Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de ontwikkeling van de uitgaven van het EOGFL-Garantie - Alarmsysteem nr. 2/2000 /* SEC/2000/0486 def. */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN AAN DE RAAD over de ontwikkeling van de uitgaven van het EOGFL-Garantie - Alarmsysteem nr. 2/2000 VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN AAN DE RAAD over de ontwikkeling van de uitgaven van het EOGFL-Garantie - Alarmsysteem nr. 2/2000 INHOUDSOPGAVE 1. Algemene ontwikkeling van de maandelijkse uitgaven 2. Besteding van de kredieten (voorlopige cijfers) 3. Toelichting 4. Conclusies 1. Algemene ontwikkeling van de maandelijkse uitgaven De onderstaande tabellen geven de algemene ontwikkeling van de maandelijkse uitgaven ten opzichte van het uitgavenprofiel aan. De cijfers zijn gebaseerd op de uitgaven van de lidstaten in de periode van 16 oktober tot en met 31 december 1999. 1.1. Subrubriek 1a "Traditionele uitgaven van het EOGFL-Garantie en veterinaire uitgaven" >RUIMTE VOOR DE TABEL> 1.2. Subrubriek 1b « Plattelandsontwikkeling en begeleidende maatregelen » >RUIMTE VOOR DE TABEL> 2. Besteding van de kredieten (voorlopige cijfers) >RUIMTE VOOR DE TABEL> (1) De indicatoren voor de tussentotalen worden uitsluitend ter informatie gegeven. 3. Toelichting 3.1. Besteding van de kredieten voor februari 2000 Voor februari 2000 (uitgaven van de lidstaten in de periode van 16 oktober 1999 tot en met 31 december 1999) is van de kredieten voor onderafdeling B1 van de begroting een bedrag van 21 207 miljoen EUR, d.w.z. 51,7 %, besteed. De uitgaven liggen - voor subrubriek 1a (traditionele uitgaven van het EOGFL-Garantie en veterinaire uitgaven) vrijwel op het peil van de indicator. De lidstaten hebben dus de vorige maand geconstateerde achterstand goedgemaakt, - voor subrubriek 1b (plattelandsontwikkeling en begeleidende maatregelen) 60 miljoen EUR boven de indicator. 3.2. Monetaire factoren 3.2.1. Dollarpariteit Het bovenstaande totale uitgavenbedrag is inclusief de ontwikkeling van de dollarpariteit van de euro. Voor een groot deel van de uitvoerrestituties voor landbouwproducten, met name die voor granen en suiker, en voor bepaalde vormen van interne steun, zoals die voor katoen, is het uitgavenpeil afhankelijk van de ontwikkeling van de dollarkoers. Overeenkomstig de beschikking van de Raad betreffende de begrotingsdiscipline is voor het opstellen van de landbouwbegroting 2000 uitgegaan van de gemiddelde dollarpariteit van januari, februari en maart 1999, en die is 1 EUR = 1,12 $). De reële koersen van de euro lagen in de afgelopen maanden aanzienlijk lager dan de pariteit waarvan is uitgegaan voor de begroting [1]. Het is dus zeer waarschijnlijk dat de gemiddelde notering van de dollar over de periode 1 augustus 1999 - 31 juli 2000 (de referentieperiode voor het bepalen van het effect van de dollarkoers) zal verschillen van de dollarpariteit waarvan is uitgegaan voor de begroting en dat de uitgaven van de lidstaten als gevolg van de ontwikkeling van de dollarkoers lager zullen uitkomen. [1] De gemiddelde dollarnotering in de periode van 1 augustus 1999 tot en met 3 februari 2000 is 1 EUR = 1,04 $. Er zij op gewezen dat besparingen boven de op grond van de regels van de begrotingsdiscipline geldende franchise van 200 miljoen EUR aan het einde van het begrotingsjaar zullen worden overgeschreven naar de monetaire reserve. 3.2.2. Effect van de dubbele omrekeningskoers Aan de hantering van de dubbele omrekeningskoers zullen veel lagere uitgaven verbonden zijn dan in de voorbije jaren. De afschaffing van de groene koersen heeft tot gevolg dat het effect van de dubbele omrekeningskoers wegvalt in de landen die deelnemen aan de euro, hetgeen dus aanzienlijke besparingen oplevert. De met de dubbele omrekeningskoers gemoeide kosten zijn voor het EOGFL-Garantie bij het opstellen van de nota van wijzingen op 119 miljoen EUR geraamd. 3.3. Marktfactoren 3.3.1. Subrubriek 1a: traditionele uitgaven van het EOGFL-Garantie en veterinaire uitgaven Hoofdstuk B1-12 : Olijfolie // - 205 mln EUR (uitgaven : 1 676 mln EUR) (indicator : 1 881 mln EUR) (ramingen lidstaten : 1 688 mln EUR) De onderbesteding ten opzichte van de indicator is het gevolg van de lager uitvallende uitgaven voor steun voor de productie van olijfolie. Als gevolg van de verandering van het quotasysteem, met nu nationale quota, zijn de voorschotten lager dan in de voorbije jaren. De onderbesteding zal waarschijnlijk verdwijnen bij de betaling van de saldi, vóór het einde van het begrotingsjaar. Hoofdstuk B1-14: Vezelgewassen en zijderupsen // + 60 mln EUR (uitgaven : 667 mln EUR) (indicator : 608 mln EUR) (ramingen lidstaten : 633 mln EUR) De overschrijding is het gevolg van de versnelde uitbetaling van de steunbedragen voor katoen. Dat blijkt ook uit de ramingen die zijn meegedeeld door de lidstaten, die voor de komende maanden een laag uitgavenpeil aangeven. Hoofdstuk B1-15: Groenten en fruit // - 122 mln EUR (uitgaven : 328 mln EUR) (indicator : 451 mln EUR) (ramingen lidstaten : 408 mln EUR) De onderbesteding ten opzichte van de indicator houdt verband met de te late betaling, in Italië, van de steun voor de productie van verwerkte producten op basis van tomaten en de financiële vergoedingen ter bevordering van de afzet van citrusvruchten. Hoofdstuk B1-17: Tabak // - 76 mln EUR (uitgaven : 460 mln EUR) (indicator : 536 mln EUR) (ramingen lidstaten : 405 mln EUR) De onderbesteding ten opzichte van de indicator is het gevolg van de achterstand bij de uitbetaling van de premies voor de oogst 1999. Hoofdstuk B1-21 : Rundvlees // + 178 mln EUR (uitgaven : 1 292 mln EUR) (indicator : 1 115 mln EUR) (ramingen lidstaten : 1 425 mln EUR) De overbesteding houdt vooral verband met de ten opzichte van de indicator snellere uitbetaling van de premies. De voorbije jaren is reeds geconstateerd dat de lidstaten de uitbetaling van deze premies niet gelijkmatig spreiden en dat daardoor vaak aanzienlijke verschillen tussen uitvoering en indicator vielen te noteren die pas verdwenen tegen het eind van de maand juni, de uiterste datum voor de uitbetaling van een groot deel van de premies. De overschrijding van de indicator is voor een aanzienlijk deel ook toe te schrijven aan het feit dat de winsten op de verkoop van producten uit openbare opslag minder hoog zijn uitgevallen dan verwacht. Hoofdstuk B1-22 : Schapen- en geitenvlees // + 86 mln EUR (uitgaven : 544 mln EUR) (indicator : 458 mln EUR) (ramingen lidstaten : 493 mln EUR) De overschrijding van de indicator is een gevolg van de in vergelijking met de voorbije jaren snellere uitbetaling van het tweede voorschot op de ooipremie. Hoofdstuk B1-39 : Andere maatregelen // + 57 mln EUR (uitgaven : 290 mln EUR) (indicator : 234 mln EUR) (ramingen lidstaten : 163 mln EUR) De overschrijding van de indicator is vooral het gevolg van de vervroegde uitbetaling van de agromonetaire steun (overgangsregeling) in het Verenigd Koninkrijk. Voorts heeft Italië in december 1999 de eerste tranche van de agromonetaire steun (oude regeling vóór de invoering van de euro) uitbetaald, voor programma's die door de Commissie in het voorjaar van 1998 waren goedgekeurd. Voor deze tranche waren middelen opgenomen in de begroting voor het begrotingsjaar 1999; zij overschrijdt het bedrag dat voor Italië is gereserveerd in de begroting 2000. Daarom verzoekt de Commissie de Begrotingsautoriteit kredieten ten bedrage van 29 miljoen EUR van het vorige begrotingsjaar over te dragen naar het lopende begrotingsjaar. Na goedkeuring van deze overdracht zal een bedrag van 29 miljoen EUR voor het begrotingsjaar 2000 opgevoerde kredieten worden toegerekend aan de overgedragen kredieten. 3.3.2. Subrubriek 1b: plattelandsontwikkeling en begeleidende maatregelen Hoofdstuk B1-40 : Plattelandsontwikkeling // + 60 mln EUR (uitgaven : 560 mln EUR) (indicator : 500 mln EUR) (ramingen lidstaten : 675 mln EUR) De overschrijding van de indicator is het gevolg van het feit dat de uitgaven voor de drie oude begeleidende maatregelen iets hoger zijn uitgevallen dan gepland. 4. Conclusies Voor februari 2000 (uitgaven van de lidstaten in de periode van 16 oktober 1999 tot en met 31 december 1999) is van de kredieten van onderafdeling B1 van de begroting een bedrag van 21 207 mln EUR, d.w.z. 51,7 %, besteed. 4.1. Besteding van de kredieten voor subrubriek 1a Voor subrubriek 1a (traditionele uitgaven van het EOGFL-Garantie en veterinaire uitgaven) liggen de uitgaven vrijwel op het niveau van de indicator. De lidstaten hebben dus de vorige maand geconstateerde achterstand goedgemaakt. Vooral voor de hoofstukken rundvlees, schapen- en geitenvlees, vezelgewassen en agromonetaire steun is de indicator overschreden. Voor de hoofdstukken olijfolie, groenten en fruit en tabak daarentegen is er een onderbesteding. Vrijwel alle verschillen zijn toe te schrijven aan een in vergelijking met de voorbije jaren snellere of langzamere uitbetaling, en die verschillen kunnen dus als louter tijdelijk worden beschouwd. De ramingen van de lidstaten voor de komende maanden geven aan dat de uitgaven over het geheel genomen op het niveau van de indicator zullen liggen. 4.2. Besteding van de kredieten voor subrubriek 1b Voor subrubriek 1b (plattelandsontwikkeling en begeleidende maatregelen) liggen de uitgaven 60 miljoen EUR boven de indicator. Dat is een gevolg van de iets hogere uitgaven voor de drie oude begeleidende maatregelen.