51997AC0239


Titel en vindplaats

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Groenboek inzake 'Onderwijs - opleiding - onderzoek - De belemmeringen voor transnationale mobiliteit'"

 PB C 133 van 28.4.1997, blz. 42–46 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

 DA  DE  EL  EN  ES  FI  FR  IT  NL  PT  SV

Tekst

BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
  html   html html   html html html   html         html   html       html html
  pdf   pdf pdf   pdf pdf pdf   pdf         pdf   pdf       pdf pdf
tiff tiff tiff tiff tiff tiff tiff tiff tiff tiff tiff

Data

Classificatie

Allerlei informatie

Verbindingen tussen documenten

Tekst

Twee talen naast elkaar: DA DE EL EN ES FI FR IT NL PT SV

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Groenboek inzake 'Onderwijs - opleiding - onderzoek - De belemmeringen voor transnationale mobiliteit'"

(97/C 133/15)

De Commissie heeft op 7 oktober 1996 besloten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 198 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap het Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het "Groenboek inzake 'Onderwijs - opleiding - onderzoek - De belemmeringen voor transnationale mobiliteit'".

De Afdeling voor sociale aangelegenheden, gezinsvraagstukken, onderwijs en cultuur, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 13 februari 1997 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Rodríguez García Caro.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 343e Zitting (vergadering van 26 februari 1997) het volgende advies uitgebracht, dat met 83 stemmen vóór en 3 stemmen tegen, bij 5 onthoudingen, is goedgekeurd.

1. Inleiding

1.1. Uit de tenuitvoerlegging van de verschillende fasen van de communautaire programma's inzake onderwijs, opleiding en onderzoek is gebleken dat de verwezenlijking van de in de artikelen 126, 127 en 130 G van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap genoemde doelstellingen aanzienlijk bemoeilijkt wordt door belemmeringen van uiteenlopende aard waar EU-burgers die in een andere lid-staat onderwijs of een opleiding willen volgen, mee te maken krijgen.

1.2. Er kan worden vastgesteld dat er voor het verkeer van goederen, kapitaal en diensten binnen de Gemeenschap een hele reeks faciliteiten en een gunstiger kader bestaan dan voor het verkeer van de burgers van de Gemeenschap, die in principe zouden moeten profiteren van alle voordelen die voortvloeien uit de taak die de Gemeenschap overeenkomstig artikel 2 van het Verdrag dient te vervullen.

1.3. Krachtens het burgerschap van de Unie (art. 8 A van het Verdrag) hebben alle personen die de nationaliteit van een lid-staat bezitten het recht om vrij op het grondgebied van de lid-staten te reizen en te verblijven. De gebruikmaking van dit grondrecht is echter afhankelijk van een aantal factoren die de mobiliteit van burgers die buiten hun lid-staat van herkomst onderwijs of een opleiding willen volgen, belemmeren. In feite illustreert dit de traagheid waarmee sociale verworvenheden daadwerkelijk ingang vinden in de Gemeenschap.

1.4. De communautaire programma's die voor het drukste personenverkeer tussen de lid-staten zorgen, zijn de onderwijs-, opleidings- en onderzoeksprogramma's. Deze kunnen daarom uitstekend als graadmeter dienen om vast te stellen welke hindernissen ondervonden worden door burgers die van hun recht op vrij verkeer en vrij verblijf binnen de Gemeenschap gebruik willen maken.

1.5. Het is een goede zaak dat de Commissie adequate oplossingen nastreeft voor de mobiliteitsproblemen van de burgers in de Gemeenschap en daartoe een Groenboek heeft gepresenteerd. Dit moet een brede discussie op gang brengen die ten doel heeft een beter inzicht te verkrijgen in de belemmeringen voor transnationale mobiliteit op onderwijs- en scholingsgebied en daarvoor mogelijke oplossingen aan te dragen.

Er zij op gewezen dat het weinig zinvol is problemen in kaart te brengen en oplossingen voor te stellen als niet de oprechte bereidheid bestaat om vastberaden de noodzakelijke maatregelen te nemen waarmee verandering in de situatie kan worden gebracht en daartoe, indien nodig, de desbetreffende regelgeving aan te vullen. Het is de taak van de Raad en van de lid-staten om, binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden, uitvoerbare oplossingen te vinden. Het Euroscepticisme van de burgers kan bestreden worden door de mensen duidelijk te maken dat hun dagelijks leven en hun toekomstmogelijkheden gebaat zijn bij een krachtig en solide Europa waarin menselijke en maatschappelijke waarden de voorrang krijgen die zij volgens de letter en de geest van het Verdrag betreffende de Unie verdienen.

2. Het Groenboek

2.1. In het Groenboek wordt een overzicht gegeven van de voorgeschiedenis, de belemmeringen en de mogelijke oplossingen. De Commissie gaat daarbij uit van de ervaringen die met de tenuitvoerlegging van de talrijke communautaire programma's inzake onderwijs, opleiding en onderzoek zijn opgedaan. In dit document, dat allesbehalve de pretentie heeft volledig te zijn, wordt de sociale partners niet alleen gevraagd de huidige situatie te beoordelen, maar worden deze ook verzocht mee te denken over mogelijke oplossingen voor de reeds in kaart gebrachte belemmeringen en voor toestanden die vanuit Europees sociaal-economisch oogpunt als belemmerend worden ervaren.

2.2. In het eerste deel van het Groenboek wordt een aantal, door het Comité beaamde, voordelen genoemd van het volgen van onderwijs, een beroepsopleiding of een permanente opleiding of van het verrichten van onderzoek in een andere lid-staat. Dankzij een dergelijke opleiding of onderzoek wordt een schat aan kennis en ervaring opgedaan en worden de huidige of toekomstige beroepskwalificaties verbeterd, zodat de vooruitzichten op werk in de Gemeenschap toenemen.

2.3. In het tweede deel wordt een beknopte en heldere opsomming gegeven van de belemmeringen welke volgens de opstellers van het Groenboek in het licht van de met de programma's opgedane ervaring vooral aandacht verdienen. De lange lijst van problemen die in het Groenboek worden uiteengezet, kan in drie hoofdgroepen worden verdeeld:

2.3.1. Juridische en administratieve belemmeringen die betrekking hebben op:

- het recht van verblijf;

- de wederzijdse erkenning van diploma's en studies;

- de "territorialiteit" van studiebeurzen;

- administratieve en organisatorische problemen van de onderwijsinstellingen in het land van oorsprong van de studenten en leerlingen.

2.3.2. Sociaal-economische belemmeringen, veroorzaakt door:

- verschillen in belastingheffing tussen de lid-staten;

- verschillen in sociale bescherming.

2.3.3. Praktische belemmeringen, veroorzaakt door:

- verschillen in taal en cultuur;

- gebrek aan informatie over de lid-staat waarnaar men wenst te vertrekken;

- het geringe aantal bedrijven dat bereid is om jongeren een opleidingsplaats te geven;

- het dagelijks leven in het land van ontvangst.

2.4. In het derde deel van het Groenboek, ten slotte, wordt een aantal "actiegebieden" voorgesteld om alle in het document beschreven belemmeringen aan te pakken. Deze "actiegebieden" behelzen een reeks maatregelen van juridische aard, zoals de daadwerkelijke omzetting door de lid-staten van de bestaande, nog niet omgezette richtlijnen, het gebruik van nieuwe juridische instrumenten voor harmonisatie tussen de lid-staten, en het opstellen van aanbevelingen waarin met inachtneming van de nationale soevereiniteit duidelijke richtsnoeren worden gegeven om de belemmeringen voor de burgers uit de weg te ruimen.

3. Opmerkingen

3.1. Algemene opmerkingen

3.1.1. Het Comité is ingenomen met dit soort initiatieven waarbij het verloop van de Europese eenwording op kritische wijze onder de loep wordt genomen. In het Groenboek wordt onomwonden erkend dat de eenwording in de loop der jaren een aantal gebreken is gaan vertonen. Er wordt in dit verband vooral ingegaan op gebreken die het leven van de burgers rechtstreeks beïnvloeden. Degenen die aan het roer van het schip Europa staan, dienen voldoende sociaal gevoel te hebben om zich tot taak te stellen een echt vrij personenverkeer mogelijk te maken door alle juridische en bureaucratische hindernissen uit de weg te ruimen. En de lid-staten mogen zich niet op het soevereiniteitsbeginsel beroepen om de mogelijkheden van burgers om binnen de grenzen van de Gemeenschap de meest adequate opleidingswegen te volgen, te dwarsbomen.

Het Comité steunt dit initiatief in de overtuiging dat het de noodzakelijke voorwaarden kan helpen scheppen voor een betere coördinatie tussen de Commissie en de lid-staten, waardoor de factoren die de mobiliteit van de burgers binnen de Unie belemmeren, geleidelijk worden uitgeschakeld.

3.1.2. De meer materiële aspecten van de Verdragen zijn in de loop der jaren beter ontwikkeld dan de sociale aspecten. Door de tot stand gebrachte wet- en regelgeving verloopt het verkeer van goederen binnen de Gemeenschap gemakkelijker dan het verkeer van personen.

Het Comité vindt dat gestreefd moet worden naar een politiek compromis waarmee een echt Europa van de burgers van de grond kan komen.

3.1.3. Als de communautaire programma's inzake onderwijs, opleiding en onderzoek eenmaal verschillende ontwikkelingsfasen hebben doorlopen en een aanzienlijk aantal burgers in beweging hebben gebracht, is het vanuit strategisch oogpunt noodzakelijk dat de Gemeenschap oplossingen vindt voor de problemen die bij het personenverkeer tussen de lid-staten zijn gerezen.

Het Comité hoopt en wenst dat dit initiatief zal uitmonden in een document op basis waarvan de bestaande belemmeringen uit de weg kunnen worden geruimd. Er zij in dit verband gewezen op het advies over het "Witboek over onderwijs en opleiding - Onderwijzen en leren - Naar een cognitieve samenleving", dat tijdens de Zitting van 10 juli 1996 werd goedgekeurd. Hierin wordt mobiliteit als een fundamenteel beginsel van onderwijs en voortdurende opleiding beschouwd.

3.1.4. Het Comité wil vooral de nadruk leggen op die aspecten van het Groenboek die betrekking hebben op burgers uit derde landen die legaal in een lid-staat verblijven. Deze mensen worden, behalve met de moeilijkheden waarmee ook de EG-burgers voortdurend hebben te kampen, met nog meer problemen geconfronteerd. Alle maatregelen ter bevordering van de integratie van deze burgers moeten aangemoedigd en gesteund worden, om zo met name kracht bij te zetten aan de initiatieven die in de EU worden genomen ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat.

Daarom hecht het Comité zijn uitdrukkelijke steun aan de maatregelen tot uitvoering van Actiegebied 6 met het oog op de verbetering van de situatie van deze burgers op opleidingsgebied.

3.1.5. Ten einde de ingezette middelen en geleverde inspanningen meer effect te laten sorteren, zou de Commissie zoveel mogelijk dubbel werk moeten vermijden bij het onderzoeken en analyseren van de factoren die het vrije verkeer van EU-burgers binnen de communautaire grenzen belemmeren.

Gezien het bovenstaande was enige coördinatie wenselijk geweest tussen de activiteiten van de door de Commissie in het leven geroepen en door mevrouw Veil voorgezeten werkgroep die zich bezighoudt met de belemmeringen voor het vrije verkeer van werknemers en personen in het algemeen, en het werk van de groepen van deskundigen die de Commissie daarnaast zal oprichten ter bestudering van oplossingen voor de problemen op het gebied van de transnationale mobiliteit van docenten en studenten. Zowel in de werkgroep als in de andere groepen dienen vertegenwoordigers van de sociaal-economische kringen aanwezig te zijn, omdat het bedrijfsleven, d.w.z. ondernemingen, werknemers en andere economische en sociale activiteiten, steevast een belangrijke rol speelt bij alle verplaatsingen die in het kader van onderwijs-, opleidings- en onderzoeksprogramma's plaatsvinden.

Voorts is het Comité van mening dat het Groenboek "Onderwijs, opleiding, onderzoek - De belemmeringen voor transnationale mobiliteit" een hoofdstuk toevoegt aan dat andere grote Groenboek betreffende alle belemmeringen voor de mobiliteit van EU-burgers die zich om welke reden dan ook willen verplaatsen.

3.1.6. In aansluiting op hetgeen in de vorige paragraaf is opgemerkt, meent het Comité dat het als communautair adviesorgaan waarin de sociaal-economische kringen zijn vertegenwoordigd, uitermate geschikt is om vast te stellen welke behoeften er op de arbeidsmarkt bestaan ten aanzien van de opleiding van jongeren en werklozen.

De definitie van "jongere" verschilt aanzienlijk naar gelang van het communautaire programma. Het Comité vreest dat deze verschillen in de praktijk de mobiliteit zullen belemmeren en stelt derhalve voor een meer flexibele omschrijving van het begrip "jongere" te hanteren.

Met opleiding op alle verschillende niveaus wordt in eerste instantie beoogd onze jongeren voor te bereiden op de uitdagingen van de markt. De communautaire programma's inzake onderwijs, opleiding en onderzoek dragen er in aanzienlijke mate toe bij dit doel te bewerkstelligen.

Het Comité vindt daarom dat het als wettige vertegenwoordiger van de sociaal-economische kringen rechtstreeks betrokken moet worden bij de raadplegingsprocedure die moet leiden tot de definitieve redactie van het document dat aan de orde is. Bepaalde oplossingen die worden voorgesteld zouden namelijk niet alleen voor de toekomstige werknemers van Europese bedrijven, maar ook voor de huidige werknemers en bedrijven in de Gemeenschap rechtstreeks gevolgen kunnen hebben.

3.1.7. Het Comité acht het van primordiaal belang oplossingen te vinden voor de problemen waardoor de mobiliteit van diegenen die zich voorbereiden op toetreding tot de arbeidsmarkt worden beperkt. In tijden waarin arbeid een schaars en moeilijk toegankelijk goed is, moeten wij iedere poging tot protectionisme van de nationale werkgelegenheid door de lid-staten van de Unie met hand en tand bestrijden. Dit kan een - overigens in het Groenboek onvermeld gebleven - probleem vormen, waarmee diegenen die aan communautaire opleidingsprogramma's deelnemen aan het eind van hun opleiding kunnen worden geconfronteerd.

In dit verband zij er eveneens op gewezen dat veel lid-staten een aantal, zo niet alle, overheidsfuncties voor de eigen onderdanen reserveren. Het Comité vindt dat functies in de overheidssector, overal in de Gemeenschap, voor alle burgers van de Unie toegankelijk moeten zijn.

Het Comité is van mening dat de Commissie hier niet aan voorbij mag gaan en dit aspect in de definitieve versie van het Groenboek moet vermelden.

3.2. Bijzondere opmerkingen

3.2.1. In het Groenboek wordt erkend dat richtlijnen niet altijd volledig in nationaal recht worden omgezet; zo gebeurt het dat er elementen uit worden weggelaten en de mobiliteit van de burgers wordt belemmerd. De lid-staten moeten daarom vastberaden meewerken aan het opheffen van de obstakels waarmee hun burgers worden geconfronteerd als zij zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. De regeringen van de lid-staten dienen onverwijld de door de Gemeenschap uitgewerkte rechtsregels toe te passen die het dagelijks leven van de burgers op gunstige wijze beïnvloeden.

Het Comité wil ook nogmaals de aandacht vestigen op de behoefte aan een statuut voor Europese onderzoekers en beursstudenten, waarmee hoofdzakelijk fiscale en sociale problemen die de transnationale mobiliteit in de weg staan, kunnen worden omzeild. Het Comité heeft de Commissie meerdere malen verzocht een voorstel te formuleren ter bevordering van de mobiliteit van zowel studenten aan hogescholen en universiteiten als stagiaires in het bedrijfsleven. Het Comité dringt nogmaals aan op het uitwerken van een ontwerp-statuut.

3.2.2. Voordat het startsein voor welk communautair onderwijs-, opleidings- of onderzoeksprogramma dan ook wordt gegeven, moet een analyse worden gemaakt van moeilijkheden die weliswaar niet rechtstreeks met het programma te maken hebben, maar toch gevolgen kunnen hebben voor de personen die eraan deelnemen.

Burgers die overwegen aan zo'n programma deel te nemen, dienen van dergelijke moeilijkheden weet te hebben. In de voorlichting over de programma's waarbij sprake is van verplaatsingen naar een andere lid-staat moet derhalve plaats worden ingeruimd voor de problemen waarmee mogelijke deelnemers tijdens en na een opleiding te maken krijgen. Deze informatie moet worden aangevuld met de specifieke oplossingen die, in elk afzonderlijk geval, mogelijk zijn voor problemen waarmee een burger die zich verplaatst, wordt geconfronteerd.

Daarom stellen wij voor om onder Actiegebied 9 (Verbetering van de beschikbare informatie en administratieve praktijken) te vermelden dat bij al deze communautaire programma's gezorgd moet worden voor specifieke informatie over de moeilijkheden waarmee kandidaat-deelnemers tijdens en na de opleiding geconfronteerd kunnen worden en over eventuele oplossingen daarvoor.

Verder moet beslist gewezen worden op de extra moeilijkheden waarmee mensen te maken kunnen krijgen die een opleiding in een ander land willen volgen en, afgezien van de "gewone" hindernissen die iedereen moet nemen, ook nog eens met het probleem zitten dat zij gehandicapt of minder valide zijn. Het Comité vindt dat dit aspect in de definitieve versie van het Groenboek bijzondere aandacht verdient.

3.2.3. Algemeen gesproken is het niet alleen nodig dat er voor informatieverspreiding in de lid-staten wordt gezorgd, maar ook dat de informatie voor de burgers gemakkelijk toegankelijk is. Iedereen heeft er recht op te weten wat er zoal wordt aangeboden en welke mogelijkheden er bestaan. De Commissie heeft de plicht ervoor te zorgen dat dit soort informatie niet slechts verspreid wordt in beperkte kring of in de gebruikelijke circuits waarin de van de Gemeenschap afkomstige informatie rondgaat. Het is moeilijk een Europees bewustzijn te ontwikkelen als we er niet in slagen te bewerkstelligen dat dit soort transnationale opleidingsactiviteiten de onderwijswereld, de sociale kringen en het bedrijfsleven overal in de Gemeenschap bereiken. Gebruikmakend van alle multimediamogelijkheden van de hedendaagse samenleving dient er een degelijk informatienetwerk te worden opgezet dat voor alle onderwijsinstellingen en ondernemingen in de EU toegankelijk is.

Het Comité stelt derhalve voor dat er in het kader van Actiegebied 9 een systematisch netwerk wordt opgezet om de burger te informeren over alle opleidingsmogelijkheden die er in de Gemeenschap bestaan.

3.2.4. De eerste hindernis die genomen moet worden om toegang te krijgen tot opleidingsmogelijkheden buiten de eigen lid-staat is van taalkundige aard. Niemand kan in een andere lid-staat onderwijs, een cursus of een academische opleiding gaan volgen zonder kennis van de taal van die lid-staat. Het leren van andere EU-talen vanaf de eerste schooljaren van de kinderen is dan ook absoluut noodzakelijk.

Het Comité heeft zich hierover herhaaldelijk uitgesproken en daarbij gehamerd op de behoefte aan meer aandacht en middelen voor de initiatieven ter verbetering van de talenkennis en het gebruik daarvan door de burgers in de Unie. Er zij in dit verband gewezen op de adviezen over het "Groenboek inzake de Europese dimensie van het onderwijs", het "Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van het communautair actieprogramma Socrates", het "Leonardo-programma", en het onlangs uitgebrachte advies over het "Witboek over onderwijs en opleiding - Onderwijzen en leren - Naar een cognitieve samenleving".

Het Comité herhaalt hier zijn standpunt over het talenonderwijs dat het heeft ingenomen in alle adviezen over de verschillende onderwijs-, opleidings- en onderzoeksprogramma's waarover het is geraadpleegd. Er moet steun worden verleend aan alle maatregelen van Commissie en Raad om het onderwijzen en leren van EU-talen te bevorderen. Dit zal uiteindelijk niet alleen tot betere opleidingsmogelijkheden voor de burgers, maar ook tot meer toenadering en een betere kennis van de culturele verscheidenheid van Europa leiden, en zal de mobiliteit ten goede komen.

3.2.5. Programma's om het (taal)onderwijs aan jongeren en volwassen te stimuleren hebben weinig zin als we niet aan de toekomst denken. De inspanningen dienen gericht te worden op de allerkleinsten; het onderwijzen van EU-talen moet in alle scholen van de Gemeenschap gestimuleerd worden, waarbij de vrije taalkeuze van de leerlingen zoveel mogelijk gerespecteerd moet worden. In dit verband zou - met inachtneming van de nationale bevoegdheden op onderwijsgebied - in Actiegebied 8 moeten worden opgenomen dat de lid-staten afspreken om het onderwijs van minstens twee EU-talen in de nationale onderwijsprogramma's verplicht te stellen, waarbij het aantal lesuren voldoende moet zijn om die talen ook echt en goed te kunnen leren. Voorts zou er een uitgebreider uitwisselingsprogramma voor schoolgaande jongeren moeten worden opgezet, zodat zij hun op school opgedane talenkennis verder kunnen ontwikkelen.

Tevens moet het taalonderwijs aan volwassenen die nooit de kans hebben gehad om andere talen van de Gemeenschap te leren worden gestimuleerd. Permanente educatie kan de ideale manier zijn om deze mensen aan taalonderwijs en bijscholingsprogramma's te laten deelnemen.

3.2.6. Het zou goed zijn, niet alleen het leren van EU-talen op school te vergemakkelijken, maar de leerlingen tegelijkertijd de mogelijkheid te bieden om kennis op te doen inzake onderwerpen die bevorderlijk zijn voor de Europese opbouw en integratie. Zo kan op lange termijn gewerkt worden aan het uit de weg ruimen van minder zichtbare en materiële belemmeringen dan die welke in het Commissiedocument worden genoemd en die meer met de attitudes van personen en groepen te maken hebben dan met de hinderpalen die door de verschillen in wetgeving tussen de lid-staten worden opgeworpen. Verschillen in cultuur, religieuze overtuiging, denkwijzen, huidskleur, etnische afkomst en alle andere verschillen ten opzichte van de autochtone bewoners van het land waar men een opleiding gaat volgen, kunnen problemen opleveren die niet in het Groenboek vermeld staan. Deze verschillen worden door xenofobe politieke bewegingen gebruikt en beklemtoond ten einde de bevolking tegen vreemdelingen op te zetten. Dergelijk gedrag wordt in onze omgeving gelukkig slechts door een minderheid tentoongespreid en kan het best de kop in worden gedrukt door de kennis over andere mensen, andere culturen en andere overtuigingen en over hetgeen ons samenbrengt te bevorderen.

Er zou gedacht kunnen worden aan een nieuw actiegebied, nl. de vaststelling op communautair niveau van een voor alle scholen geldend specifiek vak dat in de zin van de hierboven uiteengezette gedachte voor alle leerlingen in de Gemeenschap dezelfde inhoud heeft.

3.2.7. Homologatie en erkenning van buiten de lid-staat van herkomst gevolgde opleidingen moeten worden voortgezet; het gaat hier immers om de hoofddoelstelling van de Gemeenschap om alle werknemers en werklozen in staat te stellen toegang te krijgen tot bedrijven in welke lid-staat dan ook. Dit beginsel zou ook moeten gelden voor beroepsopleiding en alle ongereglementeerde onderwijsvormen. De interne markt en het vrije verkeer van werknemers mogen niet afhankelijk blijven van obstakels die inhouden dat de beroepsvaardigheden van werknemers vanwege juridisch-administratieve problemen over hun diploma's en getuigschriften in twijfel worden getrokken. Er zij in dit verband gewezen op de rol die het CEDEFOP heeft gespeeld op het gebied van de erkenning van diploma's. Het heeft op dit terrein een niet te miskennen bijdrage geleverd. Ook het netwerk van de nationale informatiecentra voor academische erkenning (NARIC) heeft hierbij een grote rol gespeeld.

Het is zaak dat Raad en Commissie zich onverminderd blijven inzetten voor de opheffing van belemmeringen op het gebied van de erkenning en homologatie van studies en diploma's. Indien nodig moeten zij daarbij gebruik maken van alle instrumenten die het Verdrag ter beschikking stelt om naleving door de lid-staten van de communautaire wetgeving af te dwingen.

3.2.8. Om voor meer sociale gerechtigheid te zorgen, is het absoluut vereist dat in de eerste plaats onverwijld alle noodzakelijke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de meest kansarmen worden uitgesloten van de voordelen van de communautaire programma's waar het in het Groenboek om gaat. Zoals in het Groenboek wordt erkend, is het voor jongeren zonder financiële middelen en werklozen met weinig of geen sociale bescherming wellicht het moeilijkst om aan genoemde programma's deel te nemen. Willen we het Europa van de burgers uitbouwen, dan moeten we een steviger basis leggen voor de solidariteit en de gelijkheid van kansen die de communautaire samenleving ons biedt. Het is uiterst onrechtvaardig om de steun voor transnationale mobiliteit evenredig te verdelen zonder de sociaal-economische situatie van de begunstigden in aanmerking te nemen. Wat Actiegebied 7 betreft, stelt het Comité daarom voor dat, bij de verdeling van de aan de programma's verbonden steun, gekeken wordt naar de financiële situatie van de begunstigde en naar de gezinsomstandigheden waarin hij of zij leeft, waarbij rekening moet worden gehouden met specifieke kenmerken van de nationale studiefinancieringssystemen. Zo zouden de programma's criteria moeten bevatten voor de verdeling van de steun, die in grotere mate ten goede zou moeten komen aan diegenen die over weinig middelen beschikken.

Brussel, 26 februari 1997.

De voorzitter van het Economisch en Sociaal Comité

T. JENKINS

Naar boven

Beheerd door het Publicatiebureau