31999E0318


Titel en vindplaats

1999/318/GBVB: Gemeenschappelijk standpunt van 10 mei 1999 door de Raad aangenomen op grond van artikel 15 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake bijkomende beperkende maatregelen tegen de Federale Republiek Joegoslavië

 PB L 123 van 13.5.1999, blz. 1–2 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
 bijzondere uitgave in het Tsjechisch: Hoofdstuk 18 Deel 01 blz. 66 - 67
 bijzondere uitgave in het Ests: Hoofdstuk 18 Deel 01 blz. 66 - 67
 bijzondere uitgave in het Hongaars Hoofdstuk 18 Deel 01 blz. 66 - 67
 bijzondere uitgave in het Litouws: Hoofdstuk 18 Deel 01 blz. 66 - 67
 bijzondere uitgave in het Lets: Hoofdstuk 18 Deel 01 blz. 66 - 67
 bijzondere uitgave in het Maltees: Hoofdstuk 18 Deel 01 blz. 66 - 67
 bijzondere uitgave in het Pools: Hoofdstuk 18 Deel 01 blz. 66 - 67
 bijzondere uitgave in het Slowaaks: Hoofdstuk 18 Deel 01 blz. 66 - 67
 bijzondere uitgave in het Sloveens: Hoofdstuk 18 Deel 01 blz. 66 - 67
 bijzondere uitgave in het Bulgaars: Hoofdstuk 18 Deel 01 blz. 56 - 57
 bijzondere uitgave in het Roemeens: Hoofdstuk 18 Deel 01 blz. 56 - 57

 DA  DE  EL  EN  ES  FI  FR  IT  NL  PT  SV

Tekst

BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
html html html html html html html html html   html html html html html html html html   html html html html
pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf   pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf
tiff tiff tiff tiff tiff tiff tiff tiff tiff tiff tiff

Data

Classificatie

Allerlei informatie

Verbindingen tussen documenten

Tekst

Twee talen naast elkaar: BG CS DA DE EL EN ES ET FI FR HU IT LT LV MT NL PL PT RO SK SL SV

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

van 10 mei 1999

door de Raad aangenomen op grond van artikel 15 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake bijkomende beperkende maatregelen tegen de Federale Republiek Joegoslavië

(1999/318/GBVB)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie, inzonderheid op artikel 15,

(1) Overwegende dat de Raad op 8 april 1999 heeft geconcludeerd dat het extreme en crimineel onverantwoorde beleid van de Federale Republiek Joegoslavië (FRJ) en haar herhaalde schendingen van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad, ervoor hadden gezorgd dat het nemen van de scherpste maatregelen, met inbegrip van militair optreden, een noodzakelijke en terechte beslissing was;

(2) Overwegende dat de Raad op 26 april zijn krachtige en aanhoudende steun heeft uitgesproken voor een maximale druk op de autoriteiten van de FRJ om de vijf voorwaarden van de internationale gemeenschap te aanvaarden;

(3) Overwegende dat de Raad is overeengekomen vanaf 30 april een verbod toe te passen op de verkoop en levering van aardolie en aardolieproducten en de sanctieregeling van de Europese Unie uit te breiden door een verruiming van het reisverbod, een uitbreiding van de bevriezing van tegoeden, een verbod op het verlenen van exportkredieten door de particuliere sector ter uitbreiding van het bestaande moratorium op door de overheid gefinancierde exportkredieten, uitbreiding van het verbod op nieuwe investeringen, uitbreiding van de draagwijdte van het verbod op de uitvoer van materiaal voor binnenlandse repressie tot goederen, diensten, technologie en materiaal bedoeld voor herstel of reparatie van activa die bij luchtaanvallen zijn beschadigd, aansporing om de FRJ van deelname aan internationale sportevenementen uit te sluiten alsmede een verbod op alle vluchten tussen de FRJ en de Europese Gemeenschap;

(4) Overwegende dat de Unie elke mogelijkheid zal onderzoeken om Montenegro te helpen de lasten te dragen die het door het conflict in Kosovo te verwerken krijgt;

(5) Overwegende dat de Europese Unie het belangrijk acht dat de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa, Cyprus, en de EVA-landen met haar één front vormen, zodat dit gemeenschappelijk standpunt maximaal effect sorteert;

(6) Overwegende dat een optreden van de Gemeenschap nodig is om sommige van de volgende maatregelen uit te voeren,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT AANGENOMEN:

Artikel 1

1. Er worden geen visa afgegeven aan president Milosevic, zijn gezin, alle ministers en hoge ambtenaren van de regering van de FRJ en van Servië, noch aan vertrouwelingen van het regime die met hun activiteiten president Milosevic steunen.

2. Het in de Gemeenschappelijke Standpunten 98/240/GBVB(1) en 98/725/GBVB(2) vastgestelde visumverbod wordt bevestigd.

3. De personen die voorkomen op de lijst in de uitvoeringsbesluiten van de Raad vallen binnen de werkingssfeer van de in de leden 1 en 2 genoemde verboden en worden ter fine van weigering van toegang tot het grondgebied van de lidstaten gesignaleerd. Elke aanpassing van deze lijst is onderworpen aan een uitvoeringsbesluit van de Raad.

4. In uitzonderingsgevallen kan van die regeling worden afgeweken indien dat de vitale belangen van de Unie zou bevorderen en een politieke regeling in de hand zou werken.

Artikel 2

De bevriezing van tegoeden in het buitenland van de regering van de FRJ en de Servische regering wordt uitgebreid tot personen die met president Milosevic geassocieerd zijn en tot ondernemingen die worden gecontroleerd door, of optreden namens de genoemde regeringen.

Artikel 3

Het verlenen van exportkredieten door de particuliere sector aan de regering van de FRJ, de regering van de Republiek Servië, ondernemingen, instellingen, bedrijven of entiteiten die worden gecontroleerd door deze regeringen, of aan personen die namens deze regeringen optreden, wordt verboden.

Artikel 4

Alle commercieel geëxploiteerde of voor particuliere doeleinden uitgevoerde vluchten tussen de FRJ en de Europese Gemeenschap worden verboden.

Artikel 5

Er worden geen goederen, diensten, technologie of materiaal naar de FRJ uitgevoerd waarmee door luchtaanvallen veroorzaakte schade kan worden hersteld aan activa, infrastructuur of materiaal welke de regering van de FRJ in staat stellen haar beleid van binnenlandse onderdrukking te voeren.

Artikel 6

Het voorzitterschap zal de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa, Cyprus en de EVA-landen, verzoeken zich bij dit gemeenschappelijk standpunt aan te sluiten opdat de bovengenoemde maatregelen maximaal effect sorteren.

Artikel 7

Dit gemeenschappelijke standpunt wordt voortdurend getoetst.

Artikel 8

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt van kracht op de datum van aanneming.

Artikel 9

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad.

Gedaan te Brussel, 10 mei 1999.

Voor de Raad

De voorzitter

H. EICHEL

(1) PB L 95 van 27.3.1998, blz. 1.

(2) PB L 345 van 19.12.1998, blz. 1.

Naar boven

Beheerd door het Publicatiebureau