Richtsnoeren voor de inhoud van de gemeenschappelijke rapporten betreffende derde landen (tekst aangenomen door de Raad op 20 juni 1994)
Publicatieblad Nr. C 274 van 19/09/1996 blz. 0052 - 0054
BIJLAGE IV.1 RICHTSNOEREN voor de inhoud van de gemeenschappelijke rapporten betreffende derde landen (tekst aangenomen door de Raad op 20 juni 1994) A. INLEIDING 1. De met immigratiezaken belaste Ministers hebben herhaaldelijk gewezen op het belang van gemeenschappelijke rapporten over de situatie in bepaalde derde landen waaruit asielzoekers afkomstig zijn. Zij achten dit mechanisme van essentieel belang voor een gelijkgerichte en later ook geharmoniseerde analyse van de asielverzoeken. 2. Om deze doelstelling ten volle te verwezenlijken blijkt het van belang dat die rapporten informatie over een aantal onderwerpen bevatten. 3. Er is voorgesteld dat in de door de Ambassades van de Lid-Staten ter plaatse opgestelde rapporten zoveel mogelijk wordt ingegaan op de hierna vermelde punten. 4. Deze rapporten dienen een nauwkeurig algemeen beeld te geven van de politieke, economische en sociale situatie van het derde land, zonder al te zeer in details te treden. Het is namelijk van essentieel belang dat zij op korte termijn kunnen worden opgesteld. 5. Er werd overeengekomen dat de onderstaande richtsnoeren aangepast kunnen worden naar gelang van het derde land waarover een gemeenschappelijk rapport gevraagd wordt. In sommige gevallen zal dit leiden tot het schrappen van een punt; in andere gevallen zal een aantal precieze vragen worden toegevoegd, afhankelijk van de inlichtingen waaraan behoefte is. 6. Dit schema kan in het licht van de opgedane ervaring worden bijgesteld. B. INHOUD VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE RAPPORTEN I. Algemene politieke situatie 1. Recente politieke ontwikkelingen 2. Huidige concrete situatie in het land, waarbij met name aandacht besteed wordt aan de volgende facetten: a) zo mogelijk nadere bijzonderheden over het regime en met name inzake: - vrije verkiezingen, - meerpartijenstelsel, - vrijheid van meningsuiting en van vergadering, - vrijheid van godsdienst, - onafhankelijkheid van het gerecht, - het optreden van de veiligheidsdiensten, - situatie van de minderheden; b) veiligheidssituatie (met inbegrip van oorlog of burgeroorlog) 3. Vooruitzichten a) Lijkt de politieke situatie, voor zover dit te beoordelen valt, stabiel? b) Zijn er belangrijke politieke gebeurtenissen op til (verkiezingsdata, enz.)? II. Algemene mensenrechtensituatie 1. Is het land toegetreden tot verdragen ter bescherming van de rechten van de mens (gelieve aan te geven welke)? Op welke wijze leeft het land in de praktijk de in die teksten vervatte beginselen na? 2. Zijn internationale mensenrechtenorganisaties in staat te controleren of de mensenrechten worden nageleefd? 3. De mensenrechten in de praktijk Zijn de mensen slachtoffer van schendingen van de mensenrechten, met name door: a) marteling, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (bij voorbeeld door de rechter opgelegde lijfstraffen, wetgeving die discrimineert op grond van ras); b) veelvuldige doodvonnissen (in de landen waar deze straf nog daadwerkelijk wordt voltrokken); c) gevangenisomstandigheden die strijdig zijn met de mensenrechten, willekeurige aanhoudingen, beperking van de bewegingsvrijheid, ontzegging van beroepsmogelijkheid of specifieke maatregelen tegen politieke gevangenen? III. Concrete informatie over vervolging op grond van ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging 1. Vervolging van staatswege a) Is er sprake van enige vorm van vervolging van staatswege, zoals repressieve maatregelen of een willekeurige behandeling van bepaalde groepen personen door overheidsinstanties? b) Omvang van deze vervolging, met name: - aanslag op het leven, de gezondheid, de vrijheid, waaronder die van godsdienst; - in voorkomend geval: overdreven strenge voorschriften ten aanzien van het vervullen van de militaire dienstplicht; - andere vormen van maatschappelijke discriminatie. 2. Bestaan er andere vormen van onrechtstreekse vervolging van staatswege (vervolging die niet het werk is van de overheid, maar wel aan de overheid is toe te schrijven), zoals onvoldoende bescherming door de nationale autoriteiten van de leden van een bepaalde bevolkingsgroep die ernstig door hun medeburgers worden bedreigd? IV. Binnenlandse wijkplaatsen (bij vervolging) 1. Beperken de vervolgingen zich tot een gedeelte van het grondgebied van de Staat? 2. Kan men aan deze vervolgingen ontkomen door zich naar een ander gedeelte van het grondgebied te begeven? V. Reismogelijkheden voor de onderdanen van de Staat 1. Aan welk soort controles worden de eigen onderdanen door de Staat onderworpen aan zijn buitengrenzen (land-, zee-, en luchtgrenzen)? Met name: wat zijn de in- en uitreisformaliteiten? Zijn die discriminerend ten opzichte van de controles waaraan andere onderdanen onderworpen worden? 2. Bestaan er, voor zover dit aan de hand van de beschikbare informatie beoordeeld kan worden, netwerken om onderdanen van de Staat in kwestie te helpen het land te verlaten? VI. Authenticiteit van de documenten 1. Hoe betrouwbaar zijn de door de nationale autoriteiten afgegeven documenten van de nationale onderdanen, en met name de reisdocumenten? 2. Kunnen de onderdanen van het land gemakkelijk in het bezit komen van valse documenten of officiële verklaringen? VII. Terugkeer in het land van oorsprong 1. Houdt het feit dat een onderdaan in een ander land een asielverzoek heeft ingediend, bij zijn terugkeer in zijn land van oorsprong een risico in, bij voorbeeld het gevaar aan straffen, martelingen, of onmenselijke of vernederende behandeling te worden onderworpen? 2. Wat is de houding van de overheid ten opzichte van buitenlandse onderdanen, en met name asielzoekers? VIII. Economische en sociale situatie Het zou nuttig zijn in grote lijnen aan te geven in hoeverre de economische en sociale situatie mensen ertoe kan aanzetten het land te verlaten; te denken valt aan vragen als: 1. Hoe is momenteel de algemene economische situatie van het land en, eventueel, van bepaalde gebieden, en wat zijn de vooruitzichten? 2. Hoe groot is de huidige werkloosheid en hoe zal deze zich ontwikkelen? 3. Bestaat er een stelsel voor sociale zekerheid? IX. Opstelling van rapporten over derde landen van ontvangst Bij de opstelling van rapporten over derde landen van ontvangst dient men zich zoveel mogelijk te houden aan de bovenstaande richtsnoeren ten aanzien van de landen van oorsprong. Daarnaast zou nader moeten worden ingegaan op de volgende aspecten: 1. Is het land toegetreden tot het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de statusvan vluchtelingen, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of tot enige vergelijkbare mensenrechtenovereenkomst? Hoe leeft het land in de praktijk de in deze verdragen vervatte beginselen na (eventueel nadere gegevens verstrekken, naast die onder punt II.1)? 2. Kan elke onderdaan van een derde land in de Staat van ontvangst een asielverzoek indienen? Heeft hij, aan de grens of op het grondgebied, de mogelijkheid de autoriteiten van dat land om bescherming te vragen alvorens zich te richten tot de Lid-Staat waar hij om asiel verzoekt? Zo niet, bestaat deze mogelijkheid wel voor de onderdanen van een bepaald land of een bepaalde herkomst? 3. Is het zonder meer duidelijk dat hij kan worden toegelaten in het land van ontvangst? Zo niet, bestaat deze mogelijkheid wel voor de onderdanen van een bepaald land of een bepaalde herkomst? 4. Geniet de asielzoeker doeltreffende bescherming of kan hij op doeltreffende wijze beschermd worden tegen "refoulement" in de zin van het Verdrag van Genève? X. Plaats en datum van opstelling van het rapport Het zou nuttig zijn te vermelden wanneer en waar het gemeenschappelijk rapport is opgesteld.