31995Y1110(01)

Resolutie van de Raad van 5 oktober 1995 over samenwerking met derde landen op het gebied van jeugdzaken

Publicatieblad Nr. C 296 van 10/11/1995 blz. 0011 - 0012


RESOLUTIE VAN DE RAAD

van 5 oktober 1995

over samenwerking met derde landen op het gebied van jeugdzaken

(95/C 296/04)

1. De Raad memoreert dat in de resolutie van de Raad en de Ministers van 26 juni 1991 inzake prioritaire acties op het gebied van jongeren, het verlangen wordt bevestigd om de samenwerking op het gebied van uitwisseling en mobiliteit van jongeren met de EVA-landen, de landen van Midden- en Oost-Europa en in het kader van de Noord-Zuiddialoog, te versterken.

Hij constateert dat de conclusies van de Europese Raad van 9 en 10 december 1994 te Essen voorzien in de uitbreiding van de communautaire programma's - waaronder "Jeugd voor Europa'' - tot de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa (LMOE) en in een uitbreiding van de Europees-mediterrane samenwerking.

De Raad benadrukt de impuls die door het besluit houdende aanneming van het programma "Jeugd voor Europa III'' (818/95/EG) (1), dat op 14 maart 1995 is aangenomen door het Europees Parlement en de Raad, wordt gegeven aan de uitwisselingen met derde landen.

Hij memoreert de conclusies van de Europese Raad van Cannes van 26 en 27 juni 1995 ter zake van de bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat.

Hij merkt op dat in het verslag van de Raad van 12 juni 1995 aan de Europese Raad van Cannes over het standpunt dat de Europese Unie zou moeten innemen op de Europees-mediterrane Conferentie in Barcelona, het belang wordt erkend van samenwerking op het gebied van jeugdzaken met het oog op het bevorderen van een uitwisseling tussen de burgers en het versterken van de dialoog tussen de Europese Unie en haar mediterrane partners.

De Raad verheugt zich over de verwezenlijkingen die in het kader van de prioritaire acties op het gebied van jeugdzaken tot stand zijn gekomen inzake uitwisselingen met derde landen, alsmede over de reeds door de Raad van Europa verrichte arbeid.

2. Voor wat betreft de hieronder vermelde gebieden, herinnert de Raad aan:

- de conclusies van de Raad en de Ministers, in het kader van de Raad bijeen, van 30 november 1994 (2) over de bevordering van vrijwilligerswerk voor de jeugd;

- de resolutie van 31 maart 1995 betreffende samenwerking op het gebied van jongerenvoorlichting en -onderzoek.

Overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Cannes komt de Raad overeen om op de onderstaande gebieden nauwer samen te werken met de derde landen waarmee de Gemeenschap associatie- of samenwerkingsovereenkomsten heeft gesloten.

De ontwikkeling van die samenwerking dient te gebeuren met inachtneming van het subsidariteitsbeginsel, zoals dat is omschreven in artikel 3 B van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Gebieden

- samenwerking tussen overheids- en niet-gouvernementele structuren voor jeugdzaken;

- opleiding van jongerenwerkers;

- voorlichting aan jongeren;

- uitwisselingen van jongeren;

- vrijwilligerswerk van jongeren.

a) Samenwerking tussen overheids- en niet-gouvernementele structuren voor jeugdzaken

De Raad constateert dat de democratische structuren voor jeugdzaken in de derde landen zich onderling alsook ten aanzien van die in de Lid-Staten ongelijk ontwikkelen, waardoor het soms moeilijk is tot een doeltreffende samenwerking te komen.

Het lijkt de Raad wenselijk de ontwikkeling van de samenwerking tussen die structuren te ondersteunen door met studiebezoeken, stages of andere activiteiten de uitwisseling van inlichtingen en ervaringen te bevorderen inzake programma's betreffende jeugdzaken, die op communautair, nationaal, regionaal en lokaal niveau zijn opgezet.

b) Opleiding van jongerenwerkers

De Raad is zich bewust van de essentiële rol die de maatschappelijk-educatieve werkers, met inbegrip van de verantwoordelijken van de jongerenorganisaties, vervullen in het interculturele leerproces van jongeren, de ontwikkeling van de waarden die een democratische samenleving kenmerken, en de eerbiediging en bevordering van de culturele verscheidenheid.

De Raad onderstreept dat het van belang is de jongerenwerkers en de verantwoordelijken van jongerenorganisaties aan te sporen om in hun werk met de jongeren aandacht te besteden aan de sociale en culturele realiteit in derde landen, waardoor zij de inspanningen van de Lid-Staten ondersteunen, teneinde onverdraagzaamheid, racisme en vreemdelingenhaat te voorkomen en solidariteit te bevorderen.

De Raad wijst ook op de noodzaak van steun aan de ontwikkeling van activiteiten voor de opleiding van jongerenwerkers en verantwoordelijken van jongerenorganisaties van derde landen, rekening houdend met de ervaring die de Lid-Staten en de Raad van Europa op dit gebied hebben opgedaan.

c) Voorlichting aan jongeren

De Raad benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat jongeren gemakkelijk toegang hebben tot duidelijke, doelgerichte en volledige informatie over alles wat hun dagelijks leven aangaat, omdat dit een essentiële voorwaarde is voor hun actieve deelneming aan het maatschappelijk leven.

De Raad wijst erop dat de oprichting van informatie- en adviesstructuren voor de jeugd moet worden aangemoedigd, door de uitwisseling van ervaringen en de koppeling van bestaande informatienetwerken in de Lid-Staten en in derde landen te bevorderen.

d) Uitwisseling van jongeren

De Raad onderstreept het belang van uitwisselingen tussen groepen jongeren en jongerenorganisaties van de Lid-Staten en van derde landen als passend hulpmiddel bij het begrijpen van andere situaties en culturen, voor de ontwikkeling van wederzijds respect en solidariteit en het voorkomen van intolerant, racistisch en xenofoob gedrag.

De Raad is van oordeel dat het wenselijk is in het kader van actie D van het programma Jeugd voor Europa gebruik te maken van de mogelijkheden om met name de kwaliteit van de uitwisselingen te verbeteren.

e) Vrijwilligerswerk van jongeren

De Raad beklemtoont dat het belangrijk is het solidariteitsbesef onder de jongeren te bevorderen zoals is vastgesteld in actie A II van het programma Jeugd voor Europa.

In de geest van de conclusies van 30 november 1994 over de bevordering van het vrijwilligerswerk voor de jeugd, erkent de Raad de inspanningen van de Lid-Staten en moedigt hij de deelneming aan van jongeren aan vrijwilligerswerk in derde landen, met inbegrip van ontwikkelingslanden, waarmee de Gemeenschap associatie- of samenwerkingsovereenkomsten heeft gesloten.

3. De Raad:

- is van mening dat de bovengenoemde gebieden voorrang moeten krijgen bij de tenuitvoerlegging van de samenwerkingsacties met derde landen op het gebied van jeugdzaken;

- benadrukt de noodzaak van een nauwe samenwerking op dit gebied met de Raad van Europa en andere internationale organisaties;

- moedigt, met steun van de Commissie, de uitwisseling aan van ervaringen en goede praktijken die voortvloeien uit de reeds bestaande samenwerking op het gebied van jeugdzaken met bepaalde derde landen en regio's;

- verzoekt de Commissie om hem op de hoogte te houden van de follow-up en de evaluatie van de activiteiten die in de voorbereidingsfase van de uitvoering van actie D van het "Jeugd voor Europa''-programma worden ontplooid;

- verzoekt de Commissie om de samenhang tussen de acties die als onderdeel van het "Jeugd voor Europa''-programma worden ondernomen, en de acties die in het kader van andere communautaire programma's voor samenwerking met derde landen eventueel worden ontplooid, te verstevigen, rekening houdend met het feit dat er in de Gemeenschap en in derde landen structuren bestaan die zouden kunnen worden aangezocht om financiële bijstand te verlenen aan dergelijke activiteiten;

- draagt het Comité van Permanente Vertegenwoordigers op om de follow-up te verzekeren van de acties die in de context van deze resolutie worden uitgevoerd - voor zover zij niet onder het "Jeugd voor Europa''-programma vallen en onverminderd andere wetgevingsinitiatieven van de Commissie - en om, in voorkomend geval, passende richtsnoeren uit te werken voor de verdere ontwikkeling daarvan.

(1) PB nr. L 87 van 20. 4. 1995.

(2) PB nr. C 348 van 9. 12. 1994.


Beheerd door het Publicatiebureau