31998R1638

Verordening (EG) nr. 1638/98 van de Raad van 20 juli 1998 tot wijziging van Verordening nr. 136/66/EEG houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten

Publicatieblad Nr. L 210 van 28/07/1998 blz. 0032 - 0037


VERORDENING (EG) Nr. 1638/98 VAN DE RAAD van 20 juli 1998 tot wijziging van Verordening nr. 136/66/EEG houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

(1) Overwegende dat de Commissie in februari 1997 bij het Europees Parlement en bij de Raad een mededeling betreffende de sector olijven en olijfolie heeft ingediend waarin werd geconcludeerd dat de huidige gemeenschappelijke marktordening voor de sector oliën en vetten moet worden hervormd; dat deze mededeling en de hervormingsvoorstellen die erin zijn aangegeven, zijn besproken in de instellingen van de Gemeenschap; dat een consensus is bereikt over de noodzaak van een hervorming; dat, om te kunnen bepalen welke aanpak daarbij het best kan worden gevolgd, betrouwbaarder gegevens nodig zijn, met name over het aantal olijfbomen in de Gemeenschap, over de oppervlakte van de olijfgaarden en over de opbrengsten; dat de Commissie, gezien de tijd die nodig is om de betrokken gegevens te verzamelen en te analyseren, zich ertoe heeft verbonden in de loop van het jaar 2000 een hervormingsvoorstel in te dienen opdat deze hervorming kan worden uitgevoerd vanaf het verkoopseizoen 2001/2002;

(2) Overwegende dat de ervaring heeft geleerd dat het van essentieel belang is dat bepaalde aanpassingen van de huidige gemeenschappelijke marktordening op korte termijn worden uitgevoerd om de moeilijkheden van het bedrijfsleven in de sector te verminderen, de controle door de nationale administratie te verbeteren en de communautaire begroting beter te beschermen; dat de nodige aanpassingen in de huidige gemeenschappelijke marktordening moeten worden ingevoerd en de prijzen en bijbehorende bedragen voor de verkoopseizoenen 1998/1999 tot en met 2000/2001 moeten worden vastgesteld;

(3) Overwegende dat bij artikel 5 van Verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (4) een forfaitair vast te stellen productiesteun is ingevoerd voor producenten wier gemiddelde productie niet groter is dan 500 kg; dat deze maatregel met name bedoeld was om de controletaak in verband met het recht op steun te verlichten; dat de in de productiesteunregeling aangebrachte wijzigingen en met name de toeneming van het aan kleine producenten uitgekeerde gedeelte van de uitgaven van de steunregeling en de verhoging van de steun ertoe hebben geleid dat het dubbele systeem voor de steun aan de producenten een bron van fraude is geworden; dat de specifieke bepalingen betreffende de steun voor kleine producenten daarom moeten worden geschrapt;

(4) Overwegende dat het mechanisme om de productiesteun te stabiliseren thans gebaseerd is op een gegarandeerde maximumhoeveelheid voor de hele Gemeenschap; dat deze gegarandeerde maximumhoeveelheid moet worden verhoogd, met name gezien de ontwikkeling van de productie;

(5) Overwegende dat, om in alle lidstaten een redelijk productieniveau te bevorderen, het dienstig is de gegarandeerde maximumhoeveelheid over de producerende lidstaten te verdelen in de vorm van gegarandeerde nationale hoeveelheden (GNH); dat deze verdeling vooral gebaseerd moet worden op de productie in een representatieve periode, zonder rekening te houden met de uiterste waarden daarvan; dat echter rekening moet worden gehouden met de situatie van de sector in de verschillende lidstaten, en met name met de bijzondere spreiding van de steun die werd toegekend aan kleine producenten en met de potentiële productie van bestaande olijfgaarden in Spanje en Portugal;

(6) Overwegende dat, om de gevolgen van de beurtjaren te ondervangen, als de werkelijke productie van een lidstaat kleiner is dan zijn GNH een deel van het verschil kan worden toegevoegd aan de GNH van diezelfde lidstaat voor het volgende verkoopseizoen; dat de rest van dat verschil ter compensatie van de overschrijding van de GNH van de andere lidstaten kan dienen, teneinde een zekere mate van solidariteit tussen de producenten in de Europese Unie te bewaren;

(7) Overwegende dat de productiesteun verschuldigd is aan de olijvenproducenten; dat zij, onverminderd de verschillende verlagingen of kortingen op grond van de communautaire regelgeving, de volledige steun dienen te ontvangen;

(8) Overwegende dat de lidstaten, indien zulks noodzakelijk is om steun voor tafelolijven mogelijk te maken, daarvoor een deel van de voor de productiesteun voor olijfolie toegewezen middelen moeten kunnen gebruiken;

(9) Overwegende dat de consumptiesteun niet kan worden verhoogd zonder ook het gevaar voor fraude te doen toenemen en dat deze steun op het huidige peil nauwelijks doeltreffend is; dat de steun in het verleden sterk is verlaagd zonder dat dit negatieve consequenties heeft gehad voor het verbruik van olijfolie in de Gemeenschap; dat door afschaffing van de steun betere controle van de productiesteunregeling mogelijk zou worden, met name door de controlebureaus als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2262/84 van de Raad van 17 juli 1984 houdende bijzondere maatregelen in de sector olijfolie (5); dat bijgevolg Verordening (EG) nr. 3089/78 van de Raad van 19 december 1978 tot vaststelling van de algemene voorschriften voor de toekenning van consumptiesteun voor olijfolie (6) moet worden ingetrokken;

(10) Overwegende dat het dienstig is de maatregelen ter bevordering van het verbruik van olijfolie en van tafelolijven in de lidstaten en in derde landen te handhaven, te preciseren en te versterken; dat deze maatregelen bedoeld zijn om een beter marktevenwicht tot stand te brengen en dat de daaraan verbonden uitgaven daarom moeten worden beschouwd als een interventie in de zin van artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (7); dat deze bepalingen technische aanpassingen vergen in Verordening (EEG) nr. 1970/80 van de Raad van 22 juli 1980 houdende algemene uitvoeringsbepalingen voor de acties ter bevordering van het verbruik van olijfolie in de Gemeenschap (8); dat laatstgenoemde verordening moet worden ingetrokken en de daarin vastgestelde bepalingen, met de nodige aanpassingen, moeten worden opgenomen in Verordening nr. 136/66/EEG;

(11) Overwegende dat de regeling inzake de interventieaankopen een aansporing tot produceren vormt die de markt dreigt te destabiliseren; dat de interventieaankopen derhalve moeten worden afgeschaft en de verwijzingen naar de interventieprijs moeten worden geschrapt of vervangen;

(12) Overwegende dat er, om de beoogde regulering van het aanbod aan olijfolie in geval van ernstige verstoring van de markt te bereiken, een regeling van steun voor contracten voor particuliere opslag nodig is en dat met betrekking tot die contracten prioriteit moet worden gegeven aan de producentengroeperingen of unies van producentengroeperingen in de zin van Verordening (EG) nr. 952/97 van de Raad van 20 mei 1997 betreffende producenten, groeperingen en unies van producentengroeperingen (9);

(13) Overwegende dat in de bijlage bij Verordening nr. 136/66/EEG, in de definitie van de categorieën olijfolie verkregen bij de eerste persing, wordt gerefereerd aan een organoleptische puntenwaardering waarvan de uitslag wordt verkregen volgens een welbepaalde methode; dat de methodes voor sensorische analyse recentelijk zijn verbeterd, maar het risico van een zekere subjectiviteit uiteraard blijft bestaan; dat de betrokken definitie moet worden gewijzigd om zo nodig te kunnen refereren aan de meest doeltreffende analysemethodes;

(14) Overwegende dat ter verbetering van de kennis over en de controle op de productie van olijfolie in het stadium van de producent de werkzaamheden met betrekking tot het olijventeeltkadaster in de verkoopseizoenen 1998/1999 tot en met 2000/2001 specifiek moeten worden geconcentreerd; dat, gezien de opgedane ervaring, de voor het opstellen van het olijventeeltkadaster gevolgde methodiek moet worden bijgesteld in de richting van de methodiek die voor andere landbouwgewassen wordt toegepast in het kader van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem; dat de Commissie derhalve de te nemen maatregelen en de na te leven voorschriften en criteria moet vaststellen om de totstandbrenging van een geografisch informatiesysteem te bevorderen; dat derhalve moet worden afgeweken van Verordening (EEG) nr. 154/75 (10) en van Verordening (EEG) nr. 2261/84 (11);

(15) Overwegende dat de opties die voor de hervorming overwogen worden de producenten kunnen aanzetten tot aanplant van nieuwe olijfgaarden; dat deze nieuwe aanplant een ernstig risico zou betekenen voor het toekomstige evenwicht op de markt die nu reeds te kampen heeft met overschotten; dat, om dit risico weg te nemen, in dit stadium dient te worden bepaald dat toekomstige steunregelingen niet zullen gelden voor nieuwe aanplant, tenzij in het kader van een door de Commissie goedgekeurd programma; dat wegens de tijd tussen de indiening van het voorstel van de Commissie en de goedkeuring daarvan, tevens dient te worden bepaald dat ook de aanplant die wordt verricht vanaf de maand volgend op de datum waarop het bedrijfsleven van het voornemen van de Commissie terzake in kennis is gesteld, niet voor steun in aanmerking zal komen;

(16) Overwegende dat hervorming van de sector olijfolie noodzakelijk is aangezien op langere termijn bepaalde maatregelen die zijn vastgesteld in Verordening nr. 136/66/EEG onmogelijk te handhaven zijn; dat, ondanks de aanpassingen die bij wijze van overgangsmaatregel bij deze verordening worden vastgesteld, bovenbedoelde maatregelen per 1 november 2001 ingetrokken dienen te worden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening nr. 136/66/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1. in artikel 2 bis, lid 2, worden de woorden "de interventieprijs" vervangen door:

"de productierichtprijs, verminderd met de productiesteun, alsmede met een bedrag waarin rekening wordt gehouden met de prijsschommelingen op de markt en de kosten voor het vervoer van de olijfolie van de productie- naar de consumptiegebieden,";

2. artikel 4 wordt vervangen door:

"Artikel 4

1. Er wordt voor de Gemeenschap een productierichtprijs ingevoerd.

Deze prijs wordt vastgesteld in het stadium van de groothandel voor courante olijfolie verkregen bij de eerste persing, met een gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, van 3,3 gram/100 gram.

2. Voor de verkoopseizoenen 1998/1999 tot en met 2000/2001 wordt de in lid 1 bedoelde productierichtprijs vastgesteld op 383,77 ECU/100 kg.

3. Het verkoopseizoen voor olijfolie begint op 1 november en eindigt op 31 oktober van het daaropvolgende jaar, tenzij de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen anders beslist.";

3. artikel 5 wordt vervangen door:

"Artikel 5

1. Er wordt productiesteun voor olijfolie ingesteld. Deze steun moet bijdragen tot een redelijk inkomen voor de producenten.

De steun wordt aan de olijvenproducenten toegekend op basis van de werkelijke geproduceerde hoeveelheid olijfolie.

De steun moet, onverminderd de verschillende verlagingen en kortingen op grond van de communautaire regelgeving, volledig aan de olijventelers worden uitbetaald.

2. Voor de verkoopseizoenen 1998/1999 tot en met 2000/2001 wordt de in lid 1 bedoelde productiesteun vastgesteld op 132,25 ECU/100 kg.

3. De in lid 1 bedoelde steun wordt toegekend voor maximaal 1 777 261 ton olijfolie per verkoopseizoen. Deze gegarandeerde maximumhoeveelheid wordt als volgt over de lidstaten verdeeld in de vorm van gegarandeerde nationale hoeveelheden (GNH):

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4. Onder door de Commissie volgens de procedure van artikel 38 goed te keuren voorwaarden kan elke lidstaat een deel van zijn GNH en van de productiesteun voor olijfolie besteden voor steun voor tafelolijven.

In dat geval is de voor de toepassing van de leden 5 en 6 in aanmerking genomen GNH de in lid 3 bedoelde hoeveelheid, verminderd met een hoeveelheid die overeenkomt met de voor tafelolijven verleende steun.

5. Als in een verkoopseizoen de werkelijke productie van een lidstaat kleiner is dan zijn GNH:

a) wordt 20% van het verschil verdeeld over de lidstaten die tijdens hetzelfde verkoopseizoen hun GNH hebben overschreden; de verdeling geschiedt naar verhouding van de GNH's van de begunstigde staten; en

b) wordt 80% van het verschil alleen voor het volgende verkoopseizoen toegevoegd aan de GNH van de betrokken lidstaat.

De overblijvende hoeveelheden worden door de Commissie verdeeld volgens de procedure van artikel 38.

6. Het in lid 2 vermelde bedrag van de steun wordt toegekend in elke lidstaat waarvan de werkelijke productie waarvoor het recht op steun is erkend, kleiner is dan of gelijk is aan de GNH, eventueel verhoogd overeenkomstig lid 5.

Voor de andere lidstaten is het toegepaste bedrag van de steun gelijk aan het in lid 2 vermelde bedrag nadat daarop een coëfficiënt is toegepast. Deze coëfficiënt wordt bepaald door de GNH van de betrokken lidstaat, eventueel verhoogd overeenkomstig het bepaalde in lid 5, te delen door de werkelijke productie waarvoor het recht op steun is erkend.

7. Ter oriëntatie van de controle op de bepaling van de hoeveelheid olie die voor steun in aanmerking komt, worden voor elk verkoopseizoen, per homogeen productiegebied, de opbrengsten aan olijven en aan olie vastgesteld.

8. De erkende producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties kunnen worden betrokken bij de werkzaamheden voor het bepalen van de in lid 5 bedoelde werkelijke productie en van de in lid 7 bedoelde opbrengsten.

9. In elke producerende lidstaat wordt een percentage van de aan alle of aan een deel van de producenten toegekende steun bestemd voor de financiering van regionale acties voor verbetering van de kwaliteit van de olijfolieproductie en het effect daarvan op het milieu.

Voor de verkoopseizoenen 1998/1999 tot en met 2000/2001 wordt het in de eerste alinea bedoelde percentage vastgesteld op 1,4 % van de aan de producenten van olijfolie toegekende productiesteun.

10. De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de algemene regels voor de toepassing van dit artikel vast.

11. De in lid 7 bedoelde opbrengsten en de bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 en, in voorkomend geval, volgens de procedure van artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (*).

(*) PB L 94 van 28. 4. 1970, blz. 13. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1287/95 (PB L 125 van 8. 6. 1995, blz. 1).";

4. de artikelen 5 bis, 7 en 8 worden geschrapt;

5. artikel 11 wordt vervangen door:

"Artikel 11

1. De Gemeenschap kan direct of indirect voorlichtingscampagnes of andere acties uitvoeren om in de lidstaten en in derde landen het verbruik van in de Gemeenschap geproduceerde olijfolie en tafelolijven te bevorderen.

De in de eerste alinea bedoelde acties kunnen de volgende activiteiten omvatten:

a) verspreiding van bestaande kennis, met name over de kwaliteiten van olijfolie als voedingsmiddel;

b) marktonderzoek om de afzet van olijfolie te vergroten;

c) acties op het vlak van reclame, public relations en verkooppromotie, ter bevordering van het verbruik van olijfolie, inzonderheid door te wijzen op de kwaliteit van olijfolie, alsmede van het verbruik van de producten bij de vervaardiging waarvan olijfolie wordt gebruikt;

d) onderzoek, met name wetenschappelijk onderzoek naar de kwaliteiten van olijfolie als voedingsmiddel;

e) onderzoek om de resultaten van de promotiecampagnes te evalueren.

2. De Commissie verstrekt de Raad het programma van de acties die zij van plan is in het volgende verkoopseizoen of in de volgende verkoopseizoenen uit te voeren. Voor de opstelling van dit programma kan de Commissie onder meer overleg plegen met gespecialiseerde organisaties inzake marktonderzoek en reclame, alsmede met onderzoekinstituten.

3. Het besluit van de Commissie tot de uitvoering van de in lid 1 bedoelde acties wordt genomen na raadpleging van het Comité van beheer voor oliën en vetten volgens de procedure van artikel 39.

4. De aan de in lid 1 bedoelde acties verbonden uitgaven kunnen voor 100 % door de Gemeenschap worden gefinancierd en worden beschouwd als interventies in de zin van artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 729/70.

5. De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 38.";

6. de eerste alinea van artikel 11 bis wordt vervangen door:

"De lidstaten nemen de nodige maatregelen om sancties te treffen tegen inbreuken op de in artikel 5 vastgestelde steunregeling. Als de in Verordening (EEG) nr. 2262/84 van de Raad van 17 juli 1984 houdende bijzondere maatregelen in de sector olijfolie (*) bedoelde controlebureaus een inbreuk signaleren, nemen de lidstaten binnen twaalf maanden daarna een besluit over de verder te nemen maatregelen.

(*) PB L 208 van 3. 8. 1984, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2599/97 (PB L 351 van 23. 12. 1997, blz. 17).";

7. artikel 12 wordt geschrapt;

8. artikel 12 bis wordt vervangen door:

"Artikel 12 bis

Bij ernstige verstoring van de markt in bepaalde regio's van de Gemeenschap kan, om de markt te regulariseren, volgens de procedure van artikel 38 worden besloten organismen die voldoende garanties bieden, en door de lidstaten erkend worden, te machtigen opslagcontracten te sluiten voor de olijfolie die zij in de handel brengen. Bij de aanwijzing van deze organismen wordt voorrang gegeven aan erkende producentengroeperingen of unies van producentengroeperingen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 952/97 (*).

De in de eerste alinea bedoelde maatregelen kunnen, onder andere, worden getroffen wanneer de gedurende een representatieve periode op de markt geconstateerde gemiddelde prijs lager ligt dan 95% van de in het verkoopseizoen 1997/1998 toepasselijke interventieprijs.

Het bedrag van de voor de verwezenlijking van de contracten toegekende steun, alsmede de toepassingsbepalingen van het onderhavige artikel, met name de hoeveelheden, de kwaliteit en de opslagduur van de betrokken oliën worden, volgens de procedure van artikel 38, zodanig vastgesteld dat het effect op de markt significant is. De steun kan via aanbesteding worden toegekend.

(*) PB L 142 van 2. 6. 1997, blz. 30.";

9. artikel 20, lid 2, wordt geschrapt;

10. in artikel 20 bis worden de laatste alinea van lid 2 en lid 4 geschrapt;

11. artikel 20 quinquies, lid 1, wordt vervangen door:

"1. Een percentage van de productiesteun die ter uitvoering van deze verordening aan de erkende organisaties of aan de erkende unies daarvan wordt uitgekeerd, wordt ingehouden. Het aldus verkregen bedrag is bestemd om bij te dragen aan de financiering van de werkzaamheden uit hoofde van artikel 5, lid 7, en artikel 20 quater.

Voor de verkoopseizoenen 1998/1999 tot en met 2000/2001 wordt het in de eerste alinea bedoelde percentage van de productiesteun vastgesteld op 0,8 %.";

12. artikel 20 quinquies, lid 3, wordt geschrapt;

13. punt 1 van de bijlage wordt vervangen door:

"1. Olijfolie verkregen bij de eerste persing:

Oliën die uit de vrucht van de olijfboom uitsluitend zijn verkregen langs zuiver mechanische weg of via andere natuurkundige procédés onder met name thermische omstandigheden waardoor de olie niet wordt aangetast, en die geen andere behandeling hebben ondergaan dan wassen, decanteren, centrifugeren en filtreren, met uitsluiting van oliën die zijn verkregen door middel van oplosmiddelen of door herverestering en van alle mengsels met oliën van een andere soort.

Deze oliën worden als volgt ingedeeld en omschreven:

a) extra olijfolie verkregen bij de eerste persing:

olijfolie verkregen bij de eerste persing, met een gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, van ten hoogste 1 gram per 100 gram en waarvan de andere kenmerken overeenkomen met die welke voor deze categorie zijn vastgesteld;

b) olijfolie verkregen bij de eerste persing (de term "fijne" kan worden gebruikt in het stadium van productie en groothandel):

olijfolie verkregen bij de eerste persing, met een gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, van ten hoogste 2 gram per 100 gram en waarvan de andere kenmerken overeenkomen met die welke voor deze categorie zijn vastgesteld;

c) courante olijfolie verkregen bij de eerste persing:

olijfolie verkregen bij de eerste persing, met een gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, van ten hoogste 3,3 gram per 100 gram en waarvan de andere kenmerken overeenkomen met die welke voor deze categorie zijn vastgesteld;

d) olijfolie verkregen bij de eerste persing, voor verlichting:

olijfolie verkregen bij de eerste persing, met een gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, van meer dan 3,3 gram per 100 gram en waarvan de andere kenmerken overeenkomen met die welke voor deze categorie zijn vastgesteld.".

Artikel 2

1. In afwijking van Verordening (EEG) nr. 154/75 worden in de verkoopseizoenen 1998/1999 tot en met 2000/2001 de werkzaamheden voor het olijventeeltkadaster gericht op de totstandbrenging, regelmatige bijwerking en het gebruik van een Geografisch Informatiesysteem (GIS).

Het GIS wordt opgezet aan de hand van de gegevens uit het olijventeeltkadaster. De aanvullende gegevens worden verzameld uit de teeltaangiftes bij de steunaanvragen. De gegevens van het GIS worden aan de hand van geautomatiseerde luchtfoto's geografisch gesitueerd.

2. De lidstaten verifiëren of de gegevens in de teeltaangiftes in overeenstemming zijn met die in het GIS. Als dat niet zo is, worden door de lidstaat verificaties en controles ter plaatse uitgevoerd.

De Commissie stelt de bepalingen, de criteria alsmede de toleranties voor de in de eerste alinea bedoelde overeenstemming tussen de verschillende gegevens vast. Zij stelt ook de bepalingen en de intensiteit van de in elk van de verkoopseizoenen 1998/1999 tot en met 2000/2001 uit te voeren verificaties en controles vast.

3. Als bij de in lid 2 bedoelde verificaties en controles de gegevens in de teeltaangifte onjuist blijken, met name wat betreft het aantal olijfbomen, wordt door de lidstaat, voor een of meer verkoopseizoenen, naar gelang van de grootte van de geconstateerde verschillen en volgens door de Commissie vast te stellen bepalingen en criteria, een van de volgende maatregelen toegepast:

- een korting op de hoeveelheid olijfolie die voor steun in aanmerking komt of

- uitsluiting van steun voor de betrokken olijfbomen.

4. De te nemen maatregelen, en de overeenkomstig dit artikel vast te stellen bepalingen, criteria of intensiteiten worden voor de periode van de verkoopseizoenen 1998/1999 tot en met 2000/2001 door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG.

5. De in deze verordening vastgestelde maatregelen gelden, wat betreft de teeltaangiftes en de samenhang daarmee met de steun, in afwijking van de bepalingen die zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 2261/84.

Artikel 3

1. De Commissie kan, volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG, de maatregelen vaststellen die nodig zijn voor een harmonische overgang van de in het verkoopseizoen 1997/1998 geldende regeling naar de bij deze verordening ingevoerde maatregelen.

2. De Raad besluit op een voorstel van de Commissie, dat in de loop van 2000 wordt ingediend, over de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten die met ingang van 1 november 2001 in de plaats komt van de bij Verordening nr. 136/66/EEG ingestelde marktordening.

Artikel 4

De na 1 mei 1998 aangeplante supplementaire olijfbomen en het daarmee corresponderende areaal, alsmede de olijfgaarden waarvoor op een nog te bepalen datum geen teeltaangifte is ingediend, worden in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor de sector oliën en vetten die met ingang van 1 november 2001 van kracht is, niet in aanmerking genomen voor de berekening van de steun aan de olijvenproducenten.

Tot nader te bepalen grenzen kunnen echter voor oppervlakten die in een door de Commissie goedgekeurd programma zijn vastgesteld

- de supplementaire olijfbomen aangeplant in het kader van omschakelingsmaatregelen voor oude olijfgaarden of

- de nieuwe aanplant

in aanmerking worden genomen voor de berekening van de steun. Voor Griekenland, Frankrijk en Portugal hebben de oppervlakten voorzien in de door de Commissie tot en met 1 november 2001 goed te keuren programma's een omvang van 3 500 ha, 3 500 ha respectievelijk 30 000 ha.

De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG.

Artikel 5

De artikelen 5, 11 bis, 12 bis, 13 en 20 bis van Verordening nr. 136/66/EEG worden ingetrokken per 1 november 2001.

De Verordeningen (EEG) nr. 3089/78 en nr. 1970/80 worden ingetrokken.

Artikel 6

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 november 1998.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 juli 1998.

Voor de Raad

De Voorzitter

W. MOLTERER

(1) PB C 136 van 1. 5. 1998, blz. 20.

(2) PB C 210 van 6. 7. 1998.

(3) PB C 235 van 27. 7. 1998.

(4) PB L 172 van 30. 9. 1966, blz. 3025/66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1581/96 (PB L 206 van 16. 8. 1996, blz. 11).

(5) PB L 208 van 3. 8. 1984, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2599/97 (PB L 351 van 23. 12. 1997, blz. 17).

(6) PB L 369 van 29. 12. 1978, blz. 12. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1582/96 (PB L 206 van 16. 8. 1996, blz. 13).

(7) PB L 94 van 28. 4. 1970, blz. 13. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1287/95 (PB L 125 van 8. 6. 1995, blz. 1).

(8) PB L 192 van 26. 7. 1980, blz. 5. Verordening gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1651/86 (PB L 145 van 30. 5. 1986, blz. 10).

(9) PB L 142 van 2. 6. 1997, blz. 30.

(10) Verordening (EEG) nr. 154/75 van de Raad van 21 januari 1975 tot instelling van een olijfdossier in de olijfolieproducerende lidstaten (PB L 19 van 24. 1. 1975, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3788/85 (PB L 367 van 31. 12. 1985, blz. 1.)

(11) Verordening (EEG) nr. 2261/84 van de Raad van 17 juli 1984 houdende algemene voorschriften inzake de toekenning van de productiesteun voor olijfolie en de steun aan de producentenorganisaties. (PB L 208 van 3. 8. 1984, blz. 3). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 636/95 (PB L 67 van 25. 3. 1995, blz. 1).


Beheerd door het Publicatiebureau