig is voor risicovolle investeringen in kleine bedrijven, en lokale en regionale netwerken van business angels te ondersteunen.
Er is nauwelijks iets gemeld over persoonlijke prestatiestimulansen in kleine bedrijven (bv. optieregelingen of bonussen voor personeel). Het is dan ook de vraag of er op dit gebied wel vooruitgang wordt geboekt. Dergelijke maatregelen zouden voor kleine bedrijven een hulpmiddel kunnen zijn om gekwalificeerd personeel aan te trekken.
De lidstaten worden opgeroepen om meer aandacht te besteden aan systemen voor individuele prestatiebeloning.
De Commissie ontplooit verschillende initiatieven op financieel gebied, variërend van onderzoeken tot actieplannen, financiële instrumenten en uitwisselingsprojecten voor goede praktijken. Hetzelfde geldt voor de lidstaten. De inspanningen op dit gebied beginnen nu vruchten af te werpen.
8. De technologische capaciteit van kleine ondernemingen versterken
De recente ontwikkelingen op het gebied van het bevorderen van clustering en technologische netwerken van middelgrote en kleine bedrijven, zijn bemoedigend: met name in Denemarken, Duitsland, Griekenland, Ierland en Oostenrijk zijn verschillende veelbelovende initiatieven gelanceerd. De lidstaten zetten zich in om verspreiding van technologie en de exploitatie daarvan op de markt te bevorderen. Er zijn vele mogelijkheden om goede praktijken uit te wisselen op gebieden als het bevorderen van technologieoverdracht van universiteiten naar kleine bedrijven, en het ondersteunen van innovatie, zowel in kleine technologiegerichte bedrijven als in de meer traditionele sectoren.
De lidstaten worden opgeroepen actief bij te dragen tot het Best-procedureproject ter verbetering van organisaties voor technologieoverdracht.
De lidstaten worden aangemoedigd regionale en nationale technologieclusters en bedrijfsnetwerken verder te ontwikkelen. Om doeltreffend te zijn, moeten deze maatregelen vanuit een langetermijnperspectief worden geformuleerd.
9. Succesvolle modellen voor elektronisch zakendoen en eersteklasondersteuning van kleine topondernemingen
Hoewel kleine ondernemingen steeds meer gebruikmaken van internet, aarzelen zij nog om on line te handelen en om hun bedrijfsprocessen zo te veranderen dat zij maximaal van nieuwe technologieën kunnen profiteren. Specifieke maatregelen om micro- en kleine bedrijven ertoe te brengen over te gaan op elektronisch zakendoen, zoals die zijn ontwikkeld in landen als Ierland, Spanje, Nederland en het VK, worden toegejuicht. Het risico bestaat echter dat de prestatieverschillen op dit gebied tussen de EU-lidstaten groter worden. Er bestaan talrijke mogelijkheden voor meer uitwisseling van goede praktijken.
De lidstaten worden opgeroepen zich te blijven inspannen om kleine bedrijven te helpen doelmatig gebruik te maken van de mogelijkheden van elektronisch zakendoen en zich te laten inspireren door de voorbeelden van goede praktijken die zijn onderzocht in het kader van het Best-procedureproject over beleid ter bevordering van het elektronisch zakendoen door het MKB.
Er is een groeiend bewustzijn van de behoefte van bedrijven aan professionele en op maat gesneden bedrijfsvriendelijke dienstverlening op regionaal en lokaal niveau. Sommige lidstaten ontwikkelen momenteel diensten die speciaal gericht zijn op de behoeften van bedrijven in bepaalde regio's.
De lidstaten worden uitgenodigd om ondersteunende diensten verder te stroomlijnen, ze bij kleine bedrijven te promoten en de doeltreffendheid ervan regelmatig te evalueren. De inspanningen om dergelijke ondersteunende dienstverlening beter toe te snijden op de klanten, moeten worden voortgezet.
Terwijl een toenemend aantal "adviesdiensten" on line wordt aangeboden, moeten op de kleinste bedrijven gerichte ondersteunende diensten tegelijkertijd nog steeds via meer traditionele kanalen, zoals "loketten" worden verstrekt.
De Commissie beschouwt de ontwikkeling van het elektronisch zakendoen als een belangrijke beleidsprioriteit. Om die reden heeft de Commissie een Europees ondersteuningsnetwerk voor elektronisch zakendoen in het MKB opgezet om het MKB op dit terrein voortvarender te ondersteunen.
10. Sterkere en doeltreffender behartiging van de belangen van kleinbedrijf op het niveau van de Unie en op nationaal niveau
De conclusie van het vorige verslag dat regelmatige raadpleging van kleine bedrijven bij wetgeving en beleidsvorming in de hele EU een zwak punt blijft, wordt in dit verslag herhaald en onderstreept. Slechts enkele lidstaten hebben op dit terrein melding gemaakt van positieve ontwikkelingen. Ook hier is er sprake van tamelijk ongelijke prestaties. Zo hebben in Finland organisaties van het bedrijfsleven zitting in wetsontwerpcomités, terwijl er in andere lidstaten geen sprake lijkt te zijn van stelselmatige raadpleging van ondernemingen vóór de goedkeuring van wetgeving. Denemarken, Finland, Zweden, het VK en Noorwegen lopen op kop wat de stelselmatige raadpleging van kleine bedrijven betreft. Ook Duitsland, Spanje, Luxemburg en Oostenrijk raadplegen organisaties van het bedrijfsleven - waaronder Kamers van Koophandel - alvorens wetgeving goed te keuren.
De lidstaten worden dringend opgeroepen om mogelijkheden te creëren voor kleine bedrijven om hun stem te laten horen bij de ontwikkeling van wetgeving en beleid. Dit zou op stelselmatige wijze moeten gebeuren.
De Commissie spant zich in om de dialoog met kleine bedrijven te verbeteren. Maatregelen als de benoeming van een KMO / MKB Gezant, on-lineraadplegingssystemen, en een toenemend aantal bijeenkomsten met belanghebbenden, wijzen erop dat er op dit terrein vorderingen worden gemaakt.
III. WAT IS ER BEREIKT?
Inleiding
Deel III van dit verslag geeft een beknopt overzicht van de belangrijkste maatregelen die de lidstaten, Noorwegen en de Commissie in het afgelopen jaar hebben genomen bij de uitvoering van het handvest. Noorwegen heeft de uitnodiging van de Commissie aangenomen om deel te nemen aan het door het handvest ingezette proces. De andere leden van de Europese Economische Ruimte, IJsland en Liechtenstein, hebben niet te kennen gegeven te willen deelnemen. Alle kandidaat-lidstaten hebben in april 2002 het handvest onderschreven. De in die landen gemaakte vorderingen worden geanalyseerd in een afzonderlijk verslag [11].
[11] Verslag over de uitvoering van het Europees Handvest voor kleine bedrijven in de kandidaat-landen voor toetreding tot de EU van 21.1.2003.
Dit verslag heeft hoofdzakelijk betrekking op de periode van het najaar 2001 tot het najaar 2002, maar aangezien de meeste maatregelen gericht zijn op de langere termijn, is een zekere overlapping met andere jaarverslagen onontkoombaar.
Gezien het doel van deel III en de beschikbare ruimte wordt hier geen uitputtende of gedetailleerde lijst van maatregelen gegeven. Gedetailleerde beschrijvingen van nationale maatregelen zijn te vinden in de nationale verslagen die op de website van de Commissie zijn gepubliceerd [12], en in de lijst van maatregelen [13] op internet. Een gedetailleerde beschrijving van de maatregelen die de Commissie heeft genomen, is te vinden in het verslag over de activiteiten van de Europese Unie ten behoeve van het MKB [14], dat ter ondersteuning van dit verslag is gebruikt.
[12] Voor de volledige verslagen, zie: http://europa.eu.int/comm/enterprise/ enterprise_policy/charter/charter2003.htm.
[13] Voor de lijst van maatregelen ter bevordering van het ondernemerschap en het concurrentievermogen, zie: http://europa.eu.int/comm/enterprise/ enterprise_policy/charter_directory/index.htm.
[14] Naar een ondernemend Europa: de activiteiten van de Europese Unie ten behoeve van het midden- en kleinbedrijf (MKB), SEC(2003) 58, 21.1.2003.
Met het oog op het in het handvest verwoorde toezegging om gebruik te maken van "doelmatigheidsindicatoren om de voortgang in de tijd te evalueren", wordt in dit deel III de nadruk gelegd op de relevante vrijwillige kwantitatieve doelstellingen van het ondernemingenbeleid die de lidstaten in 2002 hebben geformuleerd [15]. Deze doelstellingen zijn afkomstig uit de nauw met het handvest verbonden en met de lidstaten overeengekomen indicatoren voor het ondernemingenbeleid.
[15] Kwantitatieve doelstellingen in het ondernemingenbeleid - Stappen in de richting van de doelstellingen van Lissabon, SEC(2002) 1214 van 7.11.2002.
De analyse van de voortgang in de lidstaten en Noorwegen is gebaseerd op gedetailleerde nationale verslagen en op bilaterale bijeenkomsten tussen de Commissie en nationale autoriteiten die plaatsvonden tussen juni en september 2002. Voor het eerst namen nationale organisaties van het bedrijfsleven actief deel aan alle bilaterale bijeenkomsten en maakten zij er hun standpunten kenbaar. Een raadpleging over de nationale verslagen via internet was toegankelijk voor alle belangstellende partijen en werd in september 2002 aangekondigd tijdens een bijeenkomst met Europese organisaties van het bedrijfsleven [16]. Op het niveau van de Commissie heeft een interne groep bestaande uit ambtenaren van alle diensten die activiteiten voor het MKB ontwikkelen, de analyse van de voortgang van de Commissie voorbereid.
[16] Voor de raadpleging, zie http://europa.eu.int/comm/enterprise/ enterprise_policy/charter/charter2003.htm. De volgende organisaties van het bedrijfsleven gaven commentaren die ook op deze site staan: Fédération Française des Centres de Gestion et d'Economie de l'Artisanat, Confcommercio, Confederazione Nazionale dell'Artigianato e della Piccola e Media Impresa (CNA), Chambre de Métiers APCM, European Association of Public Banks en Confédération générale des petites et moyennes entreprises.
In dit verslag wordt uitgebreider stilgestaan bij de twee terreinen "onderwijs en opleiding in ondernemerschap" en "betere regelgeving", waarop de meeste lidstaten hun inspanningen aanzienlijk hebben versterkt. De Commissie is vooral actief geweest op het tweede terrein. De meeste lidstaten leggen in hun verslagen de nadruk op deze twee terreinen, die ook tijdens de bilaterale bijeenkomsten uitgebreid aan de orde zijn geweest.
Hoewel in dit verslag ook maatregelen onder de aandacht worden gebracht die specifiek zijn gericht op kleine en micro-ondernemingen, zijn veel van de beschreven initiatieven ontwikkeld ten gunste van zowel kleine als middelgrote ondernemingen. De Commissie is van mening dat deze maatregelen, ook al zijn ze niet uitsluitend gericht op ondernemingen met minder dan vijftig werknemers, onverminderd van waarde zijn voor of effect hebben op kleine bedrijven. Zowel de Commissie als de lidstaten hebben er daarom voor gekozen om in dit verslag alle initiatieven op te nemen die een impact hebben op kleine en middelgrote ondernemingen, en daarbij de maatregelen die het meeste effect lijken te hebben op kleine bedrijven speciaal te belichten.
Tot slot zij vermeld dat dit verslag tot doel heeft de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken in Europa te bevorderen [17].
[17] Een nationaal initiatief kan pas echt als "goede praktijk" beschouwd worden wanneer het volledig in overeenstemming is met de relevante EU-wetgeving, waaronder de mededingingsregels en de regels voor staatssteun. Wanneer in dit verslag afzonderlijke initiatieven worden beschreven, betekent dat niet automatisch dat deze maatregelen ook in overeenstemming zijn met de relevante bepalingen van het Verdrag.
1 Onderwijs en opleiding in ondernemerschap
"Europa zal vanaf een eerder tijdstip de ondernemingsgeest en nieuwe vaardigheden bij jongeren bevorderen. Op alle onderwijsniveaus moet algemene kennis over de zakenwereld en het ondernemerschap worden overgedragen. Specifieke modules over het bedrijfsleven moeten een essentieel onderdeel worden van de leerplannen van het secundair onderwijs en van hogescholen en universiteiten.
We zullen de inspanning van jongeren op weg naar het ondernemerschap aanmoedigen en bevorderen en passende opleidingsprogramma's opstellen voor managers in kleine bedrijven."
Lidstaten
De lidstaten geven in toenemende mate prioriteit aan het stimuleren van ondernemerschap in het onderwijssysteem. Sinds het vorige verslag zijn er verscheidene nieuwe maatregelen ingevoerd, terwijl reeds bestaande initiatieven vruchten beginnen af te werpen. Naar aanleiding van de conclusie van het vorige verslag dat er meer moet worden gedaan om jongeren al op jonge leeftijd ondernemersvaardigheden bij te brengen, heeft een aantal lidstaten nu initiatieven ontwikkeld om op lagere scholen ondernemingsgeest en ondernemersvaardigheden te bevorderen.
In Ierland integreert het project Bi Gnóthach de ontwikkeling van vaardigheden en zakelijk denken in het leerplan voor tien- tot twaalfjarigen, en brengt het programma Junior Achievement leerlingen van vijf tot achttien jaar begrip over de arbeidswereld bij.
In Finland wordt het thema "participerend burgerschap en ondernemerschap" geïntegreerd in de leerplannen van de algemene basisvorming, en is een stuurgroep ingesteld om de aandacht voor ondernemerschap in het onderwijs verder te ontwikkelen.
Zweden werkt aan de instelling van gemeentelijke centra voor ondernemerschap en technologie (operationeel in het eerste kwartaal 2003), waar de ingenieurs en uitvinders van de toekomst gestimuleerd worden met leuke activiteiten die met technologie te maken hebben. De centra zijn bedoeld voor kinderen boven de tien (hoofdzakelijk meisjes).
Het Schools Enterprise Programme in Schotland in het VK [18] helpt nu meer dan 400 000 leerlingen op meer dan 2 000 lagere scholen om vaardigheden voor de werksituatie te ontwikkelen. Noorwegen ten slotte heeft lesmateriaal voor lagere scholen ontwikkeld om creativiteit te bevorderen.
[18] Deze maatregel werd al gemeld in het verslag van het VK van 2001.
In een aantal lidstaten zijn de maatregelen gericht op middelbare scholen uitgebreid. Er is melding gemaakt van een breed scala aan recente of voorgenomen maatregelen.
In Ierland is in december 2001 het nieuwe Enterprise Encounter programme gestart, dat leerlingen de mogelijkheid biedt kennis te maken met ondernemers. Het programma is gekoppeld aan het Leaving certificate vocational programme op middelbare scholen, waarin onderwerpen aan bod komen als "zakelijk denken" en "voorbereiding op de arbeidswereld". Ook het eenjarige Transition Year Programme en het tweejarige Leaving Certificate Applied zijn erop gericht leerlingen ondernemersvaardigheden bij te brengen en ze te helpen zelf minibedrijfjes te runnen.
België bereidt in het kader van zijn Actieplan "Plan 4X4 pour entreprendre" de publicatie voor van een "roman" die bedoeld is om twaalf- tot veertienjarigen te leren hoe ze een bedrijf moeten opzetten.
Luxemburg heeft het initiatief "meidendag" ontwikkeld, om meisjes door middel van georganiseerde bedrijfsbezoeken te interesseren voor de arbeidswereld, en met name voor technische beroepen.
In het VK heeft Wales het project Enterprise insight Cymru ontwikkeld, waarin vertegenwoordigers van bedrijven naar scholen komen om de leerlingen inzicht over het bedrijfsleven in de praktijk bij te brengen.
Voorts zijn in Denemarken bewustmakingscampagnes gestart voor de periode 2002-2004, gericht op de bovenbouw van het secundair onderwijs, en heeft Griekenland lesmateriaal ontwikkeld over ondernemerschap en voor het programma Ondernemerschap voor jongeren. In Zweden ten slotte is een project opgezet om in de bovenbouw van het secundair onderwijs een zakelijke manier van denken te ontwikkelen. In verschillende landen lopen op dit moment programma's waarin leerlingen zelf onder begeleiding een minibedrijf opzetten. Dit is onder meer het geval in België [19], Duitsland [20], Spanje [21], Italië [22], Luxemburg [23], Nederland [24], Oostenrijk [25] en ook Noorwegen [26].
[19] België: het project mini-ondernemingen in Vlaanderen. Bron: Nationaal verslag van België over het handvest. Alle nationale verslagen zijn beschikbaar op: http://europa.eu.int/comm/enterprise/ enterprise_policy/charter/charter2003.htm.
[20] Duitsland: in 2002 zetten 2 500 leerlingen 200 minibedrijven op in het kader van het Junior-project. Bron: Nationaal verslag van Duitsland over het handvest.
[21] Spanje: SEFED-programma. Bron: Nationaal verslag van Spanje over het handvest.
[22] Italië: Netwerk van virtuele bedrijven. Bron: Nationaal verslag van Italië over het handvest.
[23] Luxemburg: Maatregel Esprit d'entreprise voor 16- tot 25-jarigen. Bron: Nationaal verslag van Luxemburg over het handvest.
[24] Bedrijvenprogramma van YE Nederland. Bron: Nationaal verslag van Nederland over het handvest.
[25] Oostenrijk: het JUNIOR-project Leerlingen zetten bedrijven op. Bron: Nationaal verslag van Oostenrijk over het handvest.
[26] Noorwegen: Bedrijvenprogramma, 6 000 leerlingen zetten in 2002 850 bedrijven op. Bron: verslag van Noorwegen over het handvest.
Het verbeteren van de kennis over "ondernemerschap" bij leraren is een onderliggend doel van maatregelen die in Denemarken, Frankrijk, Finland, het VK en Noorwegen zijn genomen. Finland heeft een project gestart om de vaardigheden van leraren te verbeteren en om samenwerking tussen leraren en ondernemers te bevorderen.
Er lijkt een breed scala aan cursussen op verschillende niveau's beschikbaar te zijn op universiteiten en hogescholen in Griekenland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Oostenrijk, Portugal, Finland, Zweden [27] en Noorwegen. In Frankrijk vond in september 2002 in het kader van een Europese zomeruniversiteit een cursus over ondernemerschap plaats.
[27] Zweden heeft een speciaal postacademisch programma voor ingenieurs over ondernemerschap in het MKB. Bron: verslag van Zweden over het handvest.
Onder andere in Denemarken en Duitsland worden initiatieven ontwikkeld om nauwere banden tussen onderzoeksinstituten en bedrijven te bevorderen. Om studenten er meer bewust van te maken dat zij een carrière als ondernemer zouden kunnen beginnen en om hen te helpen bij het starten van een bedrijf, breidt Griekenland zijn "ondernemerschapcentra" uit en heeft Oostenrijk het programma UNIUN 2002-4 ontwikkeld [28].
[28] UNIUN 1999-2001. Bron: Nationaal verslag van Oostenrijk over het handvest.
Een voorbeeld van een maatregel die geschikt is op alle onderwijsniveaus, is de Nederlandse regeling Ondernemerschap en onderwijs. Deze regeling heeft tot doel de ontwikkeling van lesmethoden voor het hele traject van primair onderwijs tot universiteit te bevorderen.
Oostenrijk heeft twee initiatieven opgezet om bij leerlingen van lagere school tot universiteit de ondernemersgeest te bevorderen: de Initiative Bildungscluster, waarbij regionale bureaus worden opgericht die partnerschappen tussen bedrijven en onderwijsinstellingen tot stand moeten brengen, en de Unternehmen-Bildung Initiative, waarin directeuren van bedrijven presentaties houden op scholen.
Een aantal lidstaten heeft wedstrijden voor het beste ondernemingsplan uitgeschreven of bestaande wedstrijden uitgebreid. Voorbeelden hiervan zijn de Ondernemersplanwedstrijd in België, de wedstrijd 1,2,3 Go in België en Luxemburg, Venture 2002 in Griekenland, Venture-cup in Zweden en Europrise in Noorwegen. Frankrijk heeft verder de prijs Jeunes créateurs de demain ingesteld om 15- tot 25-jarigen te stimuleren om bedrijfsideeën uit te werken, en in het VK konden tussen september 2001 en maart 2002 200 jonge potentiële ondernemers uit achterstandsgebieden aan de slag dankzij de New Entrepreneur Scholarships [29].
[29] Deze maatregel werd al gemeld in het verslag van het VK van 2001.
Sinds het vorige verslag zijn er enkele veelbelovende ontwikkelingen geweest op het gebied van opleiding in ondernemerschap. Hieronder volgen enkele speciaal op kleine bedrijven gerichte opleidingsinitiatieven.
Griekenland zette met medefinanciering van het Europees Sociaal Fonds (ESF) opleidingsprogramma's op, waaronder cursussen van de centra voor beroepsopleiding (KEK) gericht op 11 000 microbedrijven of zelfstandigen.
Portugal startte het GERIR-programma 2002-2004, met als doel om aan ongeveer 300 micro- en kleine bedrijven in de sectoren handel, industrie, dienstverlening en bouw scholing te verstrekken.
Het VK ontwikkelde het Small Firms Development Account voor financiering van opleidingen in kleine bedrijven.
Maatregelen ter ondersteuning van opleidingen voor het opzetten van een bedrijf waren onder andere de Chèque formation à la création d'entreprise in het Waalse Gewest in België, en het opleidingsfonds (Bildungskonto für Jungunternehmer) in de Oostenrijkse deelstaat Opper-Oostenrijk. Verder startte Duitsland met een campagne voor vaardigheidsbevordering, en ontwikkelde Spanje met medefinanciering van de ESF het CRECE-programma 2001-2006, met als doelstelling scholing te verstrekken aan meer dan 10 000 ondernemers in traditionele sectoren. Ierland zette het Excellerator-programma 2002 op voor de opleiding van managers van exportgerichte bedrijven met meer dan vijftien werknemers, en Finland ontwikkelde een programma "welzijn op het werk" om leren op de werkplek te stimuleren. In Duitsland [30], Griekenland, Ierland en Wales in het VK werden voorts projecten ontwikkeld ter ondersteuning van vrouwelijk ondernemerschap.
[30] Het Duitse project heeft tot doel het vrouwelijke ondernemerschap te laten groeien van 25% nu tot 40% in 2005. Bron: Nationaal verslag van Duitsland over het handvest.
Enkele lidstaten hebben algemene beleidsprogramma's goedgekeurd om het ondernemerschap verder te bevorderen en te ondersteunen.
Dat is bijvoorbeeld het geval in België, waar het Actieplan "Plan 4x4 pour entreprendre" in het Waalse Gewest ondernemersinitiatieven en positieve beeldvorming ten aanzien van ondernemerschap ondersteunt.
In Frankrijk zet het wetsontwerp Initiative économique de bevordering van ondernemerschap op de prioriteitenlijst. Voorts is een actieplan in de maak dat erin voorziet dat beginnende ondernemers in het secundair onderwijs voorlichting geven over ondernemerschap.
Ook Denemarken bereidt een actieplan voor op het gebied van ondernemerschap; hierbij ligt het accent op ondernemerscultuur en adviesdiensten. In Spanje is in juni 2002 een wet aangenomen die bepalingen bevat betreffende ondernemersopleidingen . In Zweden is een nieuw programma gestart voor verbetering van het ondernemingsklimaat en bevordering van de beeldvorming over ondernemers. Tot slot wordt in de onlangs in het VK gepubliceerde Review of enterprise and the economy in schools and further education, met nadruk gewezen op de noodzaak om in scholen de ondernemingsgeest te bevorderen en leraren bewuster te maken van het belang van ondernemersvaardigheden.
Commissie
Het in november 2002 afgesloten project over onderwijs en opleiding in ondernemerschap in het kader van de Best-procedure had tot doel initiatieven ter bevordering van het onderwijs in ondernemerschap in Europese opleidingssystemen, van primair tot universitair onderwijs, in kaart te brengen en te vergelijken. De uitkomst van het project was dat inmiddels algemeen wordt erkend dat ondernemerschap een belangrijk onderwerp voor het onderwijs is, maar dat er ondanks de vele lopende initiatieven nog veel te doen valt.
Eind 2001 is, eveneens in het kader van de Best-procedure, een project over het bevorderen van ondernemerschap onder vrouwen gestart. Dit project behelsde het opzetten van een gegevensbank met 132 maatregelen die overheden hebben genomen met betrekking tot startende ondernemingen, informatie, advies, financiering, opleiding, begeleiding en netwerken in de EU en in de landen van de EVA/EER. Deze maatregelen zullen worden beoordeeld om hieruit goede praktijken te destilleren [31].
[31] Ook relevante goede praktijken in de VS, Canada, Japan, Australië en Nieuw-Zeeland zullen in de gegevensbank worden opgenomen.
De meeste lidstaten hebben in het kader van de programma's van het Europees Sociaal Fonds (ESF) voor de periode 2000-2006 activiteiten gestart die verband houden met het MKB en die gericht zijn op versterking van de ondernemerscultuur. Dit gebeurt onder andere door het opzetten van netwerken van kleine en middelgrote ondernemingen.
In de Mededeling over levenslang leren en het gedetailleerde werkprogramma voor de follow-up inzake de doelstellingen voor de onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa (zie punt 4) wordt ondernemerschap als een basisvaardigheid gedefinieerd. De programma's Leonardo da Vinci en Socrates financieren verschillende projecten in verband met ondernemerschap, van het bevorderen van ondernemingsgeest op scholen tot ondersteuning van master-programma's in ondernemerschap. Bovendien heeft de Commissie in 2002 de resultaten gepubliceerd van een project over de ontwikkeling en uitvoering van opleidingsprogramma's in Europees ondernemerschap [32].
[32] EUR 17047, Europese Commissie, Innovation Papers nr. 24, 2002.
In juni 2002 heeft de Commissie een bijeenkomst met deskundigen georganiseerd over het effect van immigratie op ondernemerschap, met de bedoeling zowel om vast te stellen wat de belangrijkste hindernissen zijn waarmee ondernemers uit etnische minderheidsgroepen bij het opzetten of uitbreiden van een bedrijf worden geconfronteerd, als om mogelijke steunmaatregelen te bespreken.
In maart 2002 heeft de Commissie het startschot gegeven voor een project over het ontwikkelen van managementvaardigheden. Dit project wordt uitgevoerd in nauwe samenwerking met de lidstaten en kandidaat-lidstaten en heeft tot doel om enerzijds de sterke en zwakke punten in kaart te brengen van initiatieven ter bevordering van de managementcapaciteit in het MKB, en anderzijds om opleiding in ondernemerschap aan te bieden. Met het oog hierop zal een groep van deskundigen in maart 2003 een beleidsnotitie presenteren.
Tot slot heeft de European Private Equity and Venture Capital Association (EVCA) met steun van het Gate2Growth-initiatief van de Commissie (zie punt 7) in 2002 de Toolkit onderwijs in ondernemerschap, over de mogelijkheden van financiering met risicokapitaal voor startende ondernemingen ontwikkeld. De toolkit is verstrekt aan 150 instellingen voor hoger onderwijs.
2 Goedkopere en snellere start
"De kosten voor het starten van een onderneming moeten zich ontwikkelen tot de meest competitieve ter wereld. De landen met de langste termijnen en de meest omslachtige procedures voor de erkenning van nieuwe ondernemingen moeten worden aangemoedigd om hun achterstand ten opzichte van de snelste landen in te lopen. On-linetoegang voor registratie dient te worden bevorderd."
Lidstaten
Sinds het vorige verslag over het handvest hebben verscheidene lidstaten hun inspanningen om het starten van een bedrijf te vereenvoudigen, nog verder opgevoerd. Vier lidstaten hebben op dit terrein doelstellingen geformuleerd. Spanje en Portugal stellen als doel in respectievelijk 2006 en 2003 [33] de tijd die nodig is om een bedrijf te starten met 50% te bekorten. .. Frankrijk heeft als doel in 2007 220.000 nieuwe bedrijven per jaar te realiseren en Zweden heeft de oprichting van 150.000 bedrijven als doel gesteld voor de periode van 2003 tot 2006. Ierland wil tot 2006 520 "start-ups met hoog potentieel" opzetten.
[33] Spanje 50% minder tijd in 2006; Portugal, 50% minder tijd in 2003. Bron: Mededeling 'Een beter ondernemingsklimaat', COM(2002) 610 definitief van 7.11.2002.
In 2003 wordt het on line oprichten van een bedrijf werkelijkheid in Denemarken, Zweden en Noorwegen. In Denemarken en Oostenrijk is dit al mogelijk, zij het met beperkingen. Ook Spanje en Frankrijk werken aan maatregelen op dit terrein.
In Denemarken is het al mogelijk om een besloten vennootschap on line te registreren via de Webreg-site [34], en deze mogelijkheid wordt momenteel uitgebreid tot alle soorten ondernemingen. Deze ontwikkeling is geïnspireerd op het project over startende ondernemingen in het kader van de Best-procedure.
[34] www.webreg.dk
In Zweden wordt naar verwachting in 2003 on-lineregistratie via de site Kontakt-N [35] mogelijk.
[35] www.kontakt-n.nu
In Noorwegen zal in het voorjaar van 2003 on-lineregistratie van zeven verschillende soorten ondernemingen mogelijk zijn [36].
[36] www.brreg.no
Spanje is van plan om registratie via internet van particuliere besloten vennootschappen met minder dan vijf partners mogelijk te maken via het project Nueva empresa, dat momenteel onderwerp van een goedkeuringsprocedure is en dat naar verwachting in de eerste helft van 2003 experimenteel zal worden gestart [37].
[37] Nueva empresa is in oktober 2002 door de ministerraad goedgekeurd en doorgestuurd naar het parlement. Bron: Nationaal verslag van Spanje over het handvest.
In Frankrijk wil het wetsontwerp Initiative économique het via een virtueel centrum voor administratieve afhandeling van ondernemingszaken op internet mogelijk maken om binnen één dag een bedrijf op te richten, met één euro aan kapitaal en tegen gereduceerde kosten. Er wordt gewerkt aan een actieplan om startende bedrijven te stimuleren.
In Oostenrijk hebben zich in Wenen sinds 2001 ongeveer 1 000 bedrijven on line geregistreerd, en met het amendement op de handelswet van 2002 is de basis gelegd voor de invoering van een nationaal on-lineregistratiesysteem.
België werkt aan een actieplan voor invoering van one-stoploketten, voor het ontwerp van één elektronisch registratieformulier voor nieuwe ondernemingen en voor een centrale bedrijfsgegevensbank. De resultaten zullen worden afgezet tegen de indicatoren die zijn geformuleerd in het project over startende bedrijven in het kader van de Best-procedure. Het VK werkt ook aan een actieplan om belemmeringen op te heffen die mensen uit minderheidsgroepen of uit achterstandsgebieden ervan weerhouden een eigen bedrijf te beginnen. Op regionaal niveau heeft het Potentia-programma in Wales dezelfde doelen. In het Waalse Gewest in België en in Duitsland en Italië worden websites geopend met informatie over het starten van een onderneming. Andere ontwikkelingen zijn de uitbreiding van bestaande one-stopnetwerken in Griekenland, Spanje en Portugal [38] en de vereenvoudiging van de notariële procedures in Portugal.
[38] Het betreft de volgende netwerken: KYE in Griekenland, Ventanillas unicas in Spanje en Centros de Formalidades de Empresas in Portugal. Bron: nationale verslagen.
In vijf lidstaten (Duitsland, Ierland, Nederland, Oostenrijk en het VK), is het op dit moment mogelijk om een onderneming met één eigenaar binnen een dag te registreren. In negen lidstaten duurt dit twee dagen, en in elf lidstaten drie dagen. De kloof tussen de tijd die minimaal nodig is en de tijd die het in werkelijkheid kost om een bedrijf te registreren, is echter groot. Zo is de minimumregistratietijd in zowel Spanje als Italië twee dagen, maar kost de procedure bedrijven in werkelijkheid gemiddeld respectievelijk 24 en 35 dagen.
De registratietijd voor een particuliere besloten vennootschap varieert tussen de twee en vijftien dagen. In tien lidstaten is het mogelijk een dergelijke onderneming binnen een week te registreren, en in alle lidstaten op vier na (België, Spanje, Luxemburg en Portugal) is de minimaal benodigde tijd niet langer dan twee weken. De minimale registratiekosten lopen nog steeds uiteen van nul in Denemarken tot meer dan 1 700 euro in Griekenland. In zeven lidstaten blijven de kosten onder de 500 euro [39]. In Noorwegen is de registratietijd vijf dagen en bedragen de kosten ongeveer 700 euro [40].
[39] Bron van de cijfers in deze twee alinea's: 'Benchmarking van het ondernemingenbeleid - Resultaten van het scorebord 2002', SEC(2002) 1213 van 7.11.2002.
[40] Bron: Nationaal verslag van Noorwegen over uitvoering van het handvest.
Commissie
Sinds de voltooiing van het project inzake benchmarking van het beheer van starters in het kader van de Best-procedure in januari 2002 [41], is in de relevante internationale fora de aandacht op de resultaten van het project gevestigd.
[41] Voor meer informatie over Benchmarking van het beheer van starters: http://europa.eu.int/comm/enterprise/ entrepreneurship/support_measures/start-ups/bench_admin_business_start-up_final_2002.pdf
3 Betere wet- en regelgeving
"De nationale faillissementswetgeving moet worden beoordeeld in het licht van de goede praktijken. De lessen van benchmarking dienen te resulteren in een verbetering van de huidige praktijk in de EU.
Nieuwe nationale en communautaire regelgeving moet worden doorgelicht op haar gevolgen voor kleine bedrijven en ondernemers. Waar mogelijk moeten de nationale en EG-voorschriften worden vereenvoudigd. De regeringen dienen te kiezen voor gebruikersvriendelijke administratieve documenten.
Kleine ondernemingen zouden van een aantal wettelijke verplichtingen vrijgesteld kunnen worden. In dit verband zou de Commissie de concurrentiewetgeving kunnen vereenvoudigen om de lasten van de naleving voor kleine ondernemingen te verlichten."
Lidstaten
In het merendeel van de lidstaten is betere wet- en regelgeving een belangrijk aandachtspunt. Alle lidstaten maken melding van een scala aan maatregelen. Toch noemt nog steeds 13% van de kleine en middelgrote ondernemingen administratieve lasten als een van hun belangrijkste problemen [42].
[42] 'Highlights from the 2001 Survey', 2002/1, Waarnemingspost voor het MKB, Europese Commissie.
Op het gebied van faillissementswetgeving is uit het vorige verslag geconcludeerd dat er behoefte is aan nieuwe wetgeving om oplossingen te bieden aan insolvente ondernemingen die wel levensvatbaar zijn en om de straffen voor ondernemingen die "te goeder trouw" failliet zijn gegaan te beperken. Sindsdien hebben de lidstaten hun inspanningen op dit gebied verder opgeschroefd.
Het VK heeft voorstellen op tafel gelegd om de redding van levensvatbare bedrijven te vergemakkelijken en om het opnieuw starten van een bedrijf na een faillissement te stimuleren (Enterprise Bill van maart 2002). Daarnaast heeft het in september 2002 in het VK afgeronde Company rescue pilot project geresulteerd in criteria om te bepalen of een kleine onderneming het redden waard is, en zijn verschillende oplossingen voorgesteld om bedrijven weer gezond te maken.
In 2002 is in België een voorstel voor een faillissementswet ingediend met daarin een "hervorming van de verschoonbaarheid", zodat in bepaalde gevallen kwijtschelding van schulden mogelijk is. Nederland zal in 2003-2004 een wetsherziening doorvoeren waardoor het gemakkelijker wordt bedrijven te redden en na een faillissement opnieuw te starten. In Oostenrijk is een faillissement uit het verleden niet langer een grond om iemand te verbieden een bedrijf op te richten. Ook heeft dit land de insolventiewetgeving herzien om misbruik van faillissementen ten nadele van kredietverleners te voorkomen. Finland werkt aan een ontwerp van een nieuwe faillissementswet waarin de rechten van failliete ondernemers worden vastgelegd en schuldsanering wordt geregeld.
Diverse lidstaten, waaronder Denemarken, Spanje, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Portugal hebben een begin gemaakt met de herziening van hun faillissementswetgeving. In Denemarken heeft de herziening vooral ten doel de regels voor schuldsanering aan te passen om een tweede start te vergemakkelijken, terwijl Spanje en Portugal zich vooral op de bescherming van werknemers van geliquideerde bedrijven en op reddingsmogelijkheden voor levensvatbare bedrijven richten, zoals in het vorige verslag geadviseerd. In Frankrijk voorziet de wet Initiative économique in gedeeltelijke bescherming van het kapitaal van "mislukte" ondernemers.
In een aantal lidstaten zijn bestaande systemen voor de effectbeoordeling van regelgeving versterkt, en in andere worden deze momenteel ingevoerd. Daarnaast heeft een aantal lidstaten actieplannen goedgekeurd om de administratieve verplichtingen voor bedrijven te verlichten. Ierland, Zweden en het VK hebben de doelstelling geformuleerd om al hun wetsvoorstellen te onderwerpen aan een effectbeoordeling van regelgeving [43]. Denemarken, Nederland, Finland, Zweden, het VK en Noorwegen versterken hun effectbeoordelingssystemen voor regelgeving via hun speciaal daarvoor ingestelde coördinatie-eenheden.
[43] Ierland van 0% in 2001 tot 100% in 2006 voor alle belangrijke wetgeving; Zweden 100%, geen datum; VK 100% in 2005. Bron: Mededeling 'Een beter ondernemingsklimaat', COM(2002) 610 definitief van 7.11.2002.
In Denemarken, waar het bureau voor betere regelgeving voor het bedrijfsleven de effectbeoordeling van regelgeving coördineert, zijn bedrijvenpanels ingesteld die voor alle relevante wetsontwerpen hun mening geven over de administratieve belasting die deze zullen meebrengen. In augustus 2002 heeft Denemarken een actieplan gepresenteerd om de administratieve belasting te beperken. Daarnaast dienen nieuw opgerichte "testgroepen" van vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven de overheid nu van advies over de effecten van en alternatieven voor ingewikkelde wetgeving. Een jaarlijks onderzoek onder 1000 "modelbedrijven" wijst uit dat kleine bedrijven het meest last hebben van administratieve verplichtingen.
Zweden heeft in juni 2002 besloten een meetmethode te ontwikkelen om vast te stellen hoe zwaar de administratieve verplichtingen als gevolg van regelgeving voor kleine bedrijven zullen zijn en werkt op dit moment aan de uitvoering van dit besluit. De eerste meetresultaten worden verwacht in 2003. In 2001 zijn 80 effectbeoordelingen van regelgeving uitgevoerd, en deze hebben tot herziening van 24 wetsvoorstellen geleid. Alle wetsontwerpen bevatten een analyse van de kosten en de tijd die voor kleine bedrijven gemoeid zijn met de naleving van de wet. Deze analyse moet worden goedgekeurd door de SimpLex-eenheid.
Het VK heeft ten behoeve van beleidsmakers nieuwe richtsnoeren voor de effectbeoordeling van regelgeving opgesteld, zodat beter kan worden onderzocht wat de gevolgen voor kleine bedrijven zijn en welke alternatieven er voor de beoogde regelgeving zijn. Daarnaast is een Business Regulation Team opgericht waarin ook deskundigen uit de particuliere sector deelnemen en dat tot taak heeft te signaleren waar regelgeving tot onnodige administratieve rompslomp voor bedrijven leidt. Schotland heeft een micro business test ontwikkeld, die inhoudt dat elk nieuw wetsvoorstel moet worden beoordeeld op het mogelijke effect ervan op bedrijven met vijf werknemers of minder.
In Nederland heeft het Steunpunt voorgenomen regelgeving in 2001 steun verleend aan 48 effectbeoordelingen van regelgeving. Finland wil zijn effectbeoordeling van regelgeving verder versterken in de herziene instructies voor het opstellen van wetten. Noorwegen, ten slotte, heeft een "projectgroep" opgericht die alle ministeries bijstaat bij de effectbeoordeling van regelgeving en bij de raadpleging van bedrijvenpanels.
België, Ierland en Italië werken momenteel aan de invoering van systemen voor de effectbeoordeling van regelgeving. In 2002 stelde België de verplichting in bij wetsontwerpen een beoordeling van hun effect op bedrijven te voegen. Ook worden er tests gedaan met een effectbeoordelingsformulier. Ierland beproeft een nieuw systeem voor de effectbeoordeling van regelgeving en in Italië, waar een nieuwe eenheid voor vereenvoudiging van regelgeving een effectbeoordelingssysteem op vijf proefwetten heeft getest, is een decreet aangenomen waardoor geleidelijk alle wetten aan een effectbeoordeling zullen worden onderworpen.
Vereenvoudiging van wetgeving is voor steeds meer lidstaten een van de beleidsprioriteiten. België, Denemarken en Nederland hebben zich tot doel gesteld de administratieve verplichtingen voor bedrijven met 25% te verminderen [44].
[44] Bron: Mededeling 'Een beter ondernemingsklimaat', COM(2002) 610 definitief van 7.11.2002.
Duitsland heeft een projectgroep ter vermindering van bureaucratie (Projektgruppe Bürokratieabbau) opgezet , die klachten van belanghebbenden moet analyseren en voorstellen moet doen voor manieren om wettelijke hinderpalen weg te nemen. De laatste tijd heeft het land zich met name gericht op verbetering van communicatie tussen overheden en bedrijfsleven.
Het VK heeft in februari 2002 een breed Regulatory Reform Action Plan ingevoerd, met meer dan 260 voorstellen voor veranderingen op het gebied van regelgeving.
Noorwegen is gestart met een nieuwe programma om door middel van eenvoudiger wetgeving, effectbeoordeling van regelgeving, minder bureaucratie en betere regelgeving te komen tot een vermindering van de administratieve rompslomp.
België heeft in 2002 zowel in het Waalse als in het Vlaamse Gewest afdelingen opgezet voor administratieve vereenvoudiging en vereenvoudiging van regelgeving, en heeft een onderzoek gepubliceerd waaruit blijkt dat in het jaar 2000, micro-ondernemingen 69% van alle administratieve lasten voor hun rekening hebben genomen. Griekenland werkt aan de vereenvoudiging van 700 procedures in het kader van het POLITIA-programma en Spanje heeft een tweede actieplan voor administratieve vereenvoudiging goedgekeurd. Frankrijk heeft in het kader van zijn programma voor administratieve vereenvoudiging verscheidene procedures vereenvoudigd en Nederland is gestart met een aantal projecten ter verbetering van de kwaliteit van wetgeving. In Oostenrijk hebben de administratieve hervormingswet uit 2001 en de wijzigingen van de handelswet in 2002 geleid tot vereenvoudiging van een breed scala aan procedures.
Ierland en Finland werken voorts aan vereenvoudiging van hun vennootschapsrecht, en Nederland voert met het oog hierop een onderzoek uit. In Portugal wordt de bedrijfsvergunningswet herzien met als doel de benodigde tijd voor het verkrijgen van een vergunning te halveren [45]. Verscheidene landen zijn ook begonnen met het consolideren van wetgeving en het afschaffen van verouderde wetten.
[45] Portugal spant zich in om de tijd die nodig is om een bedrijfsvergunning te krijgen terug te brengen van 150 naar 75 dagen. Bron: Mededeling 'Een beter ondernemingsklimaat', COM(2002) 610 definitief van 7.11.2002.
Vooral Ierland heeft veel gedaan om zijn mededingingswet, de wet inkomstenbelasting en de accijnswet te verbeteren.
Op voorstel van belanghebbenden werkt Noorwegen aan de consolidering van 250 gezondheidsvoorschriften tot 6 en sinds 2000 heeft het 420 wetten afgeschaft.
Commissie
In de zomer van 2002 heeft de Commissie, voortbouwend op het Europees seminar van mei 2001 in Noordwijk over faillissementen van bedrijven, een studie afgerond naar de wettelijke en maatschappelijke gevolgen van insolventie. In het kader van de Best-procedure heeft de Commissie een werkgroep in het leven geroepen waarin deskundigen uit de lidstaten zitting hebben en die benchmarks en richtsnoeren moet vaststellen voor het bewerkstelligen van veranderingen inzake "Herstructurering, faillissement en een nieuwe start". Daarnaast heeft de Commissie de gids "Bedrijven helpen om financiële problemen op te lossen" uitgegeven om het bewustzijn te bevorderen omtrent de noodzaak van maatregelen ter voorkoming van insolventie .
Het Pakket betere regelgeving, dat op 5 juni 2002 door de Commissie is goedgekeurd, is gericht op hervorming van de manier waarop de instellingen individueel of gezamenlijk op Europees niveau wetgeving ontwikkelen en waarop de lidstaten deze regelgeving op nationaal niveau ten uitvoer leggen en toepassen.
Met dit ambitieuze pakket wordt voldaan aan het verzoek van de Europese Raad van Lissabon en wordt beoogd het regelgevingsklimaat te verbeteren en te vereenvoudigen. Bovendien vormt het een antwoord op de regelmatig door sommige nationale overheden en belanghebbenden geuite kritiek dat de regelgeving overdadig en log zou zijn.
De Commissie heeft daarom een actieplan [46] goedgekeurd met enerzijds een reeks maatregelen die de Commissie snel wil invoeren om de kwaliteit van haar wetgevingsvoorstellen te verbeteren en anderzijds maatregelen waarover de Commissie overleg wil plegen met het Europees Parlement, de Raad en de lidstaten (die mede verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van wetgeving).
[46] Actieplan 'Vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving', COM(2002) 278 definitief van 5.6.2002.
De Commissie heeft besloten het goede voorbeeld te geven met een aantal acties om binnen haar diensten een nieuwe cultuur van "wetgevingskwaliteit" te creëren. In overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van Sevilla, worden over een aantal van de in het Actieplan aan het Europees Parlement en de Raad voorgestelde acties op dit moment besprekingen gevoerd tussen de Commissie, het Parlement en de Raad, teneinde daarover zo vroeg mogelijk in 2003 een overeenkomst te sluiten. Deze overeenkomst zou hoofdzakelijk betrekking moeten hebben op de aanwending van kaderrichtlijnen, mederegulering, zelfregulering en een ambitieus programma voor het vereenvoudigen en beperken van het acquis communautaire.
Als onderdeel van het actieplan stelt de Commissie een nieuwe effectbeoordelingsprocedure in waarin alle reeds bestaande interne effectbeoordelingsmechanismen worden geïntegreerd. Deze nieuwe procedure heeft tot doel de kwaliteit van de voorstellen van de Commissie te verbeteren. In de nieuwe procedure zijn de aanbevelingen verwerkt van het proefproject Effectbeoordelingssysteem [47] over hoe het effect op het MKB kan worden gemeten en hoe binnen een geïntegreerd systeem het effect op bedrijven naar behoren kan worden geanalyseerd. De nieuwe procedure combineert elementen van duurzaamheidseffectbeoordeling en regelgevingseffectbeoordeling en kan daardoor ook bijdragen aan een doeltreffend regelgevingsklimaat als onderdeel van een meer coherente tenuitvoerlegging van de Europese strategie voor duurzame ontwikkeling.
[47] Het definitieve verslag van het proefproject 'Effectbeoordelingssysteem' is in alle EU-talen te vinden op: http://europa.eu.int/comm/enterprise/ library/enterprise-papers/paper9.htm. Als onderdeel van het proefproject is in het kader van de Best-procedure een effectbeoordelingsproject uitgevoerd.
De Commissie werkt momenteel aan de modernisering van het Bedrijvenpanel, waarvan de Interactieve beleidsvorming (zie punt 5) integraal deel zal uitmaken. Het Bedrijvenpanel wordt uitgebreid tot 4 000 bedrijven uit een groot aantal verschillende sectoren en uit alle lidstaten. Vanaf het voorjaar van 2003 zullen bedrijven via het panel on line worden geraadpleegd.
Op 17 juli 2002 heeft de Commissie de nieuwe groepsvrijstellingsverordening voor verticale overeenkomsten in de motorvoertuigensector [48] goedgekeurd. Deze verordening verbetert de kansen van het MKB om op de markten voor de verkoop van nieuwe motorrijtuigen te concurreren. De nieuwe regels maken het voor een verkoper makkelijker om verschillende merken te verkopen en openen de servicemarkt, zodat gekwalificeerde kleine en middelgrote ondernemingen kunnen toetreden tot het netwerk van erkende herstelbedrijven van een fabrikant. Daarnaast kunnen onafhankelijke herstelbedrijven, en deze behoren meestal tot het MKB, toegang krijgen tot informatie en opleidingen zodat zij de concurrentie kunnen aangaan met de erkende herstelbedrijven uit het netwerk van de fabrikant.
[48] Verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie van 31.Juli .2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector, PB L 203 van 1.8.2002, blz. 30-41.
4 Beschikbaarheid van vaardigheden
"Wij zullen trachten te waarborgen dat de opleidingsinstellingen - en aansluitend de programma's voor opleiding op de werkplek - een adequaat pakket bieden van vaardigheden die zijn toegesneden op behoeften van kleine ondernemingen en opleiding en consultancy plaatsen in het kader van "levenslang leren"."
Lidstaten
Een aantal lidstaten heeft programma's ontwikkeld die zijn gericht op opleiding in kleine en middelgrote bedrijven.
Duitsland is gestart met een programma Lernkultur Kompetenzentwicklung, dat gericht is op het bieden van opleidingen en leermogelijkheden op de werkplek voor kleine ambachtelijke, industriële en dienstverleningsbedrijven.
Italië heeft drie opleidingsfondsen opgericht ter ondersteuning van bedrijven in het MKB: een ambachtenfonds, een coöperatiefonds en een MKB-fonds (Fondo Artigiani, Fondo della Cooperazione, Fondo delle PMI).
Zweden is gestart met de maatregel 'Leren op de werkplek' ter ondersteuning van de bevordering van vaardigheden in het MKB. Oostenrijk ondersteunt bedrijven met minder dan vijftig werknemers bij het definiëren van maatregelen voor personeelsontwikkeling via de Arbeitsmarktservice. Noord-Ierland heeft een Company Development programme voor het MKB ontwikkeld.
Enkele lidstaten hebben ook maatregelen genomen om het gebrek aan vaardigheden op het gebied van technologie en techniek aan te pakken. Zo streeft Zweden ernaar meer studenten voor technische opleidingen aan te trekken en over meer jonge onderzoekers en meer docenten voor wiskunde, wetenschappen en technologie te beschikken.
Ierland heeft het programma STEPS gelanceerd om jongeren bewust te maken van de voordelen van een carrière in de wereld van wetenschappen en technologie; verder is het Information Technology Skills Development Fund opgericht (op postacademisch niveau) en is begonnen met een onderzoek naar het teruglopende aantal studenten in de natuurwetenschappen.
Italië is gestart met een OTO-opleidingsprogramma, PIA Innovazione. Verscheidene lidstaten, waaronder België, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Finland, Zweden, het VK en Noorwegen [49] hebben in hun verslagen melding gemaakt van programma's ter ondersteuning van het gebruik van ICT door zowel individuen als bedrijven. Tot slot worden in het proefproject "telecoaching" in Vlaanderen, methoden ontwikkeld om managers in het MKB te trainen in het gebruik van ICT-tools.
[49] Het programma van Noorwegen is alleen op leraren gericht: 'ICT in de lerarenopleiding'. Bron: verslag van Noorwegen over het handvest.
Voorbeelden van initiatieven om opleiding in het algemeen te bevorderen, zijn het systeem met "Opleidingscheques" in Vlaanderen, waarmee bedrijven worden gestimuleerd om in opleiding te investeren, en het proefproject BRAWO in de Duitstalige Gemeenschap in België, dat opleidingen voor werkgevers en werknemers subsidieert. In Ierland is voorts het programma Skillnets gestart, dat erop gericht is de vaardigheden van werknemers te verhogen. Italië heeft het programma PIA Formazione gelanceerd ter ondersteuning van opleidingen in bedrijven en het VK heeft het Sector Skills Council-netwerk opgericht om de behoeften aan vaardigheden in kaart te brengen.
Andere algemene initiatieven zijn het samenvoegen van opleidingscentra voor de arbeidsmarkt en scholen voor beroepsonderwijs in Denemarken, de oprichting van opleidingsadviesdiensten in Finland en de oprichting van een comité voor de analyse van leerplannen vanuit het gezichtspunt van levenslang leren in Noorwegen. Belastingprikkels om opleiding te stimuleren, zijn ingevoerd in onder meer Italië, Nederland, Oostenrijk en Zweden. Oostenrijk heeft daarnaast een programma Begabtenförderung ontwikkeld voor subsidiëring van leerlingovereenkomsten, heeft een bonus ingesteld voor leerlingopleiding en heeft een prijs in het leven geroepen voor bedrijven die innovatieve leerlingovereenkomsten aanbieden.
Commissie
De Europese Raad van Barcelona in maart 2002 heeft de doelstelling geformuleerd dat Europa in 2010 in de wereld voorop moet lopen wat onderwijs- en opleidingsstelsels betreft.
Op 14 februari 2002 hebben de Raad en de Commissie gezamenlijk een gedetailleerd werkprogramma voor de follow-up inzake de doelstellingen voor de onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa [50] goedgekeurd. Dit werkprogramma is gericht op de volgende drie doelstellingen: verbetering van kwaliteit en doeltreffendheid van onderwijs- en opleidingsstelsels in de EU, bevordering van de toegankelijkheid van die stelsels voor iedereen, en het verder openstellen van die stelsels voor de rest van de wereld. De ontwikkeling van de juiste vaardigheden voor de kennismaatschappij is een van de belangrijkste doelstellingen van het werkprogramma.
[50] Document van de Raad 6365/02 van 20 Februari 2002. De Europese Raad van Barcelona op 15-16 maart 2002 toonde zich verheugd over het werkprogramma. http://europa.eu.int/comm/education/ policy_en.html
programme
Eveneens in februari 2002 heeft de Commissie haar Actieplan voor vaardigheden en mobiliteit [51] goedgekeurd, dat gericht is op verbetering van geografische en arbeidsmobiliteit in de EU. Het plan is er onder andere op gericht om tekorten aan vaardigheden in de industrie weg te werken, partnerschappen tussen opleidingsinstellingen en bedrijfsleven te ontwikkelen en de sociale partners ertoe aan te zetten om strategieën te ontwikkelen om de competentie van werknemers te bevorderen. Op de voorjaarsbijeenkomsten van de Europese Raad zullen jaarlijkse evaluaties van de uitvoering van het actieplan worden gepresenteerd.
[51] Actieplan van de Commissie voor vaardigheden en mobiliteit, COM(2002) 72 definitief van 13.2.2002, http://europa.eu.int/comm/ employment_social/news/2002/feb/034_en.html
In 2002 is de Europese werkgelegenheidsstrategie, waarvoor vijf jaar eerder, tijdens de Werkgelegenheidstop in Luxemburg, het startschot was gegeven [52], geëvalueerd. Sinds 1997 is er een verschuiving merkbaar naar een meer werkgelegenheidsvriendelijk belastingklimaat dat gunstiger is voor de werkgelegenheid, en naar meer nadruk op levenslang leren en op het aanpassen van onderwijs- en opleidingsstelsels aan de behoeften van de arbeidsmarkt. Ook hebben de lidstaten maatregelen ontwikkeld voor vereenvoudiging van administratieve procedures en ter ondersteuning van kleine bedrijven in het kader van de pijler "ondernemerschap" van de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Bovendien wordt in het gezamenlijk ontwerp-verslag over de werkgelegenheid de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren door de lidstaten geanalyseerd [53]
[52] Mededeling van de Commissie 'Inventarisatie van vijf jaar Europese werkgelegenheidsstrategie' COM(2002) 416 definitief van 17.7.2002.
[53] Mededeling van de Commissie aan de Raad. 'Gezamenlijk ontwerp-verslag over de werkgelegenheid 2002', COM(2002) 621.
Verder is naar aanleiding van de mededeling over levenslang leren [54] het Brugge-proces in gang gezet voor betere samenwerking tussen de lidstaten, de landen van de Europese Economische Ruimte, de kandidaat-lidstaten en de Commissie op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding.
[54] Mededeling van de Commissie 'Een Europese ruimte voor levenslang leren realiseren', COM(2001) 678 definitief van 21.11.2001.
Het Actieplan e-Europa 2002 [55] legt sterk de nadruk op maatregelen waardoor het gebruik van de technologieën van de informatiemaatschappij het onderwijs zal toenemen, een aanpak die ook voor initiatief e-Europa 2005 werd gekozen [56]. Er lopen momenteel projecten op het gebied van "zelf leren voor werk" en "leren-op-de-werkplek voor het MKB". In het zesde OTO-kaderprogramma wordt het gebruik van informatietechnologie ter ondersteuning van virtueel leren een belangrijk onderwerp (zie ook punt 8).
[55] Actieplan 'e-Europa 2002 - Een informatiemaatschappij voor iedereen', 14.6.2000, beschikbaar op: http://europa.eu.int/ eeurope.
[56] Mededeling van de Commissie 'e-Europa 2005 - Een informatiemaatschappij voor iedereen', COM(2002) 263 definitief van 28.5.2002.
In oktober 2002 heeft de Commissie in Kopenhagen tijdens een conferentie op hoog niveau, georganiseerd in samenwerking met het Deense voorzitterschap, het eindrapport gepresenteerd van de in het kader van de Best-procedure ingestelde Groep voor het volgen van de situatie op het gebied van ICT-vaardigheden (ICT Skills Monitoring Group), getiteld e-Skills in Europe: Benchmarking Member States Policy Initiatives [57]. In april 2002 is een aanvullend initiatief van start gegaan over vaardigheden op het gebied van informatie- en communicatietechnologie en elektronisch zakendoen voor gebruikerssectoren en het MKB, met het oog op de beschrijving van vaardigheids- en jobprofielen op het gebied van ICT en elektronisch zakendoen in verschillende industrie sectoren. Dit initiatief zal bijdragen tot de ontwikkeling en aanpassing van ICT-vaardigheidsprofielen met het oog op de specifieke behoeften van het MKB. Verder is in het kader van het eLearning-actieplan [58] specifieke aandacht besteed aan het gebrek aan vaardigheden op ICT-gebied. In deze context heeft de Commissie op 19 december 2002 een voorstel aangenomen voor een programma voor het gebruik van ICT ter verbetering van de toegang tot onderwijs en opleiding (eLearning-programma [59]). Bovendien heeft de Commissie, in een door de Europese Raad van Barcelona goedgekeurd verslag over "Vergroting van de arbeidsparticipatie en bevordering van beroepsactiviteit op oudere leeftijd", voorstellen ingediend voor acties die ervoor moeten zorgen dat er voldoende gekwalificeerde arbeidskrachten beschikbaar zijn. [60]
[57] Voor meer informatie over de Groep voor het volgen van de situatie op het gebied van ICT-vaardigheden: http://europa.eu.int/comm/enterprise/ict/ policy/ict-skills/wshop/synthesis-report-v1.pdf
[58] Mededeling van de Commissie 'eLearning-actieplan - Het onderwijs van morgen uitdenken', COM(2001), 172 definitief van 28.3.2001.
[59] Voorstel voor een Beschikking van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor de doeltreffende integratie van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) in de onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa (eLearning-programma), COM(2002) 751 definitief van 19.12.2002.
[60] Verslag van de Commissie 'Door de Europese Raad van Stockholm verlangd verslag: Vergroting van de arbeidsparticipatie en bevordering van beroepsactiviteit op oudere leeftijd', COM(2002) 9 van 24.1.2002.
In maart 2002 hebben de Europese sociale partners een actiekader ingediend over de ontwikkeling van vaardigheden en competentie. Hierin verbinden zij zich ertoe de tenuitvoerlegging ervan te volgen en in 2006 een evaluatie ervan uit te voeren. De sociale partners hebben ook een meerjarig werkprogramma (2003-2005)goedgekeurd waarin onder andere de tenuitvoerlegging van de Europese werkgelegenheidsstrategie, levenslang leren, het beheren van de maatschappelijke gevolgen van verandering en mogelijke acties ter ondersteuning van het Actieplan voor vaardigheden en mobiliteit zijn opgenomen.
In de meeste lidstaten lopen ESF-programma's voor de periode 2000-2006 ten gunste van alleen het MKB of van het MKB samen met andere doelgroepen op het gebied van opleiding en de ontwikkeling van menselijk potentieel. Over het algemeen heeft de steun de vorm van opleidingen aan mensen die in het MKB-werken.
5 Betere on-linetoegang
"De overheid moet worden gestimuleerd om meer elektronisch te communiceren met kleine ondernemingen. Zo kunnen ondernemingen immers sneller en goedkoper advies krijgen, aanvragen doen, belastingaangiften indienen of eenvoudige informatie on line ontvangen. De Commissie moet op dit gebied het voorbeeld geven."
Lidstaten
In een aantal lidstaten, waaronder Griekenland, Spanje, Italië en het VK neemt de toegang tot internet in het MKB aanzienlijk toe. Met name in Griekenland is enorme vooruitgang geboekt: het aantal kleine en middelgrote ondernemingen met toegang tot internet is toegenomen van 24% in 1999 tot 78% in 2001. In 2001 had 70% van alle Europese micro-ondernemingen en meer dan 80% van de kleine ondernemingen toegang tot internet [61].
[61] Bron: 'Highlights from the 2001 Survey', 2002/1, Waarnemingspost voor het MKB.
Alle regeringen zetten zich in om de on-linetoegang te verbeteren. Duitsland, Portugal en het VK hebben zich daarbij tot doel gesteld om in 2005 hun overheidsdiensten voor 100% on line aan te bieden; Spanje hanteert een doelstelling van 40% in 2006 [62]. De meeste lidstaten concentreren hun inspanningen op het verbeteren en stroomlijnen van on-linediensten zodat deze beter kunnen aansluiten bij de behoeften van bedrijven (zoals werd aanbevolen in het vorige verslag over het handvest), op het vergroten van de gebruiksvriendelijkheid van die diensten en op het uitbreiden van het aanbod van on-linediensten. Verscheidene lidstaten werken aan de ontwikkeling van systemen voor het on line invullen, ondertekenen en indienen van formulieren.
[62] Bron: Mededeling 'Een beter ondernemingsklimaat', COM(2002) 610 definitief van 7.11.2002.
De volgende lidstaten hebben in hun verslag melding gemaakt over portaalsites waarop ondernemers informatie vinden en waarop steeds meer on-linediensten beschikbaar komen: België, Duitsland, Griekenland, Ierland, Nederland, Oostenrijk [63], Portugal, Finland, Zweden, het VK en Noorwegen. Luxemburg werkt aan een nieuwe portaalsite, Guichet pour entreprises met informatie over het starten, ontwikkelen en reorganiseren van een bedrijf, en heeft een project opgezet om alle administratieve formulieren on line beschikbaar te maken.
[63] Oostenrijk verwacht dat in 2003 de meeste administratieve procedures on line kunnen worden afgehandeld. Het aantal on-lineprocedures is toegenomen van 3 in 2001 tot 7 in 2002. Bron: verslag van Oostenrijk over het handvest.
Een bijzonder gebruiksvriendelijke portaalsite is de Ierse BASIS (Business Access to State Information and Services) [64], die toegang biedt tot alle voor het bedrijfsleven relevante overheidsdiensten en georganiseerd is rond "belangrijke gebeurtenissen" voor een ondernemer, zoals een bedrijf starten, personeel in dienst nemen, belasting betalen, financiering vinden en innoveren.
[64] Zie www.basis.ie
Denemarken ontwikkelt een portaalsite waar bedrijven de meeste administratieve procedures on line kunnen afhandelen met gebruikmaking van een gratis digitale handtekening. Deze site wordt vanaf midden 2003 operationeel en het is de bedoeling dat de site automatische gegevensuitwisseling tussen diensten mogelijk maakt zodat bedrijven dezelfde informatie maar één keer aan één administratieve dienst hoeven te verstrekken.
Een ander goed voorbeeld is het in oktober 2001 geopende portaal Företagarguiden (ondernemersgids) van Zweden, waar via e-mail gestelde vragen binnen 48 uur worden beantwoord [65].
[65] Zie www.foretagarguiden.se
Aangifte en betaling van BTW is on line mogelijk in België [66], Griekenland [67], Ierland [68], Finland en Zweden. Het Vlaamse Gewest in België [69], Denemarken en Luxemburg werken aan vergelijkbare voorzieningen. In Oostenrijk zijn sinds mei 2001 meer dan 7000 financiële verklaringen digitaal verzonden.
[66] In België: de projecten EDIFACT en INTERVAT. Bron: verslag van België over het handvest.
[67] In Griekenland: de website TAXIS, ook aangifte inkomstenbelasting mogelijk. Bron: verslag van Griekenland over het handvest.
[68] In Ierland: ROS (Revenue online Service), BTW en inkomstenbelasting. Bron: verslag van Ierland over het handvest.
[69] In België is de federale gegevensbank FISCONET sinds het voorjaar 2002 on line. Bron: verslag van België over het handvest.
Voorbeelden van andere innovatieve on-linediensten zijn een Ierse website voor on-lineverwerking van aanvragen van octrooien en handelsmerken, en de ontwikkeling van een Fins internetsysteem dat micro-ondernemingen met vijf werknemers of minder vanaf het najaar van 2003 in staat zal stellen om lonen on line te betalen. In een aantal lidstaten, waaronder Duitsland, Griekenland, Ierland, Oostenrijk en Finland, wordt informatie over overheidsopdrachten on line verstrekt. In Finland zijn sinds oktober 2001 900 aankondigingen van overheidsopdrachten op de JULMA-site gepubliceerd. Griekenland breidt zijn Integrated Customs Information System (ICIS) uit met de mogelijkheid om on line douaneaangiften in te dienen.
Commissie
Het IST-Programma voor technologieën van de informatiemaatschappij [70] maakt deel uit van zowel het vijfde als het zesde OTO-kaderprogramma. Dit programma vormt een aanvulling op het initiatief GoDigital [71], dat in april 2001 van start is gegaan, en dat onder andere tot doel heeft het MKB attent te maken op de mogelijkheden van elektronische handel en goede praktijken terzake tussen bedrijven uit te wisselen. Met het oog hierop voert de Commissie ongeveer 70 projecten voor de bevordering van de invoering van IST-technieken uit, waarbij honderden Europese ondernemingen in het MKB betrokken zijn. Doordat het IST-programma zorgt voor de grootschalige verspreiding van ervaringen van kleine en middelgrote bedrijven bij de invoering van deze technieken, levert het een belangrijke bijdrage tot het initiatief eEurope GoDigital. Het Actieplan e-Europa 2005 [72] stelt dat er behoefte is aan een "dynamische e-businessomgeving". De op het MKB gerichte acties in het kader van het zesde O&O-kaderprogramma ondersteunen dit proces (zie punt 8).
[70] www.cordis.lu/ist
[71] Het MKB helpen om digitaal te gaan werken, COM(2001) 136 definitief van 13.3.2001, www.europa.eu.int/godigital. Het initiatief GoDigital is onderdeel van het Actieplan e-Europa 2002.
[72] Mededeling van de Commissie, 'e-Europa 2005 - Een informatiemaatschappij voor iedereen', COM(2002) 263 definitief van 28.5.2002, www.europa.eu.int/information_society/eeurope.
In oktober 2002 is een site e-business legal portal geopend die door een netwerk van zestien Europese informatiecentra in dertien Europese landen wordt beheerd. Deze on-linedienst biedt een overzicht van de relevante wetgeving op het gebied van elektronische handel, geeft informatie over zelfreguleringsinitiatieven en geeft antwoord op juridische vragen van verschillende aard. Deze portaalsite kan de Commissie helpen in kaart te brengen wat de belangrijkste juridische problemen zijn waar bedrijven mee te kampen hebben wanneer zij on line willen handelen. Het is de bedoeling dat alle lidstaten, en mogelijk ook de kandidaat-lidstaten gaan deelnemen aan deze site.
In 2001 is in het kader van het IDA-programma (Interchange of Data between Administrations) het initiatief genomen voor het opzetten van een portaalsite "public-services.eu". Deze site, waarmee momenteel een proef loopt, wordt de toegangspoort voor iedereen die openbare on-line-informatie en -diensten zoekt, en heeft tot doel bedrijven te helpen bij het verrichten van grensoverschrijdende activiteiten.
In november 2001 hebben de Commissie en het Belgische voorzitterschap gezamenlijk een ministeriële conferentie op hoog niveau georganiseerd over de toepassingsmogelijkheden van e-overheid. Bij die gelegenheid werd een 'e-Europaprijs voor innovatie op het gebied van e-overheid' in het leven geroepen, en werd de eerste benchmarkstudie over on-line-overheidsdiensten gepresenteerd. In een ministeriële verklaring zijn de resultaten van deze conferentie weergegeven [73].
[73] Ministeriële verklaring over e-overheid van 29 november 2001, voor meer informatie, zie http://europa.eu.int/information_society/ eeurope/egovconf/index_en.htm.
6 Meer profijt trekken van de interne markt
"De Commissie en de lidstaten moeten de lijn van de lopende hervormingen, die gericht zijn op de voltooiing van de echte kleinbedrijfsvriendelijke interne markt, doortrekken naar gebieden die voor kleine bedrijven van doorslaggevend belang zijn, zoals elektronische handel, telecommunicatie, nutsbedrijven, overheidsopdrachten en grensoverschrijdende betaalsystemen.
Europese en de nationale mededingingsregels moeten streng worden toegepast, zodat kleine ondernemingen alle kansen krijgen om zich op nieuwe markten te begeven en een eerlijke concurrentiestrijd te voeren."
Lidstaten
In het najaar van 2002 hadden slechts vijf lidstaten - Denemarken, Nederland, Finland, Zweden en het VK - 98,5% van alle richtlijnen met betrekking tot de interne markt omgezet in nationale wetgeving, waarmee zij voldoen aan de doelstelling van de Europese Raad van Stockholm om de achterstanden in de tenuitvoerlegging terug te brengen tot 1,5%. In het voorjaar van 2002 vielen België and Spanje ook nog in deze categorie. Zweden heeft momenteel de kleinste achterstand (0,4%), gevolgd door Finland (0,6%) en Denemarken (0,7%) [74].
[74] Scorebord voor de interne markt, nr. 11 van november 2002 en nr. 10 van 16 mei 2002.
In de loop van 2002 is de achterstand van de lidstaten die al het verst van de doelstelling verwijderd waren, nog verder opgelopen, namelijk in Frankrijk, en ook in Griekenland, Portugal en Oostenrijk [75]. Finland is de enige lidstaat die voldoet aan de nieuwe doelstelling van 0% achterstand (in het voorjaar 2003) bij de tenuitvoerlegging van richtlijnen van meer dan twee jaar oud. Het aantal richtlijnen dat de lidstaten nog moeten omzetten om deze doelstelling te halen, varieert van één in Zweden tot veertien in Frankrijk.
[75] Frankrijk: achterstand is nu 3,8% en was 3,1% in voorjaar 2002; Griekenland: 3,3%, was 2,7%; Portugal: 3,1% was 2,1%; en Oostenrijk: 2,7% was 2,1%. Bron: idem vorige eindnoot.
Denemarken voert momenteel een benchmarkingproject uit om de verschillen en overeenkomsten te analyseren in de wijzen waarop verschillende lidstaten dezelfde EG-richtlijnen omzetten en toepassen.
Het Oostenrijkse proefproject Chance Binnenmarkt [76] heeft tot doel het MKB bewust te maken van de kansen die de interne markt biedt en gratis advies te geven.
[76] Deze maatregel werd al beschreven in het verslag van Oostenrijk van 2001.
Verscheidene landen, namelijk Duitsland, Portugal, Finland, Zweden, het VK en Noorwegen, maken in hun verslag melding van de uitvoering op nationaal niveau van het SOLVIT-programma (zie hieronder).
Slechts enkele lidstaten melden vooruitgang op het gebied van de liberalisering van nationale markten. Zowel Ierland als Oostenrijk hebben wetgeving aangenomen om hun aardgasmarkt verder open te stellen. Finland heeft verschillende maatregelen voorgesteld voor de ontwikkeling van de elektriciteitsmarkt, die nu volledig voor concurrentie openstaat. Griekenland en Portugal werken aan de herziening van hun wetgeving inzake overheidsopdrachten en Denemarken heeft een website opgezet voor bedrijven die vinden dat ze bij overheidsopdrachten oneerlijk behandeld zijn.
Wat de mededingingswetgeving betreft heeft Denemarken zijn Mededingingswet gewijzigd, waardoor overtredingen nu makkelijker beboet kunnen worden, heeft Ierland in zijn Competition Act 2002 alle concurrentie- en fusievoorschriften geconsolideerd, en heeft Oostenrijk een federale mededingingsautoriteit in het leven geroepen. Zweden heeft nieuwe regelgeving voorgesteld die moet voorkomen dat overheden en overheidsinstanties de mededinging in gevaar brengen. Ten slotte is in het VK de bescherming van kleine ondernemingen tegen oneerlijke concurrentie verbeterd dankzij de nieuwe Enterprise Bill [77].
[77] In het VK wordt in de effectbeoordeling van nieuwe regelgeving ook een analyse van de concurrentie-effecten opgenomen. Bron: verslag van het VK over het handvest.
Commissie
De huidige Strategie voor de interne markt van de Commissie is een vijfjarenprogramma dat voor het laatst is herzien in april 2002 [78], en dat speciale aandacht besteedt aan die gebieden waarop vooruitgang het hardst nodig is om EU-ondernemingen meer concurrentiekracht te geven en ze beter in staat te stellen te profiteren van de kansen die de interne markt biedt.
[78] Mededeling van de Commissie 'Evaluatie van de strategie voor de interne markt - 2002: De beloften nakomen', COM(2002) 171, 11.4.2002.
Een toereikend systeem voor de bescherming van intellectuele eigendom zal de innovatie-inspanningen van het MKB ondersteunen. De Commissie heeft een voorstel voor een verordening betreffende het Gemeenschapsoctrooi [79] ingediend, een doelstelling die prioriteit heeft in de internemarktstrategie. Een Gemeenschapsoctrooi zal bedrijven in staat stellen hun productie- en distributieactiviteiten aan te passen aan de EU-constructie en uitdagingen aan te gaan op het gebied van innovatie en van de concurrentiestrijd met de VS en Japan. Het Gemeenschapsoctrooi moet betaalbaar zijn en moet rechtszekerheid waarborgen. De Commissie heeft voorts op 20 februari 2002 een voorstel voor een richtlijn ingediend betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen [80].
[79] Voorstel van de Commissie van 1.8.2000 voor een Verordening van de Raad betreffende het Gemeenschapsoctrooi, COM(2000) 412 definitief - CNS 2000/0177, PB C 337 E van 28.11.2000, blz. 278.
[80] Voorstel voor een Richtlijn betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen, COM(2002) 92 definitief van 20.2.2002.
In juli 2002 heeft de Commissie haar tweede tweejaarlijks verslag over de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning in de interne markt [81] goedgekeurd. Dit verslag heeft als belangrijkste doel de sinds 1999 gemaakte vorderingen bij de toepassing van de wederzijdse erkenning in de interne markt te evalueren [82] en de gebieden waarop de wederzijdse erkenning nog problemen oplevert beter af te bakenen. De Commissie is voornemens een mededeling goed te keuren met richtsnoeren voor de toepassing van de wederzijdse erkenning tussen economische actoren en nationale overheidsdiensten wat producten betreft.
[81] Verslag van de Commissie 'Tweede tweejaarlijks verslag over de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning in de interne markt', COM(2002) 419 van 23.7.2002.
[82] Wederzijdse erkenning betekent dat wanneer een (klein of groot) bedrijf zijn producten legaal op zijn thuismarkt kan verkopen, het deze producten overal in de Europese Unie kan verkopen.
Op het gebied van conformiteitsbeoordeling is het binnen de EU nog steeds gebruikelijk om producten diverse malen te testen en te certificeren, ondanks de inspanningen ter bevordering van wederzijdse erkenning van testresultaten, merken en certificaten. Dit heeft geleid tot een toename van kosten voor het bedrijfsleven, en met name voor het MKB, dat voor meer dan één conformiteitsbeoordeling moet betalen. Teneinde deze situatie in kaart te brengen, is in het najaar van 2002 een project in het kader van de Best-procedure gestart voor de uitvoering van casestudies in verschillende sectoren. Deze studies behelzen een vergelijking van de toegepaste conformiteitsbeoordelingsprocedures en van hun economische weerslag op de geselecteerde sectoren, en zal moeten leiden tot de ontwikkeling van indicatoren waarmee het effect van die procedures op industriële ondernemingen, waaronder kleine en middelgrote ondernemingen, meetbaar wordt.
Hoewel de interne markt over het algemeen goed functioneert, stuiten bedrijven soms toch op problemen omdat overheden in andere lidstaten voorschriften inzake de interne markt mogelijk verkeerd toepassen. Het SOLVIT-netwerk [83] is door de Commissie opgezet om problemen op te lossen die verband houden met de verkeerde toepassing van regelgeving. Dergelijke problemen kunnen zich voordoen op verschillende gebieden van het zakenleven, zoals de toegang van goederen en diensten tot de markt, openbare aanbestedingen, belastingen of het starten van een onderneming. De Raad voor de Interne Markt heeft in zijn Resolutie van 1 maart 2002 bevestigd dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor een doeltreffende werking van het systeem. Voor het SOLVIT-netwerk, dat op 22 juli 2002 van start is gegaan, is een belangrijke rol weggelegd om de EU werkbaarder en praktischer de maken voor bedrijven, en met name voor de kleinste ondernemingen.
[83] Mededeling van de Commissie 'Effectieve probleemoplossing in de interne markt - SOLVIT', COM(2001) 702 van 27.11.2001. Aanbeveling van de Commissie van 7 december 2001 betreffende beginselen voor het gebruik van SOLVIT, het netwerk voor probleemoplossing in de interne markt, PB L 331 van 15.12.2001, blz. 79.
Op 11 december 2002 heeft de Commissie een mededeling goedgekeurd ter verbetering van het toezicht op de tenuitvoerlegging van het Gemeenschapsrecht [84].Op 30 juli 2002 heeft de Commissie een verslag goedgekeurd over de "toestand van de interne markt voor diensten" [85]. In dit verslag wordt een uitgebreid overzicht gegeven van de belemmeringen die het vrije verkeer van diensten nog altijd in de weg staan. Het verslag komt tot de conclusie dat er tien jaar na de voltooiing van de interne markt nog altijd een enorme kloof bestaat tussen de visie van een geïntegreerde EU-economie en de realiteit zoals die door Europese bedrijven wordt ervaren.
[84] COM(2002) 725 van 11.12.2002.
[85] Verslag 'De toestand van de interne markt voor diensten', (COM(2002) 441 definitief) - opgesteld als onderdeel van 'Een internemarktstrategie voor de dienstensector', (COM(2000) 888 definitief).
Een belangrijke ontwikkeling was de goedkeuring van de Verordening betreffende grensoverschrijdende betalingen in euro's teneinde één betalingsgebied tot stand te brengen [86]. De verordening bevat bepalingen voor de toepassing van het principe van gelijke bankkosten voor binnenlandse en grensoverschrijdende betalingen in euro's. De uiterste datum voor het in werking treden van de verordening voor betalingen per kaart en opnames bij geldautomaten was 1 juli 2002 en is 1 juli 2003 voor overschrijvingen en cheques. Uit onderzoeken van de Commissie blijkt dat de kosten die voor grensoverschrijdende betalingen worden aangerekend nog steeds hoog zijn en sterk variëren, ondanks de herhaalde waarschuwingen aan banken om dergelijke praktijken af te schaffen. Volgens de Verordening mogen de kosten van grensoverschrijdende betalingen niet afwijken van die van binnenlandse betalingen en moeten de kosten dus gelijk zijn, ongeacht de te overbruggen afstand [87].
[86] Verordening 2560/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2001 betreffende grensoverschrijdende betalingen in euro.
[87] Persbericht van de Europese Commissie IP/01/1084.
In december 2001 hebben de diensten van de Commissie een raadgevingsdocument over Coöperaties in het Europees bedrijfsleven gepubliceerd. Dit document stelt dat coöperaties behoefte hebben aan een regelgevend klimaat dat is toegesneden op hun specifieke kenmerken, en beschrijft Europese beleidsmaatregelen en initiatieven die een impact hebben op coöperaties. Op 3 juni 2002 bereikte de Raad overeenstemming over het voorstel van de Commissie voor een statuut van de Europese onderlinge maatschappij [88], waarin parallellen worden getrokken met het statuut voor een Europese onderneming, maar dat wel speciaal is toegesneden op de coöperatieve bedrijfsvorm. De Commissie werkt momenteel aan een voorstel voor een statuut van de Europese Vereniging.
[88] Gewijzigd voorstel, COM(93) 252 definitief van 6.7.1993, PB C 236 van 31.8.1993.
7 Belasting en financiën
"De belastingstelsels moeten worden aangepast om succes te belonen, starters aan te moedigen, de uitbreiding van kleine bedrijven en het scheppen van banen te begunstigen, alsmede de opvolging in kleine bedrijven te vergemakkelijken. De lidstaten zouden de beste praktijken moeten toepassen op het gebied van belastingheffing en de persoonlijke prestatiestimulans.
Ondernemers hebben financiële middelen nodig om hun ambities te realiseren. Om de toegang tot de financiële diensten voor kleine ondernemingen te verbeteren zullen wij:
de belemmeringen die een pan-Europese kapitaalmarkt en de uitvoering van de actieplannen inzake financiële diensten en risicokapitaal in de weg staan, vaststellen en wegwerken;
de relatie tussen het bankwezen en het kleinbedrijf verbeteren door passende voorwaarden voor de toegang tot krediet en risicokapitaal te scheppen;
de toegang tot de structuurfondsen verbeteren en initiatieven toejuichen van de Europese Investeringsbank om de voor starters en high-techbedrijven beschikbare fondsen, waaronder eigendomstitels, te verhogen."
Lidstaten
In twee lidstaten wordt de vennootschapsbelasting aanzienlijk verlaagd. Ierland brengt in 2003 alle vennootschapsbelastingen terug tot één tarief van 12,5%; voor kleine ondernemingen met een exploitatiewinst van minder dan 254 000 euro geldt dit al. Ierland heeft ook zijn belastingaangiftesysteem voor bedrijven met een omzet onder 320 000 euro vereenvoudigd. Het VK heeft de vennootschapsbelasting verlaagd van 23% naar 19% voor bedrijven die tussen 50 000 en 300 000 Britse pond winst maken. Het belastingtarief van 19% voor startende ondernemingen is verlaagd naar 0% voor bedrijven die niet meer dan 10 000 Britse pond winst maken.
Een aantal lidstaten maakt melding van verschillende belastingmaatregelen om de fiscale lasten van kleine bedrijven te verlichten. België heeft de belasting voor het midden- en kleinbedrijf verlaagd en gekoppeld aan de omzetcijfers, zodat bedrijven met een omzet onder 322 500 euro deels zijn vrijgesteld van belasting [89]. Denemarken heeft de vrijstellingsdrempel voor de BTW verhoogd van 20 000 naar 50 000 Deense kroon en staat bedrijven met een omzet onder 15 miljoen Deense kroon toe om de BTW-aangifte per kwartaal in plaats van per maand in te dienen. Onder de nieuwe regelgeving in het VK mogen kleine ondernemingen één tarief op hun omzet toepassen, in plaats van over elke afzonderlijke factuur BTW te berekenen. In Noorwegen ten slotte mogen bedrijven met een omzet onder circa 125 000 euro één keer per jaar aangifte doen in plaats van om de twee maanden. Zowel Portugal als Noorwegen hebben belastingprikkels ingevoerd voor O&O: Portugal richt zich met de regeling op het midden- en kleinbedrijf in de industrie, handel en landbouw, Noorwegen biedt kleine en middelgrote bedrijven met minder dan 100 werknemers een belastingkrediet ter hoogte van 20% van de jaarlijkse O&O-uitgaven , met een maximum van circa 500 000 euro.
[89] Deze maatregel zal naar verwachting een belastingverlaging van 70 miljoen euro met zich meebrengen. Bron: verslag van België over het handvest.
Er zijn meer maatregelen in voorbereiding: Zweden ontwikkelt momenteel een belastingstelsel op basis van gemiddelde inkomsten in plaats van op reële inkomsten. Zowel Griekenland [90] als Italië werken aan wetsontwerpen ter vereenvoudiging van hun belastingstelsels. Griekenland verlaagt het aantal BTW-aangiften per jaar van zes naar vier, Frankrijk, Griekenland [91] en Oostenrijk verlagen het belastingtarief voor bedrijfsovernames en Ierland overweegt vergelijkbare maatregelen te treffen.
[90] Deze maatregel zal naar verwachting leiden tot een belastingverlaging van 280 miljoen euro. Bron: verslag van Griekenland over het handvest.
[91] In Griekenland heeft deze maatregel betrekking op de overdracht van eenmanszaken aan familieleden. Bron: verslag van Griekenland over het handvest.
Verschillende lidstaten hebben nieuwe financieringsmaatregelen voor startende ondernemingen ontwikkeld.
Ierland heeft zijn durfkapitaalmarkt vergroot door 95 miljoen te investeren in twaalf nieuwe durfkapitaalfondsen die vooral gericht zijn op startende ondernemingen en ondernemingen in de beginfase.
Luxemburg heeft een "prêt de démarrage"-fonds opgericht voor de financiering van 40% van de kosten van startende ondernemingen tot een maximum van 250 000 euro.
Oostenrijk zette voorts een stimuleringsprogramma voor starters op, Start-up Förderung, voor financiering van kleine technologiebedrijven met hooguit 50 werknemers, en werkt aan een nieuwe durfkapitaalregeling voor kleine ondernemingen in de sectoren industrie en handel. Portugal richtte een nieuw risicokapitaalfonds op, dat prioriteit verleent aan de financiering van startprojecten en van kleine ondernemingen.
Enkele lidstaten hebben stelsels voor microleningen in het leven geroepen.
Duitsland heeft in samenwerking met het EIF een programma voor microleningen (DtA-Mikrodarlehensprogramm) opgezet, waarin startende en micro-ondernemingen leningen voor bedragen tot 25 000 euro kunnen afsluiten.
Spanje riep een regeling voor microleningen (Línea de Microcréditos ICO) voor micro-ondernemingen in het leven, voornamelijk bedoeld voor vrouwelijke ondernemers, ouderen, mensen met een handicap en immigranten die een onderneming willen starten. Met een kapitaal van meer dan 12 miljoen euro, verstrekt het fonds leningen tot 25 000 euro met een looptijd van twee tot drie jaar. In samenwerking met het EIF zijn 480 projecten gefinancierd. Spanje heeft ook een programma voor microkredieten opgezet voor vrouwelijke ondernemers (Programa de microcréditos para mujeres emprendedoras) voor het oprichten van een bedrijf of voor de financiering van het eerste jaar. Met een kapitaal van meer dan 6 miljoen euro, medegefinancierd door het ESF, verstrekt het fonds leningen tot een bedrag van 12 000 euro en met een looptijd van maximaal vijf jaar.
Zweden zette een systeem voor microleningen op, hoofdzakelijk bedoeld voor vrouwelijke ondernemers, voor financiering van 50% van de investeringskosten met een maximum van 250 000 Zweedse kroon.
Spanje en Finland zijn vooral actief met het opzetten van nieuwe durfkapitaalregelingen voor technologie-investeringen. In Spanje is een nieuw stelsel ingevoerd voor financiële ondersteuning van investeringen tot 500 000 euro in kleine en middelgrote technologiegerichte bedrijven gedurende de eerste twee jaar van hun bestaan, en in het kader van de ICO-regeling voor financiering van technologische innovatie kunnen bedrijven leningen sluiten voor maximaal 70% van hun investeringen. In Finland ging het LIKSA-programma van start, voor de financiering van ondernemingsplannen voor het opzetten van technologiegerichte bedrijven, en het INTRO-initiatief dat startende ondernemers in contact brengt met investeerders. Frankrijk heeft als doelstelling om risicokapitaalinvesteringen te laten stijgen tot 1 miljard euro in 2010 en Ierland heeft zich vastgelegd op een verhoging van de investeringen in durfkapitaal tot 0,8% van het BNP in 2006 [92].
[92] Bron: Mededeling 'Een beter ondernemingsklimaat', COM(2002) 610 definitief van 7.11.2002.
Slechts enkele lidstaten hebben in hun verslag melding gemaakt van onderlingewaarborgsystemen. Griekenland is bezig met het opzetten van een garantiefonds voor kleine en micro-ondernemingen (TEMPME), met een kapitaal van 100 miljoen euro voor dekking van 50% van de garanties die financiële instellingen eisen voor het afsluiten van leningen. Portugal heeft drie onderlingewaarborgmaatschappijen opgericht en heeft zijn onderlingewaarborgfonds versterkt, en Zweden heeft een nieuwe garantieregeling voor leningen voor het MKB ingevoerd, geïnspireerd op goede praktijken in Nederland en Finland.
Voorbeelden van meer algemene maatregelen zijn de oprichting van een fondsenbureau voor het MKB in Vlaanderen, waar wordt gewerkt aan een project voor het genereren van risicokapitaal voor startende ondernemingen, en de oprichting in Noorwegen van een Argentum-fonds met een kapitaal van 335 miljoen euro voor de ondersteuning van durfkapitaalfondsen die in clusters investeren. Het verbeteren van financieringsmogelijkheden voor bedrijven is ook een van de prioriteiten van de nieuwe Franse wet Initiative économique. Verder verstrekt het Tiroler bedrijfsondersteuningsfonds in Oostenrijk leningen tegen lage rente aan bedrijven met maximaal twintig werknemers.
Nieuwe maatregelen op het gebied van informatievoorziening over financieringsmogelijkheden waren onder andere een Duitse taskforce, bestaande uit financieel deskundigen van de federale regering en van banken, die het MKB adviseert over financieringsmogelijkheden, en een Duits MKB-forum over financieringsvoorwaarden in het kader van de Basel II-overeenkomst. Oostenrijk ontwikkelt momenteel een one-stop-bedrijvenservice (Wirtschaftsservice GmbH) waarin verschillende adviesdiensten inzake financieringsmaatregelen bijeen zijn gebracht.
In de Belgische regio Wallonië is een Risicokapitaalbeurs gehouden waar potentiële ondernemers en investeerders elkaar hebben ontmoet. België, Denemarken, Oostenrijk, Portugal, Zweden, het VK en Noorwegen maken melding van ontwikkelingen in hun netwerk van business angels. In Denemarken zijn er plannen voor drie extra netwerken en is een website geopend waar ondernemers in contact kunnen komen met potentiële business angels. Portugal ondersteunt zijn nieuwe netwerk met een financieringsprogramma voor innovatie en Noorwegen overweegt belastingprikkels voor business angels in te voeren.
Commissie
In oktober 2001 presenteerde de Commissie een mededeling Naar een interne markt zonder belastingbelemmeringen - Een strategie voor het verschaffen van een geconsolideerde heffingsgrondslag aan ondernemingen voor de vennootschapsbelasting op hun activiteiten in de gehele EU [93] en een gedetailleerd onderzoek naar de heffing van vennootschapsbelasting in de interne markt [94]. Deze beide documenten behandelen de huidige problemen met betrekking tot het belastingklimaat voor ondernemingen in de EU en bevatten een analyse van de situatie voor het MKB.
[93] Mededeling van de Commissie 'Naar een interne markt zonder belastingbelemmeringen - Een strategie voor het verschaffen van een geconsolideerde heffingsgrondslag aan ondernemingen voor de vennootschapsbelastingen op hun activiteiten in de gehele EU', COM(2001) 582 definitief van 23.10.2001, http://europa.eu.int/comm/ taxation_customs/taxation/company_tax/policy_proposals.htm.
[94] Werkdocument van de diensten Commissie 'Heffing van vennootschapsbelasting in de interne markt', SEC(2001) 1681 van 23.10.2001.
Twee recente richtlijnen op het gebied van BTW maken het voor het MKB makkelijker om grensoverschrijdend handel te drijven en reduceren de verplichtingen van het MKB op het gebied van BTW (bijvoorbeeld de factureringseisen) [95]. De Commissie voert momenteel een onderzoek uit naar BTW-verplichtingen, met het oog op vereenvoudiging daarvan (registratie, aangiften, betaling), met name voor het MKB.
[95] Richtlijn 2001/115/EG van de Raad van 20 december 2001 tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG met het oog op de vereenvoudiging, modernisering en harmonisering van de ter zake van de facturering geldende voorwaarden op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde; Richtlijn 2000/65/EG van de Raad van 17 oktober 2000 tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de bepaling van degene die tot voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde gehouden is.
In 2002 heeft de Commissie een onderzoek uitgevoerd naar optieregelingen voor werknemers in de EU en de VS. Uit het onderzoek bleek dat in de lidstaten nog steeds zeer uiteenlopende regelingen bestaan op het gebied van belastingen, arbeidswetgeving, gegevensbescherming en veiligheid. Bedrijven die in verschillende landen opereren moeten daarom voor elke land een andere optieregeling hebben. Dit betekent aanzienlijke administratieve kosten, waardoor met name kleinere bedrijven afzien van invoering van optieregelingen.
In september 2002 heeft de Commissie tijdens een seminar in Wenen de resultaten gepresenteerd van het project in het kader van de Best-procedure betreffende de overdracht van ondernemingen [96]. De resultaten bestonden uit de conclusies van de in 2000 opgerichte groep van deskundigen die tot taak had de tenuitvoerlegging van de in 1994 goedgekeurde aanbeveling over dit onderwerp [97] te volgen, de maatregelen die sinds de mededeling van 1998 zijn genomen [98] te evalueren, en voorstellen voor verdere actie te doen. Uit de resultaten van het project blijkt dat minder dan de helft van de in de aanbeveling van de Commissie genoemde maatregelen ten uitvoer is gelegd. Tevens werden voorbeelden van goede praktijken in de verschillende lidstaten gepresenteerd [99]. In oktober 2002 heeft de Commissie een nieuwe project over de overdacht van ondernemingen opgezet, dat voortbouwt op de voorstellen van de groep van deskundigen en dat de lidstaten moet helpen bij het maken van meer vorderingen.
[96] http://europa.eu.int/comm/enterprise/ entrepreneurship/support_measures/transfer_business/seminar.htm
[97] PB L 385 van 31.12.1994, blz. 14 en de bijbehorende toelichting in PB C 400 van 31.12.1994, blz. 1.
[98] Mededeling van de Commissie inzake de overdracht van kleine en middelgrote ondernemingen, PB C 93 van 28.3.1998.
[99] Resultaten van het project in het kader van de Best-procedure zijn te vinden op: http://europa.eu.int/comm/enterprise/ entrepreneurship/ support_measures/transfer_business/best_project.htm
In oktober 2002 heeft de Commissie haar vierde voortgangsverslag goedgekeurd over het Actieplan voor risicokapitaal uit 1998 [100], met daarin de strategie van de Commissie inzake risicokapitaal. Vier jaar na goedkeuring van dat actieplan zijn er, niettegenstaande het feit dat de risicokapitaalmarkt grote correcties ondergaat, aanzienlijke vorderingen geboekt met de tenuitvoerlegging ervan. Risicokapitaal is een uiterst belangrijke financieringsbron voor nieuwe en innovatieve bedrijven, en opeenvolgende Europese Raden hebben de lidstaten opgeroepen het Actieplan in 2003 volledig ten uitvoer te leggen. Terwijl de succesvolle invoering van euromunten en -biljetten het financiële klimaat beheerste, is de modernisering van het regelgevingskader voortgezet. Belangrijke ontwikkelingen zijn onder andere de verplichte invoering van internationale boekhoudingsnormen in 2005 en de aanstaande regelgeving inzake aanvullende pensioenfondsen. Deze maatregelen hebben een directe weerslag op de financiering van kleine en middelgrote bedrijven met veel groeipotentieel.
[100] Mededeling van de Commissie betreffende de tenuitvoerlegging van het actieplan voor risicokapitaal (APRK), COM(2002) 563 definitief, 16.10.2002. Gebaseerd op de Mededeling van de Commissie 'Risicokapitaal: de sleutel tot het scheppen van werkgelegenheid in de Europese Unie', SEC(1998) 522.
Wat overheidsfinanciering van ondernemingen betreft, heeft de goedkeuring door de Commissie van haar Mededeling inzake staatssteun en risicokapitaal [101] duidelijk gemaakt wat de voorwaarden zijn waaronder maatregelen ten aanzien van overheidsfinanciering van risicokapitaal verenigbaar zijn met de Verdragsbepalingen inzake staatssteun. In die zin is een tijdige tenuitvoerlegging van het Actieplan financiële diensten [102] een flinke stap op weg naar een meer geïntegreerde EU-risicokapitaalmark. De Commissie roept de lidstaten opnieuw met klem op om de fiscale en structurele hervormingen door te voeren die nodig zijn om investeringen in durfkapitaalfondsen te stimuleren.
[101] Mededeling van de Commissie 'Staatssteun en risicokapitaal', PB C 235 van 21.8.2001, blz.3.
[102] Mededeling van de Commissie 'Tenuitvoerlegging van het kader voor financiële markten: een actieplan, COM (1999) 232 van 11.5.1999.
De drie financiële instrumenten die het Europees Investeringsfonds (EIF) beheert uit hoofde van het Meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap (2001-2005) [103] zijn in het eerste kwartaal van 2002 in werking getreden. Het gaat om de ETF-startersregeling, de MKB-garantiefaciliteit en de zaaikapitaalactie, die alle drie via financiële intermediairs worden toegepast. Deze instrumenten bouwen voort op de financiële instrumenten van het Groei en werkgelegenheidsinitiatief 1998-2000. Het jaarverslag 2001 over deze instrumenten [104] laat zien dat vooral kleine bedrijven met minder dan tien werknemers van de garantiefaciliteit hebben geprofiteerd. Daarentegen werd slechts mondjesmaat gebruik gemaakt van het vierde financiële instrument, het JEV-programma, dat ondersteuning biedt bij de oprichting van transnationale joint ventures tussen kleine en middelgrote bedrijven.
[103] Beschikking 2000/819/EG van de Raad van 20 December 2000 betreffende een meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap, met name voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) (2001-2005).
[104] Verslag van de Commissie 'Groei en werkgelegenheidsinitiatief - Maatregelen voor financiële bijstand aan innoverende en werkgelegenheidscheppende kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's)', COM(2002) 345 definitief van 1.7.2002.
In september 2002 heeft de Commissie een verslag gepubliceerd over de vorderingen in het kader van de zaaikapitaalactie CREA. Deze actie, gefinancierd uit het Derde meerjarenprogramma voor het MKB [105], ondersteunde pas opgerichte zaaikapitaalfondsen met een investeringskapitaal van ten minste 4 miljoen euro, ter overbrugging van de financieringskloof in de eerste levensfase van het fonds. De negentien voor 1998-1999 geselecteerde actieve fondsen hebben 92,7 miljoen euro geïnvesteerd in 140 ondernemingen, waarbij 1.985 nieuwe banen ontstonden. De meeste van deze fondsen investeren op lokaal of regionaal niveau in informatietechnologie, communicatie, elektronica en biowetenschappen.
[105] Besluit van de Raad van 9.12.1996 betreffende een derde meerjarenprogramma voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) in de Europese Unie (1997-2000).
In januari 2002 is, zoals door de Raad Industrie van december 2001 werd verzocht, begonnen met de voorbereidingen voor een mogelijke Europese gedragscode voor banken en het MKB. Bij het project zijn onder andere de drie grootste Europese verenigingen van banken [106] betrokken, en de drie belangrijkste MKB-organisaties [107]. De diensten van de Commissie hebben een aantal zowel binnen de EU als daarbuiten bestaande gedragscodes geëvalueerd.
[106] Dit zijn de Banking Federation of the European Union, de European Savings Banks Group en de European Association of Co-operative Banks.
[107] Namelijk UNICE, UEAPME en Eurochambres.
In het kader van de werkzaamheden met betrekking tot goede praktijken op het gebied van microleningen, heeft de Commissie in 2002 een gezamenlijke werkgroep opgericht met deskundigen uit de lidstaten, de kandidaat-lidstaten, het MKB en organisaties van banken en van het MKB.
In de periode 2001-2002 heeft de vierde rondetafel van banken en het MKB bijeenkomsten gehouden in negen kandidaat-lidstaten. Deze in oktober 2000 gestarte rondetafel loopt in 2003 af en brengt financiële experts op lokaal en EU-niveau bijeen om een breed scala aan financiële kwesties te bespreken, goede praktijken uit te wisselen en voor elke kandidaat-lidstaat de problemen in kaart te brengen waar het MKB bij de toegang tot financiering mee wordt geconfronteerd. Over het algemeen is er in deze landen onvoldoende krediet beschikbaar voor de particuliere sector, hebben banken erg weinig ervaring met het verstrekken van leningen aan het MKB, en worden er vaak grote onderpanden voor leningen gevraagd.
Teneinde financiering door business angels te bevorderen, heeft de Commissie in het kader van de Best-procedure een verslag gepubliceerd over benchmarking van het beleid van de lidstaten inzake business angels [108]. In het verslag wordt opgemerkt dat ondernemers voor het starten van een bedrijf en voor vermogensfinanciering in de beginfase van de onderneming steeds afhankelijker zijn geworden van business angels. Een van de oorzaken hiervan zijn veranderingen in de banksector waardoor het verstrekken van leningen voor banken onaantrekkelijk is geworden vanwege lage marges en hoge overheadkosten. Daarnaast zijn durfkapitaalfondsen vaak niet in staat het grote aantal kleine transacties waarvoor veel onderzoek moet worden verricht (due diligence) te verwerken.
[108] Benchmarking Business Angels, Directoraat-generaal Ondernemingen, 4.11.2002, beschikbaar op http://europa.eu.int/comm/enterprise/ entrepreneurship/financing/index.htm.
Teneinde bestaande problemen bij de toegang tot risicokapitaal te verhelpen en ter aanvulling op lopende initiatieven (bv. netwerken van business angel, beleggingsforums, ondernemingsplanwedstrijden) ondersteunt de Commissie een pan-Europese gegevensbank van investeringsmogelijkheden, www.Gate2Growth. Deze gegevensbank helpt innovatieve ondernemers toegang te vinden tot bestaande netwerken van financiers, deskundigen op het gebied van ondernemingsgroei, starterscentra en octrooibureaus. In antwoord op een verzoek van het Europees Parlement wordt deze "one-stop-website voor risicokapitaal" in 2003 verder uitgebreid [109].
[109] Resolutie van het Europees Parlement van 11.4.2002, Verslag A5-0020/2002, punt 17.
De Commissie heeft nauwlettend gevolgd wat de mogelijke effecten voor het MKB zullen zijn van de onderhandelingen van het Basel-comité over het nieuwe kader voor kapitaaltoereikendheid van banken. De voorstellen van het comité houden rekening met het belang van het MKB voor de economie, en zullen worden verwerkt in de richtlijn inzake kapitaaltoereikendheid die voor 2004 op het programma staat.
8 De technologische capaciteit van kleine ondernemingen versterken
"Bestaande programma's die erop gericht zijn de verspreiding van technologie naar kleine bedrijven te promoten, zullen worden versterkt, alsook de capaciteit van kleine ondernemingen om technologieën te onderkennen, te selecteren en aan te passen.
De technologische samenwerking en de uitwisseling tussen bedrijven van diverse omvang, met name Europese kleine bedrijven, zal worden aangemoedigd, er zullen doeltreffender onderzoeksprogramma's worden ontwikkeld die gericht zijn op de commerciële toepassing van kennis en technologie, en speciale kwaliteits- en certificeringssystemen voor het kleinbedrijf zullen worden ontwikkeld en aangepast. Het is van belang over een Gemeenschapsoctrooi te beschikken dat gemakkelijk toegankelijk is voor kleine bedrijven.
De betrokkenheid van kleine ondernemingen bij de samenwerking tussen bedrijven zal worden bevorderd op plaatselijk, nationaal, Europees en internationaal niveau; hetzelfde geldt voor de samenwerking tussen het kleinbedrijf en de instellingen voor hoger onderwijs en onderzoek.
Derhalve dienen op nationaal en regionaal niveau acties die gericht zijn op de ontwikkeling van bedrijfsclusters en -netwerken te worden ondersteund, dient de pan-Europese samenwerking tussen kleine ondernemingen die informatietechnologieën gebruiken te worden aangemoedigd, dienen beste praktijken in samenwerkingsovereenkomsten te worden neergelegd en moet de samenwerking van kleine ondernemingen worden ondersteund, zodat zij beter in staat zijn toegang te krijgen tot de pan-Europese markten en hun activiteiten tot markten van derde landen uit te breiden."
Lidstaten
In het vorige verslag over het handvest werd gewezen op het gebrek aan initiatieven op het gebied van onderlinge samenwerking en clusters van ondernemingen. Sindsdien hebben diverse lidstaten nieuwe maatregelen genomen of bestaande maatregelen uitgebreid voor initiatieven op dit gebied. Daarnaast hebben negen lidstaten doelstellingen geformuleerd om de uitgaven voor onderzoek te verhogen, gaande van 1% tot 3,5% van het BBP [110]. De meeste lidstaten, waaronder België, Duitsland, Griekenland, Spanje, Ierland, Oostenrijk, Portugal, Zweden, en het VK ondersteunen technologieclusters en samenwerking tussen bedrijven van het MKB.
[110] De lidstaten hebben de volgende doelstellingen inzake algemene uitgaven voor O&O geformuleerd: Oostenrijk (2,5% in 2005), Denemarken, Duitsland en Frankrijk (alle drie 3% in 2010), Ierland (2% in 2006), Nederland (deel uitmaken van de kopgroep van lidstaten in 2010), Portugal (1% in 2003) en Finland (3.5% in 2004). Verder heeft Spanje een doelstelling geformuleerd voor de verhoging van bedrijfsuitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (BERD) tot 0,84% in 2003. Bron: Mededeling 'Een beter ondernemingsklimaat', COM(2002) 610 definitief van 7.11.2002.
Duitsland startte het NEMO-programma (Netzwerkmanagement - Ost) ter bevordering van regionale netwerken met onderzoeksfaciliteiten voor het MKB in Oost-Duitsland.
Oostenrijk heeft het protec 2002+-programma opgezet, dat technologieoverdracht bevordert teneinde de innovatiecapaciteit van het MKB te verbeteren. Het programma ondersteunt zowel productontwikkelingsprojecten van individuele kleine of middelgrote bedrijven als netwerken waarin bedrijven en instellingen voor technologieoverdracht samenwerken.
In België heeft het Vlaamse Gewest het netwerk Vlaamse Innovatiesamenwerkingsverbanden gelanceerd ter ondersteuning van innovatieve projecten van bedrijfsnetwerken. Zweden heeft een clusterprogramma 2002-2004 geïntroduceerd ter bevordering van innovatieve regionale systemen. Het Waalse Gewest in België liet zich voor ondersteuning van clusters inspireren door clusters in Denemarken, Frankrijk, Nederland en Oostenrijk. Ierland heeft het Shannon Development Network en het e-cluster initiative opgezet om bedrijven te helpen bij het ontwikkelen van IT-plannen. In de meeste landen, namelijk België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Frankrijk [111], Luxemburg, Oostenrijk, Portugal, Finland, Zweden, het VK en Noorwegen [112], zijn nu technologische starterscentra ingesteld. Het VK heeft bovendien een fonds voor starterscentra, het Business Incubation Fund, opgericht.
[111] Frankrijk heeft zich voorgenomen 865 technologiebedrijven per jaar op te richten via starterscentra. Bron: Mededeling 'Een beter ondernemingsklimaat', COM(2002) 610 definitief van 7.11.2002.
[112] Noorwegen heeft starterscentra in plattelandsgebieden: Business Gardens voor kleine aan wetenschapscentra verbonden kennisgerichte bedrijven.
Verscheidene lidstaten hebben nieuwe programma's opgezet of bestaande maatregelen uitgebreid om technologieoverdracht van universiteiten naar het MKB te bevorderen en om samenwerking tussen kleine ondernemingen te stimuleren.
Denemarken heeft de regeling voor industriële innovatie (Industrial Innovator Scheme) ingevoerd, een regeling voor samenwerking tussen kleine bedrijven en universiteiten, met voorzieningen voor "innovatoren" die in een kleine onderneming een nieuwe technologie of een nieuw ontwerp ontwikkelen.
Griekenland heeft het PAVE-NE-programma opgezet, dat tot doel heeft methoden te ontwikkelen voor de overdacht van onderzoeksresultaten naar traditionele sectoren.
Ierland heeft het Technology Transfer Initiative programme opgezet ter bevordering van de samenwerking tussen een aantal universiteiten en het Ierse MKB bij de overdracht en het op de markt brengen van technologie.
Anderen nieuwe initiatieven waren er onder andere in Duitsland, met het programma Wissen schafft Märkte (kennis creëert markten), voor voorlichting aan universiteiten over octrooien en de overdracht van onderzoeksresultaten. Verder ondersteunt het nieuwe Oostenrijkse initiatief A plus B jonge afgestudeerde wetenschappers bij het opzetten van technologiebedrijven, en biedt het Portugese IDEIA-programma ondersteuning aan toegepast onderzoek in samenwerkingsverband. Tot slot voert het VK 89 projecten uit ter versteking van partnerschappen tussen universiteiten en bedrijven.
Enkele nieuwe maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid voor technologisch geschoold personeel in het MKB waren het IRON-P-programma in Griekenland (werkgelegenheid voor wetenschappers in kleine bedrijven), het project " Innovatie assistent" (Innovationsassistentin) in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk, het QUADROS-programma in Portugal (werving van afgestudeerde wetenschappers in bedrijven) en SME Competence strategy in Noorwegen (voor bedrijven met maximaal 100 werknemers).
Voorts werd een aantal maatregelen van meer algemene aard getroffen.
Spanje zette het initiatief NEOTEC op (Initiativa Neotec para la creación y consolidación de empresas de base tecnológica) ter ondersteuning van de oprichting van technologiegerichte bedrijven.
Zweden startte met het programma Regional growth through dynamic innovation systems voor de ontwikkeling van regionale innovatie en "Technopoles" ter ondersteuning van jonge high-techbedrijven.
Italië ten slotte herzag zijn technologisch innovatiefonds (Fondo per l'innovazione tecnologica) teneinde MKB-aanvragen te vergemakkelijken en het Spaanse PROFIT-programma financierde in 2001 meer dan 2 700 projecten, waarvan 40% in kleine bedrijven, ter bevordering van het gebruik van technologie door ondernemingen. Nederland stelt middelen ter beschikking om het gebruik van technologie in het MKB te bevorderen.
Sommige lidstaten hebben ook op specifieke regio's gerichte maatregelen getroffen. Voorbeelden hiervan waren het initiatief van Denemarken om samenwerking tussen traditionele bedrijven en universiteiten te bevorderen in de regio's Jutland en Funen, en het programma REG.IT in Zweden, dat bedrijven in regionale ontwikkelingsgebieden helpt bij het invoeren van IT-technologie. Belastingprikkels om bedrijven tot de toepassing van technologie aan te zetten, zijn ingevoerd in Denemarken (nieuwe belastingaftrek voor bedrijven die in onderzoek investeren), Italië en Oostenrijk (10% belastingvrije som voor onderzoek voor het MKB).
Commissie
Het zesde OTO-kaderprogramma [113] hecht groot belang aan deelname van het MKB, met inbegrip van micro-ondernemingen en ambachtelijke bedrijven, op alle onderzoeksterreinen. Het kaderprogramma reserveert het hoogste budget ooit (bijna 2,2 miljard euro) voor het MKB, en is daarmee een van de belangrijkste steuninstrumenten ter wereld voor het MKB op het gebied van onderzoek en innovatie. Ten minste 15% van het budget dat is toegewezen aan de prioritaire thematische onderzoeksgebieden van het specifieke programma Integratie en versterking van de Europese onderzoeksruimte [114] van het zesde kaderprogramma zal worden bestemd voor het MKB. Het zesde kaderprogramma is gericht op verbetering van bestaande initiatieven voor vereenvoudiging van administratieve procedures en ondersteuning van het MKB. Met name wordt het netwerk van nationale contactpunten voor informatie aan en ondersteuning van het MKB verder uitgebreid teneinde tot een samenhangende aanpak en een hoog niveau van dienstverlening te komen. Er worden inspanningen geleverd om de deelname van kleine en middelgrote bedrijven aan nieuwe instrumenten van het zesde Kaderprogramma, namelijk topnetwerken en geïntegreerde projecten, te vereenvoudigen.
[113] Besluit nr. 1513/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27.Juni 2002 betreffende het zesde kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, ter bevordering van de totstandbrenging van de Europese onderzoeksruimte en van innovatie (2002-2006), PB L 232 van 29.8.2002, blz. 1.
[114] Voor meer informatie over de Europese onderzoeksruimte, zie: http://europa.eu.int/comm/research/era/ index_en.html
In januari 2002 is de Commissie gestart met een gratis helpdesk over intellectuele-eigendomsrechten om het Europese MKB te helpen deelnemen aan door de EU gefinancierde OTO-programma's [115].
[115] Voor meer informatie: www.ipr-helpdesk.org.
De nieuwe generatie innovatieve acties voor 2000-2006 die in het kader van het Europees fonds voor regionale ontwikkeling wordt gefinancierd, is in het bijzonder relevant voor kleine ondernemingen en voor hun deelname aan de kenniseconomie. Voor de periode 2000-2006 zijn drie thema's gekozen: een regionale economie gebaseerd op kennis en technologische innovatie; eEurope Regio: de informatiemaatschappij en regionale ontwikkeling; en regionale identiteit en duurzame ontwikkeling. In 2001 zijn ongeveer 80 regio's, met medefinanciering door de EU ten bedrage van meer dan 200 miljoen euro, gestart met de tenuitvoerlegging van hun regionale programma's van innovatieve acties, met name op het gebied van technologische innovatie en de informatiemaatschappij. Voor 2002 heeft de Commissie nog ongeveer 40 regionale programma's goedgekeurd.
In het najaar 2002 is in het kader van de Best-procedure een project over Instellingen voor technologieoverdracht gestart, dat bij moet dragen tot een betere technologieoverdracht van onderzoeksinstituten naar bedrijven. In het kader van dit project worden verschillende activiteiten ontwikkeld op het gebied van contacten tussen industrie en wetenschap, met name met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten, mobiliteit van onderzoekers en spin-offs.
De Commissie heeft de looptijd van 68 Relay Centra voor innovatie, die diensten op het gebied van technologieoverdracht aan het MKB verlenen, met twee jaar verlengd. Deze centra zullen onder het zesde kaderprogramma 2002-2006 werken [116].
[116] Voor nadere informatie over het IRC-netwerk: irc.cordis.lu.
In het kader van haar actie PAXIS heeft de Commissie in april 2002 in Stockholm het derde Europese forum voor innovatieve ondernemingen gehouden. Tijdens het forum werden de nieuwste trends en succesvolle benaderingen voor innovatieve starters besproken, en kwamen kwesties aan de orde als de rol van de academische wereld als kweekvijver voor bedrijven en steden als starterscentra. Tot slot heeft de Commissie zestien innovatiestrategieprojecten gelanceerd in landen waarmee nieuwe associatieovereenkomsten zijn gesloten, teneinde daar regionale innovatiestrategieën ten uitvoer te leggen. Met het oog op uitwisseling van goede praktijken op het gebied van regionaal innovatiebeleid zijn bovendien 14 themanetwerken opgezet waarin meer dan 250 Europese belanghebbenden bij innovatie betrokken zijn [117].
[117] Meer informatie op www.innovating-regions.org.
9 Succesvolle modellen voor elektronische handel en eersteklasondersteuning van kleine topondernemingen
"De Commissie en de lidstaten dienen kleine ondernemingen ertoe aan te zetten de beste praktijken en succesvolle ondernemingsmodellen toe te passen om in de nieuwe economie echt te kunnen floreren
De activiteiten van de lidstaten en van de EU zullen worden gecoördineerd om informatie- en bedrijfsondersteunende systemen, netwerken en diensten te scheppen die gemakkelijk toegankelijk en te begrijpen zijn en inspelen op de behoeften van het bedrijfsleven; de toegang in de gehele EU tot begeleiding en steun van mentoren en business angels zal worden gewaarborgd, door onder meer websites; de Europese Waarnemingspost voor het MKB zal worden benut."
Sinds het vorige verslag hebben verscheidene lidstaten algemene actieplannen of strategieën op het gebied van e-commerce opgesteld. Vijf lidstaten hebben doelstellingen op dit gebied geformuleerd [118]. Duitsland heeft als doelstelling dat in 2005 20% van het Duitse MKB een e-strategie moet hebben. Frankrijk en Ierland willen dat in 2006 respectievelijk 90% en 95% van het MKB toegang tot internet heeft. In Nederland moet in 2005 66% van het MKB on-linetransacties uitvoeren, en in Spanje moet in 2010 99% van de ondernemingen met meer dan 10 werknemers toegang tot internet hebben.
[118] Bron: Mededeling 'Een beter ondernemingsklimaat', COM(2002) 610 definitief van 7.11.2002.
Nederland heeft een actieplan ontwikkeld, "het MKB in de Nederlandse digitale delta", om de elektronische handel in het MKB te bevorderen.
Spanje heeft het initiatief PRINCE XXI [119] geïntroduceerd ter ondersteuning van het gebruik van elektronische handel in kleine industriële ondernemingen met minder dan 25 werknemers.
[119] PRINCE XXI is onderdeel van het programma INFO XXI 2001-3 dat wordt vermeld in het verslag over het handvest 2002. Bron: verslag van Spanje over het handvest.
Verder heeft Denemarken een Actieplan elektronisch zakendoen 2002 opgezet voor voorlichting over en verbetering van de infrastructuur voor elektronische handel, en heeft de Oostenrijkse deelstaat Stiermarken het programma Aktionsprogramm E-Business neu opgezet om de activiteiten op het gebied van elektronisch zakendoen in kleine en micro-ondernemingen te versterken. Zweden heeft de looptijd van het SVEA-project verlengd tot 2006, om te bereiken dat tegen die tijd 80% van de bedrijven met meer dan één werknemer elektronisch handel drijft. Het VK heeft bij zijn Kamers van Koophandel een netwerk van e-business clubs opgezet en heeft het programma om bedrijven uit het MKB te helpen bij het opzetten van websites verlengd.
Lopende programma's op het gebied van elektronische handel zijn onder andere het Belgische actieplan eFl@nders in Vlaanderen en het Ierse e-business programme van de Kamers van Koophandel, gericht op het vergroten van de mogelijkheden van het MKB op het gebied van elektronisch zakendoen. In Ierland hebben meer dan 800 kleine ondernemingen websites gebouwd in het kader van het initiatief Empower (eind 2001 afgerond). In de Belgische regio Wallonië worden eCapital Breakfasts voor het MKB georganiseerd waar ondernemers deskundigen op het gebied van elektronische handel en vertegenwoordigers van financiële instellingen ontmoeten, teneinde het bewustzijn op het gebied van ICT te vergroten en het gebruik ervan te bevorderen.
Enkele lidstaten geven financiële steun voor investeringen op het gebied van elektronische handel. Dat is het geval voor zowel Frankrijk, met zijn UCIP-procedure, en Italië, dat nieuwe fondsen aanwendt om gezamenlijke initiatieven van kleine en middelgrote bedrijven op het gebied van elektronische handel financieel te steunen. Ook de regio Wallonië in België [120] biedt subsidies aan voor het opzetten van platforms voor elektronische handel binnen kleine en middelgrote ondernemingen met minder dan 100 werknemers. Nieuwe analyse-instrumenten zijn onder andere in Denemarken ingevoerd, waar de nieuwe ICT-index inzicht geeft in de manieren waarop bedrijven IT in hun bedrijfsprocessen toepassen, en in Frankrijk, waar een scorebord ('tableau de bord') voor elektronische handel bijhoudt hoeveel Franse bedrijven gebruikmaken van ICT.
[120] Wet van juli 2002 over het gebruik van elektronische handel. Bron: verslag van België over het handvest.
Een aantal lidstaten maakt melding van aanzienlijke vorderingen op het gebied van bedrijfsondersteunende diensten.
Nieuwe diensten speciaal voor kleine en micro-ondernemingen zijn het Ierse Community Enterprise Centre Scheme 2002, dat faciliteiten biedt ter ondersteuning van het opzetten en ontwikkelen van micro-ondernemingen en, in het VK, het Schotse plan voor ondersteunende diensten voor kleine bedrijven, onderdeel van het beleidskader Smart successful Schotland.
Enkele recente maatregelen zijn onder andere het plan voor adviesvouchers voor het MKB in het Vlaamse Gewest in België Vlaanderen, het verder opzetten van centra voor bedrijfsleven en technologische ontwikkeling in Griekenland en de voorgenomen verlenging van de looptijd van het project Guichet Unique Transfrontalier des Entreprises, dat ondernemers helpt bij het starten van bedrijven in Luxemburg, België en Frankrijk. Verder is Italië begonnen met een programma voor het opzetten van 30 starterscentra met behulp van een investeringsstimulatiefonds [121], en heeft het VK het Opportunity Wales initiative opgezet, dat bedrijfsondersteunende diensten aanbiedt aan het MKB in de doelstelling 1-gebieden in Wales.
[121] Via deze maatregel zijn al 18 starterscentra met 665 bedrijven opgericht. Bron: verslag van Italië over het handvest.
Finland heeft een Regional Business Services Project 2002-2007 opgezet voor de opbouw van een netwerk van vijftig regionale steunpunten voor bedrijven ("business service points"). Deze steunpunten zullen op regionaal niveau standaarddiensten en diensten op maat aanbieden aan kleine en startende ondernemingen. Finland heeft daarnaast verscheidene expertisecentra (Branded Expert Services) ontwikkeld, die onder andere tot doel hebben kleine en middelgrote ondernemingen te helpen bij het opzetten van bedrijfsactiviteiten, en die ambachtelijke bedrijven zullen ondersteunen bij het verbeteren van hun concurrentiekracht.
Bedrijfsondersteunende diensten worden in toenemende mate on line aangeboden. Zo heeft Duitsland een on-linedienst opgezet waar ondernemers advies kunnen vragen over crisismanagement, insolventieprocedures en het opnieuw starten van een bedrijf [122]. In Spanje worden verschillende diensten, zoals ondersteuning bij het opstellen van ondernemingsplannen en het zoeken van mogelijkheden voor zakendoen, on line aangeboden via de portaalsite Portal PYME. België heeft een onderzoek gestart naar de zichtbaarheid, samenhang en doelmatigheid van bedrijfsondersteunende diensten [123]. Uit een recent Noors onderzoek is gebleken dat 70% van de kleine en micro-ondernemingen niet van het bestaan van dergelijke diensten op de hoogte is, en dat maar 3% van alle bedrijven van die diensten gebruikmaakt.
[122] http:// www.aus-fehlern-lernen.info. Bron: verslag van Duitsland over het handvest.
[123] Onderzoek in het kader van beoordelings- en controlemaatregelen van het programma 4X4 pour entreprendre. Resultaten worden verwacht in het voorjaar van 2003. Bron: verslag van België over het handvest.
Commissie
Kleine en middelgrote ondernemingen die on-linediensten aanbieden moeten volgens de Richtlijn elektronische handel [124], die uiterlijk 17 januari 2002 moest zijn omgezet, meer kansen binnen de interne markt krijgen.
[124] Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (Richtlijn elektronische handel), PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1.
Als vervolg op het Actieplan e-Europa 2002, en meer in het bijzonder op de Mededeling en het Actieplan van de Commissie Het MKB helpen om digitaal te gaan werken [125], zijn de diensten van de Commissie gestart met specifieke acties gericht op de behoeften van het MKB wat de invoering van ICT en elektronisch zakendoen betreft. Een samenvatting van de vorderingen bij de verschillende acties, is te vinden in het voortgangsverslag [126].
[125] Het MKB helpen om digitaal te gaan werken, COM(2001) 136 van 13.3.2001.
[126] Werkdocument van de diensten van de Commissie, 'Voortgangsverslag Go Digital 2001-2002', SEC(2002) 566 van 13.5.2002.
In juni 2002 is het Best-procedureproject inzake het in de lidstaten gevoerde nationale en regionale beleid ter ondersteuning van het elektronisch zakendoen in het MKB afgerond. Binnen dit project zijn negentien voorbeelden beschreven van goed nationaal en regionaal beleid om kleine ondernemingen te helpen de digitale weg op te gaan. In het eindverslag [127] staan vijftien lessen ten aanzien van beleidsontwikkeling en zijn meer dan 150 beleidsinitiatieven ter ondersteuning van het elektronisch zakendoen door het MKB beschreven. Het verslag maakt melding van een aantal veelbelovende initiatieven op het gebied van elektronisch zakendoen, zoals voorlichtingsacties, het stimuleren van bedrijfsondersteunende netwerken in het MKB en bevordering van het gebruik internetplatforms in kleine en middelgrote ondernemingen. In het eindverslag wordt daarom gepleit voor uitwisseling van goede praktijken op dit gebied. Om deze reden heeft de Commissie een Europees netwerk ter ondersteuning van het elektronisch zakendoen door het MKB opgezet, waarin Europese, nationale en regionale actoren deelnemen teneinde acties ter ondersteuning van het MKB op dit gebied te versterken [128].
[127] Eindverslag inzake de benchmarking van nationaal en regionaal beleid ter ondersteuning van het elektronisch zakendoen in het MKB: http://europa.eu.int/comm/enterprise/ict/ policy/benchmarking.htm
[128] Dit is een actie in het kader van e-Europa 2005; voor informatie hierover: http://europa.eu.int/comm/enterprise/ ict/ policy/e-bus-snfsme.htm
Op 13 mei 2002 heeft de Commissie het voortgangsverslag Go Digital gepubliceerd, waarin zij de resultaten van de GoDigital-voorlichtingscampagne analyseert [129]. Deze campagne is gestart in april 2001 en had tot doel multiplierorganisaties te stimuleren om op Europees, nationaal en regionaal niveau GoDigital-evenementen en -workshops te organiseren. In deze workshops moesten de mogelijke voordelen van het elektronisch zakendoen naar voren komen, moest informatie gegeven worden over efficiënt gebruik van de mogelijkheden van het elektronisch zakendoen, en moesten kleine en middelgrote ondernemingen praktische hulp krijgen bij het ten volle benutten van de mogelijkheden van de e-economie.
[129] Meer informatie hierover op: http://europa.eu.int/information_society/ topics/ebusiness/godigital/background/index_en.htm
Als vervolg op het Best-procedureproject betreffende bedrijfsondersteunende diensten [130], heeft de Commissie in april 2002 op een Europees seminar in Wenen de resultaten gepresenteerd van de werkzaamheden op het gebied van bedrijfsondersteunende diensten, waarbij de nadruk lag op kleine en micro-ondernemingen en eenmanszaken. Een van die resultaten is een methodologie voor mogelijke beleidsacties gericht op het opzetten van een eersteklasondersteuning van kleine topondernemingen.
[130] Werkdocument van de diensten van de Commissie, 'Eersteklasondersteuning van kleine topondernemingen', SEC(2001) 1937 van 28.11.2001.
Bedrijfsondersteunende maatregelen en initiatieven zijn gepresenteerd in de SMIE-gegevensbank [131] (Support Measures and Initiatives for Enterprises), waarin meer dan 2 500 maatregelen en 100 goede praktijken in 25 landen (EU, EVA en zes kandidaat-lidstaten) zijn ondergebracht. De gegevensbank heeft tot doel vergelijkende analyse, benchmarking en de beoordeling van bedrijfsondersteunende maatregelen te vergemakkelijken.
[131] http://europa.eu.int/comm/enterprise/smie/ index.htm
De uitkomst van het Best-procedureproject inzake starterscentra [132] was dat 90% van alle startende ondernemingen die binnen een starterscentrum zijn opgezet na drie jaar nog steeds actief zijn, en dat het creëren van arbeidsplaatsen in starterscentra voor de overheid zeer lage kosten met zich meebrengt in vergelijking met andere overheidsmaatregelen. Als in de komende acht jaar starterscentra actief zouden worden ondersteund, zouden deze centra een bijdrage kunnen leveren aan de verwezenlijking van de doelstelling van Lissabon om 15 miljoen nieuwe banen te creëren. In januari 2002 is het project beëindigd, en sindsdien hebben de diensten van de Commissie presentaties gehouden over de conclusies ervan [133], en een heel Europa bestrijkende on-linegegevensbank over starterscentra opgezet.
[132] Benchmarking van het beheer van starterscentra, eindverslag beschikbaar op: http://europa.eu.int/comm/enterprise/ entrepreneurship/support_measures/incubators/index.htm. Informatie over de gegevensbank van starterscentra op: http://europa.eu.int/comm/enterprise/ bi.
[133] Bijvoorbeeld het ACE-forum in Parijs in maart 2002, en de 16th International American National Business Incubation Association (NBIA)- conferentie in Toronto, Canada, in april 2002.
10 Sterkere en doeltreffender behartiging van de belangen van het kleinbedrijf op het niveau van de Unie en op nationaal niveau
"Het overzicht van de wijze waarop de belangen van het kleinbedrijf op EU- en nationaal niveau worden behartigd, eindigt onder meer met de sociale dialoog."
Lidstaten
Slechts zeer weinig lidstaten hebben sinds het vorige verslag initiatieven op dit gebied ontwikkeld.
De Belgische regio Wallonië ondertekende een partnerschapshandvest met werkgevers en werknemersorganisaties over opleiding, vereenvoudiging van administratieve procedures en bedrijfsontwikkeling.
Griekenland heeft een National Competitiveness Council (nationale mededingingsraad) ingesteld, een orgaan dat het ministerie voor Ontwikkeling adviseert over ondernemingenbeleid en mededinging en waarin het bedrijfsleven en andere belanghebbenden vertegenwoordigd zijn.
De Small Business Council (SBC) in het VK, een onafhankelijk orgaan van 20 ondernemers dat de uitvoerende macht adviseert, is in 2002 versterkt. De voorzitter van het orgaan heeft nu ook zitting in ministercomités over regelgeving en heeft directe toegang tot de premier. De SBC raadpleegt kleine bedrijven en brengt jaarlijks een verslag met aanbevelingen uit aan de regering.
Een groep landen - namelijk Denemarken, Finland, Zweden, het VK en Noorwegen - raadpleegt systematisch vertegenwoordigers van kleine bedrijven in het kader van hun reguliere effectbeoordeling. De meest gebruikte vormen van raadpleging zijn informele bijeenkomsten met het ministerie dat aan een wetsontwerp werkt, openbare hoorzittingen, openbare schriftelijke raadpleging en bedrijvenpanels. In Finland nemen vertegenwoordigers van het bedrijfsleven ook deel aan werkgroepen die wetgeving voorbereiden, en in Zweden zijn organisaties van het bedrijfsleven vertegenwoordigd in permanente "klankbordgroepen".
In Spanje worden belangenorganisaties geraadpleegd over wetsontwerpen. Verder is het zowel in Duitsland als in Luxemburg verplicht belanghebbenden, waaronder kleine bedrijven, vóór goedkeuring van wetgeving te raadplegen. Oostenrijk raadpleegt regelmatig zijn Kamers van Koophandel vóór de goedkeuring van wetgeving. Denemarken peilt jaarlijks de opvattingen van meer dan 1000 modelbedrijven over administratieve verplichtingen. Noorwegen heeft een 'Forum voor vereenvoudiging' waarin regeringsambtenaren en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven bespreken hoe lastenverlichting voor het bedrijfsleven kan worden bewerkstelligd.
Griekenland werkt aan de oprichting van een Waarnemingspost voor het MKB voor gegevensverzameling op lokaal, regionaal en nationaal niveau over micro-, kleine en middelgrote bedrijven. De Spaanse Waarnemingspost voor het MKB, gericht op het controleren van het nationale beleid ten aanzien van het MKB en op het uitvoeren van onderzoek, wordt gereorganiseerd.
Wat betreft de in het vorige verslag beschreven initiatieven zij vermeld dat de Ierse Round Table for SMEs in 2002 regelmatig bijeen is gekomen om zaken te bespreken gaande van interne markt tot uitbreiding van de EU, en heeft de MKB-vertegenwoordiging van het VK in Brussel (smallbusiness|europe liaison office) zijn activiteiten geïntensiveerd. In Zweden heeft de groep van vertegenwoordigers van kleine ondernemingen beleidskwesties besproken vanuit het standpunt van het MKB en op basis daarvan aanbevelingen gedaan voor wetswijzigingen.
Commissie
In het kader van het initiatief "e-Commissie" [134], maar ook in verband met de initiatieven van de Commissie voor governance en betere regelgeving, zijn binnen het Initiatief interactief beleidmaken (IPM) [135] twee nieuwe internetinstrumenten geïntroduceerd, namelijk een feedbackmechanisme en on-lineraadplegingen. Het IPM-initiatief heeft tot doel belanghebbenden in staat te stellen actief deel te nemen aan het beleidsvormingsproces van de Commissie. Via het feedbackmechanisme is informatie verzameld over meer dan 17 000 gevallen van bedrijven die op verschillende problemen stuitten - zoals een gebrek aan informatievoorziening, hoge kosten om aan regelgeving te voldoen, inconsistente wetgeving, onvoldoende vergoedingsregelingen en mogelijke gevallen van wetsovertreding - problemen waar vooral kleine bedrijven regelmatig tegenaan lopen. Hierdoor kan de Commissie haar beleid baseren op "harde" feiten. Door middel van het on-lineraadplegingsmechanisme worden het grote publiek, specifieke doelgroepen en kleine bedrijven in de gelegenheid gesteld eigen gezichtspunten in het beleidsvormingsproces in te brengen.
[134] Beschikbaar op: http://europa.eu.int/comm/di/pubs/e-comm/ sec_2001_0924_en.pdf
[135] http://ipmmarkt.homestead.com/ .
In december 2001 heeft de Commissie een KMO / MKB Gezant benoemd in de persoon van de heer Summa, die als directeur belast is met het bevorderen van het ondernemerschap en van het MKB binnen DG Ondernemingen. De functie van MKB-gezant is in het leven geroepen om te zorgen voor actief contact met de MKB-wereld, zodat de belangen en behoeften van deze ondernemingen beter en duidelijker herkend worden, onder de aandacht van de relevante diensten van de Commissie worden gebracht, en meegenomen worden in programma's, beleid en acties van de EU [136].
[136] Zie 'De gezant voor het MKB: een actieve schakel tussen de Commissie en de MKB-wereld', SEC(2003) 60, 21.1.2003.
De Commissie houdt regelmatig bijeenkomsten met Europese organisaties van het bedrijfsleven, en in het bijzonder met organisaties die het MKB vertegenwoordigen en een horizontale aanpak volgen. Het doel van de bijeenkomsten is te komen tot informatie-uitwisseling, waarbij de Commissie de Europese organisaties van het bedrijfsleven over lopende zaken informeert. De organisaties moeten dan deze informatie doorgeven aan hun leden en kunnen hun mening geven over op handen zijnde initiatieven. De vertegenwoordigers van het bedrijfsleven informeren op hun beurt de Commissie over de zorgen en belangen van hun respectievelijke leden.
Zoals hierboven beschreven (zie punt 3), werkt de Commissie momenteel aan modernisering van het Bedrijvenpanel, dat zal worden uitgebreid tot ongeveer 4 000 bedrijven uit een breed scala aan sectoren en uit alle lidstaten. Kleine bedrijven worden een belangrijk onderdeel van het panel.
De deelname van het MKB in het Europese normalisatieproces is van cruciaal belang voor de concurrentiekracht van het MKB. Toch worden veel beslissingen over normen genomen zonder rekening te houden met de behoeften van het MKB. Met het oog hierop hebben de diensten van de Commissie een opdracht verleend om het MKB en ambachtelijke bedrijven te informeren over standaarden, certificering, kwaliteit en normen, en om deelname van het MKB in normalisatieorganen op nationaal, Europees en internationaal niveau te organiseren [137].
[137] Dit geldt voor een beperkt aantal normen.
De diensten van de Commissie hebben bij vele gelegenheden kleine bedrijven geraadpleegd. Voorbeelden hiervan zijn het Comité van het Leonardo da Vinci-programma en het Brugge-proces (zie punt 4), waaraan sociale partners, waaronder Europese organisaties van het MKB, actief deelnemen. Op dezelfde manier is voor het systeem voor de toekenning van Europese keurmerken [138] via verschillende sectorale organisaties een aanzienlijke inspanning gepleegd om vertegenwoordigers van fabrikanten deel te laten nemen aan de werkgroepen voor het vaststellen van criteria voor productgroepen, en zijn vertegenwoordigers van het MKB uitdrukkelijk uitgenodigd via UEAPME.
[138] Het systeem voor de toekenning van milieukeuren heeft tot doel de productie te stimuleren van producten die gedurende hun levenscyclus minder schadelijk voor het milieu zijn en consumenten beter voor te lichten over de milieu-effecten van producten.
| Naar boven |