Mededeling van de Commissie aan de Europese Raad - Balans van de invoering van de chartale euro
/* COM/2002/0124 def. */
| BG | ES | CS | DA | DE | ET | EL | EN | FR | GA | IT | LV | LT | HU | MT | NL | PL | PT | RO | SK | SL | FI | SV |
| html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | ||||||||||||
| doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc |
| Twee talen naast elkaar: DA DE EL EN ES FI FR IT NL PT SV |
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE EUROPESE RAAD - Balans van de invoering van de chartale euro
Inhoud
1. Inleiding: De omschakeling op de euro: een groot succes
2. Het verloop van de operaties
2.1. Balans van de bevoorrading vooraf van de banken en vervolgens de bevoorrading vooraf van de winkels door de banken
2.1.1. De bevoorrading vooraf van de banken
2.1.2. De bevoorrading vooraf van de winkels door de banken
2.1.3. De bevoorrading vooraf van de burgers met munten
2.1.4. Totaalbalans van de bevoorrading vooraf
2.2. De verspreiding van de biljetten en munten in januari 2002
2.2.1. De bevoorrading met biljetten via de geldautomaten
2.2.2. De opname of inwisseling van contanten aan de loketten van de financiële instellingen
2.2.3. De teruggave van wisselgeld door de winkeliers
2.3. Het gebruik van de euro voor betalingen in contanten
2.4. De terugname van de oude nationale munteenheden
3. Overige vraagstukken in verband met de invoering van de chartale euro
3.1. De stabiliteit van de prijzen bij de omschakeling op de euro
3.2. De veiligheid van de operaties
3.3. De kwaliteit van de productie van de biljetten en munten
3.4. Vervalsing
3.5. De aanpassing van de verkoopautomaten
3.6. De materiële invoering van de euro in derde landen
4. Reacties van de burgers op de euro
4.1. Oordeel over de efficiëntie van de voorbereiding op de invoering van de euro
4.2. Gewenning van de burgers aan de omgang met de euro
4.3. Algemeen oordeel van de burgers over de omschakeling op de euro
5. Aanpassing van het MKB aan de euro
5.1. Stand van de voorbereiding van het MKB per 1 januari 2002
5.2. Ondervonden praktische moeilijkheden bij de omschakeling op de euro
5.3. Algemeen oordeel over de omschakeling op de euro
6. Bijlage
1. Inleiding: De omschakeling op de euro: een groot succes
De invoering van de chartale euro was de grootste geldwisseloperatie in de geschiedenis. Europa heeft deze moeilijke opgave aangekund en is erin geslaagd de omschakeling probleemloos te doen verlopen. De deelnemende landen hebben 15 miljard bankbiljetten en 51 miljard muntstukken geproduceerd en vervolgens in de eerste weken van 2002 ongeveer 8 miljard bankbiljetten en 38 miljard muntstukken geïntroduceerd bij 218 000 bank- of postkantoren, 2,8 miljoen winkels en 302 miljoen burgers in twaalf verschillende landen. Zij hebben ook in enkele weken een groot deel van de 9 miljard nationale bankbiljetten en de 107 miljard nationale muntstukken in omloop moeten terugnemen.
Dit grote succes is te danken aan de kwaliteit en de uiterste zorgvuldigheid van de voorbereidingen van de lidstaten, de Europese instellingen (ECB en Europese Commissie), de nationale centrale banken, de financiële instellingen, de winkels, de politie en de geldtransporteurs en aan de actieve en enthousiaste deelneming van de burgers, zonder wie het welslagen van de operatie en de snelle verspreiding van de euro niet mogelijk waren geweest. De Europese burgers hebben hun nieuwe munt snel en enthousiast aanvaard door de minikits met munten vóór 1 januari massaal te kopen en door zeer snel in grote getale bankbiljetten te gaan afhalen bij de geldautomaten en de loketten van de banken. De omschakeling op de chartale euro werd voorafgegaan door systematische en minutieuze voorbereidingen van alle betrokken actoren - financiële instellingen, geldtransporteurs, winkels, nationale overheden, centrale banken, Europese instellingen. Er zijn systematische voorbereidingen getroffen op alle gebieden, van de opleiding van het kassapersoneel tot de speciale programma's ten behoeve van kwetsbare bevolkingsgroepen. De nationale Ministeries van Financiën hebben een sleutelrol vervuld bij de begeleiding en stimulering van de economische actoren. De Europese Centrale Bank heeft het optreden van de nationale centrale banken doelmatig gecoördineerd. Harerzijds heeft de Commissie gedurende het gehele proces de actie van de deelnemende landen gestimuleerd en gecoördineerd door de sturing van de voorbereidingen door middel van haar aanbevelingen en voorstellen (met name de aanbeveling van 11 oktober 2000 en de mededelingen van 3 april en 10 oktober 2001) [1] en door de organisatie van de werkzaamheden van de euroteams van de nationale overheden en van de directeuren Communicatie van de Ministeries van Financiën. De Commissie fungeerde ook gedurende de gehele omschakeling als centraal aanspraakpunt dank zij het Europese snelle alarmnetwerk dat zij heeft opgericht.
[1] Respectievelijk: C(2000) 2985, COM (2001) 190 en COM (2001) 561.
Om deze operatie voor te bereiden en te begeleiden, zijn uitzonderlijk lange en uitgebreide voorlichtingscampagnes gehouden. Over de periode 1996-2001 bedraagt het gecumuleerde totale budget van de nationale voorlichtingscampagnes, die deels werden gecofinancierd door de Europese Commissie, 321 miljoen EUR (dat is 1,05 EUR per inwoner). Het Eurosysteem heeft ook een uitgebreide campagne gevoerd met een budget van 80 miljoen euro. Als ook de voorlichtingsacties van de banken en de beroepsverenigingen worden meegerekend, is in totaal meer dan een half miljard euro uitgegeven voor de voorlichting van de burgers en de economische actoren.
Deze belangrijke inspanningen van alle economische en institutionele actoren hebben vruchten afgeworpen: de omschakeling op de euro is probleemloos verlopen. De verandering van geld is sneller verlopen dan aanvankelijk was gepland (in 1999 had de Raad zich ten doel gesteld het gros van de operaties in twee weken af te handelen), maar wel conform de ramingen van de Commissie in haar mededeling van oktober 2001: reeds aan het einde van de eerste week van januari vormden de betalingen in euro's de meerderheid in het totaal van de betalingen in contanten, en aan het einde van de tweede week was er nog maar weinig nationaal geld in omloop.
Tien jaar na de ondertekening van het Verdrag van Maastricht heeft de euro met succes zijn entree gemaakt in het dagelijks leven van de burgers. Het welslagen van de omschakeling op de euro illustreert dat de instellingen in staat zijn een ingewikkeld project tot een goed einde te brengen en geeft reden tot optimisme over de voortzetting van de Europese opbouw. Het vormt ook een kostbare bron van lering voor de toekomstige deelnemende landen, waar een nieuwe impuls is gegeven aan de discussie over de deelneming aan de euro.
Deze mededeling heeft ten doel een gedetailleerde balans op te maken van de operaties voor de materiële invoering van de euro en een samenvatting te geven van de uitslag van de eurobarometerenquêtes over de mening van de burgers en de ondernemingen over deze omschakeling. Achtereenvolgens zullen worden geanalyseerd:
- het verloop van de invoering van de bankbiljetten en munten;
- de met de invoering van de chartale euro verbonden vraagstukken (stabiliteit van de prijzen, vervalsingen, kwaliteit van de productie, veiligheid van de operaties en aanpassing van de verkoopautomaten);
- de reacties van de burgers op de euromunten en -biljetten;
- en de ervaringen van de KMO's bij de organisatie van hun omschakeling.
2. Het verloop van de operaties
Vier elementen verdienen bijzondere aandacht:
- de bevoorrading vooraf van de banken en vervolgens de bevoorrading vooraf van de winkels door de banken
- het tempo van de verspreiding van de nieuwe munt in de eerste dagen van 2002, en de kanalen waarlangs dit is gebeurd
- de ontwikkeling van het gebruik van de euro voor betalingen in contanten
- de operaties om de oude nationale munten uit de circulatie te nemen
2.1. Balans van de bevoorrading vooraf van de banken en vervolgens de bevoorrading vooraf van de winkels door de banken
Volgens de Europese regelgeving mochten vanaf september 2001 de banken en vervolgens de winkels vooraf worden bevoorraad, terwijl vanaf half december particulieren vooraf van munten mochten worden voorzien. Elk land was echter vrij om binnen dit tijdskader een datum voor het begin van de operaties te kiezen.
2.1.1. De bevoorrading vooraf van de banken
De bevoorrading vooraf van de banken is vlot verlopen. Het bereikte bevoorradingsvolume was over het geheel genomen in overeenstemming met de ramingen. De handelsbanken (en soms de postkantoren) ontvingen reeds in september euromuntstukken in België, Ierland, Frankrijk, Italië en Portugal. In Duitsland, Spanje, Luxemburg, Oostenrijk en Finland ontvingen zij vanaf ditzelfde tijdstip bankbiljetten en munten. De Portugese banken ontvingen de biljetten in de loop van oktober, en in Griekenland werden in diezelfde periode munten en biljetten geleverd. De Belgische, de Spaanse, de Ierse en de Italiaanse banken ontvingen de biljetten vanaf november, de Franse en de Nederlandse [2] banken in december.
[2] De Nederlandse banken konden echter op verzoek eerder bankbiljetten krijgen. Ook in Frankrijk waren versoepelingen mogelijk voor de banken en de grote handelszaken.
Volgens de Europese Centrale Bank hadden de banken op 31 december in totaal 132,1 miljard EUR aan bankbiljetten ontvangen, dat is het equivalent van 21% van de totale productie en van 67% van de waarde van de bankbiljetten in omloop [3]. Deze gemiddelden verhullen echter zeer uiteenlopende situaties: de bestellingen van de banken waren zeer groot in sommige landen (b.v.: Griekenland, Ierland en Oostenrijk) en meer bescheiden in andere landen (b.v.: Frankrijk, Spanje en Nederland), zoals door de beide onderstaande tabellen wordt geïllustreerd. Vrijwel alle bestelde biljetten werden ook geleverd.
[3] In procent van de waarde van de eurobiljetten die op 15 januari 2002 in omloop waren.
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
In verhouding werden veel meer munten dan biljetten vooraf aan de banken geleverd: de financiële instellingen ontvingen tussen september en december het equivalent van 73% van de totale productie (in volume) [4] en van 96,3% van de munten die half januari in omloop waren. De verschillen tussen de landen zijn ook minder groot. De door de banken bestelde hoeveelheden munten zijn in het algemeen zonder problemen geleverd.
[4] Bron: ECB.
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
2.1.2. De bevoorrading vooraf van de winkels door de banken
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
De bevoorrading vooraf van de winkels met bankbiljetten is in september begonnen in Duitsland, Luxemburg en Oostenrijk, in november in Ierland en in december in de overige landen (de munten waren echter reeds beschikbaar in september in Ierland, in oktober in Italië en in november in Griekenland). Van de door de ECB aan de ondernemingen geboden mogelijkheid om reeds in september kleine hoeveelheden te ontvangen voor de opleiding van het kassapersoneel, is weinig gebruik gemaakt, vermoedelijk omdat weinig bekendheid is gegeven aan deze maatregel.
Zoals de Commissie reeds had vermeld in haar mededeling van 10 oktober 2001 [5], was de deelneming van de 2,8 miljoen winkels van de eurozone aan deze operaties over het geheel genomen zeer ongelijk. Dit wordt hoofdzakelijk verklaard door veelal het gebrek aan aanmoedigingsmaatregelen en het bestaan van onevenredige boetes in sommige landen in geval van verlies of voortijdig in omloop brengen van een biljet. Gemiddeld hebben de banken (in waarde) slechts 9% van de ontvangen biljetten vooraf gedistribueerd [6]. Afgezien van Luxemburg, is het interessant te constateren dat de landen met de hoogste resultaten tevens de landen zijn die aanmoedigingsmaatregelen en/of maatregelen ter vermindering van de logistieke beperkingen ten uitvoer hebben gelegd (b.v.: Duitsland, Ierland, Nederland en Oostenrijk) [7]. Het totale aantal vooraf bevoorrade winkeliers varieert zeer sterk van lidstaat tot lidstaat: vrijwel alle Ierse winkeliers en bijna 90% van de Nederlandse winkeliers werden vooraf bevoorraad, maar hetzelfde geldt voor minder dan 10% van de Italiaanse winkeliers.
[5] COM(2001) 561 def. Tweede verslag over de voorbereidingen voor de invoering van de eurobankbiljetten en -munten.
[6] Bron: ECB. NB: de bevoorrading van sommige grote distributeurs werd soms rechtstreeks door de nationale centrale bank verricht.
[7] De gegevens van het Eurosysteem ontbreken voor Frankrijk voor wat betreft de bevoorrading vooraf van de winkels met biljetten, en voor wat betreft de bevoorrading vooraf van de winkels met munten in Frankrijk, Spanje, Ierland en Portugal.
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
De resultaten zijn over het algemeen iets beter voor de munten, waarvan de banken er gemiddeld een belangrijk deel aan de winkels hebben geleverd, met grote verschillen tussen de landen.
2.1.3. De bevoorrading vooraf van de burgers met munten
In alle landen waren vanaf half december minikits met munten te koop voor een gemiddelde waarde van 10,71 EUR (de waarde gaat van 3,88 EUR in Finland tot 15,25 EUR in Frankrijk). Deze kits, die het eerste fysieke contact van de burger met de euro vormden, zijn in alle deelnemende landen met groot enthousiasme ontvangen. In de eerste openingsuren van de banken, postkantoren of andere verkooppunten was het animo zo groot, dat tweederde van de kits in minder dan een week verkocht waren en er in sommige landen al na 48 uur tekorten ontstonden.
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
De Europese burgers hebben in totaal 150 329 000 kits gekocht waarin 4 280 585 000 munten zaten (dat is een gemiddelde van 14 munten per persoon), voor een totale waarde van 1,65 miljard EUR. Het totale volume van de verkochte kits vormt het equivalent van 11% van de euromunten die eind januari in omloop waren. In verscheidende landen (Duitsland, Portugal, Finland en Luxemburg) was de vraag zo groot, dat de banken toestemming kregen om hun eigen kits samen te stellen of zelfs om een deel van de voorraad los te verkopen. De balans van de verkoop van kits is dus over het geheel genomen zeer bevredigend. In totaal hebben 150 van de 192 miljoen geproduceerde kits een koper gevonden, dat is gemiddeld 78%.
Een interessant gegeven is dat, in tegenstelling tot de door sommige actoren uitgesproken vrees, de burgers het verbod om de munten vóór 1 januari 2002 te gebruiken, uitstekend hebben nageleefd, afgezien van enkele incidentele gevallen van gebruik in automaten. Er zijn slechts 77 pogingen tot voortijdig gebruik van eurobiljetten of -munten vóór 1 januari 2002 geregistreerd, een uiterst laag getal in verhouding tot de miljarden verspreide biljetten en munten.
2.1.4. Totaalbalans van de bevoorrading vooraf
Volgens de ECB werden in totaal 6 miljard bankbiljetten (dat is 40% van de geproduceerde biljetten) voor een totale waarde van meer dan 132 miljard EUR en 37,5 miljard munten (dat is 73,5% van de geproduceerde munten) voor een totale waarde van 12,4 miljard EUR vooraf gedistribueerd.
Deze resultaten zijn nog frappanter wanneer men ze vergelijkt met de hoeveelheid euro's die begin februari 2002 in omloop waren: gemiddeld was 80% van de biljetten (in volume) en 97% van de munten die toen in gebruik waren, vóór januari gedistribueerd.
Het succes van de bevoorrading vooraf heeft een doorslaggevende bijdrage geleverd tot de snelle start van de betalingen in euro's begin 2002.
2.2. De verspreiding van de biljetten en munten in januari 2002
Het nieuwe geld werd hoofdzakelijk langs drie kanalen [8]verspreid:
[8] Overige bronnen zijn bijvoorbeeld de wekelijkse betalingen in contanten van de sociale uitkeringen in Ierland, en de uitkeringen in contanten van pensioenen in Italië.
- de afhalingen bij de geldautomaten
- de afhalingen aan de loketten van de financiële instellingen (banken en postkantoren)
- de teruggave van wisselgeld door de winkels.
2.2.1. De bevoorrading met biljetten via de geldautomaten
Gemiddeld was 80% van de automaten reeds op 1 januari aan de euro aangepast. De operatie is technisch zeer goed verlopen [9] en vorderde snel in de gehele eurozone: het gemiddelde percentage steeg tot 90% op 2 januari en tot 97% op 3 januari. Vanaf 4 januari kwamen uit vrijwel alle geldautomaten nog slechts euro's. De niet aangepaste automaten bleven dikwijls de eerste dagen oude nationale munteenheden distribueren - met name in Italië en Finland - waardoor de teruggave van wisselgeld in euro's door de winkels tijdelijk werd bemoeilijkt.
[9] De enige incidenten waren een blokkering van de geldautomaten in Oostenrijk gedurende 90 minuten op 2 januari en enkele moeilijkheden bij de distributie van de biljetten van 5 EUR in 10% van de Duitse geldautomaten in de eerste dagen
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
Het aantal afhalingen aan de geldautomaten was zeer hoog in de eerste week van januari door het enthousiasme en de nieuwsgierigheid van de burgers naar hun nieuwe munt. De beschikbare resultaten voor zeven landen (Nederland, Italië, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Portugal en België) wijzen uit dat in 48 uur meer dan 25 miljoen geldafhalingen hebben plaatsgevonden. De resultaten zijn bijzonder spectaculair in Nederland, waar op 1 en 2 januari in totaal meer dan 5 miljoen afhalingen plaatsvonden (dat is ongeveer één afhaling door de helft van alle inwoners boven de 15 jaar). Het aantal afhalingen is in de gehele eurozone hoog gebleven tot het midden van de tweede week van januari, toen het begon te dalen tot het normale peil. Dankzij de kwaliteit van de door de banken verzorgde logistiek hebben zich geen ernstige problemen met de bijvulling van de geldautomaten voorgedaan.
2.2.2. De opname of inwisseling van contanten aan de loketten van de financiële instellingen
De geldautomaten zorgen gewoonlijk (in volume) voor ongeveer 70% van de voorziening van de consumenten met biljetten, waarvoor de opnames aan de loketten normaliter slechts een bescheiden rol vervullen. Dat was niet het geval gedurende de eerste tien dagen van januari: de consumenten begaven zich massaal naar de loketten van de 218 000 bank- of postkantoren om er euro's op te nemen of hun oude nationale geld in te wisselen, waardoor er lange rijen ontstonden. In verscheidene landen (b.v.: Duitsland en Spanje) werden er aan de loketten door particulieren zelfs vaker euro's afgehaald dan aan de geldautomaten. De drukte begon op 1 januari in de landen waar de banken open waren voor het publiek (Duitsland, Spanje en Luxemburg) en normaliseerde zich pas tegen het einde van de tweede week. Er waren veel consumenten die naar de loketten kwamen om kleine bedragen in de wisselen. Wegens de lange rijen waren er soms bankkantoren die nog uitsluitend voor klanten geld inwisselden.
2.2.3. De teruggave van wisselgeld door de winkeliers
De teruggave van het wisselgeld in uitsluitend euro's impliceerde in de eerste dagen van 2002 dat er veel meer geld in kas was dan gewoonlijk, doordat de winkeliers de nationale biljetten en munten waarmee de consumenten betaalden, niet opnieuw konden gebruiken om wisselgeld terug te geven. De winkels en vooral de supermarkten en warenhuizen hebben zich over het geheel genomen zeer goed gehouden aan de Europese en nationale aanbevelingen om uitsluitend in euro's geld terug te geven; weliswaar bestond in de kleine winkels de eerste dagen soms de neiging geld terug te geven in dezelfde munteenheid als die waarin de consument had betaald.
De situatie met betrekking tot de bevoorrading van de winkels met biljetten en munten was de eerste week gespannen wegens het grote aantal consumenten die aankopen van geringe waarde met grote coupures betaalden, de beperkte geldtransportcapaciteiten (voor de supermarkten en warenhuizen) en de lange rijen voor de loketten van de banken (voor de kleine winkeliers). De 7585 geldtransportwagens in de eurozone hebben dus op maximale capaciteit moeten werken om te voorkomen dat de bevoorrading met euro's tekort zou schieten. Dank zij de inzet van de instellingen en alle economische actoren waren er slechts in incidentele gevallen tekorten aan bepaalde denominaties van munten of biljetten. Deze hebben niet tot echte verstoringen van de handelsactiviteit geleid en hun invloed op de samenstelling van het wisselgeld was slechts van voorbijgaande aard. Sommige lidstaten hebben overigens gebruik gemaakt van de mechanismen voor het compenseren van een tekort aan bepaalde denominaties. De Centrale Bank van Portugal heeft aldus 30 miljoen biljetten van 10 EUR en 30 miljoen biljetten van 5 EUR ontvangen uit de centrale reserve van het Eurosysteem, en de Centrale Bank van Spanje heeft ook 37 miljoen biljetten van 10 EUR ontvangen. Frankrijk heeft half december 100 miljoen muntstukken van 50 cent van Spanje betrokken.
Dank zij de combinatie van deze drie kanalen (geldautomaten, loketten en wisselgeld) konden de euro's zeer snel onder de gehele bevolking worden gedistribueerd: aan het einde van de eerste week van januari hadden de burgers in overgrote meerderheid eurobiljetten en -munten in handen.
2.3. Het gebruik van de euro voor betalingen in contanten
De eerste dagen van januari was er een tijdelijke ontkoppeling tussen de bevoorrading van de consumenten met euro's en het gebruik ervan in lopende transacties. De meeste burgers wilden eerst hun nationale geld uitgeven alvorens de euro te gebruiken. Gelukkig was dit verschijnsel van voorbijgaande aard, doordat de consumenten aan de geldautomaten en de loketten uitsluitend euro's konden afhalen en de winkeliers het wisselgeld in euro's teruggaven. Het oude nationale geld werd aldus snel aan het economische circuit onttrokken doordat de winkeliers en de banken echt als "stofzuiger" fungeerden.
Het aandeel van de euro in de betalingen in contanten lag gemiddeld rond 20% aan het einde van 2 januari, rond 40% aan het einde van de derde, rond 55% aan het einde van de vierde, rond 66% aan het einde van de vijfde, rond 75% aan het einde van de zevende, rond 85% aan het einde van de tiende, rond 92% aan het einde van de twaalfde en rond 95% aan het einde van de zestiende. Dank zij deze zeer snelle stijging van de betalingen in euro's, en ook dank zij de uitzonderlijke maatregelen van de meeste grootwinkelbedrijven (meer kassa's open, extra personeel om uitleg te geven bij de kassa's, enz.) waren de rijen in de winkels niet veel langer. In dit opzicht was zaterdag 5 januari een belangrijke dag: de test is geslaagd in alle deelnemende landen, waar de rijen normaal bleven. Daarin is geen verandering gekomen bij het begin van de uitverkoop.
Aandeel van de betalingen in euro's in het totaal van de betalingen in contanten
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
Bron: Ministeries van Financiën en grootwinkelbedrijven. Deze gegevens moeten als indicatief worden beschouwd.
Het aandeel van de betalingen in contanten in het totale volume van de betalingen is in de eerste twee weken van januari gestegen in de meeste deelnemende landen, doordat de consumenten zich van hun oude nationale geld wilden ontdoen en tevens de euro in de praktijk wilden gebruiken. De situatie begon zich weer te normaliseren in de tweede helft van januari. De overgang op de girale euro heeft geen bijzondere problemen opgeleverd: de omschakeling van de rekeningen, de kaarten en de betaalterminals is over het geheel genomen bevredigend verlopen.
2.4. De terugname van de oude nationale munteenheden
De distributie van de euromunten en -biljetten was gespreid over drie maanden, maar de terugkeer van de nationale geldsoorten is grotendeels in enkele weken gebeurd, waardoor de depots van de banken en de geldtransporteurs vol raakten en er zeer grote vertragingen optraden bij het sorteren en tellen - vooral van de munten - en dus bij de creditering van de rekeningen van de winkels bij de handelsbanken en van de handelsbanken bij de centrale banken.
Meer dan eenderde van de bankbiljetten (in waarde) die op 31 december 2001 in omloop waren, was op 11 januari bij de centrale banken terug. De grens van 50% werd tien dagen later overschreden, op 21 januari. Op 8 februari was bijna ¾ van de bankbiljetten teruggenomen. In werkelijkheid was er veel minder oud nationaal geld echt in omloop dan deze cijfers aangeven, want doordat de intermediaire depots overvol waren, ontstonden er grote vertragingen bij de telling van de biljetten door de centrale banken. Doordat ze soms worden bewaard om "sentimentele" redenen, verloren gaan of in handen van toeristen in het buitenland zijn, zal een deel van de biljetten en vooral van de munten overigens waarschijnlijk nooit terugkomen. Voorts moet men bedenken dat de oude nationale muntsoorten nog gedurende een zeer lange periode kunnen worden ingewisseld; in de meeste deelnemende landen kunnen bankbiljetten zelfs zonder beperking in de tijd worden ingewisseld bij de loketten van de centrale banken (zie de tabel in de bijlage).
Terugkeer van de nationale biljetten (in waarde) in % van de biljetten in omloop op 31 december [10]
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
[10] Bron: ECB.
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
De terugname van de munten verloopt over het geheel genomen langzamer: op 22 februari 2002 was slechts 27,9% van de nationale munten in waarde (13,5% in volume) bij de centrale bank terug [11]. Op die datum was een groot deel van de munten uit de effectieve circulatie genomen, maar bleven zij nog opgeslagen in afwachting van sortering en telling. De inzamelingsacties van de liefdadigheidsorganisaties lopen trouwens nog steeds. Bij de acties tot inzameling van de opgepotte munten die in 2001 door vele deelnemende landen werden gevoerd, werd het equivalent van 9% (in waarde) van de in omloop zijnde munten ingezameld.
[11] Een belangrijk deel van de munten zal overigens nooit terugkomen.
Nationale munten in omloop, in waarde (x 1 mln EUR) [12].
[12] Bron: ECB.
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
Percentage teruggenomen nationale munten in waarde
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
Om de terugnameoperaties te vergemakkelijken, hebben verscheidene centrale banken hun openingsuren verruimd om de geldtransporteurs in staat te stellen vaker op en neer te rijden.
3. Overige vraagstukken in verband met de invoering van de chartale euro
Deze overige vraagstukken zijn de stabiliteit van de prijzen, de veiligheid van de operaties, de kwaliteit van de productie van de biljetten en munten, vervalsingen en de aanpassing van de automaten.
3.1. De stabiliteit van de prijzen bij de omschakeling op de euro
De Commissie had verklaard bevreesd te zijn dat de burger, zonder snel beschikbare statistische gegevens over de ontwikkeling van de prijzen, de onjuiste indruk zou kunnen krijgen dat de prijzen algemeen uit de hand lopen in verband met de invoering van de euro. Deze vrees wordt ruimschoots bevestigd door de enquêtes bij de consumentenverenigingen en de NGO's van het netwerk "euro: spelend leren" en door de eurobarometerenquête van eind januari [13] : 67% van de burgers is van mening dat de prijzen meestal naar boven zijn afgerond, 28% denkt dat de verhogingen en de verlagingen tegen elkaar opwegen en 1,9% is van mening dat de prijzen meestal naar beneden zijn afgerond. Het meest pessimistisch over de verhoging van de prijzen zijn de Duitsers en de Fransen (76%), gevolgd door de Nederlanders (72%) en de Ieren (71%). De Portugezen (49%) zijn de enigen die er niet in meerderheid van overtuigd zijn dat de prijzen uit de hand zijn gelopen in verband met de invoering van de chartale euro.
[13] Flash 121. "Euro attitudes in de eurozone", januari 2002.
De door Eurostat op 28 februari gepubliceerde informatie bevestigt dat er geen sprake is van algemeen uit de hand gelopen prijzen in verband met de verandering van geld: het effect van de omschakeling op de euro op de maandelijkse ontwikkeling van de prijzen wordt geschat op 0 tot 0,16%. Het geringe aantal prijsverhogingen in verband met de euro is in het algemeen toe te schrijven aan de dienstensector. Weliswaar stijgt de jaarlijkse inflatie tussen december en januari van 2% tot 2,7%, maar deze ontwikkeling is vrijwel volledig toe te schrijven aan de combinatie van stijgingen van de prijzen van aardolieproducten, groenten en fruit (ten gevolge van het slechte weer) en aan de verhoging van bepaalde belastingen.
In de eurobarometerenquête van half februari verklaart 61% van de KMO's dat zij hun prijzen op neutrale wijze in euro's hebben omgerekend, terwijl 24% sommige prijzen heeft verlaagd en andere verhoogd. Het aantal ondernemingen die verklaren hun prijzen naar beneden te hebben afgerond (6%) is ongeveer even groot als het aantal ondernemingen die naar boven hebben afgerond (8%).
De vrijwillige overeenkomsten inzake prijsstabiliteit, met name de in april 2001 onder auspiciën van de Commissie gesloten Europese overeenkomst, zijn in het algemeen goed nageleefd.
3.2. De veiligheid van de operaties
De veiligheid van de operaties is van het begin tot het einde op zeer bevredigende wijze gewaarborgd. Hoewel het aantal geldtransporten groter was dan ooit en het aantal onder de economische actoren verspreide biljetten en munten bijna was verdubbeld, waren er veel minder incidenten dan gewoonlijk, waaruit blijkt dat de veiligheidsmaatregelen doeltreffend waren (escortes, enz.).
Tussen september en december 2001 werden slechts 27 diefstallen van eurobiljetten en 17 diefstallen van euromunten geconstateerd (waarvan bijna een derde in Duitsland, waar de bevoorrading vooraf reeds begin september was begonnen). Ter vergelijking zij vermeld dat er in 2000 in de eurozone in totaal 5 184 geslaagde bankovervallen plaatsvonden [14]. De bereikte resultaten bij de bescherming van de euro kunnen derhalve uitzonderlijk goed worden genoemd.
[14] Bron : Europese Bankfederatie.
3.3. De kwaliteit van de productie van de biljetten en munten
De geldende regels voor de kwaliteitscontrole van de productie van de eurobiljetten en -munten zijn zeer doeltreffend gebleken. Slechts in enkele zeldzame gevallen zijn productiefouten ontdekt bij enkele biljetten van 5 euro in Frankrijk, van 10, 20 en 500 euro in Finland en van 100 euro in Griekenland en Bulgarije (die in Nederland waren geproduceerd) en bij enkele munten van 1 cent in Italië, van 20 cent in Frankrijk en van 2 euro in Oostenrijk. De waarschijnlijkheid om euro's met gebreken te ontvangen, is minder dan één op vijfhonderd miljoen voor de munten en één op tweehonderd miljoen voor de biljetten.
In een Duitse studie is de mogelijke giftigheid van de kleurstoffen die worden gebruikt voor de fabricage van het 10 eurobiljet, aan de orde gesteld. De op verzoek van de Europese Centrale Bank uitgevoerde proeven leiden tot de conclusie dat er pas risico voor de gezondheid bestaat bij opeten van meer dan 400 biljetten. In verschillende studies is kritiek geleverd op de aanwezigheid van nikkel in de munten van 1 en 2 euro, die volgens deze studies gevaar voor allergie zou kunnen opleveren. Wetenschappelijk onderzoek dat enkele jaren geleden op verzoek van de Europese Commissie werd uitgevoerd, heeft duidelijk uitgewezen dat het gebruik van nikkel in munten geen allergieën veroorzaakt [15].
[15] De samenstelling van de euromunten is na afloop van een brede discussie vastgesteld bij een verordening van de Raad van 1998. Nikkel is veel gebruikt bij de fabricage van de nationale munten in Europa. Om technische redenen was het gebruik van nikkel absoluut noodzakelijk bij de munten van 1 en 2 euro, aangezien met andere metalen geen gelijkwaardig kwaliteitsniveau kon worden bereikt. 92% van de euromunten in omloop zijn nikkelvrij, terwijl 75% van de nationale munten wel nikkel bevatten.
3.4. Vervalsing
De eurobiljetten en -munten zijn beter tegen vervalsing beschermd dan om het even welke van de oude nationale series. Hoewel vele specialisten verwachtten dat er reeds vanaf 1 januari valse euro's zouden opduiken, kan alleen maar worden vastgesteld dat er gedurende de gehele maand januari geen enkel geval is ontdekt. Slechts een vijftigtal fraudegevallen die weinig om het lijf hadden (gebruik van gefotokopieerde biljetten, van gescande en vervolgens geprinte biljetten, van uit posters uitgeknipte afbeeldingen van biljetten, enz.) werden in januari ontdekt, dat is uitzonderlijk weinig (gemiddeld werden in 2001 dagelijks 2000 kopieën van nationale biljetten ontdekt). Ook voor de munten is het resultaat zeer bevredigend: in januari zijn slechts twee kopieën van slechte kwaliteit ontdekt.
In de meeste gevallen zijn deze grove vervalsingen ontdekt voordat zij in omloop konden worden gebracht.
3.5. De aanpassing van de verkoopautomaten
Ondanks herhaalde waarschuwingen van de Europese Commissie hebben vele exploitanten van automaten bij hun planning de verspreidingssnelheid van de nieuwe munt onderschat, want zij gingen ervan uit dat de drempel van 50% van de betalingen in contanten in euro's pas in de loop van de derde week van januari zou worden overschreden (terwijl dit niveau reeds aan het einde van de eerste week werd bereikt). Dit heeft geleid tot veelvuldige omzetverliezen en enkele vertragingen bij de aanpassing van de toestellen, die moeilijk snel konden worden ingehaald wegens overbelasting van het beschikbare gekwalificeerde personeel.
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
Bron: Ministeries van Financiën. Deze gegevens moeten als indicatief worden beschouwd.
Er zijn enkele gevallen gesignaleerd waarin in andere deelnemende landen van de eurozone gefabriceerde munten niet door de automaten werden geaccepteerd. Deze problemen zijn te wijten aan een slechte afstelling van de toestellen, die alleen zijn getest op de nationale serie en niet op de tolerantie-interval voor alle series van de eurozone.
3.6. De materiële invoering van de euro in derde landen
Volgens de Europese Centrale Bank hebben de centrale banken van het Eurosysteem in december 2001 26 centrale banken of gespecialiseerde instellingen [16] buiten de eurozone vooraf bevoorraad met ongeveer 4 miljard euro. Er zijn helaas geen gegevens beschikbaar over de bevoorrading vooraf door de handelsbanken, die waarschijnlijk de belangrijkste voorzieningsbron van de financiële instellingen in derde landen is geweest. Volgens informatie afkomstig van de delegaties van de Commissie in een veertigtal landen waren de eurobiljetten vanaf de eerste dagen van januari overal beschikbaar. Talrijke consumenten in vooral de kandidaat-lidstaten gaven blijk van nieuwsgierigheid en trachtten er te verkrijgen.
[16] De banken die werkzaam zijn op de markt voor grootgebruikers van biljetten, konden rechtstreeks vooraf worden bevoorraad.
In de landen van Midden- en Oost-Europa werden grote aantallen vooral Duitse biljetten van de eurozone bewaard of gebruikt. Hun terugkeer kwam in 2001 massaal op gang, vooral via stortingen op deviezenrekeningen [17]. Ook in de eerste weken van 2002 werden hoge bedragen ingewisseld of op rekeningen gestort. Volgens gegevens van de Europese vereniging van spaarbanken werden nationale bankbiljetten van de eurozone voor een totale tegenwaarde van 333 miljoen euro ingeleverd bij de bij hun vereniging aangesloten financiële instellingen in Midden- en Oost-Europa. De mensen hebben (in waarde) meer euro's aangekocht dan zij nationaal geld hebben ingeleverd in Tsjechië, Hongarije, Letland en Litouwen. Zij hebben daarentegen minder euro's opgenomen dan zij oude nationale munteenheden hebben ingeleverd in Polen, Albanië, Bulgarije en Slowakije, maar het is niet mogelijk vast te stellen of de rest van het oude geld werd ingewisseld tegen de plaatselijke munteenheid of tegen dollars.
[17] Zo beliepen de stortingen op deviezenrekeningen in het tweede halfjaar van 2001 volgens de centrale banken van de landen in kwestie de tegenwaarde van 400 miljoen euro in Kosovo (de tegenwaarde van 25% van het Kosovaarse nominale BNP) en van 3 miljard euro in Kroatië (de tegenwaarde van 15% van het Kroatische nominale BNP).
4. Reacties van de burgers op de euro
De Eurobarometer flash-enquête van de Commissie (tussen 21 en 31 januari 2002 gestelde vragen) maakt het mogelijk de reacties van de burgers op de euro te peilen en eventuele nationale verschillen te onderkennen. De resultaten kunnen in vier categorieën worden ingedeeld:
4.1. Oordeel over de efficiëntie van de voorbereiding op de invoering van de euro
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
Gemiddeld drie vierden van de burgers vindt van zichzelf dat zij goed tot zeer goed voorbereid zijn op de invoering van de euro op 1 januari 2002 (26% zeer goed voorbereid, 48% goed voorbereid). Degenen die zich het best voorbereid voelen, zijn de Nederlanders (90%), de Belgen (85%) en de Fransen (80%); de Portugezen (62%), de Spanjaarden (67%), de Italianen (67%) en de Grieken (67%) beschouwen zich als het minst goed voorbereid. Zelfstandigen en bedienden (81%) voelen zich beter voorbereid dan arbeiders (76%) of inactieven (66%).
Het oordeel over het actieve bewustmakingsbeleid in verband met de euro is zeer positief. Ongeveer 58% van de burgers is van mening dat de vervroegde omzetting van de bankrekeningen in euro hen aan de nieuwe munt heeft helpen wennen. Ook de vervroegde omzetting van de facturen voor openbare diensten en de dubbele prijsaanduiding hebben volgens respectievelijk 59% en 77% van de burgers tot een betere gewenning aan de euro bijgedragen.
4.2. Gewenning van de burgers aan de omgang met de euro
Eind januari zorgt de overgang op de euro nog bij één burger op vijf voor enige moeilijkheden en bij één burger op vijfendertig voor veel moeilijkheden (2,8%). In acht landen (D, E, I, L, NL, A, P en FIN) verklaart de meerderheid van de geënquêteerden geen enkele moeilijkheid meer te ondervinden. De twee landen waarvan de bevolking zegt de meeste moeilijkheden te ondervinden, zijn Frankrijk (38%) en Spanje (25%). Nederland onderscheidt zich van de overige lidstaten doordat de bevolking er vrijwel geen moeite heeft met de euro (3,2%), een resultaat dat meer dan waarschijnlijk terug te voeren is op de intensieve voorlichtingsinspanningen [18]. Vrouwen ondervinden gemiddeld meer moeilijkheden dan mannen (25% tegen 18%). Alles samen kunnen deze resultaten voor het geheel van de lidstaten als uitstekend worden bestempeld.
[18] Het voorlichtingsbudget van de Nederlandse regering over de periode 1996-2001 bedroeg 67,7 miljoen euro, wat neerkomt op bijna 4,40 euro per inwoner. Ter vergelijking: het gemiddelde budget van de campagnes in de eurozone beliep 1,05 euro per inwoner.
Vraag: bezorgt de overgang op de euro u vandaag nog veel moeilijkheden, enige moeilijkheden, weinig moeilijkheden of in het geheel geen moeilijkheden-
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
De meeste burgers (57%) hebben geen problemen met het herkennen van de verschillende euromuntstukken en met het omgaan ermee (66%). Alleen in Ierland verklaart het merendeel van de bevolking (55%) moeilijkheden te ondervinden met het gebruik ervan. De burgers ouder dan 55 jaar (44%) hebben gemiddeld meer moeite met het herkennen van de euromuntstukken dan de burgers jonger dan 24 jaar (30%).
De biljetten leveren over het algemeen minder problemen op dan de muntstukken: 93% van de burgers heeft geen enkel probleem om ze van elkaar te onderscheiden en 91% heeft geen moeilijkheden bij het gebruik ervan.
Ruim ¾ van de burgers (77%) heeft niet de indruk dat de overschakeling op de euro een wijziging in hun koopgedrag heeft teweeggebracht; één op zeven (15%) denkt minder te hebben gekocht en één op veertien denkt meer te hebben gekocht. Ierland onderscheidt zich door het grote percentage consumenten (37%) die verklaren hun koopgedrag te hebben gewijzigd. Er zijn gemiddeld meer vrouwen dan mannen die stellen dat er een wijziging in hun koopgedrag is opgetreden (24% tegen 19%), vooral in de zin dat zij voorzichtiger zijn geworden (17,5% zegt minder te hebben gekocht). Er zijn geen significante verschillen naar gelang van de leeftijd of het opleidingsniveau.
De consumenten hebben vaak nog enige moeite met het onthouden van prijzen in euro en met de nieuwe waardeschalen. Zo blijft een meerderheid (45%) bij het doen van aankopen nog in de nationale munteenheid rekenen, tegen 35% nu eens in de ene en dan weer in de andere munt en 18% uitsluitend in euro. Ierland en Portugal zijn de enige twee landen waar meer burgers verklaren in euro te denken dan in de oude nationale munteenheid. Mannen vertonen vaker de neiging in euro te rekenen dan vrouwen (21% tegen 15%). Ook burgers ouder dan 55 jaar (23%) denken vaker in euro dan burgers jonger dan 24 jaar (16%).
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
De burgers maken maar matig gebruik van zakrekenmachines en convertoren: 41% maakt er nooit gebruik van, 34% soms, 15% vaak en 10% altijd. De Fransen (41%), Grieken (35%) en Ieren (34%) onderscheiden zich van de rest door het grotere aantal personen dat veelvuldig of stelselmatig van zakrekenmachines en convertoren gebruik maakt, een resultaat dat waarschijnlijk toe te schrijven is aan de moeilijke omrekeningskoers.
Op de vraag hoe zij tegenover de voortzetting van de dubbele prijsaanduiding staan, antwoordt de meerderheid van de burgers (54%) te wensen dat de winkels na het aflopen van de periode van dubbele omloop geen dubbele prijzen meer opgeven, dat de banken geen tegenwaarde in nationale munt meer vermelden (59%) en dat ook geen tegenwaarde in nationale munt meer op de facturen voorkomt (58%). De resultaten lopen evenwel sterk uiteen van land tot land. Zo wenst bijvoorbeeld het merendeel van de Fransen (64%), Ieren (56%), Finnen (56%) en Spanjaarden (50%) dat de winkels dubbele prijzen blijven vermelden, terwijl de overgrote meerderheid van de Duitsers (65%), Nederlanders (64%), Luxemburgers (64%) en Italianen (60%) tegen een voortzetting van de dubbele prijsaanduiding zijn. Er is geen significant verschil tussen de antwoorden naar gelang van leeftijd of opleidingsniveau.
4.3. Algemeen oordeel van de burgers over de omschakeling op de euro
Ongeveer 60% van de burgers is van mening dat de omschakeling op de euro voor hen persoonlijk meer voordelen dan nadelen met zich mee zal brengen. Het percentage is bijzonder hoog in Luxemburg (79%), Ierland (75,8%) en Portugal (71,1%). Het ligt ver onder het gemiddelde in twee landen: Duitsland (49%) en Oostenrijk (45%). Burgers ouder dan 55 jaar (52%) zijn veel minder optimistisch dan burgers jonger dan 24 jaar (71%). Bijna twee derden van de burgers (64%) zegt zich meer Europeaan te voelen dankzij de euro.
Het oordeel over het verloop van de chartale invoering van de euro is bijzonder positief: ruim 80% van de burgers vindt dat de chartale invoering goed of zeer goed is verlopen.
Vraag: vindt u dat in uw land de omschakeling op de euro zeer goed, vrij goed, vrij slecht of zeer slecht is verlopen-
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
Ten slotte stelt ruim twee derden van de burgers van de eurozone persoonlijk tevreden of zeer tevreden te zijn dat de euro hun munt geworden is, een uitzonderlijk hoog aandeel dat bevestigt dat de Europeanen hun munteenheid enthousiast hebben onthaald. Duitsland, Griekenland en Oostenrijk onderscheiden zich door een hoger aantal ontevredenen dan gemiddeld, terwijl de tevredenheid bijzonder groot is in Ierland (85%), België (83%), Italië (82%) en Luxemburg (81%). De tevredenheid over de muntomschakeling is gemiddeld groter bij mannen (73%) dan bij vrouwen (61%) en bij burgers jonger dan 24 jaar (78%) dan bij burgers ouder dan 55 jaar (61%).
Vraag: bent u, alle omstandigheden in acht genomen, persoonlijk zeer tevreden, vrij tevreden, vrij ontevreden of zeer ontevreden dat de euro onze munt is geworden-
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
De door de Commissie medegefinancierde voorlichtingscampagnes van de deelnemende lidstaten zullen nog enkele maanden worden voortgezet om het gewenningsproces van de burgers te begeleiden.
5. Aanpassing van het MKB aan de euro
Over het algemeen is de bezorgdheid over een mogelijke slechte voorbereiding van het MKB ongegrond gebleken. De ernstige inspanningen die nationale overheidsdiensten, banken en beroepsorganisaties zich hebben getroost met het oog op de bewustmaking van de ondernemingen, blijken uiteindelijk vruchten te hebben afgeworpen. De medio februari gehouden eurobarometer-enquête levert immers een zeer bevredigend beeld op, dat scherp afsteekt bij dat van de voorgaande enquêtes: tal van kleine en middelgrote ondernemingen lijken met succes op het laatste moment op de euro te zijn overgestapt.
De ontvangen antwoorden kunnen in drie categorieën worden ingedeeld:
- stand van de voorbereiding van het MKB per 1 januari;
- ondervonden moeilijkheden;
- algemeen oordeel over de omschakeling op de euro.
5.1. Stand van de voorbereiding van het MKB per 1 januari 2002
De resultaten zijn over het algemeen zeer bevredigend: 95% van de kleine en middelgrote ondernemingen voert hun boekhouding in euro, 96% stelt hun prijzen vast in euro en 97% maakt hun facturen op in euro. Er zijn weinig verschillen tussen deelnemende lidstaten. De resultaten lijken steeds ietwat te verbeteren naarmate de ondernemingen groter worden.
Bijna 84% van de schaarse ondernemingen die hun boekhouding nog niet in euro voeren, is voornemens voor het einde van februari de overstap te maken. Hetzelfde geldt voor 81% van de ondernemingen die hun prijzen nog niet in euro vaststellen en voor 87% van de ondernemingen die hun facturen nog niet in euro opmaken.
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
Minder dan 9% van de ondernemingen heeft in 2002 documenten (prijslijsten, facturen enz.) ontvangen waarin geen melding wordt gemaakt van de waarde in euro. Het ontbreken van de waarde in euro is bijzonder zeldzaam in Portugal (4,2%) en België (5,3%). Dit komt veel vaker voor in Ierland (12,7%) en vooral Nederland (20,8%). Het gaat daarbij doorgaans om facturen (68% van de gevallen), commerciële aanbiedingen (35%), betalingen (18%) en veel minder vaak om fiscale (6%) of sociale (6%) documenten. In de overgrote meerderheid van de gevallen zijn deze niet aan de euro aangepaste documenten afkomstig van leveranciers.
5.2. Ondervonden praktische moeilijkheden bij de omschakeling op de euro
Meer dan 85% van de kleine en middelgrote ondernemingen zegt geen praktische moeilijkheden te hebben ondervonden bij de overschakeling op de euro. Het resultaat is in alle deelnemende lidstaten vrij bevredigend. Ondernemingen met minder dan 10 werknemers hebben globaal genomen minder moeilijkheden (14%) ondervonden dan die welke meer dan 50 personen in dienst hebben (21%).
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
De zeldzame problemen hebben doorgaans te maken met computersystemen (36%), de vaststelling of aanduiding van de prijzen (25%) of de facturering (19%). In antwoord op de vraag wie hen het meest bij hun voorbereiding heeft geholpen, vernoemen de kleine en middelgrote ondernemingen in de eerste plaats de banken (31%), gevolgd door de accountants en beheerscentra (29%) en de kamers van koophandel (9%). De staat wordt slechts door 4% van de ondernemingen genoemd, met Ierland als opvallende uitzondering (26%).
Vraag: wie heeft u het meest geholpen bij de voorbereiding op de omschakeling op de euro-
>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>
5.3. Algemeen oordeel over de omschakeling op de euro
Het MKB is bij de omschakeling op de euro niet voor "onaangename verrassingen" komen te staan: ongeveer 60% van de ondernemingen is van mening dat hun overgang op de euro volgens plan is verlopen, terwijl 35% vindt dat de omschakeling zelfs vlotter is verlopen dan verwacht.
Bijna 2/3 van de ondernemingen denkt dat de overschakeling op de euro geen gevolgen zal hebben voor hun bedrijvigheid, terwijl iets meer dan één onderneming op vijf een positief effect verwacht.
6. Bijlage
Belangrijkste bepalingen voor het einde van de periode van dubbele omloop en de inwisseling van nationaal geld.
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
| Naar boven |