Comité van de Regio’s — Reglement van orde
PB L 6 van 9.1.2010, blz. 14–31 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
BG CS DA DE EL EN ES ET FI FR HU IT LT LV MT NL PL PT RO SK SL SV
| BG | ES | CS | DA | DE | ET | EL | EN | FR | GA | IT | LV | LT | HU | MT | NL | PL | PT | RO | SK | SL | FI | SV |
| html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | |
| tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff | tiff |
| Twee talen naast elkaar: BG CS DA DE EL EN ES ET FI FR HU IT LT LV MT NL PL PT RO SK SL SV |
Comité van de Regio’s
Reglement van orde
INHOUD
INLEIDING
OPMERKING VOORAF
TITEL I
LEDEN EN ORGANEN VAN HET COMITÉ
HOOFDSTUK 1
ORGANEN VAN HET COMITÉ
Artikel 1 — Organen van het Comité
HOOFDSTUK 2
LEDEN VAN HET COMITÉ
Artikel 2 — Status van de leden en de plaatsvervangers
Artikel 3 — Mandaat
Artikel 4 — Voorrechten en immuniteiten
Artikel 5 — Deelname door leden en plaatsvervangers
Artikel 6 — Overdracht van stemrecht
Artikel 7 — Nationale delegaties en fracties
Artikel 8 — Nationale delegaties
Artikel 9 — Fracties en niet-ingeschrevenen
Artikel 10 — Interregionale groepen
TITEL II
ORGANISATIE EN WERKWIJZE VAN HET COMITÉ
HOOFDSTUK 1
BIJEENROEPING EN INSTALLATIE VAN HET COMITÉ
Artikel 11 — Bijeenroeping eerste vergadering
Artikel 12 — Installatie van het Comité en onderzoek van de geloofsbrieven van de leden
HOOFDSTUK 2
VOLTALLIGE VERGADERING
Artikel 13 — Taken van de voltallige vergadering
Artikel 14 — Bijeenroeping voltallige vergadering
Artikel 15 — Agenda van de zitting
Artikel 16 — Opening van de zitting
Artikel 17 — Openbaarheid, gasten, gastsprekers, actueel uurtje
Artikel 18 — Spreektijd
Artikel 19 — Sprekerslijst
Artikel 20 — Moties van orde
Artikel 21 — Quorum
Artikel 22 — Stemming
Artikel 23 — Indiening van wijzigingsvoorstellen
Artikel 24 — Behandeling van wijzigingsvoorstellen
Artikel 25 — Urgentieprocedure voor adviezen en rapporten
Artikel 26 — Vereenvoudigde procedures
Artikel 27 — Sluiting van de zitting
Artikel 28 — Symbolen
HOOFDSTUK 3
BUREAU EN VOORZITTER
Artikel 29 — Samenstelling van het bureau
Artikel 30 — Vervangers voor bureauleden
Artikel 31 — Verkiezing van het bureau
Artikel 32 — Verkiezing van de voorzitter en van de eerste vicevoorzitter
Artikel 33 — Verkiezing van de leden van het bureau
Artikel 34 — Verkiezing van plaatsvervangers
Artikel 35 — Tussentijdse verkiezing van een lid van het bureau
Artikel 36 — Taken van het bureau
Artikel 37 — Bijeenroeping van het bureau, quorum en besluitvorming
Artikel 38 — voorzitter
Adviezen, rapporten en resoluties — Procedure in het bureau
Artikel 39 — Adviezen — Rechtsgrondslag
Artikel 40 — Adviezen en rapporten — Aanwijzing commissie
Artikel 41 — Benoeming algemeen rapporteur
Artikel 42 — Initiatiefadvies en initiatiefrapport
Artikel 43 — Indienen van resoluties
Artikel 44 — Aandacht voor adviezen, rapporten en resoluties
HOOFDSTUK 4
COMMISSIES
Artikel 45 — Samenstelling en taken
Artikel 46 — voorzitter en eerste vicevoorzitter
Artikel 47 — Taken van de commissies
Artikel 48 — Bijeenroepen van commissies en agenda
Artikel 49 — Openbaarheid
Artikel 50 — Termijn voor het opstellen van adviezen en rapporten
Artikel 51 — Inhoud van de adviezen en de rapporten
Artikel 52 — Follow-up van de adviezen
Artikel 53 — Beroep wegens schending van het subsidiariteitsbeginsel
Artikel 54 — Uitblijven van verplichte raadpleging
Artikel 55 — Verslag over de impact van de adviezen
Artikel 56 — Rapporteurs
Artikel 57 — Werkgroepen
Artikel 58 — Deskundigen
Artikel 59 — Quorum
Artikel 60 — Stemprocedure
Artikel 61 — Wijzigingsvoorstellen
Artikel 62 — Besluit om geen advies of rapport uit te brengen
Artikel 63 — Schriftelijke procedure
Artikel 64 — Standpunt in briefvorm
Artikel 65 — Voor de commissies geldende bepalingen
HOOFDSTUK 5
ADMINISTRATIE VAN HET COMITÉ
Artikel 66 — Secretariaat-generaal
Artikel 67 — Secretaris-generaal
Artikel 68 — Aanstelling van de secretaris-generaal
Artikel 69 — Statuut van de ambtenaren en Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden
Artikel 70 — Beraadslaging achter gesloten deuren
Artikel 71 — Commissie voor administratieve en financiële aangelegenheden
Artikel 72 — Begroting
TITEL III
OVERIGE BEPALINGEN
HOOFDSTUK 1
SAMENWERKING MET ANDERE INSTELLINGEN
Artikel 73 — Samenwerkingsovereenkomsten
Artikel 74 — Voorlegging en publicatie van adviezen, rapporten en resoluties
HOOFDSTUK 2
OPENBAARHEID EN TRANSPARANTIE
Artikel 75 — Toegang van het publiek tot documenten
HOOFDSTUK 3
TAALGEBRUIK
Artikel 76 — Vertolkingsregeling
HOOFDSTUK 4
REGLEMENT VAN ORDE
Artikel 77 — Herziening van het reglement van orde
Artikel 78 — Uitvoeringsbepalingen
Artikel 79 — Inwerkingtreding van het reglement van orde
*
* *
INLEIDING
Het Comité van de Regio’s heeft, overeenkomstig artikel 306, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op 3 december 2009 het volgende reglement van orde vastgesteld:
OPMERKING VOORAF
Alle in dit reglement van orde genoemde functies kunnen zowel door vrouwen als door mannen worden vervuld. De formulering is sekseneutraal bedoeld.
TITEL I
LEDEN EN ORGANEN VAN HET COMITÉ
HOOFDSTUK 1
ORGANEN VAN HET COMITÉ
Artikel 1 — Organen van het Comité
De organen van het Comité zijn: de voltallige vergadering, de voorzitter, het bureau en de commissies.
HOOFDSTUK 2
LEDEN VAN HET COMITÉ
Artikel 2 — Status van de leden en de plaatsvervangers
In artikel 300 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt bepaald dat de leden van het Comité en hun plaatsvervangers vertegenwoordigers van de regionale en lokale lichamen zijn. Zij zijn in een regionaal of lokaal lichaam gekozen of zij zijn politiek verantwoording schuldig aan een gekozen vergadering. Zij mogen bij de uitoefening van hun ambt niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat. Zij oefenen dat ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Unie.
Artikel 3 — Mandaat
1. Het mandaat van een lid of een plaatsvervanger begint op de dag waarop diens benoeming door de Raad van kracht wordt.
2. Het mandaat van een lid of een plaatsvervanger van het Comité eindigt bij aftreden, bij het verstrijken van het mandaat uit hoofde waarvan hij is benoemd of bij overlijden.
3. Een aftredend lid of plaatsvervanger deelt het aftreden schriftelijk mede aan de voorzitter van het Comité met vermelding van de datum waarop dit ingaat. De voorzitter stelt de Raad op de hoogte. De Raad stelt vast dat de zetel vacant is en brengt de vervangingsprocedure op gang.
4. Het lid of de plaatsvervanger waarvan de ambtstermijn eindigt ingevolge het verstrijken van het mandaat uit hoofde waarvan hij is benoemd, stelt de voorzitter van het Comité daarvan onmiddellijk schriftelijk op de hoogte.
5. In het in lid 2 bedoelde geval wordt het desbetreffende lid of de plaatsvervanger voor de verdere duur van de ambtstermijn door de Raad vervangen.
Artikel 4 — Voorrechten en immuniteiten
De leden en hun volgens de voorschriften gemachtigde plaatsvervangers genieten voorrechten en immuniteiten overeenkomstig het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie.
Artikel 5 — Deelname door leden en plaatsvervangers
1. Een lid dat verhinderd is aan een zitting deel te nemen, kan zich laten vertegenwoordigen door een plaatsvervanger binnen zijn nationale delegatie, ook als het gaat om een tijdsduur die beperkt blijft tot één of meer zittingsdagen. Alle leden en hun overeenkomstig de voorschriften gemachtigde plaatsvervangers moeten de presentielijst tekenen.
2. Een lid dat verhinderd is aan een commissievergadering, of een met instemming van het bureau te houden andere vergadering deel te nemen, kan zich laten vertegenwoordigen door een ander lid of een plaatsvervanger binnen zijn nationale delegatie, zijn fractie of zijn interregionale groep. Alle leden en hun overeenkomstig de voorschriften gemachtigde plaatsvervangers moeten de presentielijst tekenen.
3. Een lid dat of een plaatsvervanger die voorkomt op de lijst van vervangers van de leden van een op grond van artikel 36 of 57 samengestelde werkgroep, mag elk lid van zijn fractie vervangen.
4. Plaatsvervangers of leden die als plaatsvervangers optreden kunnen slechts een volmacht van één lid ontvangen. Tijdens de vergadering neemt het lid dat als plaatsvervanger optreedt of de plaatsvervanger alle taken en bevoegdheden van het lid over. Het secretariaat-generaal moet overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van de stemoverdracht in kennis worden gesteld. De stemoverdracht moet uiterlijk op de dag vóór de desbetreffende vergadering zijn ontvangen.
5. Per zitting kan slechts één onkostenvergoeding worden toegekend, ofwel aan het lid ofwel aan zijn plaatsvervanger. Dit wordt door het bureau nader uitgewerkt in de regeling inzake de reiskosten-, de dag- en de reisvergoeding.
6. Een als rapporteur aangewezen plaatsvervanger kan tijdens de zitting het door hem opgestelde ontwerpadvies of ontwerprapport indienen en toelichten. Dit kan zelfs indien het lid wiens plaatsvervanger hij is, zelf bij die vergadering aanwezig is. Het lid kan de plaatsvervanger voor de duur van de behandeling van het desbetreffende ontwerpadvies of ontwerprapport zijn stemrecht overdragen. De secretaris-generaal dient vóór de zitting schriftelijk in kennis te worden gesteld van de stemoverdracht.
7. Zonder afbreuk te doen aan artikel 23, lid 1, blijft iedere volmacht zonder gevolg vanaf het moment dat het verhinderde lid zijn hoedanigheid van lid van het Comité heeft verloren.
Artikel 6 — Overdracht van stemrecht
Behoudens het bepaalde in de artikelen 5 en 30 kan het stemrecht niet worden overgedragen.
Artikel 7 — Nationale delegaties en fracties
De nationale delegaties en fracties dragen op evenwichtige wijze bij tot de organisatie van de werkzaamheden van het Comité.
Artikel 8 — Nationale delegaties
1. De leden en plaatsvervangers uit een lidstaat vormen samen een nationale delegatie. Iedere nationale delegatie regelt zelf haar interne organisatie en kiest haar voorzitter. De naam van de voorzitter wordt officieel aan de voorzitter van het Comité medegedeeld.
2. De secretaris-generaal treft voorzieningen bij het secretariaat van het Comité om de nationale delegaties bij te staan. Dit houdt ook in dat elk individueel lid informatie en hulp kan krijgen in zijn eigen taal. Deze taken worden ondergebracht bij een specifieke dienst bestaande uit ambtenaren of tijdelijke functionarissen van het Comité, die er tevens voor zorgen dat de nationale delegaties de faciliteiten van het Comité op de geëigende wijze kunnen benutten. De secretaris-generaal biedt de nationale delegaties met name passende mogelijkheden om onmiddellijk voor of tijdens zittingen vergaderingen te houden.
3. De nationale delegaties worden ook bijgestaan door nationale coördinatoren. Zij zijn geen personeelsleden van het secretariaat-generaal en dragen ertoe bij dat de leden van het Comité hun mandaat efficiënt kunnen uitoefenen.
4. De nationale coördinatoren worden op gepaste wijze door de secretaris-generaal ondersteund, zodat zij onder meer gebruik kunnen maken van de faciliteiten van het Comité.
Artikel 9 — Fracties en niet-ingeschrevenen
1. De leden en de plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s kunnen fracties vormen die overeenkomen met hun politieke gezindheid. De criteria voor het lidmaatschap worden vastgelegd in het huishoudelijk reglement van elke fractie.
2. Om een fractie te kunnen vormen, heeft men ten minste 18 leden/plaatsvervangers nodig die uit minstens een vijfde van de lidstaten afkomstig zijn; de fractie moet voor minstens de helft uit leden bestaan. Een lid of plaatsvervanger kan slechts tot één fractie behoren. Een fractie wordt geacht te zijn ontbonden wanneer het aantal leden tot onder het vereiste aantal is gedaald.
3. De oprichting van een fractie, alsmede de ontbinding ervan of andere wijzigingen ter zake moeten in een verklaring aan de voorzitter van het Comité van de Regio’s worden medegedeeld. In de verklaring betreffende de oprichting van een fractie dienen de naam van de fractie, de namen van haar leden en de samenstelling van het fractiebestuur te worden vermeld.
4. De fracties worden elk bijgestaan door een secretariaat; de medewerkers van die secretariaten zijn personeelsleden van het secretariaat-generaal van het Comité. De fracties kunnen het tot aanstelling bevoegde gezag voorstellen doen met betrekking tot de aanwerving, aanstelling, bevordering en contractsverlenging van die medewerkers. Beslissingen worden genomen door het tot aanstelling bevoegde gezag na overleg met de betreffende fractievoorzitter.
5. De secretaris-generaal van het Comité stelt de fracties en hun organen de nodige financiële middelen ter beschikking voor vergaderingen, activiteiten, publicaties en secretariaatswerkzaamheden. De middelen voor elke fractie dienen op de begroting te worden opgevoerd. De fracties en hun secretariaten kunnen op passende wijze gebruikmaken van de faciliteiten van het Comité.
6. De fracties en de fractiebesturen kunnen onmiddellijk vóór of tijdens de zittingen bijeenkomen. De fracties kunnen tweemaal per jaar een buitengewone vergadering houden. Plaatsvervangers hebben bij fractievergaderingen alleen dan recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten als zij leden van hun fractie vervangen.
7. Leden van het Comité die niet tot een fractie behoren, krijgen administratieve ondersteuning. Het bureau stelt, op voorstel van de secretaris-generaal, hiervoor de uitvoeringsbepalingen vast.
Artikel 10 — Interregionale groepen
De leden en plaatsvervangers kunnen interregionale groepen vormen. De vorming van een groep wordt officieel aan de voorzitter van het Comité medegedeeld. Na besluit van het bureau is een interregionale groep volgens de regels samengesteld.
*
* *
TITEL II
ORGANISATIE EN WERKWIJZE VAN HET COMITÉ
HOOFDSTUK 1
BIJEENROEPING EN INSTALLATIE VAN HET COMITÉ
Artikel 11 — Bijeenroeping eerste vergadering
Het Comité wordt na elke vijfjaarlijkse vernieuwing door de aftredend voorzitter, of bij ontstentenis de aftredend eerste vicevoorzitter, of bij ontstentenis de oudste aftredend vicevoorzitter, of bij ontstentenis het oudste lid bijeengeroepen. Het komt binnen ten hoogste één maand nadat de leden van het Comité door de Raad benoemd zijn, in vergadering bijeen.
Het lid dat krachtens de eerste alinea tijdelijk het voorzitterschap van het Comité bekleedt, vertegenwoordigt het Comité in de periode tussen het aflopen van de voorgaande mandaatsperiode en de installatie van het nieuwe Comité. Hij zit de eerste vergadering voor in de hoedanigheid van tijdelijk voorzitter.
Daarbij wordt dit lid bijgestaan door de vier jongste aanwezige leden en de secretaris-generaal van het Comité. Samen vormen zij het tijdelijk samengestelde bureau.
Artikel 12 — Installatie van het Comité en onderzoek van de geloofsbrieven van de leden
1. Tijdens de eerste vergadering stelt de tijdelijk voorzitter het Comité in kennis van de mededeling welke door de Raad inzake de benoeming van de leden is gedaan en rapporteert hij hoe hij het Comité sinds het aflopen van de voorgaande mandaatsperiode heeft vertegenwoordigd. De tijdelijk voorzitter kan, op verzoek, een onderzoek instellen naar de benoeming en naar de geloofsbrieven van de leden alvorens hij het Comité voor geïnstalleerd verklaart voor een nieuwe periode van vijf jaar.
2. Het tijdelijk samengestelde bureau blijft in functie totdat de uitslag van de verkiezing van de overige leden van het bureau is bekendgemaakt.
HOOFDSTUK 2
VOLTALLIGE VERGADERING
Artikel 13 — Taken van de voltallige vergadering
De leden van het Comité vormen samen de voltallige vergadering. Deze vervult met name de volgende taken:
a) uitbrengen van adviezen, rapporten en resoluties;
b) opstellen van de ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het Comité;
c) aan het begin van iedere mandaatsperiode, opstellen van het beleidsprogramma van het Comité;
d) verkiezing van de voorzitter, de eerste vicevoorzitter en de overige leden van het bureau;
e) instellen van commissies;
f) vaststellen en wijzigen van het reglement van orde;
g) besluiten over het instellen van beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Unie bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen, na vaststelling van het quorum overeenkomstig artikel 21, lid 1, eerste zin, op voorstel van hetzij de voorzitter van het Comité, hetzij de bevoegde commissie handelend overeenkomstig de artikelen 53 of 54. Wordt een dergelijk besluit genomen, dan stelt de voorzitter het beroep namens het Comité bij het Hof in.
Artikel 14 — Bijeenroeping voltallige vergadering
1. De voorzitter van het Comité roept de voltallige vergadering ten minste eenmaal per kwartaal bijeen. Het bureau dient in het derde kwartaal van het voorafgaande jaar het zittingsrooster vast te stellen. Een zitting bestaat uit een of meer vergaderdagen.
2. Op schriftelijk verzoek van ten minste een kwart van de leden dient de voorzitter de voltallige vergadering in buitengewone zitting bijeen te roepen, en wel binnen minimaal een week en maximaal een maand nadat het verzoek is gedaan. In het verzoek wordt het onderwerp vermeld dat tijdens de buitengewone zitting moet worden behandeld. Tijdens die zitting mag geen ander onderwerp aan de orde komen.
Artikel 15 — Agenda van de zitting
1. Het bureau stelt een voorontwerp van agenda op met een voorlopige lijst van tijdens de daaropvolgende zitting te behandelen ontwerpadviezen, ontwerprapporten of ontwerpresoluties en alle andere documenten waarover een besluit moet worden genomen.
2. Uiterlijk 20 werkdagen vóór de zitting verzendt de voorzitter per e-mail aan de leden en de plaatsvervangers van het Comité in hun respectieve officiële talen de ontwerpagenda alsmede alle daarin genoemde documenten waarover een besluit moet worden genomen. Al deze documenten worden ook elektronisch beschikbaar gesteld.
3. In principe worden de ontwerpadviezen, -rapporten en -resoluties op de agenda geplaatst in de volgorde waarin deze door de commissies zijn goedgekeurd of, overeenkomstig het reglement van orde, zijn voorgelegd; daarbij dient wel rekening te worden gehouden met onderling samenhangende agendapunten.
4. In gegronde uitzonderingsgevallen kan de voorzitter, wanneer de in lid 2 genoemde termijn niet kan worden gehaald, een ontwerpadvies of -resolutie of een ander document waarover een besluit moet worden genomen alsnog op de ontwerpagenda plaatsen, mits het desbetreffende document uiterlijk één week voor de zitting in de juiste werktaal in het bezit van de leden en plaatsvervangers is. De voorzitter moet op het voorblad van het document de reden aangeven waarom deze procedure wordt toegepast.
5. Schriftelijke voorstellen tot wijziging van de ontwerpagenda moeten uiterlijk drie werkdagen vóór de opening van de zitting bij de secretaris-generaal worden ingediend.
6. Tijdens de direct aan de zitting voorafgaande vergadering van het bureau wordt de definitieve ontwerpagenda vastgesteld. Het bureau kan dan alsnog met tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen besluiten urgente of actuele onderwerpen op de agenda te plaatsen, waarvan de behandeling niet kan worden uitgesteld tot de volgende zitting.
7. Op voorstel van de voorzitter, een fractie of 32 leden kan het bureau of de voltallige vergadering besluiten om:
- de behandeling van een document waarover een besluit moet worden genomen, uit te stellen tot een volgende zitting,
of
- een document waarover een besluit moet worden genomen, terug te verwijzen naar de commissie om opnieuw te worden behandeld.
Dit geldt niet als een door de Raad, de Commissie of het Parlement vastgestelde termijn het niet toelaat dat goedkeuring van het document wordt uitgesteld.
Documenten waarover een besluit moet worden genomen, waarvan de behandeling wordt uitgesteld tot een volgende zitting, dienen vergezeld te gaan van alle hierop betrekking hebbende, op geldige wijze ingediende wijzigingsvoorstellen.
Als documenten worden terugverwezen naar de commissie, vervallen de hierop betrekking hebbende wijzigingsvoorstellen, maar beoordeelt de rapporteur in hoeverre de inhoud daarvan:
- noodzaakt de tekst voorafgaand aan de nieuwe behandeling door de commissie te herzien, rekening houdende met de geldende termijnen;
en/of
- aanleiding kan zijn om wijzigingsvoorstellen van de rapporteur in te dienen, overeenkomstig de procedure voor het indienen van wijzigingsvoorstellen voor commissievergaderingen.
Het document wordt voor besluit op de agenda van de commissievergadering geplaatst.
Artikel 16 — Opening van de zitting
De voorzitter opent de zitting en legt de ontwerpagenda ter goedkeuring voor.
Artikel 17 — Openbaarheid, gasten, gastsprekers, actueel uurtje
1. De zittingen zijn openbaar, tenzij de voltallige vergadering anders beslist en de zitting geheel dan wel voor één agendapunt gesloten verklaart.
2. Vertegenwoordigers van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie mogen de zittingen bijwonen. Zij kunnen worden verzocht er het woord te voeren.
3. De voorzitter kan op eigen initiatief of op verzoek van het bureau prominente personen van buiten het Comité uitnodigen het woord te richten tot de voltallige vergadering. Daarna kan een algemene discussie volgen, waarbij de regels voor de verdeling van de spreektijd gelden.
4. Het bureau kan, in overeenstemming met artikel 15, lid 1 en lid 6, de voltallige vergadering voorstellen om een algemene discussie te houden over actuele politieke vraagstukken met een lokale en regionale dimensie ("actueel uurtje"). Voor deze discussie gelden de algemene regels die op de spreektijd van toepassing zijn.
Artikel 18 — Spreektijd
1. De voltallige vergadering stelt bij het begin van de zitting, op voorstel van het bureau, voor elk agendapunt apart de spreektijd vast. Tijdens de zitting beslist de voorzitter, op eigen initiatief of op verzoek van een lid, over beperking van de spreektijd.
2. Op voorstel van het bureau kan de voorzitter voorstellen om bij discussies over algemene vraagstukken of specifieke kwesties de beschikbare spreektijd te verdelen over de fracties en de nationale delegaties.
3. In het algemeen is de spreektijd tot één minuut beperkt voor opmerkingen over de notulen, moties van orde, en over wijzigingen van de (ontwerp)agenda.
4. Als een spreker de toegewezen tijd overschrijdt, kan de voorzitter na één aanmaning hem/haar het woord ontnemen.
5. Een lid kan een voorstel doen tot sluiting van de discussie, dat door de voorzitter in stemming moet worden gebracht.
Artikel 19 — Sprekerslijst
1. De leden die het woord vragen, worden op de sprekerslijst ingeschreven in de volgorde van aanmelding en krijgen in die volgorde het woord verleend door de voorzitter. Deze zorgt er zoveel mogelijk voor dat sprekers van verschillende politieke richting en van verschillende nationale delegaties bij afwisseling aan het woord komen.
2. Op hun verzoek kan echter aan de rapporteur van de bevoegde commissie en aan de vertegenwoordigers van de fracties of van de nationale delegaties die namens de fractie of delegatie het woord voerenbij voorrang het woord worden verleend.
3. Niemand mag meer dan tweemaal over hetzelfde onderwerp het woord voeren, behoudens toestemming daartoe van de voorzitter. De voorzitter en de rapporteur van de betrokken commissies kunnen echter desgewenst nogmaals het woord voeren; de voorzitter bepaalt daarbij de spreektijd.
Artikel 20 — Moties van orde
1. Aan een lid wordt het woord verleend voor een voorstel van orde of om de voorzitter erop te attenderen dat het reglement van orde niet in acht wordt genomen. Het verzoek moet betrekking hebben op het onderwerp dat aan de orde is, of op de agenda.
2. Een verzoek om het woord te mogen voeren voor een beroep op het reglement van orde heeft voorrang boven alle andere verzoeken om het woord te mogen voeren.
3. De voorzitter beslist onverwijld overeenkomstig de bepalingen van het reglement van orde over beroepen die op dat reglement gedaan worden en deelt die beslissing onmiddellijk mede. Hierover wordt niet gestemd.
Artikel 21 — Quorum
1. De beraadslagingen van de voltallige vergadering zijn geldig indien de meerderheid van de leden aanwezig is. Het quorum wordt vastgesteld op verzoek van een lid en op voorwaarde dat ten minste vijftien leden vóór het verzoek om vaststelling van het quorum stemmen. Zolang niet om vaststelling van het quorum wordt gevraagd, is een stemming geldig ongeacht het aantal aanwezigen. De voorzitter kan de vergadering een tiental minuten schorsen alvorens tot vaststelling van het quorum over te gaan. De leden die om vaststelling van het quorum hebben verzocht, worden bij de vaststelling meegerekend ook als zij op dat moment de zaal verlaten hebben. Als minder dan vijftien leden aanwezig zijn, kan de voorzitter vaststellen dat het quorum niet is bereikt.
2. Wanneer wordt vastgesteld dat het quorum niet bereikt is, worden agendapunten waarover moet worden gestemd uitgesteld tot de volgende vergaderdag. De voltallige vergadering kan dan geldig stemmen over de uitgestelde punten, ongeacht het aantal aanwezige leden.
Artikel 22 — Stemming
1. De voltallige vergadering spreekt zich uit bij meerderheid van stemmen, tenzij in dit reglement iets anders wordt bepaald.
2. De drie geldige stemmogelijkheden zijn: "voor", "tegen" of "onthouding". Voor de berekening van de meerderheid worden alleen de vóór- en tegenstemmen geteld. Bij staken van de stemmen, wordt de tekst of het voorstel geacht te zijn verworpen.
3. Bij twijfel of de stemmen correct geteld zijn, kan de voorzitter de stemming laten overdoen; dit kan ook op verzoek van een lid en op voorwaarde dat minstens vijftien leden vóór dit verzoek om herstemming stemmen.
4. Op voorstel van de voorzitter, een fractie of 32 leden, waarbij dit voorstel vóór goedkeuring van de definitieve agenda moet worden ingediend, kan de voltallige vergadering besluiten om over één of meerdere agendapunten hoofdelijk te stemmen. Hierover wordt in de notulen van de zitting verslag uitgebracht. Tenzij de voltallige vergadering anders besluit, kan over wijzigingsvoorstellen niet hoofdelijk worden gestemd.
5. Op voorstel van de voorzitter, een fractie of 32 leden kan worden besloten om besluiten over personen bij geheime stemming te nemen.
6. De voorzitter kan te allen tijde besluiten om gebruik te maken van een elektronisch stemsysteem.
Artikel 23 — Indiening van wijzigingsvoorstellen
1. Alleen leden en overeenkomstig de voorschriften gemachtigde plaatsvervangers kunnen, met inachtneming van de desbetreffende regels, wijzigingsvoorstellen indienen betreffende documenten waarover een besluit moet worden genomen. Ook niet gemachtigde plaatsvervangers die rapporteur zijn, kunnen wijzigingsvoorstellen indienen, maar alleen betreffende hun eigen documenten.
Het recht om wijzigingsvoorstellen in te dienen betreffende documenten waarover tijdens zittingen een besluit moet worden genomen, kan uitsluitend worden uitgeoefend door hetzij een lid, hetzij zijn overeenkomstig de voorschriften gemachtigde plaatsvervanger. Wijzigingsvoorstellen die volgens de voorschriften zijn ingediend vóór verlies van lidmaatschap van het Comité of verlening of intrekking van een volmacht, blijven geldig.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 26, lid 1, moeten wijzigingsvoorstellen betreffende documenten waarover een besluit moet worden genomen, door hetzij een fractie, hetzij ten minste zes leden of overeenkomstig de voorschriften gemachtigde plaatsvervangers worden gesteund en moeten in dat laatste geval de namen van die leden en plaatsvervangers bevatten. Nationale delegaties die uit minder dan zes leden bestaan, kunnen wijzigingsvoorstellen indienen, op voorwaarde dat deze voorstellen worden gesteund door alle leden van de betreffende delegatie of hun overeenkomstig de voorschriften gemachtigde plaatsvervangers, en dat de namen van de indieners worden vermeld.
3. Wijzigingsvoorstellen moeten vóór de negende werkdag voorafgaand aan de opening van de zitting aan de secretaris-generaal worden doorgegeven en dienen zodra zij zijn vertaald, maar vóór de vierde werkdag voorafgaand aan de opening van de zitting, elektronisch beschikbaar te zijn.
Wijzigingsvoorstellen worden met voorrang voor de rapporteur vertaald en aan hem doorgegeven, zodat die aan de hand daarvan eigen wijzigingsvoorstellen kan formuleren en deze vóór de tweede werkdag voorafgaand aan de opening van de zitting aan het secretariaat-generaal kan doorgeven. Deze wijzigingsvoorstellen van de rapporteur dienen expliciet verband te houden met één of meerdere van de in de eerste alinea bedoelde wijzigingsvoorstellen, en zijn pas bij de opening van de zitting beschikbaar.
De termijn voor het indienen van wijzigingsvoorstellen kan door de voorzitter, bij toepassing van artikel 15, lid 4, tot drie werkdagen worden ingekort. De termijn geldt niet voor wijzigingsvoorstellen die betrekking hebben op urgente onderwerpen, zoals bedoeld in artikel 15, lid 6.
4. Alle wijzigingsvoorstellen worden de leden aan het begin van de zitting ter hand gesteld.
Artikel 24 — Behandeling van wijzigingsvoorstellen
1. Indien een of meer wijzigingsvoorstellen zijn ingediend m.b.t. een bepaalde passage, kunnen de voorzitter, de rapporteur, of de indieners van deze wijzigingsvoorstellen bij uitzondering tijdens het debat compromisvoorstellen doen. Voor zover mogelijk moet een compromisvoorstel voorafgaand aan de behandeling van het onderwerp in kwestie aan de voorzitter en het secretariaat worden toegezonden.
2. De wijzigingsvoorstellen worden in stemming gebracht in de volgorde van de paragrafen van de tekst en volgens de volgende rangschikking:
- wijzigingsvoorstellen van de rapporteur;
- compromisvoorstellen, tenzij een van de indieners van de oorspronkelijke wijzigingsvoorstellen hier bezwaar tegen maakt;
- overige wijzigingsvoorstellen.
Bij goedkeuring van wijzigingsvoorstellen van de rapporteur en compromisvoorstellen vervallen de wijzigingsvoorstellen die daaraan ten grondslag lagen.
De voorzitter kan verscheidene wijzigingsvoorstellen gegroepeerd in stemming brengen indien de inhoud of het beoogde doel ervan overeenkomt.
3. Rapporteurs kunnen een lijstje opstellen van de m.b.t. hun ontwerpadvies of ontwerprapport ingediende wijzigingsvoorstellen waarvan zij goedkeuring aanbevelen. Wanneer de rapporteur een stemadvies heeft gegeven, kan de voorzitter de wijzigingsvoorstellen waarop het stemadvies betrekking heeft, gegroepeerd in stemming brengen. Ieder lid kan bezwaar maken tegen het stemadvies; het moet daarbij aangeven over welke wijzigingsvoorstellen apart moet worden gestemd.
4. Wijzigingsvoorstellen worden eerst behandeld, vóór de tekst waarop zij betrekking hebben, en worden eerst in stemming gebracht.
5. Indien twee of meer wijzigingsvoorstellen betrekking hebben op dezelfde passage, maar met elkaar in tegenspraak zijn, dan heeft het voorstel dat het verst van de oorspronkelijke tekst afligt voorrang en wordt daarover eerst gestemd.
De voorzitter laat voorafgaande aan de stemming weten of goedkeuring van een bepaald wijzigingsvoorstel met zich meebrengt dat één of meer andere wijzigingsvoorstellen komen te vervallen, hetzij omdat deze wijzigingsvoorstellen elkaar uitsluiten indien ze betrekking hebben op dezelfde passage, hetzij omdat ze zouden leiden tot een tegenstrijdigheid. Een wijzigingsvoorstel dat aldus komt te vervallen, wordt niet in stemming gebracht, tenzij de indieners er niet mee akkoord gaan dat het komt te vervallen, en de voltallige vergadering erin toestemt dat het in stemming wordt gebracht.
6. Ten slotte wordt de, eventueel gewijzigde, tekst in zijn geheel in stemming gebracht. Een advies dat niet de meerderheid van de uitgebrachte stemmen haalt, wordt terugverwezen naar de bevoegde commissie of vervalt.
Artikel 25 — Urgentieprocedure voor adviezen en rapporten
In dringende gevallen waarin een door de Raad, de Commissie of het Europees Parlement gestelde termijn niet met inachtneming van de normale procedure kan worden gehaald en de bevoegde commissie haar ontwerpadvies of ontwerprapport met algemene stemmen heeft goedgekeurd, zendt de voorzitter dit ontwerp ter informatie aan de Raad, de Commissie en het Europees Parlement. Het ontwerpadvies of ontwerprapport wordt tijdens de eerstvolgende zitting aan de voltallige vergadering ter goedkeuring voorgelegd, zonder mogelijkheid van amendering. Uit alle documenten die op het desbetreffende advies of rapport betrekking hebben, dient te blijken dat er sprake is van urgentie.
Artikel 26 — Vereenvoudigde procedures
1. Ontwerpadviezen of ontwerprapporten die door de (in eerste instantie bevoegde) commissie met algemene stemmen zijn goedgekeurd, worden voorgelegd aan de voltallige vergadering om ongewijzigd te worden goedgekeurd tenzij door ten minste 32 leden of hun overeenkomstig de voorschriften gemachtigde plaatsvervangers of een fractie overeenkomstig artikel 23, lid 3, eerste zin, een wijzigingsvoorstel is ingediend. Mocht dat het geval zijn, dan wordt door de voltallige vergadering over dat wijzigingsvoorstel beraadslaagd. Het ontwerpadvies of -rapport wordt dan door de rapporteur aan de voltallige vergadering voorgelegd en er kan een discussie over worden gehouden. Het wordt de leden samen met de ontwerpagenda toegezonden.
2. Is de in eerste instantie bevoegde commissie van oordeel dat een document, waarover zij gevraagd is een advies op te stellen, geen aanleiding geeft tot commentaar of voorstellen voor wijziging van de zijde van het Comité, dan kan zij voorstellen in het geheel geen bedenkingen te formuleren. Dit voorstel wordt de voltallige vergadering volgens de procedure zonder discussie ter goedkeuring voorgelegd.
Artikel 27 — Sluiting van de zitting
Vóór de sluiting van de zitting deelt de voorzitter de voltallige vergadering plaats en datum van de eerstvolgende zitting mede, alsmede de eventueel reeds bekende agendapunten.
Artikel 28 — Symbolen
1. Het Comité erkent en maakt zelf gebruik van de symbolen van de Europese Unie, te weten:
a) de vlag met een kring van twaalf gouden sterren tegen een blauwe achtergrond;
b) de op de negende symfonie van Ludwig van Beethoven ("Ode aan de Vreugde") gebaseerde hymne;
c) het devies "In verscheidenheid verenigd".
2. Het Comité viert op 9 mei de Dag van Europa.
3. De vlag wordt uitgehangen in alle gebouwen van het Comité en bij officiële gelegenheden.
4. De hymne wordt gespeeld bij de opening van elke eerste zitting aan het begin van een nieuwe mandaatsperiode en bij andere plechtige gelegenheden, zoals met name de ontvangst van staatshoofden en regeringsleiders, of de verwelkoming van nieuwe leden na een uitbreiding van de Europese Unie.
HOOFDSTUK 3
BUREAU EN VOORZITTER
Artikel 29 — Samenstelling van het bureau
Het bureau bestaat uit:
a) de voorzitter;
b) de eerste vicevoorzitter;
c) één vicevoorzitter per lidstaat;
d) 27 overige leden;
e) de fractievoorzitters.
De zetels in het bureau worden als volgt over de nationale delegaties verdeeld, waarbij de voorzitter, de eerste vicevoorzitter en de fractievoorzitters buiten beschouwing blijven:
— 3 voor : Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, Polen en het Verenigd Koninkrijk,
— 2 voor : België, Bulgarije, Denemarken, Finland, Griekenland, Hongarije, Ierland, Litouwen, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Roemenië, Slowakije, Tsjechië en Zweden,
— 1 voor : Cyprus, Estland, Letland, Luxemburg, Malta en Slovenië.
Artikel 30 — Vervangers voor bureauleden
1. Voor ieder lid van het bureau, met uitzondering van de voorzitter en eerste vicevoorzitter, wordt door de desbetreffende nationale delegatie een lid of plaatsvervanger als vervanger ad personam aangewezen.
2. Voor iedere fractievoorzitter wordt door de desbetreffende fractie een lid of plaatsvervanger als vervanger ad personam aangewezen.
3. Een vervanger ad personam heeft alleen het recht aan een vergadering deel te nemen, het woord te voeren en te stemmen wanneer hij/zij het lid van het bureau vertegenwoordigt. De overdracht van het stemrecht moet vóór de desbetreffende vergadering schriftelijk aan de secretaris-generaal worden meegedeeld.
Artikel 31 — Verkiezing van het bureau
1. Het bureau wordt door de voltallige vergadering gekozen voor tweeëneenhalf jaar.
2. De verkiezing geschiedt, overeenkomstig de artikelen 11 en 12, onder leiding van de tijdelijk voorzitter. Kandidaatstellingen dienen ten minste één uur voor het begin van de zitting schriftelijk aan de secretaris-generaal te worden overhandigd. Er kan slechts worden gestemd, indien twee derde van de leden aanwezig is.
Artikel 32 — Verkiezing van de voorzitter en van de eerste vicevoorzitter
1. Voorafgaand aan de verkiezingen kunnen de kandidaten voor het voorzitterschap en het eerste vicevoorzitterschap kort het woord tot de voltallige vergadering richten. De spreektijd is daarbij voor alle kandidaten gelijk; deze wordt door de tijdelijk voorzitter vastgesteld.
2. Er vinden aparte stemmingen plaats voor de verkiezing van de voorzitter en de eerste vicevoorzitter. Zij worden met meerderheid van de uitgebrachte stemmen gekozen.
3. Geldige stemmogelijkheden zijn "vóór" en "onthouding". Voor de vaststelling van de meerderheid worden alleen de stemmen "vóór" meegeteld.
4. Als bij de eerste stemming geen enkele kandidaat de meerderheid behaalt, wordt een tweede keer gestemd; de kandidaat die dan de meeste stemmen behaalt, geldt als verkozen. Bij staking van de stemmen wordt tussen de kandidaten geloot.
Artikel 33 — Verkiezing van de leden van het bureau
1. Er kan een gemeenschappelijke kandidatenlijst opgesteld worden met de kandidaten van die nationale delegaties die één kandidaat per hen toekomende zetel in het bureau voordragen. Die lijst kan in één stemronde met meerderheid van de uitgebrachte stemmen worden goedgekeurd.
Indien er geen gemeenschappelijke lijst wordt opgesteld, of indien een nationale delegatie meer dan één kandidaat per haar in het bureau toekomende zetel voordraagt, wordt voor de bezetting van die zetels telkens een aparte stemming gehouden. Daarbij zijn de voorschriften voor de verkiezing van de voorzitter en de eerste vicevoorzitter van toepassing (artt. 31 en 32, lid 2 t/m 4).
2. Met het oog op de verkiezing van de fractievoorzitters als leden van het bureau wordt een lijst met de namen ter goedkeuring aan de voltallige vergadering voorgelegd.
Artikel 34 — Verkiezing van vervangers
Tegelijk met de verkiezing van de bureauleden worden ook hun vervangers ad personam aangewezen.
Artikel 35 — Tussentijdse verkiezing van een lid van het bureau
Indien een lid van het bureau of zijn vervanger ad personam niet langer deel uitmaakt van het Comité dan wel zich terugtrekt uit het bureau, wordt voor de rest van zijn ambtstermijn een opvolger gekozen overeenkomstig de artikelen 29 t/m 34. Deze tussentijdse verkiezing vindt tijdens de zitting plaats onder voorzitterschap van de voorzitter dan wel van een van zijn vertegenwoordigers, overeenkomstig artikel 38, lid 3.
Artikel 36 — Taken van het bureau
Het bureau is belast met:
a) het opstellen van het beleidsprogramma aan het begin van zijn mandaatsperiode, het voorleggen van het programma aan de voltallige vergadering en het toezicht op de uitvoering ervan. Aan het einde van zijn mandaat legt het bureau de voltallige vergadering een verslag voor over de uitvoering van het beleidsprogramma;
b) de organisatie en coördinatie van de werkzaamheden van de voltallige vergadering en van de commissies;
c) goedkeuring van het jaarlijks werkprogramma van de commissies;
d) de algemene verantwoordelijkheid voor financiële, organisatorische en administratieve kwesties betreffende de leden en plaatsvervangers, voor de interne organisatie van het Comité, zijn secretariaat-generaal, organisatieschema en werkorganen;
e) het bureau kan
- uit zijn midden of uit leden van het Comité werkgroepen samenstellen om zich op specifieke terreinen van advies te doen dienen; dergelijke werkgroepen kunnen uit maximaal acht leden bestaan,
- andere leden van het Comité op grond van hun deskundigheid of hun functie, dan wel prominente personen van buiten het Comité uitnodigen aan zijn vergaderingen deel te nemen;
f) de aanstelling van de secretaris-generaal en van de in artikel 69, bedoelde ambtenaren en andere personeelsleden;
g) het voorleggen van de ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven aan de voltallige vergadering, overeenkomstig artikel 72 van dit reglement;
h) het verlenen van toestemming voor het houden van vergaderingen buiten de standplaats Brussel;
i) het opstellen van uitvoeringsbepalingen inzake de aanwijzing van leden van het Comité in werkgroepen en de werkwijze van werkgroepen, en het opstellen van dergelijke bepalingen voor de gemengde comités met de kandidaat-lidstaten of andere politieke organen waar de leden van het Comité zitting in hebben.
j) het nemen van besluiten over het instellen van beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, wanneer de voltallige vergadering zulke besluiten niet binnen de voorgeschreven termijn kan nemen. Het bureau neemt dergelijke besluiten bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen, na vaststelling van het quorum overeenkomstig artikel 37, lid 2, eerste zin, op voorstel van hetzij de voorzitter van het Comité, hetzij de bevoegde commissie handelend overeenkomstig de artikelen 53 of 54. Wordt een dergelijk besluit genomen, dan stelt de voorzitter het beroep namens het Comité bij het Hof in en raadpleegt hij de voltallige vergadering tijdens de eerstvolgende zitting over handhaving van het beroep. Indien de voltallige vergadering zich vervolgens, met de in artikel 13, onder g), vereiste meerderheid, na vaststelling van het quorum overeenkomstig artikel 21, lid 1, eerste zin, tegen het beroep uitspreekt, dan trekt de voorzitter dat beroep in.
Artikel 37 — Bijeenroeping van het bureau, quorum en besluitvorming
1. Het bureau wordt bijeengeroepen door de voorzitter, die in overleg met de eerste vicevoorzitter de vergaderdatum en de agenda vaststelt. Het komt ten minste eenmaal per kwartaal en verder binnen 14 dagen na een schriftelijk verzoek van ten minste een kwart van zijn leden bijeen.
2. Het quorum is bereikt indien ten minste de helft van de leden van het bureau aanwezig is. Het quorum wordt vastgesteld op verzoek van een lid en op voorwaarde dat ten minste zes leden vóór het verzoek om vaststelling van het quorum stemmen. Zolang niet om vaststelling van het quorum wordt gevraagd, is een stemming geldig ongeacht het aantal aanwezigen. Wanneer wordt vastgesteld dat het quorum niet bereikt is, kan het bureau verder vergaderen maar wordt stemming uitgesteld tot de volgende vergadering.
3. Beslissingen worden genomen bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen, voor zover in dit reglement niet anders wordt bepaald. Voor het overige geldt artikel 22, lid 2 en lid 5.
4. Ter voorbereiding van de door het bureau te nemen besluiten stelt de secretaris-generaal, in opdracht van de voorzitter, de voor het overleg over de afzonderlijke onderwerpen benodigde stukken en aanbevelingen op; deze worden bij de ontwerpagenda gevoegd.
5. Die stukken moeten uiterlijk tien dagen vóór aanvang van de vergadering per e-mail aan de leden worden verzonden. Wijzigingsvoorstellen m.b.t. de documenten van het bureau dienen uiterlijk op de derde werkdag vóór het begin van de vergadering van het bureau, met inachtneming van de desbetreffende regels, aan de secretaris-generaal te worden doorgegeven en dienen zodra zij zijn vertaald, elektronisch beschikbaar te zijn.
6. In uitzonderlijke gevallen kan de voorzitter gebruikmaken van een schriftelijke procedure om een besluit te nemen (met uitzondering van besluiten over personen). De voorzitter legt de leden een voorstel voor een besluit voor en verzoekt hen om hem binnen 5 werkdagen schriftelijk op de hoogte te brengen van hun eventuele bezwaren. In geval van geen bezwaar wordt het voorstel geacht te zijn goedgekeurd.
Artikel 38 — voorzitter
1. De voorzitter leidt de werkzaamheden van het Comité.
2. De voorzitter vertegenwoordigt het Comité. Hij/zij kan deze bevoegdheid delegeren.
3. In geval van afwezigheid of verhindering laat de voorzitter zich vertegenwoordigen door de eerste vicevoorzitter; indien deze eveneens afwezig of verhinderd is, wordt de voorzitter vertegenwoordigd door een van de andere vicevoorzitters.
Adviezen, rapporten en resoluties — Procedure in het bureau
Artikel 39 — Adviezen — Rechtsgrondslag
Het Comité brengt advies uit overeenkomstig artikel 307 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie:
a) na te zijn geraadpleegd door het Europees Parlement, de Raad of door de Commissie in de door de Verdragen voorgeschreven gevallen en in alle andere gevallen, in het bijzonder die welke grensoverschrijdende samenwerking betreffen, waarin een van deze instellingen zulks wenselijk oordeelt;
b) op eigen initiatief in de gevallen waarin het zulks dienstig acht;
c) wanneer het Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt geraadpleegd en het Comité van mening is dat er specifieke regionale belangen op het spel staan.
Artikel 40 — Adviezen en rapporten — Aanwijzing commissie
1. Adviesaanvragen van Raad, Commissie en Europees Parlement worden door de voorzitter na ontvangst aan de bevoegde commissies toegewezen. Het bureau wordt hiervan tijdens de eerstvolgende vergadering op de hoogte gesteld.
2. Bij een onderwerp dat onder de bevoegdheid van verschillende commissies valt, wijst de voorzitter de commissie aan die in eerste instantie bevoegd is en vervolgens kan hij, zo nodig, het bureau voorstellen een werkgroep in te stellen die bestaat uit vertegenwoordigers van elke betrokken commissie.
3. Indien een commissie het niet eens is met een besluit dat de voorzitter van het Comité overeenkomstig lid 1 en 2 heeft genomen, dan kan haar voorzitter het bureau verzoeken een beslissing te nemen.
Artikel 41 — Benoeming algemeen rapporteur
1. Mocht de betrokken commissie niet binnen de door de Raad, de Commissie of het Europees Parlement gestelde termijn een ontwerpadvies of ontwerprapport kunnen opstellen, dan kan het bureau de voltallige vergadering voorstellen een algemeen rapporteur te benoemen die rechtstreeks aan haar een ontwerpadvies of -rapport zal voorleggen.
2. Is het gezien de door de Raad, de Commissie of het Europees Parlement gestelde termijn niet mogelijk dat de voltallige vergadering tijdens de zitting een algemeen rapporteur benoemt, dan kan de voorzitter een algemeen rapporteur aanwijzen; de voltallige vergadering wordt hiervan op de hoogte gesteld tijdens haar eerstvolgende zitting.
3. In beide gevallen komt de bevoegde commissie, indien mogelijk, bijeen voor een oriënterend debat over het onderwerp van de adviesaanvraag.
Artikel 42 — Initiatiefadvies en initiatiefrapport
1. Een verzoek om een initiatiefadvies of initiatiefrapport op te stellen, wordt gedaan door drie leden van het bureau, door een commissie via haar voorzitter of door 32 leden van het Comité. Een dergelijk verzoek moet, vergezeld van een motivering, samen met alle andere vergaderstukken overeenkomstig artikel 37, lid 4, en indien mogelijk vóór het jaarlijkse werkprogramma is goedgekeurd, worden voorgelegd aan het bureau.
2. Het bureau besluit over verzoeken betreffende het opstellen van initiatiefadviezen of initiatiefrapporten met drievierdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen. De adviezen of rapporten worden aan de bevoegde commissies toegewezen overeenkomstig artikel 40. De voorzitter stelt de voltallige vergadering op de hoogte van alle besluiten van het bureau tot instemming met het opstellen van initiatiefadviezen of -rapporten en tot aanwijzing van de commissies.
3. Dit artikel is ook van toepassing op adviezen die worden opgesteld overeenkomstig artikel 39, onder c).
Artikel 43 — Indienen van resoluties
1. Resoluties mogen slechts op de agenda worden geplaatst indien zij betrekking hebben op onderwerpen die tot het werkterrein van de Europese Unie behoren, die de lokale en regionale lichamen na aan het hart liggen én bovendien actueel zijn.
2. Voorstellen voor ontwerpresoluties of verzoeken tot het opstellen van een resolutie kunnen aan het Comité worden voorgelegd door ten minste 32 leden of door een fractie. Alle voorstellen resp. verzoeken dienen schriftelijk te worden ingediend bij het bureau met vermelding van de namen van de desbetreffende leden resp. van de fractie. Zij moeten uiterlijk drie werkdagen voor de vergadering van het bureau in het bezit zijn van de secretaris-generaal.
3. Wanneer het bureau besluit dat een ontwerpresolutie of een verzoek tot het opstellen van een resolutie door het Comité moet worden behandeld, dan kan het
a) de ontwerpresolutie overeenkomstig artikel 15, lid 1 op de ontwerpagenda van de zitting plaatsen;
b) een bevoegde commissie aanwijzen die binnen een bepaalde termijn een ontwerpresolutie moet uitwerken; deze commissie stelt de ontwerpresolutie op volgens de procedure die geldt voor het opstellen van ontwerpadviezen en ontwerprapporten. Artikel 51 is daarbij niet van toepassing;
c) een ontwerpresolutie, conform het bepaalde in artikel 15, lid 6, tweede zin, op de agenda van de eerstvolgende zitting plaatsen. Een dergelijke ontwerpresolutie wordt op de tweede vergaderdag van die zitting behandeld.
4. Ontwerpresoluties over een onvoorziene gebeurtenis die zich heeft voorgedaan nadat de in lid 2 gestelde termijn is verstreken (urgente resoluties) en die beantwoorden aan het bepaalde in lid 1, kunnen aan begin van de bureauvergadering worden ingediend. Stelt het bureau vast dat het voorstel de kerntaken van het Comité betreft, dan wordt het conform lid 3, onder c), in behandeling genomen. Elk lid kan tijdens de zitting wijzigingsvoorstellen indienen m.b.t. urgente ontwerpresoluties.
Artikel 44 — Aandacht voor adviezen, rapporten en resoluties
Het bureau zorgt ervoor dat de adviezen, de rapporten en de resoluties van het Comité onder de aandacht worden gebracht.
HOOFDSTUK 4
COMMISSIES
Artikel 45 — Samenstelling en taken
1. Aan het begin van iedere vijfjarige mandaatsperiode stelt de voltallige vergadering commissies in, die worden belast met de voorbereiding van haar werkzaamheden. Zij beslist, op voorstel van het bureau, over de samenstelling en de taken ervan.
2. De samenstelling van de commissies dient een afspiegeling te zijn van de nationale zetelverdeling in het Comité.
3. De leden van het Comité moeten van ten minste één commissie en mogen van ten hoogste twee commissies deel uitmaken. Het bureau kan uitzonderingen maken voor de leden van de nationale delegaties die minder leden tellen dan dat er commissies zijn.
Artikel 46 — voorzitter en eerste vicevoorzitter
1. Iedere commissie wijst tijdens haar eerste vergadering uit haar midden een voorzitter, een eerste vicevoorzitter en zo nodig maximaal twee andere vicevoorzitters aan.
2. Wanneer het aantal kandidaten overeenkomt met het aantal te vervullen zetels, is verkiezing bij acclamatie mogelijk. Indien dit niet het geval is of wanneer een zesde van de commissieleden daarom verzoekt, geschiedt de verkiezing overeenkomstig artikel 32, lid 2 t/m 4.
3. Indien een (vice)voorzitter niet langer deel uitmaakt van het Comité dan wel zijn functie van (vice)voorzitter van een commissie neerlegt, wordt op overeenkomstige wijze een opvolger gekozen.
Artikel 47 — Taken van de commissies
1. De commissies buigen zich over het beleid van de Unie overeenkomstig de hun door de voltallige vergadering op grond van artikel 45 toegekende bevoegdheden. Zij stellen met name ontwerpadviezen, ontwerprapporten en ontwerpresoluties op, die vervolgens ter goedkeuring aan de voltallige vergadering worden voorgelegd.
2. De commissies stellen jaarlijks een werkprogramma vast, dat is afgestemd op de beleidsprioriteiten van het Comité, en leggen dit ter goedkeuring voor aan het bureau.
Artikel 48 — Bijeenroepen van commissies en agenda
1. De vergaderdata en de agenda worden telkens vastgesteld door de voorzitter van de commissie in overleg met de eerste vicevoorzitter.
2. Een commissie wordt bijeengeroepen door haar voorzitter. De leden dienen uiterlijk vier weken vóór een gewone vergadering een convocatie én de agenda te ontvangen.
3. Op schriftelijk verzoek van ten minste een kwart van de leden moet de voorzitter de commissie in buitengewone vergadering bijeenroepen, binnen uiterlijk vier weken na ontvangst van het verzoek. De agenda voor de buitengewone vergadering wordt vastgesteld door de leden die om de vergadering hebben gevraagd. De agenda wordt de leden samen met de convocatie toegestuurd.
4. Alle ontwerpadviezen en overige vergaderstukken die voor de vergadering vertaald en beschikbaar gesteld moeten worden, dienen ten minste vijf weken vóór de datum van de vergadering in het bezit van het secretariaat van de commissie te zijn. Uiterlijk tien werkdagen vóór de vergadering worden zij per e-mail aan de leden verzonden. De genoemde termijnen kunnen bij uitzondering door de commissievoorzitter worden gewijzigd.
Artikel 49 — Openbaarheid
1. De vergaderingen van de commissies zijn openbaar, tenzij een commissie anders beslist en een vergadering geheel of voor één agendapunt gesloten verklaart.
2. Vertegenwoordigers van de Raad, de Commissie en het Europees Parlement kunnen evenals andere personen worden uitgenodigd om aan de vergaderingen van de commissies deel te nemen en kunnen worden verzocht om vragen van de leden te beantwoorden.
Artikel 50 — Termijn voor het opstellen van adviezen en rapporten
1. De commissies moeten hun ontwerpadvies of ontwerprapport binnen de in het interinstitutionele vergaderrooster vastgestelde termijnen voorleggen. De commissies besteden maximaal twee vergaderingen aan de behandeling van het ontwerpadvies of het ontwerprapport; de eerste vergadering, waarin de werkzaamheden worden georganiseerd, is daarbij niet inbegrepen.
2. In uitzonderingsgevallen kan het bureau toestemming geven voor het houden van (een) extra vergadering(en) of de termijn voor het voorleggen van het ontwerpadvies of het ontwerprapport verlengen.
Artikel 51 — Inhoud van de adviezen en de rapporten
1. Een advies of rapport van het Comité bevat het standpunt en aanbevelingen van het Comité inzake het desbetreffende onderwerp, alsook eventueel concrete wijzigingsvoorstellen met betrekking tot het document waarover het Comité is geraadpleegd.
2. De adviezen van het Comité bevatten een specifieke verwijzing naar de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.
3. In deze adviezen en rapporten wordt tevens, waar mogelijk, ingegaan op de verwachte gevolgen voor het uitvoerende bestuur en de financiële consequenties op regionaal en lokaal niveau.
4. Er wordt eventueel een toelichting opgesteld onder verantwoordelijkheid van de rapporteur, die niet in stemming wordt gebracht. De inhoud dient echter overeen te komen met de tekst van het advies zoals deze in stemming wordt gebracht.
Artikel 52 — Follow-up van de adviezen
1. Tijdens de periode volgend op de goedkeuring van een advies volgen de voorzitter en de rapporteur van de met het opstellen van het ontwerpadvies belaste commissie met ondersteuning van het secretariaat-generaal het verdere verloop van de aan de desbetreffende raadpleging van het Comité ten grondslag liggende procedure.
2. Desgewenst kan de commissie het bureau toestemming vragen om een herzien ontwerpadvies over het betreffende onderwerp op te stellen, bij voorkeur door dezelfde rapporteur, waarin aandacht wordt besteed aan en gereageerd wordt op het verdere verloop van de aan de raadpleging van het Comité ten grondslag liggende procedure.
3. Zo mogelijk zal de commissie in vergadering bijeenkomen om het herziene ontwerpadvies te behandelen en goed te keuren. Het herziene ontwerpadvies wordt tijdens de eerstvolgende zitting behandeld.
4. Indien de commissie, gelet op het stadium waarin de aan de raadpleging van het Comité ten grondslag liggende procedure zich inmiddels bevindt, geen tijd meer heeft om zich over het herziene ontwerpadvies uit te spreken, stelt de voorzitter van de betrokken commissie terstond de voorzitter van het Comité daarvan op de hoogte, zodat een algemeen rapporteur kan worden benoemd, overeenkomstig artikel 41.
Artikel 53 — Beroep wegens schending van het subsidiariteitsbeginsel
1. De voorzitter van het Comité of de met het opstellen van het desbetreffende ontwerpadvies belaste commissie kunnen voorstellen beroep in te stellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie wegens schending van het subsidiariteitsbeginsel tegen wetgevingshandelingen voor de vaststelling waarvan het Comité volgens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moet worden geraadpleegd.
2. De commissie besluit met meerderheid van de uitgebrachte stemmen, na vaststelling van het quorum overeenkomstig artikel 59, lid 1, over het voorstel voor het instellen van beroep. Dat voorstel wordt voor besluit voorgelegd aan de voltallige vergadering overeenkomstig artikel 13, onder g), of aan het bureau wanneer artikel 36, onder j), van toepassing is. De commissie motiveert haar voorstel in een gedetailleerd verslag, waarin zij zo nodig ook ingaat op de urgentie van het beroep, op grond waarvan een besluit moet worden genomen overeenkomstig artikel 36, onder j).
Artikel 54 — Uitblijven van verplichte raadpleging
1. Als het Comité niet is geraadpleegd in de gevallen waarin dit krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wel zou moeten, kan de voorzitter van het Comité of een commissie aan de voltallige vergadering, overeenkomstig artikel 13, onder g), of aan het bureau, wanneer artikel 36, onder j), van toepassing is, voorstellen beroep in te stellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
2. De commissie besluit met meerderheid van de uitgebrachte stemmen, na vaststelling van het quorum overeenkomstig artikel 59, lid 1, over het voorstel voor het instellen van beroep. De commissie motiveert haar voorstel in een gedetailleerd verslag, waarin zij zo nodig ook ingaat op de urgentie van het beroep, op grond waarvan een besluit moet worden genomen overeenkomstig artikel 36, onder j).
Artikel 55 — Verslag over de impact van de adviezen
Het secretariaat-generaal legt de voltallige vergadering ten minste één keer per jaar een verslag voor over de impact van de adviezen, op basis van met name de bijdragen die daartoe door de afzonderlijke commissies zijn verstrekt, en gegevens die bij de betrokken instellingen zijn verzameld.
Artikel 56 — Rapporteurs
1. Elke commissie benoemt op voorstel van haar voorzitter een rapporteur of, in met redenen omklede gevallen, twee rapporteurs voor het opstellen van een ontwerpadvies of een ontwerprapport.
2. Bij de benoeming van de rapporteurs moet elke commissie erop toezien dat de werkzaamheden op evenwichtige wijze worden verdeeld.
3. Indien er spoed vereist is kan de voorzitter van de commissie gebruikmaken van de schriftelijke procedure om een rapporteur te benoemen. De voorzitter verzoekt de leden binnen drie werkdagen schriftelijk te laten weten of zij eventueel bezwaar hebben tegen de aanwijzing van de voorgestelde rapporteur. In geval van bezwaar wordt de beslissing in overleg tussen voorzitter en eerste vicevoorzitter een beslissing genomen.
4. Indien de voorzitter of een van de vicevoorzitters van een commissie tot rapporteur wordt benoemd, dan dient hij of zij tijdens de behandeling van zijn of haar ontwerpadvies of -rapport een andere vicevoorzitter c.q. het oudste aanwezige lid de vergadering te laten voorzitten.
5. Als een rapporteur zijn hoedanigheid als lid of plaatsvervanger van het Comité verliest, wijst de betreffende commissie uit haar midden en uit dezelfde fractie een nieuwe rapporteur aan, zo nodig met gebruikmaking van de in lid 3 vermelde procedure.
Artikel 57 — Werkgroepen
1. In met redenen omklede gevallen kunnen de commissies, met goedkeuring van het bureau, werkgroepen instellen. Een werkgroep kan leden van verschillende commissies omvatten.
2. Indien een lid van een werkgroep een vergadering niet kan bijwonen, kan het zich doen vertegenwoordigen door een van de op de lijst van vervangers van de leden van de werkgroep voorkomende leden of plaatsvervangers uit zijn fractie.
3. Iedere werkgroep kan uit haar midden een voorzitter en een vicevoorzitter aanwijzen.
Artikel 58 — Deskundigen
1. De leden van de commissies kunnen zich laten bijstaan door deskundigen.
2. Een commissie kan ook in haar geheel besluiten deskundigen aan te wijzen in het kader van haar werkzaamheden of ter ondersteuning van de door haar ingestelde werkgroep. De voorzitter kan deze deskundigen verzoeken aan de vergaderingen van de commissie of de werkgroep deel te nemen.
3. Alleen de deskundige van de rapporteur en de door de commissie uitgenodigde deskundigen hebben recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten.
Artikel 59 — Quorum
1. Binnen een commissie is het quorum bereikt wanneer meer dan de helft van de leden aanwezig is.
2. Het quorum wordt vastgesteld op verzoek van een lid en op voorwaarde dat ten minste tien leden vóór dit verzoek stemmen. Zolang niet om vaststelling van het quorum wordt gevraagd, is een stemming geldig ongeacht het aantal aanwezigen. Wanneer wordt vastgesteld dat het quorum niet is bereikt, kan de commissie doorgaan met haar beraadslagingen over de resterende agendapunten waarover geen stemming nodig is, maar wordt zowel de discussie als de stemming over de hangende agendapunten uitgesteld tot de volgende vergadering.
Artikel 60 — Stemprocedure
1. Besluiten worden bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen genomen. Artikel 22, lid 2, is van kracht.
2. Indien een commissie de stemming over een advies heeft onderbroken, kan zij met meerderheid van de uitgebrachte stemmen besluiten de wijzigingsvoorstellen waarover reeds gestemd is tijdens de vergadering waarin zij zich over de tekst in zijn geheel uitspreekt, opnieuw in stemming te brengen.
Artikel 61 — Wijzigingsvoorstellen
1. Wijzigingsvoorstellen moeten vóór de zevende werkdag voorafgaand aan de vergadering aan het secretariaat van de commissie worden doorgegeven. Deze termijn kan bij uitzondering door de commissievoorzitter worden gewijzigd.
Wijzigingsvoorstellen voor commissievergaderingen kunnen alleen worden ingediend door leden van de desbetreffende commissie en door volgens de voorschriften gemachtigde leden of plaatsvervangers, met inachtneming van de bepalingen van artikel 5, lid 2, alsmede door niet gemachtigde plaatsvervangers die rapporteur zijn, maar de wijzigingsvoorstellen van die laatsten mogen alleen betrekking hebben op hun eigen documenten.
Het recht om wijzigingsvoorstellen in te dienen betreffende documenten die tijdens commissievergaderingen worden behandeld, kan uitsluitend worden uitgeoefend door hetzij een lid van de desbetreffende commissie, hetzij een overeenkomstig de voorschriften gemachtigd ander lid of plaatsvervanger. Wijzigingsvoorstellen die volgens de voorschriften zijn ingediend vóór verlies van lidmaatschap van het Comité of verlening of intrekking van een volmacht, blijven geldig.
Wijzigingsvoorstellen worden met voorrang voor de rapporteur vertaald en aan hem doorgegeven, zodat die aan de hand daarvan eigen wijzigingsvoorstellen kan formuleren en deze vóór de tweede werkdag voorafgaand aan de vergadering aan het secretariaat kan doorgeven. Deze wijzigingsvoorstellen van de rapporteur dienen expliciet verband te houden met één of meerdere van de in de eerste alinea bedoelde wijzigingsvoorstellen, dienen zodra zij zijn vertaald elektronisch beschikbaar te zijn, maar moeten uiterlijk bij aanvang van de vergadering ter inzage voorliggen en schriftelijk worden uitgedeeld.
De leden 1 tot en met 5 van artikel 24 zijn mutatis mutandis van toepassing.
2. De wijzigingsvoorstellen worden in stemming gebracht in de volgorde van de paragrafen van het ontwerpadvies of het ontwerprapport. Daarna wordt gestemd over de tekst van het ontwerpadvies of -rapport in zijn geheel.
3. Nadat een ontwerpadvies of een ontwerprapport door de commissie is goedgekeurd, wordt het door haar voorzitter aan de voorzitter van het Comité doorgegeven.
Artikel 62 — Besluit om geen advies of rapport uit te brengen
Indien een (in eerste instantie bevoegde) commissie van oordeel is dat een adviesaanvraag die haar is toegewezen, geen kwestie van regionaal of lokaal belang betreft of niet politiek relevant is, kan zij besluiten geen advies of rapport op te stellen.
Artikel 63 — Schriftelijke procedure
1. In uitzonderlijke gevallen kan een commissievoorzitter gebruikmaken van een schriftelijke procedure om een besluit inzake de werkwijze van de commissie te nemen.
2. De voorzitter legt de leden een voorstel voor een besluit voor en verzoekt hen om hem binnen drie werkdagen schriftelijk op de hoogte te brengen van hun eventuele bezwaren.
3. In geval van geen bezwaar wordt het voorstel geacht te zijn goedgekeurd.
Artikel 64 — Standpunt in briefvorm
1. Indien een reactie van het Comité op een adviesaanvraag wenselijk wordt geacht, maar een nieuw advies niet nodig wordt gevonden gelet op prioriteiten en/of omdat in het verleden al adviezen ter zake zijn goedgekeurd, kan de betrokken commissie besluiten geen advies uit te brengen. In dat geval kan het Comité op de desbetreffende adviesaanvraag reageren in de vorm van een door zijn voorzitter ondertekende brief aan de instellingen van de Europese Unie.
2. Deze brief wordt voorbereid door de voorzitter van de bevoegde commissie in overleg met de rapporteurs van de eerdere adviezen over hetzelfde onderwerp.
3. Als de geldende termijnen het toelaten, wordt de brief tijdens de eerst mogelijke vergadering van de betrokken commissie ter discussie voorgelegd alvorens ter ondertekening aan de voorzitter van het Comité te worden verstuurd.
Artikel 65 — Voor de commissies geldende bepalingen
De artikelen 11; 12, lid 2; 17, lid 1, 2 en 3; en 20 zijn mutatis mutandis van toepassing.
HOOFDSTUK 5
ADMINISTRATIE VAN HET COMITÉ
Artikel 66 — Secretariaat-generaal
1. Het Comité wordt bijgestaan door een secretariaat-generaal.
2. Het secretariaat-generaal staat onder leiding van een secretaris-generaal.
3. Op voorstel van de secretaris-generaal stelt het bureau een zodanige organisatiestructuur voor het secretariaat-generaal vast, dat dit de goede werking van het Comité en zijn organen garandeert, en de leden van het Comité bij de uitoefening van hun mandaat ter zijde kan staan. Daarbij stelt het bureau ook de uitvoeringsbepalingen vast voor de dienstverlening door het secretariaat aan de leden, de nationale delegaties, de fracties en de niet-ingeschrevenen.
4. Het secretariaat-generaal stelt de notulen van de beraadslagingen van de organen van het Comité op.
Artikel 67 — Secretaris-generaal
1. De secretaris-generaal draagt zorg voor de uitvoering van de besluiten die krachtens dit reglement van orde en de geldende voorschriften door het bureau of de voorzitter worden genomen. Hij neemt met adviserende stem deel aan de vergaderingen van het bureau en stelt van die vergaderingen de notulen op.
2. De secretaris-generaal vervult zijn functie onder het gezag van de voorzitter, die het bureau vertegenwoordigt.
Artikel 68 — Aanstelling van de secretaris-generaal
1. Na vaststelling van het quorum overeenkomstig artikel 37, lid 2, eerste zin, stelt het bureau de secretaris-generaal aan op grond van een bij tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen genomen besluit en zulks overeenkomstig artikel 2 en de desbetreffende bepalingen van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.
2. De secretaris-generaal wordt voor vijf jaar aangesteld. Het bureau stelt de nadere voorwaarden van de arbeidsovereenkomst vast.
De aanstelling kan één keer met maximaal vijf jaar worden verlengd.
3. De overeenkomstig de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen aan het tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten bevoegde gezag toegekende bevoegdheden worden in het geval van de secretaris-generaal uitgeoefend door het bureau.
Artikel 69 — Statuut van de ambtenaren en Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden
1. De door het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen aan het tot aanstelling bevoegde gezag toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend:
- voor ambtenaren van de rangen 5 t/m 12 van functiegroep AD en voor ambtenaren van functiegroep AST door de secretaris-generaal;
- voor de overige ambtenaren, door het bureau op voorstel van de secretaris-generaal.
2. De bevoegdheden die door de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen zijn toegekend aan het tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten bevoegde gezag, worden uitgeoefend:
- voor tijdelijke functionarissen van de rangen 5 t/m 12 van functiegroep AD en voor tijdelijke functionarissen van functiegroep AST, door de secretaris-generaal;
- voor de overige tijdelijke personeelsleden, door het bureau op voorstel van de secretaris-generaal;
- voor tijdelijke functionarissen in het kabinet van de voorzitter of van de eerste vicevoorzitter:
- voor tijdelijke functionarissen van de rangen 5 t/m 12 van functiegroep AD en voor alle rangen van functiegroep AST, door de secretaris-generaal op voorstel van de voorzitter;
- voor de overige rangen van de functiegroep AD door het bureau op voorstel van de voorzitter.
De tijdelijke kabinetsmedewerkers van de voorzitter of de eerste vicevoorzitter worden aangesteld voor de duur van het mandaat van de voorzitter of de eerste vicevoorzitter.
- voor contractuele functionarissen, bijzondere adviseurs en plaatselijke functionarissen, door de secretaris-generaal, overeenkomstig de voorwaarden van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 70 — Beraadslaging achter gesloten deuren
Het bureau beraadslaagt achter gesloten deuren indien het besluiten neemt overeenkomstig de artikelen 68 en 69.
Artikel 71 — Commissie voor administratieve en financiële aangelegenheden
1. Het bureau stelt, overeenkomstig artikel 36, een adviescommissie voor administratieve en financiële aangelegenheden in, die wordt voorgezeten door een lid van het bureau.
2. De commissie voor administratieve en financiële aangelegenheden vervult de volgende taken:
a) beraadslaging over en goedkeuring van het door de secretaris-generaal voorgelegde voorontwerp van raming van de ontvangsten en uitgaven (zie artikel 72);
b) het opstellen van ontwerpuitvoeringsbepalingen en voorstellen voor bureaubesluiten inzake financiële, organisatorische en administratieve kwesties en kwesties betreffende de leden en plaatsvervangers.
3. De voorzitter van de commissie voor administratieve en financiële aangelegenheden vertegenwoordigt het Comité bij de begrotingsautoriteiten van de Europese Unie.
Artikel 72 — Begroting
1. De commissie voor administratieve en financiële aangelegenheden legt het bureau een voorontwerp van raming van de ontvangsten en uitgaven van het Comité voor het volgende begrotingsjaar voor. Het bureau legt de voltallige vergadering daarna een ontwerpraming ter goedkeuring voor.
2. De voltallige vergadering keurt de ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het Comité goed en zendt deze tijdig door naar de Commissie, de Raad en het Europees Parlement, zodat de in de begrotingsregels vastgestelde termijn in acht kan worden genomen.
3. In het kader van de door het bureau vastgestelde interne voorschriften wordt de begroting van het Comité, na raadpleging van de commissie voor administratieve en financiële aangelegenheden, door de voorzitter van het Comité of in diens opdracht uitgevoerd. De voorzitter van het Comité oefent deze functie uit overeenkomstig de bepalingen van het Financieel Reglement dat van toepassing is op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.
*
* *
TITEL III
OVERIGE BEPALINGEN
HOOFDSTUK 1
SAMENWERKING MET ANDERE INSTANTIES
Artikel 73 — Samenwerkingsovereenkomsten
In het kader van de bevoegdheden van het Comité kan het bureau op voorstel van de secretaris-generaal overeenkomsten sluiten met andere instanties.
Artikel 74 — Voorlegging en publicatie van adviezen, rapporten en resoluties
1. De adviezen en rapporten van het Comité en de resoluties worden door de voorzitter voorgelegd aan de Raad, de Commissie en het Europees Parlement. Aan deze instellingen wordt eveneens mededeling gedaan van het besluit de vereenvoudigde procedure overeenkomstig artikel 26 te volgen, of af te zien van het uitbrengen van een advies of rapport overeenkomstig artikel 62.
2. De adviezen, rapporten en resoluties van het Comité worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.
HOOFDSTUK 2
OPENBAARHEID EN TRANSPARANTIE
Artikel 75 — Toegang van het publiek tot documenten
1. Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie recht op toegang tot documenten van het Comité, volgens de beginselen en onder de voorwaarden en beperkingen als vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad en overeenkomstig de door het bureau van het Comité vastgestelde voorschriften. Voor zover mogelijk wordt op dezelfde wijze toegang tot documenten van het Comité verleend aan andere natuurlijke of rechtspersonen.
2. Het Comité zet een register op van zijn documenten. Met het oog hierop stelt het bureau interne voorschriften ten aanzien van de toegang vast, evenals de lijst van documenten die direct toegankelijk zijn.
HOOFDSTUK 3
TAALGEBRUIK
Artikel 76 — Vertolkingsregeling
In de mate van het mogelijke worden middelen ter beschikking gesteld voor de toepassing van de volgende beginselen betreffende de vertolkingsregeling van het Comité:
a) De beraadslagingen van het Comité zijn toegankelijk in alle officiële talen van de Europese Unie, behoudens andersluidend besluit van het bureau.
b) De leden hebben het recht tijdens de zitting het woord te voeren in de officiële taal van hun keuze. Uiteenzettingen in één van de officiële talen worden simultaan getolkt in alle andere officiële talen en in elke andere taal die het bureau noodzakelijk acht.
c) Tijdens vergaderingen van het bureau, de commissies en de werkgroepen wordt getolkt in en uit de talen die gebruikt worden door de leden die hun deelname aan die vergaderingen hebben bevestigd.
HOOFDSTUK 4
REGLEMENT VAN ORDE
Artikel 77 — Herziening van het reglement van orde
1. De voltallige vergadering besluit bij meerderheid van de leden of het onderhavige reglement van orde geheel of gedeeltelijk moet worden herzien.
2. Zij belast een ad-hoccommissie met het opstellen van een rapport en een ontwerptekst, op basis waarvan zij de nieuwe bepalingen bij meerderheid van stemmen van de leden vaststelt. De nieuwe bepalingen treden in werking daags na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 78 — Uitvoeringsbepalingen
Het bureau kan via voorschriften de bepalingen ter uitvoering van dit reglement van orde vaststellen, met inachtneming van dit reglement.
Artikel 79 — Inwerkingtreding van het reglement van orde
Het onderhavige reglement van orde treedt in werking op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
--------------------------------------------------
| Naar boven |