2002/757/EG: Beschikking van de Commissie van 19 september 2002 houdende voorlopige fytosanitaire noodmaatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van Phytophthora ramorum Werres, De Cock & Man in 't Veld sp. nov. te voorkomen (kennisgeving geschied onder nummer C(2002) 3380)
Publicatieblad Nr. L 252 van 20/09/2002 blz. 0037 - 0039
Beschikking van de Commissie van 19 september 2002 houdende voorlopige fytosanitaire noodmaatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van Phytophthora ramorum Werres, De Cock & Man in 't Veld sp. nov. te voorkomen (kennisgeving geschied onder nummer C(2002) 3380) (2002/757/EG) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen(1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/36/EG van de Commissie(2), en met name op artikel 16, lid 3, derde volzin, Overwegende hetgeen volgt: (1) Wanneer een lidstaat van mening is dat het gevaar bestaat dat op zijn grondgebied schadelijke organismen worden binnengebracht of verspreid die niet in bijlage I of bijlage II bij Richtlijn 2000/29/EG zijn opgenomen, mag deze tijdelijk aanvullende maatregelen nemen om zichzelf tegen dat gevaar te beschermen. (2) Op 29 april 2002 heeft het Verenigd Koninkrijk de andere lidstaten en de Commissie meegedeeld dat op zijn grondgebied uitbraken van Phytophthora ramorum Werres, De Cock & Man in 't Veld sp. nov. (hierna "het schadelijke organisme" te noemen) zijn geconstateerd, en op 13 mei 2002 heeft het aanvullende maatregelen genomen om te voorkomen dat het schadelijke organisme in de Gemeenschap wordt binnengebracht of verspreid. Ook Nederland en Duitsland hebben op 29 april 2002 melding gemaakt van uitbraken van het schadelijke organisme op hun grondgebied. (3) Het schadelijke organisme is momenteel niet opgenomen in bijlage I of bijlage II bij Richtlijn 2000/29/EG. Uit een eerste op de beschikbare wetenschappelijke informatie gebaseerde analyse van het risico van verspreiding is echter gebleken dat het schadelijke organisme en de schadelijke effecten ervan een ernstige fytosanitaire bedreiging voor de Gemeenschap zouden kunnen worden, met name de alleen in de Verenigde Staten voorkomende niet-Europese isolaten voor eiken in de Gemeenschap, en de Europese isolaten voor sierplanten als Rhododendron spp. en Viburnum spp. De betrokken diensten van de lidstaten is gevraagd hun wetenschappelijke onderzoek naar het risico van de niet-Europese isolaten voor eiken in de Gemeenschap, naar de epidemiologie van het schadelijke organisme en naar de potentiële waardplanten voort te zetten. (4) Er moeten derhalve voorlopige fytosanitaire noodmaatregelen worden genomen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van het schadelijke organisme. (5) Die maatregelen moeten betrekking hebben op het binnenbrengen en de verspreiding van het schadelijke organisme in de Gemeenschap, alsmede op de productie en de verzending van bekende waardplanten van het schadelijke organisme binnen de Gemeenschap, en moeten gericht zijn op de bestrijding van het schadelijke organisme en op de bewaking in het algemeen om na te gaan of het schadelijke organisme in de lidstaten voorkomt, dan wel nog steeds afwezig is. Het is echter niet nodig dergelijke maatregelen toe te passen op planten van Rhododendron simsii Planch, met uitzondering van vruchten en zaden, omdat deze planten volgens de beschikbare informatie niet door het schadelijke organisme worden aangetast. (6) Het resultaat van de bovengenoemde maatregelen zal in 2002 en 2003 regelmatig worden geëvalueerd, met name op basis van door de lidstaten te verstrekken informatie. Of eventueel verdere maatregelen moeten worden genomen, wordt besloten aan de hand van de resultaten van die evaluatie en van het wetenschappelijke advies van de lidstaten. (7) De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité, HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: 1. "het schadelijke organisme": Phytophthora ramorum Werres, De Cock & Man in 't Veld sp. nov. 2. "gevoelige planten": planten, met uitzondering van vruchten en zaden, van Acer macrophyllum Pursh., Aesculus californica Nutt., Arbutus menziesii Pursch., Arctostaphylos spp. Adans, Heteromeles arbutifolia (Lindley) M. Roemer, Lithocarpus densiflorus (H & A), Lonicera hispidula (Dougl.), Quercus spp. L., Rhamnus californica (Esch), Rhododendron spp. L., andere dan Rhododendron simsii Planch., Umbellularia californica (Pursch.), Vaccinium ovatum (Hook & Arn) Nutt. en Viburnum spp. L. 3. "gevoelig hout": hout van Acer macrophyllum Pursh., Aesculus californica Nutt., Lithocarpus densiflorus (H & A) en Quercus L. 4. "gevoelige schors": aparte schors van Acer macrophyllum Pursh., Aesculus californica Nutt., Lithocarpus densiflorus (H & A) en Quercus L. Artikel 2 Het binnenbrengen in de Gemeenschap en de verspreiding in de Gemeenschap van niet-Europese of Europese isolaten van het schadelijke organisme wordt verboden. Artikel 3 1. Gevoelige planten en gevoelig hout mogen slechts op het grondgebied van de Gemeenschap worden binnengebracht indien zij voldoen aan de fytosanitaire noodmaatregelen van de punten 1a en 2 van de bijlage bij deze beschikking, en indien zij bij binnenkomst in de Gemeenschap overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder a), van Richtlijn 2000/29/EG worden onderzocht op de aanwezigheid van niet-Europese isolaten van het schadelijke organisme en daarbij vrij van het schadelijke organisme worden bevonden. 2. Het bepaalde in de punten 1a en 2 van de bijlage bij deze beschikking geldt alleen voor op of na 1 november 2002 verzonden, voor de Gemeenschap bestemde gevoelige planten en gevoelig hout van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika. 3. De in deel A, rubriek I, punt 3, van bijlage IV bij Richtlijn 2000/29/EG vastgestelde maatregelen ten aanzien van hout van Quercus L., met inbegrip van hout dat niet zijn natuurlijke ronde oppervlakte heeft behouden, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, zijn niet van toepassing op gevoelig hout van Quercus L. dat aan de vereisten van punt 2, onder b), van de bijlage bij deze beschikking voldoet. 4. Met ingang van 1 november 2002 mogen planten van Rhododendron spp., andere dan Rhododendron simsii Planch, en planten van Viburnum spp., met uitzondering van vruchten en zaden, van oorsprong uit derde landen, andere dan de Verenigde Staten van Amerika, nadat zij op het grondgebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht, alleen binnen de Gemeenschap worden vervoerd indien zij vergezeld gaan van een overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG van de Commissie(3) opgesteld en afgegeven plantenpaspoort. Artikel 4 Gevoelige schors van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika wordt niet op het grondgebied van de Gemeenschap toegelaten. Artikel 5 Met ingang van 1 november 2002 mogen planten van Rhododendron spp., andere dan Rhododendron simsii Planch., en planten van Viburnum spp., met uitzondering van vruchten en zaden, van oorsprong uit de Gemeenschap, de plaats van productie niet verlaten, tenzij zij voldoen aan de voorwaarden van punt 3 van de bijlage bij deze beschikking. De producenten van deze planten moeten worden geregistreerd overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 92/90/EEG van de Raad(4). Artikel 6 1. De lidstaten verrichten op hun grondgebied officieel onderzoek naar het schadelijke organisme, om na te gaan of er sporen zijn van aantasting door het schadelijke organisme. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 16, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG worden de resultaten van de in lid 1 bedoelde onderzoeken uiterlijk op 1 november 2003 aan de Commissie en de andere lidstaten gemeld. Artikel 7 De lidstaten krijgen tot en met 31 oktober 2002 de gelegenheid om de door hen genomen maatregelen ter bescherming tegen het binnenbrengen en de verspreiding van het schadelijke organisme zodanig aan te passen dat de maatregelen aan de vereisten van deze beschikking voldoen, en zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van de aangepaste maatregelen. Artikel 8 Uiterlijk op 31 december 2003 wordt deze beschikking opnieuw bezien. Artikel 9 Deze beschikking is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, 19 september 2002. Voor de Commissie David Byrne Lid van de Commissie (1) PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1. (2) PB L 116 van 3.5.2002, blz. 16. (3) PB L 4 van 8.1.1993, blz. 22. (4) PB L 344 van 26.11.1992, blz. 38. BIJLAGE 1a. Onverminderd het bepaalde in bijlage III, deel A, punt 2, en bijlage IV, deel A, rubriek I, punten 11.1, 39 en 40, van Richtlijn 2000/29/EG, moeten gevoelige planten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika vergezeld gaan van een certificaat als bedoeld in artikel 7 of artikel 8 van Richtlijn 2000/29/EG, a) waarin wordt vermeld dat zij van oorsprong zijn uit gebieden waarvan bekend is dat niet-Europese isolaten van het schadelijke organisme er niet voorkomen. De naam van het gebied moet op het certificaat worden vermeld in het vak "plaats van oorsprong"; of b) dat is afgegeven nadat bij officiële inspecties, met inbegrip van laboratoriumtests in verband met verdachte symptomen, die sedert het begin van de laatste volledige vegetatiecyclus zijn verricht, officieel is geconstateerd dat gevoelige planten op de plaats van productie vrij zijn van symptomen van niet-Europese isolaten van het schadelijke organisme. Verder mag het certificaat alleen worden afgegeven nadat vóór verzending van de planten representatieve monsters zijn genomen en onderzocht en daarbij vrij zijn bevonden van niet-Europese isolaten van het schadelijke organisme. Deze bevinding moet als volgt op het betrokken certificaat worden aangegeven in het vak "aanvullende verklaring": "vrij bevonden van niet-Europese isolaten van Phytophthora ramorum Werres, De Cock & Man in 't Veld sp. nov.". 1b. De in punt 1a bedoelde ingevoerde gevoelige planten mogen binnen de Gemeenschap alleen worden verzonden als zij vergezeld gaan van een overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG opgesteld en afgegeven plantenpaspoort waaruit blijkt dat het in artikel 3, lid 1, bedoelde onderzoek is verricht. 2. Gevoelig hout van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika mag alleen in de Gemeenschap worden ingevoerd als het vergezeld gaat van een certificaat als bedoeld in artikel 7 of artikel 8 van Richtlijn 2000/29/EG, a) waarin wordt vermeld dat het van oorsprong is uit gebieden waarvan bekend is dat niet-Europese isolaten van het schadelijke organisme er niet voorkomen. De naam van het gebied moet op het certificaat worden vermeld in het vak "plaats van oorsprong"; of b) dat is afgegeven nadat bij de officiële controle is gebleken dat het hout van de schors is ontdaan, en i) dat het zodanig vierkant behakt of vierkant bezaagd is dat het oppervlak niet meer rond is, of ii) dat het hout niet meer dan 20 % water bevat, berekend op de droge stof, of iii) dat het hout gedesinfecteerd is met een daartoe geschikte hetelucht- of heetwaterbehandeling; of c) in het geval van gezaagd hout met of zonder vastzittende resten schors, indien op het hout of de verpakking ervan overeenkomstig de gangbare handelsgebruiken een merkteken "Kiln-dried", "KD" of een ander internationaal erkend merkteken is aangebracht, waaruit blijkt dat het hout op het tijdstip van bewerking met toepassing van een passende tijd/temperatuurcombinatie kunstmatig is gedroogd tot een vochtgehalte van minder dan 20 %, berekend op de droge stof. 3. Planten van Rhododendron spp., andere dan Rhododendron simsii Planch., en planten van Viburnum spp., met uitzondering van vruchten en zaden, van oorsprong uit de Gemeenschap, mogen de plaats van productie alleen verlaten als zij vergezeld gaan van een plantenpaspoort als bedoeld in punt 1 van deze bijlage, en: a) zij van oorsprong zijn uit gebieden waarvan bekend is dat Europese isolaten van het schadelijke organisme er niet voorkomen; of b) bij officiële inspecties, met inbegrip van laboratoriumtests in verband met verdachte symptomen die sedert het begin van de laatste volledige vegetatiecyclus ten minste één keer zijn verricht op een daarvoor geschikt tijdstip tijdens de actieve groei van de planten, is geconstateerd dat de bovengenoemde planten op de plaats van productie vrij zijn bevonden van symptomen van Europese isolaten van het schadelijke organisme; of c) in gevallen waarin bij bovengenoemde planten op de plaats van productie symptomen van Europese isolaten van het schadelijke organisme zijn waargenomen, de nodige procedures in werking zijn gesteld om het schadelijke organisme uit te roeien, wat ten minste inhoudt dat alle geïnfecteerde planten en alle gevoelige planten binnen een straal van twee meter rond de geïnfecteerde planten zijn vernietigd, en bovendien - alle gevoelige planten binnen een straal van 10 meter rond de geïnfecteerde planten en alle resterende planten van de besmette partij op de plaats van productie zijn gehouden, in de loop van de eerste drie maanden na de constatering van de symptomen ten minste twee keer extra zijn geïnspecteerd tijdens de actieve groei van de planten en bij deze inspecties vrij van het schadelijke organisme zijn bevonden, - alle andere gevoelige planten op de plaats van productie na de constatering van de symptomen herhaaldelijk zijn geïnspecteerd en bij deze inspecties vrij van het schadelijke organisme zijn bevonden.