31994L0055

Richtlijn 94/55/EG van de Raad van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg

Publicatieblad Nr. L 319 van 12/12/1994 blz. 0007 - 0013
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 7 Deel 5 blz. 0165
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 7 Deel 5 blz. 0165
L 275 28/10/1996 P. 0001


RICHTLIJN 94/55/EG VAN DE RAAD van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 75,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Overeenkomstig de procedure van artikel 189 C van het Verdrag (3),

(1) Overwegende dat zowel het binnenlandse als het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg met de jaren sterk is toegenomen, waardoor de risico's bij ongevallen zijn vergroot;

(2) Overwegende dat alle Lid-Staten, met uitzondering van Ierland, partij zijn bij de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR), waarvan het geografische ressort zich tot buiten de Gemeenschap uitstrekt; dat daarin uniforme voorschriften zijn vastgesteld voor een veilig internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg; dat het derhalve wenselijk is dat de werkingssfeer van die voorschriften wordt uitgebreid tot het binnenlandse verkeer teneinde de voorwaarden waaronder gevaarlijke goederen over de weg worden vervoerd in de hele Gemeenschap te harmoniseren;

(3) Overwegende dat er geen communautaire wetgeving bestaat die het geheel van maatregelen bestrijkt waaraan moet worden voldaan om een veilig vervoer van gevaarlijke goederen te waarborgen en dat de desbetreffende nationale maatregelen sterk van de ene Lid-Staat tot de andere verschillen; dat deze discrepanties een belemmering vormen voor het vrij verstrekken van vervoerdiensten en daarnaast ook voor het vrije verkeer van voertuigen en transportvoorzieningen; dat om deze belemmering weg te nemen uniforme voorwaarden voor het hele intracommunautaire vervoer moeten worden vastgesteld;

(4) Overwegende dat een dergelijke maatregel op communautair niveau moet worden genomen om de samenhang met de overige communautaire wetgeving te waarborgen, voor een voldoende mate van harmonisatie te zorgen om het vrije verkeer van goederen en diensten te vergemakkelijken, en om een hoog veiligheidsniveau bij binnenlands en internationaal vervoer te garanderen;

(5) Overwegende dat de bepalingen van de onderhavige richtlijn de door de Gemeenschap in het kader van de doelstellingen van Agenda 21, hoofdstuk 19, van de Unced-conferentie van Rio de Janeiro in juni 1992 aangegane verbintenis, door de Gemeenschap en de Lid-Staten, om te streven naar de harmonisatie van de indelingssystemen voor gevaarlijke stoffen, onverlet laten;

(6) Overwegende dat er nog geen specifieke communautaire wetgeving bestaat inzake de veiligheidsvoorwaarden voor het vervoer van biologische agentia en genetisch gemodificeerde organismen, ten aanzien waarvan een regeling is vastgesteld in de Richtlijnen 90/219/EEG (4), 90/220/EEG (5) en 90/679/EEG (6);

(7) Overwegende dat de bepalingen van de onderhavige richtlijn het overige communautaire beleid op het gebied van de veiligheid van werknemers, de constructie van voertuigen en milieubescherming onverlet laten;

(8) Overwegende dat het de Lid-Staten steeds vrij staat regelingen te treffen voor elk vervoer van gevaarlijke goederen op hun grondgebied met een niet onder de richtlijn vallend voertuig, ongeacht waar dat voertuig is ingeschreven;

(9) Overwegende dat de Lid-Staten de gelegenheid moeten hebben specifieke voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg op hun grondgebied toe te passen;

(10) Overwegende dat de Lid-Staten de gelegenheid moet worden geboden om hun eisen inzake kwaliteitsborging te handhaven voor bepaalde nationale vervoersoperaties totdat de Commissie hieromtrent een verslag bij de Raad heeft ingediend;

(11) Overwegende dat de bepalingen van de ADR toestaan overeenkomsten te sluiten waarbij van de ADR wordt afgeweken en dat het grote aantal dergelijke overeenkomsten tussen Lid-Staten tot verstoringen in het vrij verstrekken van vervoerdiensten met betrekking tot gevaarlijke goederen leidt; dat door de opneming van de nodige bepalingen in de bijlagen bij deze richtlijn dergelijke afwijkingen overbodig kunnen worden gemaakt; dat in een overgangsperiode dient te worden voorzien gedurende welke bestaande overeenkomsten verder door de Lid-Staten mogen worden toegepast;

(12) Overwegende dat de ADR-bepalingen, met inbegrip van voorschriften inzake de constructie van voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren, in de communautaire wetgeving moeten worden verwerkt; dat in deze context moet worden voorzien in een overgangsperiode waarin de Lid-Staten tijdelijk een aantal specifieke nationale bepalingen inzake de constructievereisten voor nationaal ingeschreven voertuigen kunnen handhaven;

(13) Overwegende dat de informatieprocedures waarin wordt voorzien in aanverwante nationale wetgevingsvoorstellen dienen te worden overgenomen om de doorzichtigheid voor alle economische subjecten te vergroten;

(14) Overwegende dat de Lid-Staten het recht dienen te behouden om ten aanzien van het binnenlandse vervoer voorschriften toe te passen die beantwoorden aan de aanbevelingen van de Verenigde Naties voor het gecombineerde vervoer van gevaarlijke goederen, voor zover de ADR nog niet in overeenstemming is gebracht met die aanbevelingen, wanneer het gecombineerde vervoer van gevaarlijke goederen daardoor wordt vergemakkelijkt;

(15) Overwegende dat de Lid-Staten het recht dienen te hebben om, uitsluitend om andere redenen dan de veiligheid bij het transport, het vervoer van bepaalde gevaarlijke goederen over hun grondgebied te reguleren of te verbieden; dat in deze context de Lid-Staten zich het recht kunnen voorbehouden om voor te schrijven dat bepaalde zeer gevaarlijke stoffen uitsluitend per spoor of per schip mogen worden vervoerd, of dat voor bepaalde zeer gevaarlijke stoffen een zeer specifieke verpakking moet worden gebruikt;

(16) Overwegende dat de Lid-Staten moet worden toegestaan om, wat deze richtlijn aangaat, voor bepaalde vervoersoperaties op hun grondgebied die met op hun grondgebied geregistreerde voertuigen worden uitgevoerd stringentere dan wel soepelere voorschriften toe te passen;

(17) Overwegende dat bij deze harmonisatie van de voorwaarden met name rekening dient te worden gehouden met specifieke nationale omstandigheden en dat derhalve, met het oog op de nodige flexibiliteit, in de richtlijn aan de Lid-Staten de mogelijkheid moet worden geboden om bepaalde afwijkingen toe te passen; dat de toepassing van nieuwe ontwikkelingen in technologie en industrie niet mag worden belemmerd en dat daartoe in tijdelijke afwijkingen moet worden voorzien;

(18) Overwegende dat het voor voertuigen die zijn geregistreerd in derde landen moet worden toegestaan internationaal vervoer te verrichten op het grondgebied van een Lid-Staat indien zij aan de bepalingen van de ADR voldoen;

(19) Overwegende dat deze richtlijn snel aan de technische vooruitgang moet kunnen worden aangepast, teneinde rekening te houden met de nieuwe ADR-bepalingen en om besluiten te kunnen nemen met betrekking tot de toepassing en tenuitvoerlegging van noodmaatregelen in geval van ongevallen of andere voorvallen; dat te dien einde een comité moet worden ingesteld en een procedure moet worden vastgesteld voor nauwe samenwerking tussen de Lid-Staten en de Commissie in dit comité;

(20) Overwegende dat de bijlagen bij deze richtlijn bepalingen bevatten met betrekking tot de beroepsopleiding van bepaalde bestuurders van voertuigen voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg; dat derhalve Richtlijn 89/684/EEG van de Raad van 12 december 1989 betreffende de beroepsopleiding van bepaalde bestuurders van voertuigen voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (7) dient te worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I Toepassingsgebied, definities en algemene bepalingen

Artikel 1

1. Deze richtlijn is van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg dat binnen de Lid-Staten of tussen de Lid-Staten plaatsvindt. Zij geldt niet voor het vervoer van gevaarlijke goederen door voertuigen die eigendom zijn of onder de verantwoordelijkheid vallen van de strijdkrachten.

2. De bepalingen van deze richtlijn laten evenwel het recht van de Lid-Staten onverlet om, met inachtneming van het Gemeenschapsrecht, voorschriften vast te stellen voor:

a) het nationale en internationale vervoer van gevaarljke goederen op hun grondgebied door niet onder deze richtlijn vallende voertuigen,

b) specifieke verkeersregels voor het nationale en internationale vervoer van gevaarlijke goederen;

c) kwaliteitsborging van de ondernemingen volgens de ISO-normen 9001 en 9002 wanneer zij nationaal vervoer verrichten:

i) van explosieve stoffen en voorwerpen van klasse 1, wanneer de hoeveelheid vervatte explosieve stof per vervoereenheid meer bedraagt dan:

- 1 000 kg voor divisie 1.1,

of

- 3 000 kg voor divisie 1.2,

of

- 5 000 kg voor de divisies 1.3 en 1.5,

ii) in tanks of tankcontainers met een totale capaciteit van meer dan 3 000 liter van de volgende zeer gevaarlijke stoffen:

- stoffen van klasse 2

- gassen geklasseerd onder de letters at), bt), b), ct) en c),

- sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen onder 7° b) en 8° b),

- stoffen van de klassen 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1 en 8

- die in deze klassen niet onder b) of c) vallen,

- of eronder vallen maar een gevarencode van drie of meer significante tekens hebben (exclusief nul),

iii) van de volgende colli van klasse 7 (radioactieve stoffen): splijtstoffen, colli van type B(U), colli van type B(M).

Het toepassingsgebied van de nationale bepalingen inzake deze vereisten mag niet worden verruimd.

Deze bepalingen vervallen wanneer vergelijkbare maatregelen door communautaire bepalingen verplicht worden gesteld.

De Commissie dient vóór 31 december 1998 bij de Raad een verslag in met daarin een evaluatie van de in dit punt bedoelde veiligheidsvoorschriften, welk rapport vergezeld gaat van een voorstel tot handhaving of intrekking van dit punt.

Artikel 2

In deze richtlijn wordt verstaan onder

- "ADR", de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, van 30 september 1957 te Genève, zoals gewijzigd;

- "voertuig", ieder voor deelname aan het wegverkeer bestemd compleet of niet-compleet motorvoertuig op ten minste vier wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/h, alsmede aanhangwagens daarvan, met uitzondering van voertuigen die zich over rails voortbewegen, landbouw- en bosbouwtrekkers en alle mobiele machines;

- "gevaarlijke goederen": de stoffen en voorwerpen waarvan het vervoer over de weg krachtens de bijlagen A en B is verboden of slechts onder bepaalde voorwaarden is toegestaan;

- "vervoer": ieder vervoer over de weg door een voertuig als hierboven omschreven, dat geheel of gedeeltelijk plaatsvindt via het openbare wegennet op het grondgebied van een Lid-Staat, met inbegrip van het onder de bijlagen vallende laden en lossen, onverminderd de bij de wetgevingen van de Lid-Staten voorgeschreven regeling betreffende de uit deze verrichtingen voortvloeiende verantwoordelijkheid.

Vervoer dat volledig binnen een gesloten ruimte plaatsvindt valt niet onder deze definitie.

Artikel 3

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 6 komen gevaarlijke goederen die krachtens de bijlagen A en B bij deze richtlijn niet mogen worden vervoerd niet in aanmerking voor vervoer over de weg.

2. Onverminderd de overige bepalingen van deze richtlijn is het vervoer van andere in bijlage A vermelde gevaarlijke goederen toegestaan, mits wordt voldaan aan de in de bijlagen A en B genoemde voorwaarden, met name ten aanzien van:

a) de verpakking en etikettering van de betrokken goederen, en

b) de constructie, uitrusting en goede werking van het voertuig waarmee de betrokken goederen worden vervoerd.

HOOFDSTUK II Afwijkingen, beperkingen en ontheffingen

Artikel 4

Iedere Lid-Staat mag, uitsluitend voor binnenlands vervoer met op zijn grondgebied geregistreerde voertuigen, bestaande nationale wetsbepalingen inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg die in overeenstemming zijn met de aanbevelingen van de Verenigde Naties voor het vervoer van gevaarlijke goederen blijven toepassen totdat de bijlagen A en B bij deze richtlijn aan deze aanbevelingen zijn aangepast. Wanneer een Lid-Staat van deze mogelijkheid gebruik maakt, stelt hij de Commissie daarvan in kennis.

Artikel 5

1. Onverminderd andere communautaire wetgeving, met name betreffende de toegang tot de markt, behoudt iedere Lid-Staat het recht om, uitsluitend om andere redenen dan de vervoersveiligheid, zoals met name nationale veiligheid of milieubescherming, het vervoer van bepaalde gevaarlijke goederen over zijn grondgebied te verbieden of te reguleren.

2. Door een Lid-Staat opgelegde bepalingen betreffende het gebruik van voertuigen bij in randnummer 10 599 van bijlage B bij deze richtlijn toegestaan internationaal vervoer over zijn grondgebied zijn alleen plaatselijk van toepassing, gelden zowel voor binnenlands als voor internationaal vervoer en mogen op geen enkele wijze discriminerend zijn.

3. a) Iedere Lid-Staat kan ten aanzien van het vervoer door op zijn grondgebied geregistreerde of in gebruik genomen voertuigen stringentere bepalingen blijven toepassen, met uitzondering van voorschriften inzake de constructie.

b) De Lid-Staten mogen evenwel specifieke nationale bepalingen inzake het zwaartepunt van op hun grondgebied geregistreerde tankwagens blijven toepassen totdat het in bijlage B bij deze richtlijn opgenomen randnummer 211 128 wordt gewijzigd en uiterlijk tot en met 31 december 1998.

4. Indien een Lid-Staat van oordeel is dat bij ongevallen of incidenten is gebleken dat de veiligheidsbepalingen ontoereikend zijn om de gevaren die het vervoer inhoudt te beperken en handelen dringend geboden is, stelt hij de Commissie in de conceptfase in kennis van de voorgenomen maatregelen. De Commissie beslist volgens de procedure van artikel 9 of en voor hoe lang de maatregelen in kwestie mogen worden toegepast.

5. De Lid-Staten mogen op 31 december 1996 geldende nationale bepalingen handhaven op de volgende gebieden:

- het vervoer van stoffen van klasse 1.1;

- het vervoer van toxische, instabiele en/of brandbare gassen van klasse 2;

- het vervoer van stoffen die dioxines of furanen bevatten;

- of het vervoer in tanks of citernes van meer dan 3 000 liter van vloeistoffen van klasse 3, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1 of 8 die niet genoemd worden in een rubriek b) of c) van deze klassen.

Deze bepalingen mogen slechts betrekking hebben op:

- het verbod dit vervoer over de weg te doen plaatsvinden wanneer de mogelijkheid van vervoer per spoor of over het water bestaat;

- de verplichting bepaalde preferentiële routes te volgen, of

- andere bepalingen voor de verpakking van stoffen die dioxines of furanen bevatten.

Deze bepalingen mogen niet worden verruimd of strenger worden gemaakt. De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van deze nationale bepalingen. De Commissie stelt de andere Lid-Staten van die bepalingen in kennis.

Artikel 6

1. Iedere Lid-Staat kan het vervoer over de weg van overeenkomstig de internationale voorschriften inzake vervoer over zee of door de lucht ingedeelde, verpakte en gekenmerkte gevaarlijke goederen op zijn grondgebied toestaan wanneer het vervoer ook een traject over zee of door de lucht omvat.

2. De bepalingen in de bijlagen A en B die betrekking hebben op het gebruik van talen in de markering of de documenten gelden niet voor vervoer dat zich beperkt tot het grondgebied van één enkele Lid-Staat. Lid-Staten kunnen het gebruik van andere dan de in de bijlagen genoemde talen toestaan voor vervoer op hun grondgebied.

3. Iedere Lid-Staat kan op zijn grondgebied het gebruik toestaan van vóór 1 januari 1997 gebouwde voertuigen die niet aan de bepalingen van de richtlijn voldoen, maar waarvan de constructie in overeenstemming is met de voorschriften van de op 31 december 1996 geldende nationale wetgeving, mits de voertuigen zodanig worden onderhouden dat de desbetreffende veiligheidsniveaus in acht worden genomen.

4. Iedere Lid-Staat kan de tot en met 31 december 1996 bestaande nationale wetsbepalingen inzake de constructie, het gebruik en de voorwaarden voor het vervoer van nieuwe houders in de zin van randnummer 2212 van bijlage A en van nieuwe tanks die verschillen van de bepalingen van de bijlagen A en B handhaven totdat verwijzingen naar normen voor de constructie en het gebruik van tanks en houders worden opgenomen in de bijlagen A en B met een even bindend karakter als de bepalingen van deze richtlijn en uiterlijk tot en met 31 december 1998. Vóór 1 januari 1999 vervaardigde tanks en houders die zodanig worden onderhouden dat de desbetreffende veiligheidsniveaus in acht worden genomen, mogen onder de oorspronkelijke voorwaarden in gebruik blijven.

5. Iedere Lid-Staat mag ten aanzien van de referentietemperatuur voor het vervoer op zijn grondgebied van vloeibaar gas of mengsels van vloeibaar gas andere nationale bepalingen handhaven dan die welke in de bijlagen A en B zijn opgenomen totdat er bepalingen betreffende passende referentietemperaturen voor welbepaalde klimaatzones zijn opgenomen in de Europese normen en in de bijlagen A en B naar die normen wordt verwezen.

6. Iedere Lid-Staat kan voor vervoer op zijn grondgebied het gebruik van vóór 1 januari 1997 vervaardigde doch niet overeenkomstig die ADR-bepalingen gecertificeerde verpakkingen toestaan, mits op de verpakking de fabricagedatum is aangebracht, de verpakking de desbetreffende tests zou kunnen doorstaan waarin was voorzien in de tot en met 31 december 1996 geldende nationale wetgeving, en alle verpakkingen van dat type zodanig worden onderhouden dat de desbetreffende veiligheidsniveaus in acht worden genomen (waarbij zij waar nodig moeten worden getest en geïnspecteerd), overeenkomstig het volgende tijdschema: metalen transportcontainers voor bulkgoederen en metalen vaten met een inhoud van meer dan 50 liter: gedurende een periode van maximaal 15 jaar vanaf de fabricagedatum; andere metalen verpakkingen en alle plastic verpakkingen: gedurende een periode van maximaal vijf jaar vanaf de fabricagedatum, doch uiterlijk tot en met 31 december 1998.

7. Iedere Lid-Staat kan tot en met 31 december 1998 het vervoer op zijn grondgebied van sommige vóór 1 januari 1997 verpakte gevaarlijke goederen toestaan, mits die goederen ingedeeld, verpakt en gekenmerkt zijn overeenkomstig de eisen van de vóór 1 januari 1997 geldende nationale wetgeving.

8. Iedere Lid-Staat kan voor vervoer op zijn grondgebied met op zijn grondgebied geregistreerde voertuigen de tot en met 31 december 1996 in zijn nationale wetgeving geldende bepalingen handhaven met betrekking tot het aanbrengen van een noodmaatregelcode, in plaats van het randnummer volgens bijlage B.

9. Iedere Lid-Staat kan, na raadpleging van de Commissie, minder stringente bepalingen handhaven dan die welke in de bijlagen A en B bij deze richtlijn zijn opgenomen voor het vervoer van kleine hoeveelheden van bepaalde gevaarlijke goederen op zijn grondgebied, met uitzondering van middel- en hoogactieve stoffen.

10. Mits de veiligheid daar niet onder lijdt, kan iedere Lid-Staat toestemming verlenen voor tijdelijke afwijkingen van de bijlagen A en B, teneinde op zijn grondgebied proefnemingen te kunnen verrichten die nodig zijn om bepalingen van die bijlagen te kunnen wijzigen met het oog op de aanpassing ervan aan de technische en industriële ontwikkelingen. De Lid-Staat stelt de Commissie in kennis van de toegestane afwijkingen. De Commissie stelt de andere Lid-Staten van die afwijkingen in kennis.

De door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op basis van de randnummers 2010 en 10 602 van de bijlagen A en B overeengekomen tijdelijke afwijkingen moeten in de vorm van een multilaterale overeenkomst aan de bevoegde autoriteiten van alle Lid-Staten worden voorgelegd door de bevoegde autoriteit die het initiatief tot de overeenkomst neemt. De Commissie wordt daarvan in kennis gesteld.

Alle in de eerste twee alinea's bedoelde afwijkingen worden toegepast zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt naar nationaliteit of vestigingsplaats van de verzender, de vervoerder of de ontvanger, hebben een looptijd van maximaal vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar.

11. Iedere Lid-Staat kan toestemming geven voor eenmalig vervoer op zijn grondgebied van gevaarlijke goederen of voor vervoer dat verboden is op grond van de bijlagen A en B, dan wel vervoer dat wordt uitgevoerd onder voorwaarden die verschillen van die in de bijlagen A en B.

12. Onverminderd lid 2 kan iedere Lid-Staat gedurende een periode van maximaal twee jaar uiterlijk tot en met 31 december 1998, onder naleving van de ADR, met andere Lid-Staten gesloten overeenkomsten blijven toepassen, mits daarbij geen onderscheid naar nationaliteit of vestigingsplaats van de verzender, de vervoerder of de ontvanger wordt gemaakt. Andere afwijkingen als toegestaan bij de randnummers 2010 en 10 602 van de bijlagen A en B moeten voldoen aan de vereisten van lid 10.

Artikel 7

Behoudens nationale of communautaire bepalingen inzake de toegang tot de markt, mogen voertuigen die geregistreerd of in het verkeer toegelaten zijn in derde landen vervoer van gevaarlijke goederen verzorgen binnen de Gemeenschap indien dit vervoer voldoet aan de bepalingen van de ADR.

HOOFDSTUK III Slotbepalingen

Artikel 8

Alle wijzigingen die nodig zijn om de bijlagen A en B aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang op de door deze richtlijn bestreken gebieden, teneinde rekening te houden met wijzigingen in de bijlagen van de ADR, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 9.

Artikel 9

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité voor het vervoer van gevaarlijke goederen, hierna "Comité" te noemen, bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt over dit ontwerp advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan bepalen naar gelang van de urgentie van het vraagstuk. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. a) De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité.

b) Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad na verloop van een termijn van drie maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld.

Artikel 10

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtlijke bepalingen in werking treden om vóór 1 januari 1997 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 11

1. Richtlijn 89/684/EEG wordt met ingang van 1 januari 1997 ingetrokken.

2. Door de Lid-Staten krachtens artikel 4, lid 2, van genoemde richtlijn uitsluitend voor binnenlands vervoer afgegeven voorlopige certificaten blijven geldig tot en met 31 december 1996. Krachtens artikel 4, lid 4, van genoemde richtlijn afgegeven certificaten kunnen worden gebruikt tot het einde van de geldigheidsduur daarvan, maar uiterlijk tot 1 juli 1997 voor in tanks vervoerde gevaarlijke goederen en voor explosieven en tot 1 januari 2000 voor andere gevaarlijke goederen.

Artikel 12

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 21 november 1994.

Voor de Raad

De Voorzitter

M. WISSMANN

(1) PB nr. C 17 van 20. 1. 1994, blz. 6.

(2) PB nr. C 195 van 18. 7. 1994, blz. 15.

(3) Advies van het Europees Parlement van 3 mei 1994 (PB nr. C 205 van 25. 7. 1994, blz. 54), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 19 september 1994 (PB nr. C 301 van 27. 10. 1994, blz. 25) en besluit van het Europees Parlement van 17 november 1994 (nog niet in het Publikatieblad verschenen).

(4) PB nr. L 117 van 8. 5. 1990, blz. 1.

(5) PB nr. L 117 van 8. 5. 1990, blz. 15.

(6) PB nr. L 374 van 31. 12. 1990, blz. 1.

(7) PB nr. L 398 van 30. 12. 1989, blz. 33.

BIJLAGE A

Voorschriften met betrekking tot de gevaarlijke stoffen en voorwerpen

INHOUDSTAFEL VAN BIJLAGE A

Deel I: Definities en algemene voorschriften

Randnummers Bladzijde

Definities 2000 tot 2001 4

Algemene voorschriften 2002 tot 2099 6

Deel II: Opsomming van de stoffen en voorschriften eigen aan de onderscheidene klassen

Klasse 1 Ontplofbare stoffen en voorwerpen 2100 en volgende 15

Klasse 2 Samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen 2200 en volgende 52

Klasse 3 Brandbare vloeistoffen 2300 en volgende 76

Klasse 4.1 Brandbare vaste stoffen 2400 en volgende 102

Klasse 4.2 Voor zelfontbranding vatbare stoffen 2430 en volgende 121

Klasse 4.3 Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen 2470 en volgende 133

Klasse 5.1 Stoffen die de verbranding bevorderen 2500 en volgende 143

Klasse 5.2 Organische peroxiden 2550 en volgende 156

Klasse 6.1 Giftige stoffen 2600 en volgende 172

Klasse 6.2 Besmettelijke stoffen 2650 en volgende 204

Klasse 7 Radioaktieve stoffen 2700 en volgende 212

Klasse 8 Corrosieve stoffen 2800 en volgende 258

Klasse 9 Diverse gevaarlijke stoffen en voorwerpen 2900 en volgende 277

Deel III: Aanhangsels bij bijlage A

Aanhangsel A.1 A. Eisen betreffende de stabiliteit en de veiligheid van ontplofbare stoffen en voorwerpen, van genitreerde cellulosemengsels, van autoreactieve stoffen en van organische peroxiden 3000 en volgende 288

B. Bestand van de benamingen in randnummer 2101 3170 en volgende 295

Aanhangsel A.2 Voorschriften betreffende de eigenschappen van recipiënten in aluminiumlegeringen voor bepaalde gassen van klasse 2; voorschriften betreffende de materialen en de constructie van recipiënten, bestemd voor het vervoer van de sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen van klasse 2; voorschriften betreffende de beproevingen van de spuitbussen en gaspatronen van cijfer 10 en 11 van klasse 2 3200 en volgende 307

Aanhangsel A.3 A. Testen met betrekking tot de brandbare vloeistoffen van de klassen 3, 6.1 en 8 (test voor de bepaling van het vlampunt, test voor de bepaling van het peroxidegehalte, test voor de bepaling van de brandbaarheid) 3300 en volgende 315

B. Test voor het bepalen van de vloeibaarheid 3310 en volgende 319

C. Testen voor de brandbare vaste stoffen van klasse 4.1 3320 en volgende 321

D. Testen met betrekking tot de voor zelfontbranding vatbare stoffen 3330 en volgende 324

E. Test met betrekking tot de stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen van klasse 4.3 3340 en volgende 325

F. Test met betrekking tot de vaste stoffen die de verbranding bevorderen van klasse 5.1 3350 en volgende 326

G. Testen voor het bepalen van de giftigheid voor het milieu, de bestendigheid en de bioaccumulatie van de stoffen in het watermilieu, met het oog op hun indeling bij klasse 9 3390 en volgende 327

Aanhangsel A.4 Voorbehouden 3400 en volgende 331

Aanhangsel A.5 Algemene verpakkingsvoorschriften, verpakkingstypes, eisen gesteld aan de verpakkingen en beproevingsvoorschriften voor de verpakkingen 3500 en volgende 331

Aanhangsel A.6 Algemene voorschriften voor het gebruik van grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), types van IBC's, eisen met betrekking tot de constructie van de IBC's en voorschriften inzake de proeven op de IBC's 3600 en volgende 368

Aanhangsel A.7 Voorschriften die betrekking hebben op de radioaktieve stoffen van klasse 7 3700 en volgende 392

Aanhangsel A.8 Voorbehouden 3800 en volgende 419

Aanhangsel A.9 Voorschriften betreffende de gevaarsetiketten; verklaring van de afbeeldingen; modellen van de etiketten 3900 en volgende 419

DEEL I

DEFINITIES EN ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

Definities

2000 (1) In onderhavige bijlage verstaat men onder:

- "bevoegde overheid", de dienst die - in elk land en voor elk bijzonder geval - als dusdanig door de regering werd aangeduid;

- "breekbare colli", colli die breekbare recipiënten bevatten (t.t.z. uit glas, porselein, aardewerk, of soortgelijke materialen), als die recipiënten niet in een verpakking met volle wanden geplaatst zijn die hen op afdoende wijze tegen schokken beschermt [zie ook randnummer 2001 (7)];

- "gassen", gassen en dampen;

- "gevaarlijke stoffen", zonder nadere aanduiding, de stoffen en voorwerpen die aangeduid worden als zijnde stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn;

- "losgestort vervoer", het vervoer van een vaste stof zonder verpakking;

- "RID", het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen [bijlage I bij bijvoegsel B (Uniforme regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen - CIM) aan de OTIF (Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer)].

(2) In onderhavige bijlage worden tanks (zie de definities in bijlage B) niet zonder meer als recipiënten beschouwd, aangezien de term "recipiënt" in beperkende zin gebezigd is. De voorschriften betreffende de recipiënten zijn slechts op vaste tanks, batterijen van recipiënten, afneembare tanks en laadketels van toepassing indien zulks uitdrukkelijk wordt vermeld.

(3) De uitdrukking "wagenlading" omschrijft een lading die afkomstig is van één enkele afzender, waar exclusief een voertuig of een grote laadkist voor wordt gebruikt, en waarvan alle laad- en losoperaties volgens de instructies van de afzender of van de ontvanger worden uitgevoerd.

(4) In het deze Richtlijn verstaat men onder een "n.e.g." (niet elders genoemd) rubriek, een collectieve rubriek waarbij stoffen, mengsels, oplossingen of voorwerpen kunnen ingedeeld worden die:

a) niet met name genoemd zijn bij de cijfers van de opsomming van de stoffen, en

b) scheikundige, fysische en/of gevaarlijke eigenschappen bezitten die overeenstemmen met de klasse, het cijfer, de letter en de benaming van de "n.e.g." rubriek.

(5) Afvalstoffen zijn stoffen, oplossingen, mengsels of voorwerpen die niet bruikbaar zijn in de toestand waarin ze zich bevinden, maar die vervoerd worden om opnieuw behandeld te worden, om op een stortplaats gedeponeerd te worden of om door verbranding of door middel van een andere methode geëlimineerd te worden.

2001 >RUIMTE VOOR DE TABEL>

De decimale veelvouden en onderverdelingen van een eenheid kunnen weergegeven worden door de volgende voorvoegsels of symbolen vóór de naam of het symbool van de eenheid te plaatsen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(2) Wanneer in onderhavige bijlage en in bijlage B het woord "gewicht" voorkomt, wordt hiermee de massa bedoeld.

(3) Wanneer in onderhavige bijlage en in bijlage B het gewicht van de colli vermeld wordt, is dit - behoudens andersluidende vermelding - hun brutomassa. De massa van laadkisten of tanks die voor het vervoer van goederen gebruikt worden is niet begrepen in de brutomassa's.

(4) Behalve wanneer uitdrukkelijk anders wordt vermeld stelt het teken "%" in onderhavige bijlage en in bijlage B het volgende voor:

a) voor mengsels van vaste stoffen of vloeistoffen, voor oplossingen en voor met een vloeistof bevochtigde vaste stoffen: de verhouding van de massa van één of meer componenten ten opzichte van de totale massa van het mengsel, van de oplossing of van de bevochtigde stof, uitgedrukt in procent;

b) voor mengsels van samengeperste gassen: de verhouding van het volume van één of meer componenten t.o.v. het totaal volume van het gasmengsel, uitgedrukt in procent; voor mengsels van vloeibaar gemaakte gassen en onder druk opgeloste gassen: de verhouding van de massa van één of meer componenten t.o.v. de totale massa van het mengsel, uitgedrukt in procent.

(5) De diverse drukken in verband met de recipiënten (bijvoorbeeld de proefdruk, de inwendige druk, de openingsdruk van veiligheidskleppen) worden steeds als manometerdruk gegeven (overdruk t.o.v. de atmosferische druk); de dampspanning daarentegen is steeds de absolute druk.

(6) Wanneer in onderhavige bijlage en in bijlage B een vullingsgraad voor de recipiënten of de tanks voorzien wordt, dan slaat deze altijd op stoffen met een temperatuur van 15 °C, voor zover er geen andere temperatuur opgegeven is.

(7) De breekbare recipiënten, die afzonderlijk of in groep met tussenvoeging van vulmiddelen in een stevig recipiënt geplaatst zijn, worden niet als breekbaar beschouwd indien het stevig recipiënt waterdicht is en dusdanig ontworpen dat bij breuk of lek van breekbare recipiënten hun inhoud zich niet buiten het stevig recipiënt kan verspreiden en diens mechanische weerstand niet verminderd wordt door de corrosie tijdens het vervoer.

(8) De volgende benaderende omzettingen mogen gebruikt worden tot de SI-eenheden integraal in de teksten van het ADR ingevoerd zijn:

1 kg/mm2 = 10 N/mm2

1 kg/cm2 = 1 bar.

Algemene voorschriften

2002 (1) In onderhavige bijlage wordt aangegeven welke gevaarlijke goederen van het internationaal vervoer over de weg zijn uitgesloten en welke gevaarlijke goederen er onder bepaalde voorwaarden tot zijn toegelaten.

De gevaarlijke goederen zijn er gerangschikt in open en in gesloten klassen. Van de gevaarlijke goederen die beoogd worden door de titel van de gesloten klassen (klassen 1, 2 en 7) zijn diegene welke opgesomd zijn in de bepalingen betreffende deze klassen (randnummers 2101, 2201 en 2701) slechts tot het vervoer toegelaten wanneer de voorschriften van deze bepalingen nageleefd worden; de andere goederen mogen niet vervoerd worden. Bepaalde gevaarlijke goederen die beoogd worden door de titel van de open klassen (klassen 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2, 8 en 9) zijn van het vervoer uitgesloten op grond van de in de verschillende klassen ingelaste opmerkingen; van de andere goederen die door de titel van de open klassen beoogd worden, mogen degene welke opgesomd zijn in de bepalingen betreffende deze klassen (randnummers 2301, 2401, 2431, 2471, 2501, 2551, 2601, 2651, 2801 en 2901) slechts vervoerd worden wanneer de voorschriften van deze bepalingen nageleefd worden; degene die er niet opgesomd zijn en er niet vallen onder een collectieve rubriek, worden niet als gevaarlijke goederen beschouwd in de zin van onderhavig Verdrag en zijn zonder bijzondere voorwaarden tot het vervoer toegelaten.

(2) De klassen van onderhavige bijlage zijn de volgende:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(3) Elk vervoer van goederen dat door onderhavige bijlage wordt gereglementeerd, moet vergezeld zijn van volgende twee dokumenten:

a) een vervoerdocument dat ten minste de volgende gegevens bevat (zie ook randnummer 2709 voor klasse 7):

- de omschrijving van de goederen, met inbegrip van het identificatienummer van de stof (indien er een bestaat) ();

- de klasse ();

- het volgnummer in de opsomming en de eventuele letter ();

- de afkorting ADR of RID ();

- het aantal colli of grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC) en hun beschrijving;

- de totale hoeveelheid gevaarlijke goederen (in volume of in bruto- of netto massa, en - voor de ontplofbare stoffen en voorwerpen van de klasse 1 - bovendien de totale netto massa van de vervatte explosieve stoffen).

Opmerkingen: 1. Deze informatie wordt niet vereist voor lege, niet gereinigde verpakkingen, laadkisten of tanks.

2. Wanneer randnummer 10011 toegepast wordt dienen per transporteenheid de bruto massa's van de vervoerde gevaarlijke goederen aangegeven te worden.

- de naam en het adres van de afzender;

- de naam en het adres van de bestemmeling(en);

- een verklaring overeenkomstig de bepalingen van elk eventueel bilateraal akkoord.

Het document dat bovenvermelde inlichtingen bevat mag datgene zijn dat vereist wordt door andere voorschriften die op andere vervoerswijzen van kracht zijn. De afzender dient deze gegevens schriftelijk aan de vervoerder mede te delen.

De in het vervoerdocument te vermelden aanduidingen moeten in een officiële taal van het land van verzending gesteld zijn en daarenboven in het Frans, het Engels of het Duits indien de officiële taal geen van de drie genoemde is; dit tenzij internationale tarieven betreffende het wegvervoer, indien er bestaan, of overeenkomsten tussen de bij het vervoer betrokken landen anders bepalen.

b) de schriftelijke richtlijnen bij ongevallen (zie randnummer 10385 van bijlage B), behalve in geval van vrijstelling op basis van randnummer 10011.

(4) Als een zending omwille van zijn omvang niet in één enkele transporteenheid kan worden geladen, moeten op zijn minst evenveel afzonderlijke vervoerdocumenten of afschriften van het enig vervoerdocument opgemaakt worden als er transporteenheden werden beladen. Voor zendingen of gedeelten van zendingen, die omwille van de samenladingsverboden in bijlage B niet in éénzelfde voertuig mogen geladen worden, dienen daarenboven steeds afzonderlijke vervoerdocumenten te worden opgemaakt.

(5) Extra buitenverpakkingen mogen gebruikt worden samen met deze die in onderhavige bijlage zijn voorgeschreven; dit voor zover deze niet strijdig zijn met de geest van de voorschriften van onderhavige bijlage betreffende de buitenverpakkingen. Indien dergelijke extra buitenverpakkingen gebruikt worden, moeten de voorgeschreven opschriften en etiketten hierop aangebracht zijn.

(6) Indien de bepalingen van hoofdstuk A.3 van de voorschriften eigen aan de diverse klassen de gezamenlijke verpakking van verscheidene gevaarlijke stoffen onderling of met andere goederen toelaten, en de beschadiging of vernietiging van binnenverpakkingen gevaarlijke reacties (zoals een gevaarlijke warmteontwikkeling, ontbranding, vorming van voor wrijving of schokken gevoelige mengsels, vrijkomen van brandbare of giftige gassen) kunnen doen optreden, moeten de binnenverpakkingen, die verschillende gevaarlijke stoffen bevatten, zorgvuldig en doeltreffend van elkaar gescheiden worden in de gezamenlijke buitenverpakking. Vooral wanneer breekbare recipiënten worden gebruikt en speciaal indien deze recipiënten vloeistoffen bevatten, is het van belang om het risico van gevaarlijke mengsels te vermijden en moeten hiertoe alle noodzakelijke maatregelen worden genomen, zoals het gebruik van voldoende hoeveelheden geschikte vulmiddelen, het vastzetten van de recipiënten in een stevige tweede verpakking, het onderverdelen van de gezamenlijke buitenverpakking in verscheidene compartimenten. Zie randnummer 3711 van aanhangsel A.7 voor gezamenlijke verpakking van stoffen van de klasse 7.

(7) Indien een gezamenlijke verpakking wordt gebruikt, zijn de voorschriften van onderhavige bijlage betreffende de vermeldingen in het vervoerdocument van toepassing op alle gevaarlijke stoffen met een verschillende benaming die in de gezamenlijke buitenverpakking voorkomen, en moet de buitenverpakking alle opschriften en gevaarsetiketten dragen die door de bepalingen van onderhavige bijlage voorgeschreven zijn voor de gevaarlijke stoffen die ze bevat.

(8) De hiernavolgende bepalingen zijn van toepassing op stoffen, oplossingen en mengsels [zoals preparaten en afvalstoffen ()] die niet uitdrukkelijk vernoemd zijn in de opsommingen van de stoffen van de verschillende klassen:

Opmerkingen: 1. Oplossingen en mengsels bevatten ten minste twee componenten. Deze componenten kunnen stoffen van deze Richtlijn zijn, of stoffen die niet onderworpen zijn aan de voorschriften van het deze Richtlijn.

2. De oplossingen en mengsels, waarvan één of meer componenten door de titel van een gesloten klasse beoogd worden, mogen slechts vervoerd worden indien deze componenten uitdrukkelijk vernoemd worden in de opsomming van de stoffen van de gesloten klasse.

3. Oplossingen en mengsels met een specifieke activiteit van meer dan 70 kBq/kg (2nCi/g) zijn stoffen van klasse 7 [zie randnummer 2700 (1)].

a) Een oplossing of een mengsel, samengesteld uit een gevaarlijke stof die met name vernoemd is in het deze Richtlijn en uit één of meerdere niet gevaarlijke stoffen, moet aanzien worden als de met name vernoemde gevaarlijke stof, tenzij:

1. de oplossing of het mengsel elders in deze Richtlijn als dusdanig opgesomd is; of

2. uit de aanduidingen bij het cijfer waarbij deze gevaarlijke stof ingedeeld is uitdrukkelijk blijkt dat het enkel gebruikt kan worden voor de zuivere of technisch zuivere stof, of

3. de klasse, fysische toestand of verpakkingsgroep (letter) van de oplossing of van het mengsel verschillen van die van de gevaarlijke stof.

Bij dergelijke oplossingen en mengsels moeten dan de woorden "in oplossing" of "mengsel met" toegevoegd worden aan de benaming in het vervoerdocument terwille van de precisie in de omschrijving (bijvoorbeeld: "aceton in oplossing").

Indien de klasse, fysische toestand of verpakkingsgroep verschilt van die van de zuivere stof, moet de oplossing of het mengsel ingedeeld worden bij een gepaste n.e.g. rubriek, in functie van de gevaarsgraad.

b) De stoffen die verscheidene gevaarlijke eigenschappen bezitten en de oplossingen en mengsels, waarvan meerdere componenten onderworpen zijn aan het RID, moeten op basis van hun gevaarlijke eigenschappen bij een cijfer of een letter van de passende klasse gerangschikt worden. Deze klassificatie op basis van de gevaarlijke eigenschappen wordt als volgt doorgevoerd:

1.1 De fysische, chemische en fysiologische eigenschappen worden bepaald via meting of berekening, en klassificatie vindt plaats op basis van de criteria eigen aan de verschillende klassen.

1.2 Indien deze bepaling disproportionele kosten of arbeid vereist (bijvoorbeeld voor bepaalde afvalstoffen), moeten de oplossingen of mengsels gerangschikt worden bij de klasse van de component die het belangrijkste gevaar oplevert.

2. Indien een stof verscheidene gevaarlijke eigenschappen bezit of een mengsel of een oplossing meerdere componenten bevat van de hieronder vernoemde klassen of groepen, moet hij/zij gerangschikt worden bij de klasse of bij de groep die het belangrijkste gevaar oplevert.

2.1 Indien er geen overwegend gevaar aan te wijzen valt, wordt geklasseerd op basis van de hiernavolgende rangorde van belangrijkheid:

- stoffen en voorwerpen van klasse 1;

- stoffen en voorwerpen van klasse 2;

- autoreactieve en aanverwante stoffen en ontplofbare stoffen in niet-ontplofbare toestand (bevochtigde of geflegmatiseerde ontplofbare stoffen) van klasse 4.1;

- pyrofore stoffen van klasse 4.2;

- stoffen van klasse 5.2;

- de stoffen van klasse 6.1 of van klasse 3 die op basis van hun giftigheid bij het inademen bij de letter a) van de verschillende cijfers moeten ingedeeld worden, behalve de stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen) die voldoen aan de classificatiecriteria van klasse 8 en een giftigheid bij het inademen van stofdeeltjes of mist (LC50) bezitten die overeenstemt met groep a), terwijl hun giftigheid bij het inslikken of bij opname via de huid slechts overeenstemt met groep c) of nog geringer is. Deze stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen) moeten ingedeeld worden bij klasse 8;

- besmettelijke stoffen van klasse 6.2.

2.2 Indien er gevaarlijke eigenschappen eigen zijn aan meerdere klassen of groepen die niet in 2.1 vernoemd zijn, moeten de stoffen, mengels of oplossingen ingedeeld worden bij de klasse of bij de groep die het belangrijkste gevaar oplevert.

2.3 Indien er geen overwegend gevaar aan te wijzen valt, moet de stof, de oplossing of het mengsel als volgt geklasseerd worden:

2.3.1 De indeling bij een klasse vindt plaats op basis van de verschillende gevaarlijke eigenschappen of van de verschillende componenten, overeenkomstig de hiernavolgende tabel. Voor de klassen 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8 en 9 moet men rekening houden met de gevaarsgraad, die met de letter a), b) of c) van de onderscheiden cijfers wordt aangegeven [zie randnummers 2300 (3), 2400 (3), 2430 (3), 2470 (3), 2500 (3), 2600 (1), 2800 (1) en 2900].

Opmerkingen: Voorbeeld van gebruik van de tabel

Beschrijving van het mengsel

Mengsel bestaande uit een brandbare vloeistof van klasse 3, ingedeeld bij de letter c) van een cijfer, uit een giftige stof van klasse 6.1, ingedeeld bij de letter b) van een cijfer, en uit een corrosieve stof van klasse 8, ingedeeld bij de letter a) van een cijfer.

Werkwijze

Het snijpunt van rij 3 c) en kolom 6.1 b) geeft 6.1 b). Het snijpunt van rij 6.1 b) en kolom 8 a) geeft 8 a). Het mengsel moet dus ingedeeld worden bij klasse 8, bij de letter a) van een passend cijfer.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2.3.2 Indeling bij een n.e.g. rubriek van een cijfer van de klasse, die - op basis van de gevaarlijke eigenschappen van de verschillende componenten van de oplossing of het mengsel - via de procedure van punt 2.3.1 werd bepaald. De indeling bij een algemene n.e.g. rubriek is slechts toegelaten wanneer de indeling bij een welomschreven n.e.g. rubriek niet mogelijk is.

Opmerkingen: Voorbeelden van het indelen van mengsels en oplossingen bij de klassen en de cijfers:

Een oplossing van fenol van klasse 6.1, 14°b) in benzeen van klasse 3, 3°b) is te rangschikken bij een letter b) van klasse 3; deze oplossing moet ingedeeld worden bij de rubriek 1992. brandbare vloeistof, giftig, n.e.g. van klasse 3, 19°b) omwille van de giftigheid van fenol.

Een vast mengsel van natriumarseniaat van klasse 6.1, 51°b) en natriumhydroxide van klasse 8, 41°b), moet ingedeeld worden bij de rubriek 1557. arseenverbinding, vast, n.e.g. van klasse 6.1, 51°b).

Een oplossing van naftaline (ruw of geraffineerd) van klasse 4.1, 6°c) in benzine van klasse 3, 3°b) moet ingedeeld worden bij de rubriek 3295. koolwaterstoffen, vloeibaar, n.e.g. van klasse 3, 3°b).

Een mengsel van koolwaterstoffen van klasse 3, 31°c) en gepolychloreerde bifenylen (PCB) van klasse 9, 2°b) moet ingedeeld worden bij de rubriek 2315. gepolychloreerde bifenylen (PCB's) van klasse 9, 2°b).

Een mengsel van propyleenimine van klasse 3, 12° en gepolychloreerde bifenylen (PCB's) van klasse 9,2°b) moet ingedeeld worden bij de rubriek 1921. propyleenimine van klasse 3, 12°.

(9) De verzender moet - ofwel in het vervoerdocument ofwel in een afzonderlijke verklaring die in dit document is opgenomen of er aan is vastgehecht - bevestigen dat de aangeboden stof volgens de bepalingen van deze Richtlijn over de weg mag vervoerd worden en dat haar toestand, haar conditionering en desgevallend de verpakking, het groot recipient voor losgestort vervoer of de laadketel en de etikettering conform zijn aan de voorschriften van deze Richtlijn. Wanneer meerdere goederen gezamenlijk verpakt zijn in éénzelfde buitenverpakking of in éénzelfde laadkist, moet de verzender bovendien verklaren dat deze gezamenlijke verpakking niet verboden is.

(10) Een niet-radioactieve stof [zie de definitie van radioactieve stoffen in randnummer 2700 (1)], die onder een collectieve rubriek van om het even welke klasse valt, mag niet vervoerd worden indien ze tevens door de titel van een gesloten klasse beoogd wordt waarin ze niet met name wordt genoemd.

(11) Een niet-radioactieve stof [zie de definitie van radioactieve stoffen in randnummer 2700(1)], die in geen enkele klasse met name wordt genoemd maar die onder twee of meer collectieve rubrieken van verschillende klassen valt, is onderworpen aan de vervoersvoorwaarden:

a) van de gesloten klasse, indien één van de bewuste klassen een gesloten klasse is;

b) van de klasse die overeenstemt met het overheersend gevaar dat de stof tijdens het vervoer oplevert, indien geen van de bewuste klassen een gesloten klasse is.

(12) Een radioaktieve stof met een specifieke activiteit van meer dan 70 kBq/kg (2 nCi/g) die:

a) voldoet aan de vervoerscriteria van fiche 1 van klasse 7 en

b) gevaarlijke eigenschappen bezit die beoogd worden door de titel van één of meerdere andere klassen,

mag niet vervoerd worden, indien ze beoogd wordt door de titel van een gesloten klasse waarin ze niet is vermeld.

(13) Een radioaktieve stof met een specifieke activiteit van meer dan 70 kBq/kg (2 nCi/g) en die:

a) voldoet aan de vervoerscriteria van fiche 1 van klasse 7 en

b) gevaarlijke eigenschappen bezit die beoogd worden door de titel van één of meerdere andere klassen

moet niet alleen voldoen aan de voorschriften van fiche 1 van klasse 7, maar is ook onderworpen aan de vervoersvoorwaarden beschreven:

- in de gesloten klasse, indien één van de betrokken klassen een gesloten klasse is en de stof er in opgesomd is, of

- in de klasse die overeenstemt met het overheersend gevaar van de stof tijdens het vervoer, indien geen van de betrokken klassen een gesloten klasse is.

(14) De stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen) die niet ingedeeld kunnen worden bij de klassen 1 tot 8 of bij klasse 9, 1° tot 8°, 13° en 14°, maar die wel kunnen ingedeeld worden bij klasse 9, 11° en 12° op basis van de beproevingsmethodes en criteria overeenkomstig randnummers 3390 tot 3396 in afdeling G van aanhangsel A.3, worden - voor wat deze Richtlijn betreft - aanzien als bezoedelende stoffen voor het watermilieu.

De oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen), waarvoor de waarden die nodig zijn voor de indeling overeenkomstig de classificatiecriteria niet beschikbaar zijn, worden aanzien als bezoedelende stoffen voor het watermilieu indien de LC50 waarde (), die met behulp van volgende formule wordt berekend:

LC50 = >NUM>LC50 van de bezoedelende stof x 100

>DEN>massa P % van de bezoedelende stof

kleiner of gelijk is aan:

a) 1 mg/l,

b) 10 mg/l voor niet snel afbreekbare bezoedelende stoffen of voor afbreekbare bezoedelende stoffen met log Pow ≥ 3,0.

Opmerkingen: Op de stoffen van klasse 1 tot 8 en van klasse 9, 1° tot 8°, 13° en 14°, die volgens de criteria van randnummers 339 tot 3396 in afdeling G van aanhangsel A.3 bezoedelende stoffen voor het watermilieu zijn, is geen enkele bijkomende vervoersvoorwaarde van toepassing.

2003 (1) Onderhavige bijlage bevat voor iedere klasse, behalve voor klasse 7:

a) de opsomming van de gevaarlijke stoffen van de klasse en desgevallend, in een randnummer waaraan een "a" is toegevoegd, de vrijstellingen van de bepalingen van deze Richtlijn welke voor bepaalde stoffen voorzien worden indien ze aan bepaalde voorwaarden voldoen;

b) voorschriften die als volgt ingedeeld zijn:

A. Colli:

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

2. Individuele verpakkingsvoorschriften voor de stoffen en voorwerpen

3. Gezamenlijke verpakking

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli

B. Vermeldingen in het vervoerdocument

C. Lege verpakkingen

D. (Desgevallend) andere voorschriften of bepalingen

(2) De bepalingen betreffende:

- losgestorte zendingen en zendingen in laadkisten en in tanks,

- de wijze van verzending en de beperkende bepalingen betreffende de verzending,

- de samenladingsverboden,

- het vervoersmaterieel

bevinden zich in bijlage B en in haar aanhangsels; deze bevatten bovendien alle andere nuttige bepalingen die eigen zijn aan het wegvervoer.

(3) De vervoersvoorschriften die van toepassing zijn op klasse 7 zijn gebundeld onder de vorm van fiches die volgende rubrieken omvatten:

1. Stoffen

2. Verpakking/collo

3. Maximum stralingsdosistempo voor de colli

4. Besmetting op de colli, de wagens, de containers, de tankwagens, de laadketels en de oververpakkingen

5. Ontsmetting en gebruik van de voertuigen en hun uitrusting en elementen

6. Samen verpakken

7. Samen laden

8. Signalisatie en gevaarsetiketten op de colli, de containers, de tankwagens, de laadketels en de oververpakkingen

9. Gevaarsetiketten op de voertuigen die geen tankwagens zijn

10. Vervoerdokumenten

11. Opslag en verzending

12. Vervoer van colli, containers, tankwagens, laadketels en oververpakkingen

13. Andere bepalingen

(4) De aanhangsels bij onderhavige bijlage bevatten:

Aanhangsel A.1: voorwaarden betreffende de stabiliteit en de veiligheid van ontplofbare stoffen en voorwerpen, van genitreerde cellulosemengsels, van autoreactieve stoffen en van organische peroxiden, evenals een bestand met de benamingen van randnummer 2101.

Aanhangsel A.2: voorschriften betreffende de eigenschappen van recipinten in aluminiumlegeringen voor bepaalde gassen van klasse 2; voorschriften betreffende de materialen en de constructie van recipiënten bestemd voor het vervoer van de sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen van klasse 2; voorschriften betreffende de beproevingen van de spuitbussen en gaspatronen van 10° en 11° van klasse 2.

Aanhangsel A.3: de testen met betrekking tot de brandbare vloeistoffen van de klassen 3, 6.1 en 8 (test voor de bepaling van het vlampunt, test voor de bepaling van het peroxidegehalte, test voor de bepaling van de brandbaarheid); de test voor het bepalen van de vloeibaarheid; de testen met betrekking tot de brandbare vaste stoffen van klasse 4.1; de testen met betrekking tot de voor zelfontbranding vatbare stoffen van klasse 4.2; de test met betrekking tot de stoffen die in conctact met water brandbare gassen ontwikkelen van klasse 4.3; de test met betrekking tot de vaste stoffen die de verbranding bevorderen van klasse 5.1; de testen voor het bepalen van de giftigheid voor het milieu, de bestendigheid en de bioaccumulatie van de stoffen in het watermilieu, met het oog op hun indeling bij klasse 9.

Aanhangsel A.5: algemene verpakkingsvoorschriften, verpakkingstypes, eisen gesteld aan de verpakkingen en beproevingsvoorschriften voor de verpakkingen;

Aanhangsel A.6: de algemene gebruiksvoorwaarden voor grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC), IBC-types, constructieeisen voor de IBC's en beproevingsvoorschriften voor de IBC's;

Aanhangsel A.7: voorschriften die betrekking hebben op de radioactieve stoffen van klasse 7;

Aanhangsel A.9: Voorschriften betreffende de gevaarsetiketten en verklaring van de afbeeldingen;

De aanhangsels A.4 en A.8 zijn voorbehouden.

2004

2005 Wanneer de bepalingen met betrekking tot het vervoer als "wagenlading" toegepast worden, kunnen de bevoegde overheden eisen dat het voertuig of de grote laadkist, die voor het desbetreffend vervoer wordt gebruikt, slechts op één enkele plaats mag worden geladen en slechts op één enkele plaats mag worden gelost.

2006 (1) Op een voertuig, dat een transport uitvoert hetwelk onderworpen is aan de voorschriften van deze Richtlijn en dat over een gedeelte van het traject op een andere manier wordt voortbewogen dan door middel van motortractie over de weg, zijn tijdens dit trajectgedeelte enkel de nationale of internationale voorschriften van toepassing die er eventueel gelden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen via de vervoerswijze die voor de voortbeweging van het voertuig wordt gebezigd.

(2) Indien een wegtransport, dat onderworpen is aan de voorschriften van deze Richtlijn, over zijn gehele reisweg of een gedeelte daarvan ook onderworpen is aan de bepalingen van een internationale overeenkomst die een andere vervoerswijze van gevaarlijke goederen regelt dan over de weg - op grond van bepalingen van die overeenkomst die haar toepassingsgebied uitbreiden tot bepaalde domeinen van het wegvervoer - zijn de voorschriften van die overeenkomst op het betrokken traject van toepassing samen met de bepalingen van deze Richtlijn die met deze laatste niet strijdig zijn; de andere voorschriften van deze Richtlijn gelden niet op het desbetreffend traject.

2007 Colli, met inbegrip van de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), die niet volledig voldoen aan de voorschriften van deze Richtlijn betreffende de verpakking, de gezamenlijke verpakking en de etikettering, maar die wel beantwoorden aan de voorschriften voor het zeeof luchtvervoer van gevaarlijke goederen (), mogen vervoerd worden indien het transport voorafgaat aan- of volgt op een zee- of luchttraject en indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) indien de etikettering van de colli of van de IBC's niet beantwoordt aan de voorschriften van deze Richtlijn moet ze beantwoorden aan de bepalingen voor het zee- of luchtvervoer ();

b) voor de gezamenlijke verpakking in éénzelfde collo zijn de bepalingen voor het zee- of luchtvervoer () van toepassing;

c) buiten de door deze Richtlijn voorgeschreven vermeldingen moet ook de volgende verklaring op het vervoerdocument voorkomen: "Vervoer op basis van randnummer 2007 van het ADR".

2008-

2009

2010 Teneinde de nodige proefnemingen te kunnen verrichten die nodig zijn om de bepalingen van onderhavige bijlage aan te passen aan de technische en industriële evolutie, kunnen de bevoegde overheden der staatsleden rechtstreeks met elkaar overeenkomen om op hun grondgebied tijdelijk bepaalde transporten toe te staan die afwijken van de bepalingen van onderhavige bijlage. De geldigheidsduur van de tijdelijke afwijking bedraagt ten hoogste vijf jaar, te rekenen vanaf de datum dat ze van kracht wordt. De tijdelijke afwijking wordt automatisch afgeschaft vanaf de dag dat een overeenkomstige wijziging aan onderhavig aanhangsel van kracht wordt.

2011-

2099

DEEL II

OPSOMMING VAN DE STOFFEN EN VOORSCHRIFTEN EIGEN AAN DE ONDERSCHEIDENE KLASSEN

KLASSE 1 ONTPLOFBARE STOFFEN EN VOORWERPEN

1. Opsomming van de stoffen en voorwerpen

2100 (1) Van de stoffen en voorwerpen, die door de titel van klasse 1 beoogd worden, mogen enkel diegene welke in randnummer 2101 opgesomd zijn of diegene welke vallen onder een n.e.g. rubriek van dat randnummer vervoerd worden. Deze stoffen en voorwerpen mogen slechts vervoerd worden indien voldaan wordt aan de voorwaarden vastgesteld in de randnummers 2100 (2) tot 2116, in aanhangsel A.1 en in bijlage B, en zijn derhalve stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn.

(2) Stoffen en voorwerpen in de zin van klasse 1 zijn:

a) - Ontplofbare stoffen: vaste of vloeibare stoffen (of mengsels van stoffen) die door een scheikundige reactie gassen kunnen ontwikkelen met een zodanige temperatuur, druk en snelheid dat schade kan worden aangericht aan de omgeving.

- Pyrotechnische stoffen: stoffen of mengsels van stoffen, bestemd om ten gevolge van niet-detonatieve, zichzelf onderhoudende exotherme scheikundige reacties een warmte-, licht-, geluids-, gas- of rookeffect te veroorzaken, of een combinatie van dergelijke effecten.

Opmerkingen: 1. Ontplofbare stoffen die buitengewoon gevoelig zijn of die onderhevig kunnen zijn aan een spontane reactie, mogen niet vervoerd worden.

2. Stoffen die zelf geen ontplofbare stoffen zijn, maar die een ontplofbaar gas-, damp- of stofmengsel kunnen vormen, zijn geen stoffen van Klasse 1.

3. Uitgezonderd zijn ook de met water of alcohol bevochtigde ontplofbare stoffen, waarvan het water- of alcoholgehalte de in randnummer 2101 aangegeven grenswaarden overschrijdt, en deze die plastificerende stoffen bevatten - deze ontplofbare stoffen zijn ingedeeld bij klasse 4.1 (randnummer 2401, 20°, 21° en 24°) - evenals de ontplofbare stoffen die op basis van hun hoofdgevaar ingedeeld zijn bij klasse 5.2.

b) Ontplofbare voorwerpen: voorwerpen die een of meerdere ontplofbare en/of pyrotechnische stoffen bevatten.

Opmerking: Toestellen die ontplofbare en/of pyrotechnische stoffen bevatten in een zodaniggeringe hoeveelheid of van een zodanige aard dat buiten het toestel geen merkbare gevolgen (zoals scherfwerking, vuur, rook, warmte of een hard geluid) optreden wanneer ze gedurende het vervoer door onachtzaamheid of per ongeluk tot ontsteking komen, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van klasse 1.

c) Stoffen en voorwerpen die niet bij a) of b) vermeld worden en die vervaardigd (vervolg) zijn om een praktisch effect door explosie te verkrijgen of voor pyrotechnische doeleinden.

(3) De ontplofbare stoffen en voorwerpen moeten ofwel bij één van de benamingen van randnummer 2101 ingedeeld worden - op basis van de beproevingsmethodes voor de bepaling van de explosieve eigenschappen en van de classificatieprocedures aangegeven in aanhangsel A.1 - en voldoen aan de aan deze benaming verbonden voorwaarden, ofwel ingedeeld worden bij een n.e.g. rubriek van randnummer 2101 op basis van deze beproevingsmethodes en deze classificatieprocedures.

De indeling van niet met name genoemde stoffen en voorwerpen bij een n.e.g. rubriek moet verricht worden door de bevoegde overheid van het land van herkomst.

De stoffen en voorwerpen die ingedeeld zijn bij een n.e.g. rubriek mogen slechts vervoerd worden mits de bevoegde overheid van het land van herkomst hiermee akkoord gaat en onder de voorwaarden die door deze overheid vastgesteld worden.

Het akkoord moet schriftelijk gegeven worden.

(4) Stoffen en voorwerpen van klasse 1, met uitzondering van de ongereinigde lege verpakkingen van 51°, moeten bij een subklasse ingedeeld worden volgens paragraaf (6) van onderhavig randnummer, en bij een compatibiliteitsgroep volgens paragraaf (7) van onderhavig randnummer. De subklasse moet vastgesteld worden op basis van de resultaten van de in aanhangsel A.1 beschreven beproevingen, door gebruik te maken van de definities van paragraaf (6). De compatibiliteitsgroep moet vastgesteld worden volgens de definities van paragraaf (7). De classificatiecode bestaat uit het nummer van de subklasse en de letter van de compatibiliteitsgroep.

(5) De stoffen en voorwerpen van klasse 1 zijn ingedeeld bij verpakkingsgroep II (zie aanhangsel A.5).

(6) Definitie van de subklassen

1.1 Stoffen en voorwerpen met gevaar voor massale explosie (een massale explosie is een explosie die vrijwel ogenblikkelijk in nagenoeg de gehele lading plaatsvindt).

1.2 Stoffen en voorwerpen met gevaar voor scherfwerking, zonder gevaar voor massale explosie.

1.3 Stoffen en voorwerpen met gevaar voor brand en met een gering gevaar voor luchtdruk of scherfwerking of voor beide, maar zonder gevaar voor massale explosie,

a) waarvan de verbranding aanleiding geeft tot een aanzienlijke warmtestraling, of

b) die één voor één uitbranden, met een geringe luchtdruk- of scherfwerking, of beide.

1.4 Stoffen en voorwerpen die slechts een gering gevaar opleveren indien ze tijdens het vervoer tot ontsteking of inleiding komen. De gevolgen blijven wezenlijk beperkt tot het collo en leiden normalerwijze niet tot scherfwerking van noemenswaardige omvang of reikwijdte. Een van buitenaf inwerkende brand mag niet leiden tot een vrijwel ogenblikkelijke explosie van nagenoeg de gehele inhoud van het collo.

1.5 Zeer weinig gevoelige stoffen met gevaar voor massale explosie, die zodanig ongevoelig zijn dat er onder normale vervoersomstandigheden slechts een zeer kleine kans bestaat op inleiding of op de overgang van verbranding naar detonatie. Als minimale voorwaarde geldt dat ze niet mogen exploderen bij de uitwendige brandproef.

1.6 Uiterst weinig gevoelige voorwerpen, zonder gevaar voor massale explosie. Deze voorwerpen bevatten enkel uiterst weinig gevoelige springstoffen en er gaat een verwaarloosbaar kleine kans op accidentele inleiding of voortplanting van uit.

Opmerking: Het risico dat uitgaat van voorwerpen van subklasse 1.6 beperkt zich tot de explosie van één enkel voorwerp.

(7) Definitie van de compatibiliteitsgroepen van de stoffen en voorwerpen

A Inleispringstof.

B Voorwerp dat een inleispringstof bevat en niet voorzien is van ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen. Enkele voorwerpen (zoals de slagpijpjes, de slagpijpjes, samengesteld en de slaghoedjes) zijn hierbij inbegrepen, ofschoon ze geen inleispringstoffen bevatten.

C Voortdrijvende lading of andere deflagrerende ontplofbare stof, of voorwerp dat een dergelijke lading of stof bevat.

D Springstof, zwart buskruit, voorwerp dat een springstof bevat zonder inleimiddel en zonder voortdrijvende lading, of voorwerp dat een inleispringstof bevat en voorzien is van ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen.

E Voorwerp dat een springstof bevat, zonder inleimiddel maar met voortdrijvende lading (niet bestaande uit een brandbare vloeistof of brandbare gel of hypergolische vloeistoffen).

F Voorwerp dat een springstof bevat, met zijn eigen inleimiddel en ofwel met voortdrijvende lading (niet bestaande uit een brandbare vloeistof of brandbare gel of hypergolische vloeistoffen) ofwel zonder voortdrijvende lading.

G Pyrotechnische stof, voorwerp dat een pyrotechnische stof bevat, of voorwerp dat zowel een ontplofbare stof als een lichtverspreidend, brandstichtend, traanverwekkend of rook producerend mengsel bevat (met uitzondering van een door water te activeren voorwerp of een voorwerp dat witte fosfor, fosfiden, een pyrofore stof, een brandbare vloeistof, een brandbare gel of hypergolische loeistoffen bevat).

H Voorwerp dat zowel een ontplofbare stof als witte fosfor bevat.

J Voorwerp dat zowel een ontplofbare stof als een brandbare vloeistof of brandbare gel bevat.

K Voorwerp dat zowel een ontplofbare stof als een giftige scheikundige stof bevat.

L Ontplofbare stof, of voorwerp dat een ontplofbare stof bevat, die een bijzonder gevaar oplevert (bijvoorbeeld vanwege zijn activering door water of vanwege de aanwezigheid van hypergolische vloeistoffen, fosfiden of een pyrofore stof) en die de afzondering van elk type vereist.

N Voorwerp dat enkel uiterst weinig gevoelige springstoffen bevat.

S Stof of voorwerp, zodanig verpakt of ontworpen dat alle gevaarlijke effecten ten gevolge van het onopzettelijk in werking treden beperkt blijven tot het inwendige van het collo, tenzij de verpakking aangetast is door brand; in dit laatste geval moeten alle effecten van luchtdruk of scherfwerking dermate beperkt zijn dat ze de brandbestrijding en de andere noodmaatregelen in de onmiddellijke omgeving van het collo niet aanmerkelijk hinderen of beletten.

Opmerkingen: 1. Elke stof of elk voorwerp, verpakt in een welbepaalde verpakking, kan slechts bij één enkele compatibiliteitsgroep ingedeeld worden. Aangezien het criterium voor de compatibiliteitsgroep S van empirische aard is, is de indeling bij deze groep noodzakelijkerwijze gebonden aan de beproevingen voor de indeling bij een classificatiecode.

2. Voorwerpen van de compatibiliteitsgroep D en E mogen voorzien zijn van hun eigen inleimiddelen of er gezamenlijk mee verpakt worden; dit op voorwaarde dat deze middelen voorzien zijn van ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen die een ontploffing verhinderen wanneer het ontstekingsmechanisme van het inleimiddel onopzettelijk in werking treedt. Dergelijke colli worden in de compatibiliteitsgroep D of E ingedeeld.

3. Voorwerpen van de compatibiliteitsgroep D of E mogen gezamenlijk verpakt worden met hun eigen inleimiddelen die niet voorzien zijn van twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen (d.w.z. inleimiddelen ingedeeld bij de compatibiliteitsgroep B), mits voldaan wordt aan de voorschriften van randnummer 2104 (6). Dergelijke colli worden bij de compatibiliteitsgroep D of E ingedeeld.

4. Voorwerpen mogen voorzien zijn van hun eigen ontstekingsmiddelen of er gezamenlijk mee verpakt worden, op voorwaarde dat die ontstekingsmiddelen onder normale vervoersomstandigheden niet in werking kunnen treden.

5. Voorwerpen van de compatibiliteitsgroepen C, D en E mogen gezamenlijk verpakt worden. Dergelijke colli moeten bij de compatibiliteitsgroep E ingedeeld worden.

(8) Stoffen van de compatibiliteitsgroep A en voorwerpen van de compatibiliteitsgroep K, zoals bedoeld in alinea (7), mogen niet vervoerd worden.

(9) In de zin van de voorschriften van onderhavige klasse, en in afwijking van randnummer 3510 (3), omvat het begrip "collo" ook een onverpakt voorwerp voor zover dat voorwerp zonder verpakking mag vervoerd worden.

2101 De stoffen en voorwerpen van klasse 1 die mogen vervoerd worden, zijn opgesomd in de hiernavolgende tabel 1. De ontplofbare stoffen en voorwerpen die opgesomd worden in randnummer 3170 mogen slechts bij één van de benamingen van randnummer 2101 ingedeeld worden indien hun eigenschappen, hun samenstelling, hun constructie en hun gebruik overeenstemmen met één van de in aanhangsel A.1 opgenomen omschrijvingen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Vervoersvoorwaarden

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

2102 (1) De buitenverpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.5.

(2) Volgens de bepalingen van randnummers 2100 (5) en 3511 (2) moeten verpakkingen van de verpakkingsgroepen II of I, respectievelijk gemerkt met de letter "Y" of "X",gebruikt worden voor de stoffen en voorwerpen van klasse 1.

(3) De bepalingen van randnummer 3500 (2) zijn van toepassing op de delen van de verpakking die rechtstreeks in contact komen met de inhoud.

(4) Spijkers, krammen en andere metalen sluitmiddelen zonder een beschermende bekleding, mogen niet tot de binnenkant van de buitenverpakking doordringen, tenzij de binnenverpakking de ontplofbare stoffen en voorwerpen op doelmatige wijze tegen contact met het metaal beschermt.

(5) De sluitingsinrichting van recipiënten die vloeibare ontplofbare stoffen bevatten, moet een dubbele beveiliging tegen lekkage bieden.

(6) De binnenverpakkingen, de buffers, de vulmiddelen en de schikking van de ontplofbare stoffen of voorwerpen in de colli moeten zodanig zijn dat tijdens het vervoer geen gevaarlijke verplaatsing binnen de colli mogelijk is.

(7) Indien de kans bestaat dat zich in een recipiënt een aanzienlijke inwendige druk ontwikkelt, moet dit recipiënt zodanig gebouwd zijn dat geen detonatie kan optreden door een toename van de inwendige druk tengevolge van in- of uitwendige oorzaken.

(8) De vulmiddelen moeten aangepast zijn aan de eigenschappen van de inhoud. Ze moeten onder meer absorberend zijn indien de inhoud vloeibaar is of vloeistof kan afscheiden.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

2103 (1) De stoffen en voorwerpen moeten verpakt worden zoals aangegeven is in kolom 4 en 5 van tabel 1 in randnummer 2101, en zoals in detail uiteengezet wordt in tabel 2 van randnummer 2103 (5) en in tabel 3 van randnummer 2103 (6).

(2) Indien de romp van een stalen vat dubbel gefelst is, moeten maatregelen genomen worden om te voorkomen dat ontplofbare stoffen in de tussenruimten van de naden kunnen doordringen. De sluitingsinrichting van de vaten uit staal of aluminium moet een geschikte pakking omvatten. Indien de sluitingsinrichting van een schroefdraad is voorzien, mag daar geen enkel spoor van de ontplofbare stof in terecht kunnen komen.

(3) Indien kisten met een metalen binnenbekleding voor het verpakken van ontplofbare stoffen gebruikt worden, moeten deze kisten zodanig vervaardigd zijn dat de vervoerde ontplofbare stof niet tussen de binnenbekleding en de wanden of de bodem van de kist kan doordringen.

(4) De rolbanden van de houten tonnen die voor het vervoer van ontplofbare stoffen bestemd zijn, moeten uit hard hout vervaardigd worden.

(5) De verpakkingen uit kunststof mogen niet in staat zijn om een zodanige hoeveelheid statische elektriciteit op te wekken of te accumuleren dat deze via een ontlading de ontsteking van de ontplofbare stoffen of een inleiding van de verpakte ontplofbare voorwerpen kan veroorzaken.

(6) >RUIMTE VOOR DE TABEL>

(7) >RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. Gezamenlijke verpakking

2104 (1) De stoffen en voorwerpen die door hetzelfde identificatienummer () beoogd worden, behalve de compatibiliteitsgroep L en de stoffen en voorwerpen die bij een n.e.g. rubriek ingedeeld zijn, mogen gezamenlijk verpakt worden.

(2) Behoudens wanneer de hierna volgende bijzondere voorwaarden het tegengestelde bepalen, mogen stoffen en voorwerpen van verschillende identificatienummers niet gezamenlijk verpakt worden.

(3) Stoffen en voorwerpen van klasse 1 mogen niet gezamenlijk verpakt worden met stoffen van andere klassen of met goederen die niet onderworpen zijn aan de voorschriften van deze Richtlijn.

(4) Voorwerpen van de compatibiliteitsgroepen C, D en E mogen gezamenlijk verpakt worden.

(5) Voorwerpen van de compatibiliteitsgroep D of E mogen gezamenlijk verpakt worden met hun eigen inleimiddelen, op voorwaarde dat deze middelen voorzien zijn van ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen die verhinderen dat een voorwerp ontploft wanneer het inleimiddel ongewild in werking treedt.

(6) Voorwerpen van de compatibiliteitsgroep D of E mogen gezamenlijk verpakt worden met hun eigen, niet van twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen voorziene inleimiddelen (d.w.z. inleimiddelen die ingedeeld zijn bij de compatibiliteitsgroep B), mits de bevoegde overheid van het land van herkomst 8/ de mening is toegedaan dat het ongewild in werking treden van het inleimiddel onder normale vervoersomstandigheden niet tot de ontploffing van het voorwerp leidt.

(7) De stoffen en voorwerpen van compatibiliteitsgroep L mogen niet gezamenlijk verpakt orden met een ander type stoffen of voorwerpen van deze compatibiliteitsgroep.

(8) Voorwerpen mogen gezamenlijk verpakt worden met hun eigen ontstekingsmiddelen, opvoorwaarde dat die ontstekingsmiddelen onder normale vervoersomstandigheden niet kunnen functioneren.

(9) De goederen met de in tabel 4 vernoemde identificatienummers mogen onder de aangegeven voorwaarden in éénzelfde collo bijeengebracht worden.

10) Bij de gezamenlijke verpakking moet men rekening houden met een mogelijke wijziging in de classificatiecode van de colli op basis van randnummer 2100.

(11) Zie randnummer 2110 (4) voor de omschrijving van het goed in het vervoerdocument, bij gezamenlijk verpakte stoffen en voorwerpen van klasse 1.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie aanhangsel A.9)

Opschriften

2105 (1) De colli moeten voorzien zijn van een van de cursief gedrukte identificatienummers en bijbehorende benaming van de stof of van het voorwerp in kolom 2 van tabel 1 in randnummer 2101.

Voor de stoffen en voorwerpen die bij een n.e.g. rubriek ingedeeld zijn en voor de andere voorwerpen van 25° en 34° moet de benaming van de n.e.g. rubriek aangevuld worden met de technische benaming van het goed.

Voor de stoffen van identificatienummers 0081, 0082, 0083, 0084 en 0241 van 4° en voor de stoffen van identificatienummers 0331 en 0332 van 48° moet het type van de springstof aangevuld worden met de handelsbenaming ervan. Voor de andere stoffen en voorwerpen mag de commerciële of de technische benaming toegevoegd worden. Het goed leesbaar en onuitwisbaar opschrift moet in een officiële taal van het land van verzending gesteld zijn en daarenboven in het Engels, het Frans of het Duits indien de officiële taal geen van de drie genoemde is; dit tenzij overeenkomsten tussen de bij het vervoer betrokken landen anders bepalen.

Gevaarsetiketten

(2) Colli die stoffen en voorwerpen van 1° tot 34° bevatten, moeten voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 1. Op de onderste helft van het etiket moet de classificatiecode volgens kolom 3 van tabel 1 in randnummer 2101 aangegeven zijn.

Colli die stoffen en voorwerpen van 35° tot 47° bevatten, moeten voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 1.4; deze die stoffen van 48° of voorwerpen van 49° bevatten van een etiket dat overeenstemt met model 1.5 en deze die voorwerpen van 50° bevatten van een etiket dat overeenstemt met model 1.6. Op de onderste helft van het etiket moet de compatibiliteitsgroep volgens kolom 3 van tabel 1 in randnummer 2101 aangegeven zijn.

(3) Colli die stoffen en voorwerpen bevatten van:

identificatienummers 0076 en 0143 van 4°,

identificatienummer 0018 van 21°,

identificatienummer 0077 van 26°,

identificatienummer 0019 van 30° en

identificatienummer 0301 van 43°

moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 6.1.

Colli die voorwerpen bevatten van:

identificatienummers 0015 en 0018 van 21°,

identificatienummers 0016 en 0019 van 30° en

identificatienummers 0301en 0303 van 43°

moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 8.

2106-

2109

B. Vermeldingen in het vervoerdocument

2110 (1) De omschrijving van het goed in het vervoerdocument moet overeenstemmen met één van de cursief gedrukte identificatienummers en bijbehorende benaming in kolom 2 van tabel 1 in randnummer 2101.

Voor de stoffen en voorwerpen die bij een n.e.g. rubriek ingedeeld zijn en voor de andere voorwerpen van 25° en 34° moet de benaming van de n.e.g. rubriek aangevuld worden met de technische benaming van het goed.

De omschrijving van het goed moet door de opgave van zijn classificatiecode, zijn volgnummer in de opsomming (kolommen 3 en 1 van tabel 1 in randnummer 2101), de netto massa van de ontplofbare stof in kg en de afkorting "ADR" (of "RID") gevolgd worden (bijvoorbeeld: 0160 Rookzwart buskruit, 1.1 C, 2°, 4600 kg, ADR).

(2) Voor de stoffen van identificatienummers 0081, 0082, 0083, 0084 en 0241 van 4° en voor de stoffen van identificatienummers 0331 en 0332 van 48,° moet buiten het springstoftype ook de handelsbenaming van de springstof aangegeven worden. Voor de andere stoffen en voorwerpen mag de commerciële of de technische benaming toegevoegd worden.

(3) Bij wagenladingen moet in het vervoerdocument het aantal colli, de massa in kg van elke collo en de totale netto-massa ontplofbare stof in kg vermeld worden.

(4) Indien twee verschillende goederen gezamenlijk verpakt zijn, moet de omschrijving van het goed in het vervoerdocument de cursief gedrukte identificatienummers en bijbehorende benamingen (van kolom 2 van tabel 1 in randnummer 2101) omvatten van de twee stoffen of van de twee voorwerpen. Indien meer dan twee verschillende goederen overeenkomstig randnummer 2104 in éénzelfde collo bijeengebracht zijn, moeten in het vervoerdocument - als omschrijving van de goederen - de identificatienummers van alle in het collo aanwezige stoffen en voorwerpen als volgt worden aangegeven: "Goederen van de identificatienummers ".

(5) Wanneer stoffen en voorwerpen vervoerd worden die ingedeeld zijn bij een n.e.g. rubriek, moet een copie van het akkoord van de bevoegde overheid m.b.t. de vervoersvoorwaarden aan het vervoerdocument gehecht worden. Het moet in een officiële taal van het land van verzending gesteld zijn en daarenboven in het Frans, het Engels of het Duits indien de officiële taal geen van de drie genoemde is; dit tenzij overeenkomsten tussen de bij het vervoer betrokken landen anders bepalen.

2111-

2114

C. Lege verpakkingen

2115 (1) De lege, niet-gereinigde verpakkingen van 51° moeten op dezelfde manier gesloten worden en dezelfde dichtheidsgaranties bieden als toen ze gevuld waren.

(2) De lege, niet-gereinigde verpakkingen van 51° moeten dezelfde gevaarsetiketten dragen (vervolg) als toen ze gevuld waren.

(3) De omschrijving in het vervoerdocument moet luiden: "Lege verpakkingen, 1, 51°, ADR".

D. Bijzondere bepalingen

2116 De stoffen en voorwerpen van klasse 1, die toebehoren aan de krijgsmacht van een staatslid en die vóór 1 januari 1990 verpakt werden in overeenstemming met de op dat ogenblik geldende voorschriften van het ADR, mogen na 1 januari 1990 vervoerd worden op voorwaarde dat de verpakkingen intact zijn en dat in het vervoerdocument verklaard wordt dat het militaire goederen betreft die vóór 1 januari 1990 verpakt werden. De overige voorschriften voor deze klasse die op 1 januari 1990 van kracht werden, moeten nageleefd worden.

2117-

2199

KLASSE 2 SAMENGEPERSTE, VLOEIBAAR GEMAAKTE OF ONDER DRUK OPGELOSTE GASSEN

1. Opsomming van de stoffen

2200 (1) Van de stoffen en voorwerpen, die door de titel van klasse 2 beoogd worden, zijn slechts diegene welke in randnummer 2201 opgesomd zijn tot het vervoer toegelaten, en dit enkel wanneer de voorschriften van onderhavige bijlage en de bepalingen van bijlage B nageleefd worden. Deze onder bepaalde voorwaarden tot het vervoer toegelaten stoffen en voorwerpen zijn stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn.

(2) Stoffen behoren tot de klasse 2 indien hun kritische temperatuur minder dan 50 °C bedraagt of hun dampdruk bij 50 °C hoger is dan 300 kPa (3 bar).

Opmerking: Zie ook randnummers 2002(8) voor de classificatie van oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen) waarin één of meerdere componenten voorkomen die in randnummer 2201 opgesomd zijn.

(3) De stoffen en voorwerpen van klasse 2 zijn als volgt onderverdeeld:

A. Samengeperste gassen met een kritische temperatuur lager dan P10 °C

B. Vloeibaar gemaakte gassen met een kritische temperatuur gelijk aan of hoger dan 10 °C:

a) vloeibaar gemaakte gassen met een kritische temperatuur gelijk aan of hoger dan 70 °C;

b) vloeibaar gemaakte gassen met een kritische temperatuur gelijk aan of hoger dan P10 °C, maar lager dan 70 °C.

C. Sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen.

D. Onder druk opgeloste gassen.

E. Spuitbussen en patronen met gassen onder druk.

F. Gassen die aan bijzondere voorschriften onderworpen zijn.

G. Lege recipiënten en lege tanks

In functie van hun chemische eigenschappen worden de stoffen en voorwerpen van klasse 2 bovendien nog als volgt onderverdeeld:

a)

niet-brandbaar;

at)

niet-brandbaar en giftig;

b)

brandbaar;

bt)

brandbaar en giftig;

c)

chemisch onstabiel;

ct)

chemisch onstabiel en giftig.

De chemisch onstabiele stoffen moeten als brandbaar aanzien worden tenzij uitdrukkelijk het tegendeel wordt vermeld.

Corrosieve gassen of gassen die de verbranding bevorderen, en voorwerpen die dergelijke gassen bevatten, worden in de opsomming gevolgd door het woord "corrosief" of "brandbevorderend" tussen haakjes.

(4) Stoffen van klasse 2, die bij de chemisch onstabiele gassen ingedeeld zijn, mogen slechts vervoerd worden indien alle maatregelen werden getroffen die nodig zijn om een gevaarlijke ontleding, dismutatie of polymerisatie tijdens het vervoer te verhinderen. Daartoe moet men er in het bijzonder op toezien dat de recipiënten geen stoffen bevatten die deze reacties kunnen bevorderen.

A. Samengeperste gassen

[zie ook punt a) van randnummer 2201a; zie 10° en 11° voor gassen van 1°a), 1°b) en 2°a)

in spuitbussen of gaspatronen]

2201 De gassen met een kritische temperatuur lager dan P10 °C worden in het ADR als samengeperste gassen beschouwd.

Zuivere gassen en technisch zuivere gassen

a)

Niet-brandbaar

argon, helium, krypton, neon, stikstof, tetrafluormethaan (R 14), zuurstof (brandbevorderend).

at)

Niet-brandbaar en giftig

boortrifluoride, fluor (brandbevorderend), siliciumtetrafluoride (corrosief), stikstoftrifluoride.

b)

Brandbaar

deuterium, methaan, waterstof.

bt)

brandbaar en giftig

koolstofmonoxide.

ct)

Chemisch onstabiel en giftig

stikstofmonoxide NO (niet-brandbaar).

Gasmengsels

a)

Niet-brandbaar

Mengsels van twee of meer van de volgende gassen: edelgassen (met ten hoogste 10 volume-% xenon), stikstof, zuurstof, koolstofdioxide (ten hoogste 30 volume %); niet-brandbare mengsels van twee of meer van de volgende gassen: waterstof, methaan, stikstof, edelgassen (met ten hoogste 10 volume-% xenon), ten hoogste 30 volume-% koolstofdioxide; stikstof met ten hoogste 6 volume-% ethyleen; lucht.

Opmerking: Van mengsels die meer dan 25 volume-% zuurstof bevatten wordt aangenomen dat ze brandbevorderend zijn.

b)

Brandbaar

Mengsels van methaan (ten minste 90 volume-%) met koolwaterstoffen van 3°b) en 5°b); brandbare mengsels van twee of meer van de volgende gassen: waterstof, methaan, stikstof, edelgassen (met ten hoogste 10 volume-% xenon), ten hoogste 30 volume-% koolstofdioxide; mengsels van ten hoogste 10 volume-% silaan met een of meer van de volgende gassen: waterstof, stikstof, argon, helium, krypton, neon, deuterium en methaan; aardgas.

bt)

Brandbaar en giftig

Stadsgas (lichtgas); mengsels van waterstof met ten hoogste 10 volume-% waterstofselenide, fosfine of germaan of met ten hoogste 15 volume-% arsine; mengsels van stikstof of van edelgassen (met maximum 10 volume-% xenon) met ten hoogste 10 volume-% waterstofselenide, fosfine of germaan of met ten hoogste 15 volume-% arsine; watergas; synthesegas (bijvoorbeeld volgens Fischer-Tropsch); mengsels van koolstofmonoxide met waterstof of met methaan).

ct)

Chemisch onstabiel en giftig

Mengsels van waterstof met ten hoogste 10 volume-% diboraan; mengsels van stikstof of van edelgassen (met maximum 10 volume-% xenon) met ten hoogste 10 volume % diboraan.

B. Vloeibaar gemaakte gassen

[zie ook punt b) en e) van randnummer 2201a; zie 10° en 11° voor gassen van 3° tot 6°

in spuitbussen of gaspatronen]

De gassen met een kritische temperatuur gelijk aan of hoger dan P10 °C worden in deze Richtlijn als vloeibaar gemaakte gassen beschouwd.

a. Vloeibaar gemaakte gassen met een kritische temperatuur gelijk aan of hoger dan 70 °C:

Zuivere gassen en technisch zuivere gassen

a)

Niet-brandbaar

chloordifluormethaan (R22), dichloorfluormethaan (R21), dichloorifluormethaan (R12), broomchloordifluormethaan (R12B1), 1-chloor-2,2,2-trifluorethaan (R133a), chloorpentafluorethaan (R115), 1,2-dichloor-1,1,2,2-tetrafluorethaan (R114), octafluorcyclobutaan (RC318), 1-chloor-1,2,2,2-tetrafluorethaan (R124), 2-octafluorbuteen 18), (R1318), octatafluorpropaan, octafluorpropaan, 1, 1, 1, 2-tetrafluorethaan (R134a).

at)

Niet-brandbaar en giftig

chloor (corrosief), ammoniak, broomwaterstof (corrosief), stikstofdioxide NO2 (stikstoftetroxide N2O4) (brandbevorderend), zwaveldioxide, wolframhexafluoride, boortrichloride (corrosief), chloortrifluoride (corrosief), chloorkoolstofoxide (fosgeen) (corrosief), sulfurylfluoride, hexa-fluorpropeen (R1216), methylbromide, nitrosylchloride (corrosief), hexafluoraceton.

b)

Brandbaar

butaan, buteen-1, cis-buteen-2, trans-buteen-2, cyclopropaan, 1,1-difluorethaan (R152a), 1-chloor-1,1-difluorethaan (R142b), isobutaan, isobuteen, methylsilaan, methyloxide, propaan, propeen, 1,1,1-trifluorethaan, 2,2-dimethylpropaan.

bt)

Brandbaar en giftig

Waterstofsulfide, waterstofselenide, arsine (arseenwaterstof), methylamine, dimethylamine, trimethylamine, ethylamine, methylchloride, ethylchloride, methylmercaptaan, dimethylsilaan, trimethylsilaan, dichloorsilaan, carbonylsulfide (corrosief).

c)

Chemisch onstabiel

Butadieen-1,2" butadieen-1,3, vinylchloride, propadieen, gestabiliseerd.

Opmerking: In recipiënten die butadiëen-1,2 bevatten, mag de zuurstofconcentratie in de gasfase ten hoogste 50 ml/m3 bedragen.

ct)

Chemisch onstabiel en giftig

Dicyaan, cyaanchloride (niet-brandbaar) (corrosief), ethyleenoxide, vinylmethylether, vinylbromide, chloortrifluorethyleen (R1113), waterstofjodide, watervrij (niet-brandbaar) (corrosief).

Opmerking: De gehalogeneerde koolwaterstoffen mogen ook met hun handelsnaam aangeduid worden (zoals Algofreen, Arcton, Edifren, Flugeen, Foraan, Freon, Fresaan, Frigen, Isceon, Kaltron), gevolgd door het identificatienummer van de stof zonder de letter R.

Gasmengsels

a)

Niet-brandbaar

Mengsels van de bij 3°a) opgesomde stoffen, met of zonder hexafluorpropeen van 3°at); deze worden als volgt onderverdeeld:

mengsel F 1: met een dampspanning bij 70 °C van ten hoogste 1,3 MPa (13 bar) en een densiteit bij 50 °C die niet lager mag zijn dan die van dichloormonoluormethaan (1,30);

mengsel F 2: met een dampspanning bij 70 °C van ten hoogste 1,9 MPa (19 bar) en een densiteit bij 50 °C die niet lager mag zijn dan die van dichloordifluormethaan (1,21);

mengsel F 3: met een dampspanning bij 70 °C van ten hoogste 3 MPa (30 bar) en een densiteit bij 50 °C die niet lager mag zijn dan die van monochloordifluormethaan (1,09).

Opmerking: 1. Trichloormonofluoremthaan (R 11), trichloortrifluorethaan (R 113) en monochloortrifluorethaan (R 133) zijn geen vloeibaar gemaakte gassen in de zin van deze Richtlijn en zijn derhalve niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn; zij kunnen echter wel in de mengsels F 1, F 2 en F 3 voorkomen.

2. Zie de opmerking bij 3°.

Mengsel R 500: azeotropisch mengsel van dichloordifluormethaan (R 12) en 1,1-difluorethaan (R 152a);

mengsel R 502: azeotropisch mengsel van chloorpentafluorethaan (R 115) en chloordifluormethaan (R 22);

een mengsel van 19 tot 21 massa-% dichloordifluormethaan (R 12) en 79 tot 81 massa-% broomchloordifluormethaan (R 12 B1).

at)

Niet-brandbaar en giftig

Mengsels van methylbromide en chloorpikrine met een dampdruk bij meer dan 300 kPa (3 bar) mengsels van dichloordifluormethaan en ethyleenoxide, die ten hoogste 12 massa-% ethyleenoxide bevatten.

b)

Brandbaar

Mengsels van de bij 3°b) opgesomde koolwaterstoffen en van ethaan en ethyleen van 5°b); deze worden als volgt onderverdeeld:

mengsel A: met een dampspanning bij 70 °C van ten hoogste 1,1 MPa (11 bar) en een densiteit bij 50 °C die niet lager mag zijn dan 0,525;

mengsel A0: met een dampspanning bij 70 °C van ten hoogste 1,6 MPa (16 bar) en een densiteit bij 50 °C die niet lager mag zijn dan 0,495;

mengsel A1: met een dampspanning bij 70 °C van ten hoogste 2,1 MPa (21 bar) en een densiteit bij 50 °C die niet lager mag zijn dan 0,485;

mengsel B: met een dampspanning bij 70 °C van ten hoogste 2,6 MPa (26 bar) en een densiteit bij 50 °C die niet lager mag zijn dan 0,450;

mengsel C: met een dampspanning bij 70 °C van ten hoogste 3,1 MPa (31 bar) en een densiteit bij 50 °C die niet lager mag zijn dan 0,440.

Opmerking: Bovengenoemde gasmengsels mogen ook met de hierna volgendehandels namen aangeduid worden:

Benaming in 4°b) Handelsnaam

mengsel A, mengsel Ao butaan

mengsel C propaan

Mengsels van de in 3°b) en 5°b) genoemde koolwaterstoffen, die methaan bevatten.

bt)

Brandbaar en giftig

Mengsels van twee of meer van de volgende gassen: monomethylsilaan, dimethylsilaan, trimethylsilaan; mengsels van methylchloride en methyleenchloride met een dampspanning bij 50 °C van meer dan 300 kPa (3 bar); mengsels van methylchloride en chloorpikrine met een dampspanning bij 50 °C van meer dan 300 kPa (3 bar); mengsels van methylbromide en ethyleenbromide met een dampspanning bij 50 °C van meer dan 300 kPa (3 bar).

c)

Chemisch onstabiel

Mengsels van butadieen-1,3 en van koolwaterstoffen van 3°b) met een dampspanning bij 70 °C van ten hoogste 1,1 MPa (11 bar) en een densiteit bij 50 °C die niet lager mag zijn dan 0,525; propadieen met 1 % tot 4 % methylacetyleen, gestabiliseerd.

Mengsels van methylacetyleen en van propadiëen met koolwaterstoffen van 3°b); deze worden als volgt onderverdeeld:

mengsel P 1: met ten hoogste 63 volume-% methylacetyleen en propadiëen en ten hoogste 24 volume-% propaan en propeen; het gehalte aan verzadigde C4-koolwaterstoffen moet minstens 14 volume-% bedragen;

mengsel P 2: met ten hoogste 48 volume-% methylacethyleen en propadiëen en ten hoogste 50 volume-% propaan en propeen; het gehalte aan verzadigde C4-koolwaterstoffen moet minstens 5 volume-% bedragen;

ct)

Chemisch onstabiel en giftig

ethyleenoxide met ten hoogste 10 massa-% koolstofdioxide; ethyleenoxide, dat ten hoogste 50 massa-% methylformiaat bevat, met stikstof tot een totale druk van ten hoogste 1 MPa (10 bar)bij 50 °C; ethyleenoxide met stikstof tot een totale druk van ten hoogste 1 MPa (10 bar) bij 50 °C.

b. Vloeibaar gemaakte gassen met een kritische temperatuur gelijk aan of hoger dan P 10 °C, maar lager dan 70 °C.

Zuivere gassen en technisch zuivere gassen

a)

Niet-brandbaar

distikstofoxide N2O (lachgas) (brandbevorderend), koolstofdioxide, zwavelhexafluoride, trifluormethaan (R 23), chloortrifluormethaan (R 13), broomtrifluormethaan (R 13 B1), hexafluorethaan (R 116), xenon, pentafluorethaan (R 125).

Zie ook punt c) van randnummer 2201a voor koolstofdioxide.

Opmerking: 1. Distikstofoxide mag slechts vervoerd worden indien het voor ten minste 99 % zuiver is.

2. Zie de opmerking bij 3°.

at)

Niet-brandbaar en giftig

ct)

Chemisch onstabiel en giftig waterstofchloride (corrosief).

b)

Brandbaar

ethaan, ethyleen, silaan (siliciumwaterstof).

bt)

Brandbaar en giftig

fosfine, germaan.

c)

Chemisch onstabiel

vinylfluoride, 1,1-difluorethyleen (vinylideenfluoride).

diboraan.

Gasmengsels

a)

Niet-brandbaar

koolstofdioxide met 1 tot 10 massa-% stikstof, zuurstof, lucht of edelgassen;

mengsel R 503 [azeotropisch megsel van chloortrifluormethaan (R 13) en trifluormethaan (R 23)].

Opmerking: Koolstofdioxide met minder dan 1 massa-% stikstof, zuurstof, lucht of edelgassen is een stof van 5°a).

c)

Chemisch onstabiel

koolstofdioxide met hoogstens 35 massa-% ethyleenoxide.

ct)

Chemisch onstabiel en giftig

ethyleenoxide met meer dan 10 maar ten hoogste 50 massa-% koolstofdioxide.

C. Sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen

Zuivere gassen en technisch zuivere gassen

a)

Niet-brandbaar

helium, neon, argon, krypton, xenon, stikstof, zuurstof (brandbevorderend), distikstofoxide N2O (lachgas)(brandbevorderend), koolstofdioxide.

b)

Brandbaar

Waterstof, methaan, ethaan, ethyleen.

Gasmengsels

a)

Niet-brandbaar

lucht, mengsels van stoffen van 7°a).

Opmerking: Van mengsels van 8°a) die meer dan 32 massa-% distikstofoxide bevatten, van lucht en van mengsels die meer dan 20 massa-% zuurstof bevatten wordt aangenomen dat ze brandbevorderend zijn.

b)

Brandbaar

aardgas, mengsels van stoffen van 7°b), mengsel van ten minste 71,5 volume-% ethyleen met ten hoogste 22,5 volume-% acetyleen en ten hoogste 6 volume-% propyleen.

D. Onder druk opgeloste gassen

Zuivere gassen en technisch zuivere gassen

at)

Niet-brandbaar en giftig

ammoniak, opgelost in water, met meer dan 35 en ten hoogste 40 massa-% ammoniak, ammoniak opgelost in water, met meer dan 40 en ten hoogste 50 massa-% ammoniak.

Opmerking: 2672 ammoniak, oplossing in water, met een densiteit bij 15 °C tussen 0,880 en 0,957 en met meer dan 10 maar niet meer dan 35 massa-% ammoniak, is een stof van klasse 8 [zie randnummer 2801, 43°c)].

c)

Chemisch onstabiel

acetyleen, opgelost in een door poreuze stoffen geabsorbeerd oplosmiddel (bijvoorbeeld aceton).

E. Spuitbussen en patronen met gassen onder druk(gaspatronen)

[zie ook punt d) van randnummer 2201a)]

Opmerking: 1. Spuitbussen (aerosolen) zijn recipiënten die slechts één maal worden gevuld, en voorzien zijn van een af tap of een verstuivingsinrichting; ze bevatten een gas of gasmengsel van randnummer 2208 (2) onder druk, of een actieve stof (een insecticide, cosmetica, enz.) met een dergelijk gas of gasmengsel als drijfgas.

2. Gaspatronen zijn recipiënten die slechts één maal worden gevuld, die een gas of gasmengsel van randnummer 2208 (2) of (3) bevatten (bijvoorbeeld butaan voor kampeerkookstoellen, gassen voor koeling, enz.), en die geen aftapventiel bezitten.

3. worden beschouwd als brandbare stoffen:

i) de gassen (drijfgas in spuitbussen, inhoud van de patronen) waarvan de mengsels met lucht kunnen ontvlammen en een onderste en bovenste ontbrandingsgrens hebben;

ii) de vloeistoffen (actieve stoffen in spuitbussen) van klasse 3.

4. Een inhoud, die zonder voorzorgsmaatregelen op gevaarlijke wijze ontleedt of polymeriseert bij een temperatuur lager dan of gelijk aan 70 °C, wordt als chemisch onstabiel beschouwd.

10°

Spuitbussen

a)

Niet-brandbaar

met niet-brandbare inhoud;

at)

Niet-brandbaar en giftig

met niet-brandbare, giftige inhoud;

b)

Brandbaar

1. met een inhoud die ten hoogste 45 massa-% brandbare stoffen bevat;

2. met een inhoud die meer dan 45 massa-% brandbare stoffen bevat;

bt)

Brandbaar en giftig

1. met een giftige inhoud, die ten hoogste 45 massa-% brandbare stoffen bevat;

2. met een giftige inhoud, die meer dan 45 massa-% brandbare stoffen bevat;

c)

Chemisch onstabiel

met chemisch onstabiele inhoud;

ct)

Chemisch onstabiel en giftig

met chemisch onstabiele, giftige inhoud.

11°

Patronen met gassen onder druk (gaspatronen)

a)

Niet-brandbaar

met niet-brandbare inhoud;

at)

Niet-brandbaar en giftig

met niet-brandbare, giftige inhoud;

b)

Brandbaar

met brandbare inhoud;

bt)

Brandbaar en giftig

met brandbare, giftige inhoud;

c)

Chemisch onstabiel

met chemisch onstabiele inhoud;

ct)

Chemisch onstabiel en giftig

met chemisch onstabiele, giftige inhoud.

F. Gassen die aan bijzondere voorschriften onderworpen zijn

12°

Diverse gasmengsels

Mengsels van gassen die bij de andere cijfers van de klasse opgesomd worden, en mengsels van één of meer gassen die bij de andere cijfers van deze klasse opgesomd worden met dampen van één of meer stoffen die volgens de bepalingen van deze Richtlijn niet van het vervoer zijn uitgesloten; dit op voorwaarde dat gedurende het vervoer:

1. het mengsel geheel gasvormig blijft;

2. het optreden van een gevaarlijke reactie volledig is uitgesloten.

13°

Gassen voor proefnemingen

Gassen en gasmengsels, die niet bij de andere cijfers van deze klasse opgesomd worden en die uitsluitend voor laboratoriumproeven worden gebruikt; dit op voorwaarde dat gedurende het vervoer:

1. het gas of het gasmengsel geheel gasvormig blijft;

2. het optreden van een gevaarlijke reactie volledig is uitgesloten.

G. Lege recipiënten en lege tanks

14°

Ongereinigde lege recipiënten, lege tankvoertuigen en lege laadketels, die stoffen van de klasse 2 hebben bevat.

Opmerking: Recipiënten en tanks worden als leeg en ongereinigd beschouwd indien na het lossen van de stoffen van klasse 2, hiervan nog geringe resten aanwezig blijven.

2201a Indien ze vervoerd worden overeenkomstig de onderstaande bepalingen, zijn de gassen en voorwerpen niet onderworpen aan de voorschriften die deze bijlage en bijlage B voor onderhavige klasse voorzien:

a) samengeperste gassen die niet brandbaar, niet giftig en niet corrosief zijn, en waarvan de druk in het recipiënt, herleid tot 15 °C, niet hoger is dan 200 kPa (2 bar); hetzelfde geldt voor gasmengsels die niet meer dan 2 % brandbare stoffen bevatten;

b) ten hoogste 60 liter vloeibaar gemaakte gassen (of minder dan 5 liter indien er ten hoogste 25 gram waterstof in voorkomt) in koelapparaten (koelkasten, ijsmachines, enz.) en nodig voor de werking ervan; deze koelapparaten moeten zodanig geladen en beschermd worden dat dit een beschadiging van het koelcircuit verhindert.

c) koolstofdioxide en distikstofoxide (N2O) van 5°a) in metalen capsules (Sodors, Sparklets, capsules met room), indien het gasvormig koolstofdioxide en distikstofoxide niet meer dan 0,5 % lucht bevatten; de capsules mogen niet meer dan 25 gram koolstofdioxide of 25 gram distikstofoxide bevatten en ten hoogste 0,75 gram koolstofdioxide of distikstofoxide per cm3 inhoud;

d) voorwerpen van 10° en 11° met een inhoud van ten hoogste 50 cm3; een collo van dergelijke voorwerpen mag niet meer dan 10 kg wegen;

e) vloeibaar gemaakte petroleumgassen die zich in de brandstofreservoirs van motorvoertuigen bevinden; de reservoirs moeten vast aan de voertuigen bevestigd zijn, de brandstofkraan tussen het reservoir en de motor moet gesloten zijn en de ontsteking moet uitgeschakeld zijn.

2. Voorschriften

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

2202 (1) De materialen, waaruit de recipiënten en de sluitingen samengesteld zijn, mogen niet door de inhoud aangetast worden of er schadelijke of gevaarlijke verbindingen mee vormen.

Opmerking: Er dient op toegezien te worden dat bij het vullen van de recipiënten geen vocht naar binnen dringt en dat de recipiënten na de hydraulische drukproef met water of waterige oplossingen (zie randnummer 2216) volledig worden gedroogd.

(2) De verpakkingen - met inbegrip van hun sluitingen - moeten op alle plaatsen zo duurzaam en sterk zijn, dat ze kunnen weerstaan aan de normale vervoerseisen en tijdens het vervoer niet kunnen bezwijken. Indien buitenverpakkingen voorgeschreven zijn moeten de recipiënten daar stevig in vastgezet worden. De binnenverpakkingen kunnen afzonderlijk of in grotere hoeveeleden in de buitenverpakking worden geplaatst, voor zover het hoofdstuk "Verpakkingen voor één enkele stof of voor gelijksoortige voorwerpen" dienaangaande geen tegenstrijdige bepalingen bevat.

(3) Metalen recipiënten, bestemd voor het vervoer van gassen van 1° tot 6° en 9°, mogen slechts het gas bevatten waarvoor zij zijn beproefd en waarvan de naam op het recipiënt is aangebracht [zie randnummer 2218 (1) a)].

Uitzondering wordt gemaakt voor:

1. metalen recipiënten, beproefd voor één van de stoffen van 3°a) of 4°a) of voor broomtrifluormethaan, chloortrifluormethaan of trifluormethaan van 5°a). Deze recipiënten mogen ook gevuld worden met een andere stof van deze cijfers; de voor die stof voorgeschreven minimale proefdruk mag echter niet hoger zijn dan de proefdruk van het recipiënt, en de naam van die stof en zijn maximaal toelaatbare vulmassa moeten op het recipiënt zijn aangegeven;

2. metalen recipiënten, beproefd voor koolwaterstoffen van 3°b) of 4°b). Deze recipiënten mogen ook met een andere koolwaterstof gevuld worden; de voor die stof voorgeschreven minimale proefdruk mag echter niet hoger zijn dan de proefdruk van het recipiënt, en de naam van die stof en zijn maximaal toelaatbare vulmassa moeten op het recipiënt zijn aangegeven.

Zie ook randnummers 2215, 2218 (1) a) en 2220 (1) tot (3) voor 1 en 2.

(4) Het is principieel toegelaten om een recipiënt voor het vervoer van een ander gas te gaan gebruiken, voor zover de nationale voorschriften dit niet verbieden. De bevoegde overheid moet deze overschakeling echter goedkeuren en de oude aanduidingen betreffende het gebruik moeten door de nieuwe vervangen worden.

2. Verpakkingen voor één enkele stof of voor gelijksoortige voorwerpen

a) Aard van de recipiënten

2203 (1) De recipiënten, bestemd voor het vervoer van gassen van 1° tot 6°, 9°, 12° en 13°, moeten zodanig gesloten en dicht zijn dat het ontsnappen van de gassen is uitgesloten.

(2) Bovengenoemde recipiënten moeten uit koolstofstaal of uit gelegeerd staal (speciale staalsoorten) vervaardigd zijn.

Zijn bovendien toegelaten:

a) recipiënten uit koper, voor:

1. de samengeperste gassen van 1°a), b) en bt) en van 2°a) en b), waarvan de vuldruk - herleid tot een temperatuur van 15 °C - niet hoger is dan 2 MPa (20 bar);

2. de vloeibaar gemaakte gassen van 3°a), zwaveldioxide van 3°at), methyloxide van 3°b), ethylchloride en methylchloride van 3°bt), vinylchloride van 3°c), vinylbromide van 3°ct), mengsel F1, F2 en F3 van 4°a), ethyleenoxide met ten hoogste 10 massa-% koolstofdioxide van 4°ct).

b) recipiënten uit aluminiumlegeringen (zie aanhangsel A.2) voor:

1. de samengeperste gassen van 1°a), b) en bt), stikstofmonoxide van 1°ct) en de samengeperste gassen van 2°a), b) en bt);

2. de vloeibaar gemaakte gassen van 3°a); zwaveldioxide van 3°at); de vloeibaar gemaakte gassen van 3°b) met uitzondering van methylsilaan; waterstofselenide en methylmercaptaan van 3°bt); ethyleenoxide van 3°ct); de vloeibaar gemaakte gassen van 4°a) en 4°b); ethyleenoxide met ten hoogste 10 massa-% koolstofdioxide van 4°ct) en de vloeibaar gemaakte gassen van 5°a), 5°b), 6°a) en 6°c). Zwaveldioxide van 3°at) en de stoffen van de cijfers 3°a) en 4°a) moeten droog zijn.

3. opgelost acetyleen van 9°c).

Alle gassen die in recipiënten uit aluminiumlegeringen vervoerd zullen worden, moeten vrij zijn van alkalische verontreinigingen.

2204 (1) De recipiënten voor opgelost acetyleen van 9°c) moeten volledig gevuld zijn met en gelijkmatig verdeelde poreuze massa, die door de bevoegde overheid goedgekeurd is en die:

a) de recipiënten niet aantast en noch met het acetyleen, noch met het oplosmiddel schadelijke of gevaarlijke verbindingen vormt;

b) niet in elkaar zakt bij temperaturen tot 60 °C, zelfs na langdurig gebruik of bij schokken;

c) in staat is te verhinderen dat een ontbinding van het acetyleen in de poreuze massa zich voortzet.

(2) Het oplosmiddel mag de recipiënten niet aantasten.

2205 (1) De volgende vloeibaar gemaakte gassen mogen bovendien in dikwandige glazen buizen vervoerd worden, indien de hoeveelheid gas in iedere buis en de vullingsgraad van de buizen de hieronder genoemde waarden niet overschrijdt:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(2) De glazen buizen moeten dichtgesmolten worden en elk apart met behulp van infusieaarde als buffer in een gesloten blikken capsule vastgezet worden. De capsules moeten in een houten kist of in een andere buitenverpakking van voldoende stevigheid geplaatst zijn (zie ook randnummer 222).

(3) Zwaveldioxide van 3°at) mag ook verpakt worden in stevige glazen sifons, die ten hoogste 1,5 kg produkt bevatten en tot niet meer dan 88 % van hun inhoud gevuld worden. De sifons moeten, met behulp van infusieaarde, zaagsel, poedervormig calciumcarbonaat of een mengsel van beide laatstgenoemde vulmiddelen, stevig vastgezet worden in een sterke houten kist of een andere buitenverpakking van voldoende stevigheid. Een collo mag niet meer wegen dan 100 kg; colli die meer dan 30 kg wegen moeten van inrichtingen voor het vastgrijpen voorzien zijn.

2206 (1) Gassen van 3°a), 3°b) (uitgezonderd methylsilaan), 3°bt) (uitgezonderd arsine, waterstofselenide, dichloorsilaan, dimethylsilaan en trimethylsilaan), 3°c) en 3°ct) (uitgezonderd cyaanchloride) en gasmengsels van 4°a) en 4°b) mogen ook verpakt worden in dikwandige buizen uit glas of uit een metaal dat volgens randnummer 2203 (2) is toegestaan; de vullingsgraad mag niet groter zijn dan die aangegeven in randnummer 2220 en de massa van de vulling mag 150 gram per buis niet overschrijden. De buizen mogen geen gebreken vertonen die een nadelige invloed op hun sterkte kunnen hebben; bij de glazen buizen moeten de inwendige spanningen op een gepaste wijze verminderd zijn en moet de wanddikte ten minste 2 mm bedragen. De dichtheid van de sluiting moet gewaarborgd worden door een extra inrichting (overtrek, kap, zegellak, draadlas enz.) die voorkomt dat de sluiting tijdens het vervoer losgaat. De buizen moeten, met behulp van als buffer dienende stoffen, in houten of kartonnen kistjes vastgezet worden. Het aantal buizen per kistje moet zodanig zijn dat het totaal gewicht van het produkt per kistje niet groter is dan 600 gram. De kistjes moeten in houten kisten of in een andere buitenverpakking van voldoende stevigheid geplaatst worden; indien een kist in totaal meer dan 5 kg produkt bevat, moet ze aan de binnenzijde bekleed zijn met aan elkaar gesoldeerde staalplaten.

(2) Een collo mag niet meer wegen dan 75 kg.

2207 (1) Gassen van 7° en van 8° moeten in gesloten metalen recipiënten verpakt worden. Deze recipiënten moeten zodanig geïsoleerd zijn dat zij niet kunnen beslaan met dauw of rijp en uitgerust zijn met veiligheidskleppen.

(2) Gassen van 7°a) (uitgezonderd koolstofdioxide) en gassen van 8°a) (uitgezonderd mengsels die koolstofdioxide bevatten) mogen ook verpakt worden in volgende niet-hermetisch gesloten recipiënten:

a) glazen recipiënten met een dubbele wand, waartussen zich een luchtledige ruimte bevindt; deze recipiënten - omgeven door een absorberende en isolerende stof - worden beschermd door korven uit staaldraad en geplaatst in metalen kisten;

b) metalen recipiënten die zodanig tegen warmteoverdracht beschermd zijn dat zij niet kunnen beslaan met dauw of rijp; de inhoud van deze recipiënten mag niet meer bedragen dan 100 liter.

(3) De metalen kisten, vernoemd in (2) a), en de recipiënten, vernoemd in (2) b), moeten van inrichtingen voor het vastgrijpen voorzien zijn. De openingen van de in (2) a) en b) vernoemde recipiënten moeten uitgerust zijn met inrichtingen waarlangs de gassen kunnen ontsnappen; deze inrichtingen moeten het uitspatten van vloeistof verhinderen en zodanig bevestigd zijn dat zij er niet kunnen uitvallen. Voor zuurstof van 7°a) en voor mengsels die zuurstof bevatten van 8°a) moeten de genoemde inrichtingen en de in (2) a) vernoemde absorberende en isolerende stof die de recipiënten omgeeft uit onbrandbare materialen bestaan.

2208 (1) Spuitbussen van 10° en gaspatronen van 11° moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) de spuitbussen, die slechts een gas of een gasmengsel bevatten, en de gas patronen moeten uit metaal vervaardigd zijn; de gaspatronen voor butaan, met een volume van ten hoogste 100 ml en gemaakt uit kunststof, vormen hierop een uitzondering. De andere spuitbussen moeten uit metaal, kunststof of glas vervaardigd zijn. Metalen recipiënten met een buitendiameter van ten minste 40 mm moeten een holle bodem hebben;

b) recipiënten uit materialen die kunnen versplinteren (zoals glas of bepaalde kunststoffen) moeten van een beschermend omhulsel voorzien zijn (metaalgaas met kleine mazen, een mantel van elastische kunststof, enz.), dat de verspreiding van splinters verhindert. Dit is niet nodig bij recipiënten met een inhoud van ten hoogste 150 cm3 en een inwendige druk bij 20 °C van minder dan 150 kPa (1,5 bar);

c) de maximale inhoud bedraagt 1 000 cm3 voor recipiënten uit metaal en 500 cm3 voor recipiënten uit kunststof of glas;

d) ieder model van recipiënt moet, alvorens het in gebruik wordt genomen, onderworpen worden aan de hydraulische drukproef, beschreven in randnummer 3291 van aanhangsel A.2 en voldoen aan de aldaar gestelde voorwaarden. De hydraulische proefdruk bedraagt 1,5 maal de inwendige druk bij 50 °C, met een minimum van 1 MPa (10 bar);

e) de aftapinrichting van de spuitbussen en hun verstuivingsinrichtingen moeten een volledig dichte afsluiting van de bussen waarborgen en dienen beschermd te zijn tegen 2208 elke ontijdige opening. Aftapinrichtingen en verstuivers, die slechts sluiten door de inwerking van de inwendige druk, zijn verboden.

(2) Volgende gassen zijn als vulling, drijfgas of component van een drijfgas in spuitbussen toegelaten: gassen van 1°a), 1°b), 2°a), 2°b), 3°a) en 3°b) (uitgezonderd methylsilaan), ethylchloride van 3°bt), butadiëen-1,3 van 3°c), chloortrifluorethyleen van 3°ct), gassen van 4°a), 4°b), 4°c), 5°a), 5°b) (uitgezonderd silaan), 5°c), 6°a) en 6°c).

(3) Volgende gassen zijn als vulling voor gaspatronen toegelaten: alle in (2) opgesomde gassen; methylbromide van 3°at); methylamine, dimethylamine, trimethylamine, ethylamine en methylmercaptaan van 3°bt); ethyleenoxide, vinylmethylether en vinylbromide van 3°ct); ethyleenoxide met ten hoogste 10 massa-% koolstofdioxide van 4°ct).

2209 (1) De inwendige druk bij 50 °C in spuitbussen en gaspatronen mag niet meer dan 2/3 van de proefdruk bedragen, met een maximum van 1,2 MPa (12 bar).

(2) Spuitbussen en gaspatronen moeten zodanig zijn gevuld, dat bij 50 °C de vloeistoffase niet meer dan 95 % van hun inhoud inneemt. De inhoud van spuitbussen is het beschikbaar volume in de gesloten bus, waarbij deze voorzien is van de klephouder, de klep en de stijgbuis.

(3) Alle spuitbussen en gaspatronen moeten een dichtheidsbeproeving ondergaan, die beantwoordt aan de voorschriften van randnummer 3292 in aanhangsel A.2.

2210 (1) De spuitbussen en gaspatronen moeten in houten kisten of in sterke metalen of kartonnen dozen geplaatst worden. Spuitbussen uit glas of kunststof, die kunnen versplinteren, moeten van elkaar gescheiden worden door lagen karton of lagen van een andere geschikte stof.

(2) Een collo mag niet meer wegen dan 50 kg indien de buitenverpakking een kartonnen doos is, en niet meer dan 75 kg voor de andere buitenverpakkingen.

(3) Indien een wagenlading geheel of gedeeltelijk bestaat uit metalen spuitbussen mogen deze laatste gegroepeerd worden door ze met behulp van een geschikte hoes uit kunststof op platen vast te zetten. De aldus verpakte spuitbussen moeten vervolgens op een deugdelijke wijze op paletten gestapeld en vastgezet zijn.

b) Voorschriften voor de metalen recipiënten

(Deze voorschriften zijn niet van toepassing op de metalen buizen die in randnummer 2206 vernoemd worden, op de recipinten van randnummer 2207 (2) b) en op de metalen spuitbussen en gaspatronen die in randnummer 2208 vernoemd worden).

1. Constructie en uitrusting (zie ook randnummer 2238)

2211 (1) Onder invloed van de beproevingsdruk (zie randnummers 2215, 2219 en 2220) mag de spanning in het metaal op de meest belaste plaats van het recipiënt niet meer bedragen dan 3/4 van de gegarandeerde minimum elasticiteitsgrens (Re). De elasticiteitsgrens is de spanning die bij een proefstaaf een blijvende rek van 2 % (0,2 %) veroorzaakt, of 1 % van de lengte tussen meetpunten op de proefstaaf voor austenietische staalsoorten.

Opmerking: De as van de trekproefstaven uit metaalplaten moet loodrecht op de walsrichting staan. De rek bij breuk (l = 5d) wordt gemeten op proefstaven met een cirkelvormige doorsnede, waarbij de lengte l tussen de meetpunten vijf maal de diameter d bedraagt; bij proefstaven met een rechthoekige doorsnede wordt de lengte tussen de meetpunten berekend met de formule l = 5,65Fo, waarin Fo de oorspronkelijke doorsnede van de proefstaaf aangeeft.

(2) a) Stalen recipiënten, waarvan de beproevingsdruk meer dan 6 MPa (60 bar) bedraagt, moeten naadloos of gelast zijn.Voor gelaste recipiënten moeten staalsoorten (koolstofstaal of gelegeerd staal) worden gebruikt, waarvan de lasbaarheid volledig gewaarborgd is.

b) Recipiënten, waarvan de beproevingsdruk niet meer dan 6 MPa (60 bar) bedraagt, moeten ofwel aan de in a) vermelde voorschriften voldoen, ofwel geklonken of hardgesoldeerd zijn; in dit laatste geval moet de fabrikant de goede uitvoering van het klinken of hardsolderen garanderen en moet de bevoegde overheid van het land van herkomst er haar goedkeuring aan gegeven hebben.

(3) Recipiënten uit een aluminiumlegering moeten naadloos of gelast zijn.

(4) Gelaste recipiënten zijn slechts toegelaten indien de fabrikant de goede uitvoering van de lassen garandeert en de bevoegde overheid van het land van herkomst er haar goedkeuring aan heeft gegeven.

2212 (1) De recipiënten worden onderverdeeld in volgende soorten:

a) flessen met een inhoud van niet meer dan 150 liter;

b) recipiënten met een inhoud van ten minste 100 liter en van niet meer dan 1 000 liter, met uitzondering van de in a) bedoelde flessen en van de in e) bedoelde recipiënten (bijvoorbeeld cilindervormige recipiënten met rolbanden en recipiënten op sleden);

c) tanks (zie bijlage B);

d) zogenaamde "flessenbatterijen" (in (1) a) bedoelde flessen die onderling door een verzamelbuis zijn verbonden en die door een metalen constructie stevig bijeen worden gehouden);

e) recipiënten die beantwoorden aan randnummer 2207, met een inhoud van ten hoogste 1 000 liter.

(2) a) Indien de voorschriften van het land van verzending bepalen dat de in alinea (1) a) bedoelde flessen van een inrichting moeten voorzien zijn die het rollen belet, dan mag deze inrichting geen geheel vormen met de beschermkap [randnummer 2213 (2)];

b) De in paragraaf (1) b) bedoelde recipiënten, die kunnen worden gerold, moeten voorzien zijn van rolbanden of van een andere bescherming tegen beschadiging als gevolg van het rollen (bijvoorbeeld door het buitenoppervlak te bespuiten met een laag corrosiebestendig metaal). De in paragraaf (1) b) en (1) c) bedoelde recipiënten, die niet kunnen worden gerold, moeten uitgerust zijn met voorzieningen (sleden, ogen, beugels) die een veilige behandeling met mechanische middelen garanderen en die zodanig zijn aangebracht dat zij de recipiënten niet verzwakken en geen ontoelaatbare belastingen op de wand veroorzaken.

c) De in (1) d) bedoelde flessenbatterijen moeten uitgerust zijn met inrichtingen die een betrouwbare behandeling garanderen. De verzamelbuis en de hoofdkraan moeten zich binnen de metalen constructie bevinden en zodanig bevestigd zijn dat zij beschermd zijn tegen elke beschadiging.

(3) a) De gassen van klasse 2 (met uitzondering van 7° en 8°) mogen vervoerd worden in de flessen die in paragraaf (1) a) vernoemd worden.

Opmerking: Zie randnummer 2219 voor eventuele beperkingen van de inhoud van gasflessen voor bepaalde gassen.

b) De gassen van klasse 2 die in de onderstaande lijst voorkomen mogen niet in de in paragraaf (1) b) vernoemde recipiënten vervoerd worden: fluor, siliciumtetrafluoride en stikstoftrifluoride van 1°at); stikstofmonoxide van 1°ct); mengsels van waterstof met ten hoogste 10 volume-% waterstofselenide, fosfine of germaan of met ten hoogste 15 volume-% arsine, en mengsels van stikstof of van edelgassen (met maximum 10 volume-% xenon) met ten hoogste 10 volume-% waterstofselenide, fosfine of germaan of met ten hoogste 15 volume-% arsine van 2°bt); mengsels van waterstof met ten hoogste 10 volume-% diboraan en mengsels van stikstof of van edelgassen (met maximum 10 volume-% xenon) met ten hoogste 10 volume-% diboraan van 2°ct); 2-octafluorbuteen (R1318) en octafluorpropaan van 3°a); wolframhexafluoride, boortrichloride, chloortrifluoride, nitrosylchloride, sulfurylfluoride en hexafluoraceton van 3°at); 2,2-dimethylpropaan en methylsilaan van 3°b), waterstofselenide, arsine, carbonylsulfide, dichloorsilaan, dimethylsilaan en trimethylsilaan van 3°bt); gestabiliseerd propadieen van 3°c); dicyaan, cyaanchloride, watervrij waterstofjodide en ethyleenoxide van 3°ct); mengsels van methylsilanen van 4°bt); propadieen met 1 % tot 4 % methylacetyleen, gestabiliseerd, van 4°c); ethyleenoxide dat ten hoogste 50 massa-% methylformiaat bevat, met stikstof tot een totale druk van ten hoogste 1 MPa (10 bar) bij 50 °C, van 4°ct); silaan van 5°b); de stoffen van 5°bt), 5°ct), 7°, 8°, 12° en 13°.

De andere gassen van klasse 2 mogen wel in voornoemde recipiënten vervoerd worden.

c) De gassen van klasse 2 die in de onderstaande lijst voorkomen mogen niet in de in paragraaf (1) d) vernoemde flessenbatterijen vervoerd worden: siliciumtetrafluoride en stikstoftrifluoride van 1°at); stikstofmonoxide van 1°ct); mengsels van waterstof met ten hoogste 10 volume-% waterstofselenide, fosfine of germaan of met ten hoogste 15 volume-% arsine, en mengsels van stikstof of van edelgassen (met maximum 10 volume-% xenon) met ten hoogste 10 volume-% waterstofselenide, fosfine of germaan of met ten hoogste 15 volume-% arsine van 2°bt); mengsels van waterstof met ten hoogste 10 volume-% diboraan en mengsels van stikstof of van edelgassen (met maximum 10 volume-% xenon) met ten hoogste 10 volume-% diboraan van 2°ct); 2-octafluorbuteen (R1318) en octafluorpropaan van 3°a); wolframhexafluoride, boortrichloride, chloortrifluoride, nitrosylchloride, sulfurylfluoride en hexafluoraceton van 3°at); 2,2dimethylpropaan en methylsilaan van 3°b); waterstofselenide, arsine, carbonylsulfide, dimethylsilaan, trimethylsilaan en dichloorsilaan van 3°bt); gestabiliseerd propadieen van 3°c); dicyaan, cyaanchloride, watervrij waterstofjodide en ethyleenoxide van 3°ct); mengsels van methylsilanen van 4°bt); stoffen van 4°c) en 4°ct); distikstofoxide van 5°a); silaan van 5°b); de stoffen van 5°bt), 5°ct), 7°, 8°, 12° en 13°. De andere gassen van klasse 2 mogen wel in voornoemde flessenbatterijen vervoerd worden. De flessen van éénzelfde batterij mogen slechts één en hetzelfde samengeperst, vloeibaar gemaakt of onder druk opgelost gas bevatten. Elke fles van een batterij voor fluor van 1°at) of voor opgelost acetyleen van 9°c) moet voorzien zijn van een afsluiter. De flessen van een batterij voor acetyleen moeten alle hetzelfde poreus materiaal bevatten (randnummer 2204).

d) Zie randnummer 2207 voor de recipiënten die in (1) e) vernoemd worden.

2213 (1) De vul- en losopeningen van de recipiënten moeten van vlinder- of naaldkranenvoorzien zijn. Kranen van een ander type mogen evenwel worden toegelaten, indien zij een even grote veiligheid waarborgen en in hun land van herkomst goedgekeurd zijn. Het bevestigingssysteem van om het even welk kraantype moet stevig zijn, en van die aard dat vóór elke vulling gemakkelijk is na te gaan of het nog in goede staat verkeert.

Buiten een eventueel mangat, voorzien van een betrouwbare sluiting, en een opening voor het verwijderen van bezinksels mogen de recipiënten en tanks bedoeld in randnummer 2212 (1) b) en c) ten hoogste twee openingen bezitten, respectievelijk voor het vullen en voor het ledigen. Recipiënten met een inhoud van ten minste 100 liter, bestemd voor het vervoer van opgelost acetyleen van 9°c), mogen echter van meer dan twee openingen voor het vullen en het ledigen voorzien zijn.

Ook de recipiënten, bedoeld in randnummer 2212 (1) b) en c) en bestemd voor het vervoer van stoffen van 3°b) en 4°b), mogen van bijkomende openingen voor de controle van het vloeistofniveau en van de manometerdruk voorzien zijn.

(2) De kranen moeten doelmatig door kappen of vaste kragen beschermd zijn. De kappen moeten openingen bezitten waarvan de doorsnede voldoende groot is om het gas te laten ontsnappen dat vrijkomt indien de kranen lekken. Deze kappen of kragen moeten de kranen afdoende beschermen indien de fles valt en tijdens het vervoer of het stapelen. Kranen aangebracht aan de binnenzijde van de hals van het recipiënt en beschermd door een opgeschroefde dop, kranen van recipiënten die in beschermde kisten worden vervoerd en kranen van flessenbatterijen moeten niet van een kap voorzien zijn.

(3) Recipiënten die fluor van 1°at), chloortrifluoride van 3°at) of cyaanchloride van 3°ct) bevatten, moeten van stalen kappen voorzien zijn ongeacht of zij al dan niet in beschermende kisten zijn verpakt. Deze kappen mogen geen openingen bezitten en moeten tijdens het vervoer voorzien zijn van een pakking die bestaat uit een materiaal dat niet door de inhoud van het recipiënt wordt aangetast en die een gasdichte afsluiting waarborgt.

2214 (1) Recipiënten die fluor of boortrifluoride van 1°at), vloeibaar gemaakte ammoniak of chloortrifluoride van 3°at), in water opgeloste ammoniak van 9°at), nitrosylchloride van 3°at) of methylamine, dimethylamine, trimethylamine of ethylamine van 3°bt) bevatten, mogen niet uitgerust zijn met kranen uit koper of uit een ander metaal dat door deze gassen kan worden aangetast.

(2) Bij recipiënten, die zuurstof van 1°a), fluor van 1°at), mengsels met zuurstof van 2°a), stikstofdioxide of chloortrifluoride van 3°at), distikstofoxide van 5°a) of mengsels van 12° met meer dan 10 volume-% zuurstof bevatten, is het gebruik van vet- of oliehoudende stoffen voor de afdichting van de pakkingen of voor het onderhoud van de afsluiters niet toegestaan.

(3) De volgende voorschriften gelden voor de constructie van de recipiënten bedoeld in randnummer 2207 (1):

a) de materialen en de constructie van de recipiënten moeten voldoen aan de voorschriften die in punt B van de randnummers 3250 tot 3254 van aanhangsel A.2 opgenomen zijn. Voor elk recipiënt moeten alle mechanische en technologische karakteristieken van het gebruikt materiaal bij de eerste beproeving worden vastgesteld; zie punt B van randnummers 3265 tot 3285 van aanhangsel A.2 voor de kerfslagwaarde en de buigingscoëfficiënt;

b) de recipiënten moeten van een veiligheidsklep voorzien zijn die bij de op het recipiënt aangegeven dienstdruk opengaat. De kleppen moeten van een zodanige constructie zijn, dat zij zelfs bij hun laagste diensttemperatuur perfect functioneren. De betrouwbare werking bij deze temperatuur moet vastgesteld en gecontroleerd worden door elke klep - of een monster van de kleppen van eenzelfde constructietype - te testen;

c) de openingen en de veiligheidskleppen van de recipiënten moeten zodanig ontworpen zijn dat uitspatten van vloeistof wordt verhinderd;

d) de sluitingen moeten zodanig zijn beveiligd dat zij niet door onbevoegden kunnen worden geopend;

e) recipiënten, die volumetrisch gevuld worden, moeten van een peilinrichting voor het vloeistofniveau voorzien zijn;

f) de recipiënten dienen geïsoleerd te zijn tegen warmte. Een ononderbroken metalen omhulsel moet de isolerende bekleding tegen schokken beschermen. Indien de ruimte tussen het recipiënt en het metalen omhulsel luchtledig is (vacuümisolatie), moet dit omhulsel berekend zijn om zonder vervorming aan een uitwendige druk van ten minste 100 kPa (1 bar) te kunnen weerstaan. Indien het omhulsel gasdicht is (bijvoorbeeld in het geval van vacuümisolatie), moet een inrichting voorkomen dat zich in de isolerende laag een gevaarlijke druk kan opbouwen wanneer het recipiënt of zijn toebehoren niet volledig dicht zijn. Deze inrichting moet het binnendringen van vocht in de isolatie verhinderen.

(4) In de afsluiters van recipiënten, die mengsel P1 of P2 van 4°c), een mengsel van ethyleen met acetyleen en propyleen van 8°b), of opgelost acetyleen van 9°c) bevatten, mogen de metalen onderdelen die in aanraking komen met de inhoud niet meer dan 70 % koper bevatten. Recipiënten voor opgelost acetyleen van 9°c) mogen ook van afsluiters met klembeugels voorzien zijn.

(5) Recipiënten met zuurstof van 1°a) of 7°a), die in bakken voor het vervoer van levende vis bevestigd zijn, zijn ook toegelaten indien zij voorzien zijn van een inrichting die de zuurstof geleidelijk laat ontsnappen.

2. Officiële beproeving van de recipiënten (zie ook aanhangsel A.2 voor recipiënten uit aluminiumlegeringen)

2215 (1) Metalen recipiënten moeten vóór hun indienstname, en daarna periodiek, door een door de bevoegde overheid erkende deskundige aan beproevingen worden onderworpen. De aard van deze beproevingen is aangegeven in randnummers 2216 en 2217.

(2) Om te garanderen dat de voorschriften van randnummers 2204 en 2221 (2) nageleefd worden, moeten de beproevingen van de recipiënten, die voor opgelost acetyleen van 9°c) bestemd zijn, onder meer een nazicht van de aard van de poreuze massa en van de hoeveelheid oplosmiddel omvatten.

2216 (1) De eerste beproeving van de nieuwe of de nog niet in dienst genomen recipiënten omvat :

A. op een voldoend aantal recipiënten:

a) het uittesten van het constructiemateriaal; dit moet ten minste de bepaling van de elasticiteitsgrens, de treksterkte en de rek bij breuk omvatten; de resultaten van deze beproevingen moeten voldoen aan de nationale voorschriften;

b) het meten van de kleinste wanddikte en het berekenen van de spanning;

c) het nazicht van de homogeniteit van het materiaal voor elke gefabriceerde serie en van de uitwendige en de inwendige toestand van de recipiënten;

B. op alle recipiënten:

d) een hydraulische drukproef overeenkomstig de bepalingen van randnummers 2219 tot 2221;

Opmerking: Mits de door de bevoegde overheid erkende deskundige ermee instemt en zulks geen gevaar oplevert, mag de hydraulische drukproef vervangen worden door een beproeving met een gas.

e) het nazicht van de opschriften op de recipiënten (zie randnummer 2218);

C. op de recipiënten, bestemd voor het vervoer van opgelost acetyleen van 9°c), daarenboven:

f) een onderzoek volgens de nationale voorschriften.

(2) De recipiënten moeten de beproevingsdruk doorstaan zonder een blijvende vervorming of scheurtjes te vertonen.

(3) Bij de periodieke onderzoeken moeten volgende controles hernieuwd worden: de hydraulische drukproef, het onderzoek van de uitwendige en de inwendige toestand van de recipiënten (bijvoorbeeld door wegen, inwendig onderzoek, controle van de wanddikte), het nazicht van de uitrusting en van de opschriften en, in voorkomend geval, het nazicht van de materiaalkwaliteit door middel van daartoe geschikte testen.

Opmerking: Mits de door de bevoegde overheid erkende deskundige ermee instemt, mag de hydraulische drukproef vervangen worden door een gelijkwaardige methode met ultrasone golven.

De periodieke onderzoeken vinden plaats:

a) om de 2 jaar voor recipiënten, bestemd voor het vervoer van de gassen van 1°at) en 1°ct); van stadsgas van 2°bt); van de gassen van 3°at) op ammoniak, hexafluorpropeen en methylbromide na; van cyaanchloride van 3°ct) en van de gassen van 5°at);

b) om de 5 jaar voor recipiënten, bestemd voor het vervoer van de overige samengeperste of vloeibaar gemaakte gassen (behalve indien hierna bij c) anders wordt bepaald) en van onder druk opgelost ammoniak van 9°at);

c) om de 10 jaar voor recipiënten met een inhoud van ten hoogste 150 liter, bestemd voor het vervoer van de gassen van 1°a) op zuurstof na; van mengsels van stikstof met edelgassen van 2°a); van de gassen van 3°a) en 3°b) op 1,1-difluorethaan, 1-chloor-1,1-difluorethaan, methylsilaan, methyloxide en 1,1,1-trifluorethaan na en van gasmengsels van 4°a) en 4°b); dit indien het land van herkomst geen kortere termijn voorschrijft;

d) volgens randnummer 2217 (1) voor recipiënten, bestemd voor het vervoer van opgelost acetyleen van 9°c), en volgens randnummer 2217 (2) voor de recipiënten, vernoemd in randnummer 2207 (1).

2217 (1) De uitwendige toestand (roest, vervorming) van de recipiënten voor opgelost acetyleen van 9°c) en de toestand van hun poreuze massa (samenhang, inzakking) moet om de 5 jaar onderzocht worden. Indien zulks noodzakelijk wordt geacht, moet een steekproef uitgevoerd worden waarbij een gepast aantal recipiënten wordt opengesneden en onderzocht op inwendige corrosie en op veranderingen in het constructiemateriaal en in de poreuze massa.

(2) De recipiënten, vernoemd in randnummer 2207 (1), moeten om de 5 jaar aan een uitwendig onderzoek en aan een dichtheidsbeproeving worden onderworpen. De dichtheidsbeproeving moet bij een druk van 200 kPa (2 bar) uitgevoerd worden, en dit met het gas dat in het recipiënt aanwezig is of met een inert gas. De controle gebeurt met behulp van een manometer of door het meten van het vacuüm. De isolatie wordt niet verwijderd. Gedurende de 8 uur durende beproeving mag de druk in het recipiënt niet dalen; hierbij wordt rekening gehouden met veranderingen die aan de aard van het beproevingsgas en aan temperatuurschommelingen te wijten zijn.

(3) De in randnummer 2212 (1) a) gedefinieerde flessen mogen - na afloop van de termijn die voor de in randnummer 2215 voorgeschreven periodieke beproeving vastgesteld is - vervoerd worden om aan de beproeving onderworpen te worden.

3. Merktekens op de recipiënten

2218 (1) De metalen recipiënten moeten van de volgende duidelijk leesbare en duurzame opschriften voorzien zijn:

a) één van de onverkorte namen van het gas of van het gasmengsel, zoals die in randnummer 2201, 1° tot 9° voorkomen, de naam of het merk van de fabrikant of van de eigenaar en het nummer van het recipiënt [zie ook randnummer 2202 (3)]. Voor de gehalogeneerde koolwaterstoffen van 1°a), 3°a), 3°at), 3°b), 3°ct), 4°a), 5°a) en 6°a) is het gebruik van de letter R, gevolgd door het identificatienummer van de stof, ook toegestaan;

b) de tarra van het recipiënt zonder zijn toebehoren;

c) voor de recipiënten, bestemd voor vloeibaar gemaakte gassen, bovendien de tarra van het recipiënt met inbegrip van zijn toebehoren (zoals kranen, metalen stoppen, enz.), maar zonder beschermkap;

Opmerking bij b) en c): Indien deze aanduidingen van de massa nog niet aangebracht zijn, moet dit gebeuren bij het eerstvolgend periodiek onderzoek.

d) de beproevingsdruk (zie randnummers 2219 tot 2221) en de datum (maand, jaar) van de laatste beproeving (zie randnummers 2216 en 2217);

e) het waarmerk van de deskundige die de beproevingen en onderzoeken heeft uitgevoerd;

f) voor samengeperste gassen of gasmengsels (1°, 2°, 12° en 13°): de maximaal toelaatbare vuldruk bij 15 °C voor het betreffend recipiënt (zie randnummer 2219);

g) voor boortrifluoride van 1°at), vloeibaar gemaakte gassen van 3° tot 6° en in water opgeloste ammoniak van 9°at): de hoogst toelaatbare massa produkt die het recipiënt mag bevatten en zijn inhoud; voor sterk gekoelde gassen van 7° en 8°: de inhoud van het recipiënt;

h) voor opgelost acetyleen van 9°c): de hoogst toegelaten vuldruk [zie randnummer 2221 (2)] en de massa van het leeg recipiënt (met inbegrip van de toebehoren, van de poreuze massa en van het oplosmiddel);

i) voor gasmengsels van 12° en de gassen voor proefnemingen van 13°: respectievelijk "gasmengsel" en "proefgas" op het recipiënt ingeslagen als naam van de lading. Bovendien moet ook de exacte omschrijving van de inhoud tijdens het vervoer duurzaam aangegeven zijn.

k) voor de metalen recipiënten die volgens randnummer 2202 (3) voor het vervoer van verschillende gassen gebruikt worden, moet tijdens het vervoer de exacte aanduiding van de inhoud duurzaam aangegeven zijn.

(2) De opschriften moeten ingeslagen worden op een versterkt gedeelte van het recipiënt of op een ring of plaat die onverbrekelijk met het recipiënt verbonden is. De naam van de stof mag bovendien met behulp van een goed hechtende en goed zichtbare verf (of op een andere gelijkwaardige wijze) op het recipiënt aangebracht zijn.

c) Beproevingsdruk, vulling en beperking van de inhoud van de recipiënten (zie ook randnummers 2238, 211 180, 211 184 en 212 180)

2219 (1) Voor de recipiënten, bestemd voor het vervoer van samengeperste gassen van 1°, 2° en 12°, moet de inwendige druk (beproevingsdruk) tijdens de hydraulische drukproef ten minste gelijk zijn aan 1,5 maal de op de recipiënten aangegeven vuldruk bij 15 °C; de beproevingsdruk mag echter nooit lager zijn dan 1 MPa (10 bar).

(2) Bij het vervoer van stoffen van 1°a) (op tetrafluormethaan na), van deuterium en waterstof van 1°b) en van gassen van 2°a) mag de vuldruk, herleid op 15 °C, niet hoger zijn dan 30 MPa (300 bar) voor recipiënten en 25 MPa (250 bar) voor tanks.

Voor de recipiënten en de tanks, bestemd voor het vervoer van de overige gassen van 1° en 2°, mag de vuldruk, herleid op 15 °C, niet hoger zijn dan 20 MPa (200 bar).

(3) Voor de recipiënten, bestemd voor het vervoer van fluor van 1°at), moet de inwendige druk (beproevingsdruk) tijdens de hydraulische drukproef gelijk zijn aan 20 MPa (200 bar), terwijl de vuldruk bij 15 °C niet meer mag bedragen dan 2,8 MPa (28 bar); bovendien mag geen enkel recipiënt meer dan 5 kg fluor bevatten.

Voor de recipiënten, bestemd voor het vervoer van boortrifluoride van 1°at), moet de inwendige druk (beproevingsdruk) tijdens de hydraulische drukproef gelijk zijn aan 30 MPa (300 bar); de hoogst toelaatbare massa per liter inhoud is dan 0,86 kg. Een beproevingsdruk van 22,5 MPa (225 bar) is ook toegelaten, maar dan mag de hoogst toelaatbare massa per liter inhoud niet meer dan 0,715 kg bedragen.

(4) Voor de recipiënten, bestemd voor het vervoer van stikstofmonoxide van 1°ct), moet de inwendige druk (beproevingsdruk) tijdens de hydraulische drukproef gelijk zijn aan 20 MPa (200 bar), terwijl de vuldruk bij 15 °C niet meer mag bedragen dan 5 MPa (50 bar); bovendien is de inhoud van de recipiënten beperkt tot 50 liter.

(5) Voor de recipiënten, bestemd voor het vervoer van: mengsels van waterstof met ten hoogste 10 volume-% waterstofselenide, fosfine, silaan of germaan of met ten hoogste 15 volume-% arsine, en mengsels van stikstof of van edelgassen (met maximum 10 volume-% xenon) met ten hoogste 10 volume-% waterstofselenide, fosfine, silaan of germaan of met ten hoogste 15 volume-% arsine van 2°bt); mengsels van waterstof met ten hoogste 10 volume-% diboraan en mengsels van stikstof of van edelgassen (met maximum 10 volume-% xenon) met ten hoogste 10 volume-% diboraan van 2°ct), is de inhoud tot 50 liter beperkt, mag de inwendige druk (beproevingsdruk) tijdens de hydraulische drukproef niet lager zijn dan 20 MPa (200 bar) en mag de vuldruk, herleid op 15 °C, niet hoger zijn dan 5 MPa (50 bar).

(6) Indien recipiënten, bedoeld in randnummer 2207 (1), bestemd zijn voor het vervoer van de gassen van 7°b) en 8°b), moet hun vullingsgraad lager zijn dan de waarde waarvoor - bij de temperatuur die de dampspanning gelijk maakt aan de openingsdruk van de kleppen - het volume van de vloeistof 95 % van de inhoud van het recipiënt bij deze temperatuur bereikt. Recipiënten die bestemd zijn voor het vervoer van de gassen van 7°a) en 8°a) mogen voor 98 % gevuld worden bij de vultemperatuur en de vuldruk. Indien zuurstof van 7°a) wordt vervoerd, moet elk verlies van vloeistof verhinderd worden.

(7) Indien opgelost acetyleen van 9°c) wordt vervoerd in recipiënten, vernoemd in randnummer 2212 (1)b), mag de inhoud van deze recipiënten niet groter zijn dan 150 liter.

(8) De inhoud van recipiënten, bestemd voor het vervoer van gasmengsels van 12°, mag niet groter zijn dan 50 liter. De druk van het mengsel bij 15 °C mag niet hoger zijn dan 15 MPa (150 bar).

(9) De inhoud van de recipiënten, bestemd voor het vervoer van gassen voor proefnemingen van 13°, mag niet groter zijn dan 50 liter. De vuldruk bij 15 °C mag niet hoger zijn dan 7 % van de beproevingsdruk van het recipiënt.

(10) Voor wolframhexafluoride van 3°at) is de inhoud van de recipiënten beperkt tot 60 liter.

De inhoud van de recipiënten is tot 50 liter beperkt indien ze bestemd zijn voor het vervoer van volgende gassen: siliciumtetrafluoride van 1°at), boortrichloride, nitrosylchloride en sulfurylfluoride van 3°at), methylsilaan van 3°b), waterstofselenide, arsine, dimethylsilaan, trimethylsilaan en dichloorsilaan van 3°bt), dicyaan en cyaanchloride van 3°ct), mengsels van methylsilanen van 4°bt), ethyleenoxide dat ten hoogste 50 massa-% methylformiaat bevat met stikstof tot een totale druk van ten hoogste 1 MPa (10 bar) bij 50 °C van 4°ct), silaan van 5°b) en stoffen van 5°bt) en 5°ct).

(11) De inhoud van recipiënten, bestemd voor het vervoer van chloortrifluoride van 3°at), mag niet groter zijn dan 40 liter. Om zich van de dichtheid van een dergelijk recipiënt te overtuigen, moet deze na het vullen en voor het vervoer gedurende ten minste zeven dagen worden opgeslagen.

2220 (1) Voor de recipiënten, bestemd voor het vervoer van de vloeibaar gemaakte gassen van 3° tot 6° en van de onder druk opgeloste gassen van 9°, moet de inwendige druk (beproevingsdruk) tijdens de hydraulische drukproef ten minste 1 MPa (10 bar) bedragen.

(2) Voor de recipiënten, bestemd voor het vervoer van de vloeibaar gemaakte gassen van 3° en 4°, gelden de hiernavolgende waarden voor de minimale inwendige druk (beproevingsdruk) tijdens de hydraulische drukproef en voor de maximaal toelaatbare vullingsgraad ():

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(3) De vullingsgraad van de recipiënten, die bestemd zijn voor vloeibaar gemaakte gassen van 5° en 6°, moet zodanig worden vastgesteld dat de inwendige druk bij 65 °C de beproevingsdruk van het recipiënt niet overschrijdt. De volgende waarden moeten in acht worden genomen [zie ook bij (4)]:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(4) Voor stoffen van 5° - op waterstofchloride van 5°at), germaan en fosfine van 5°bt) en diboraan van 5°ct) na - en voor stoffen van 6° mogen ook recipiënten gebruikt worden wier beproevingsdruk lager is dan het minimum dat in punt (3) voor de betreffende stof is aangegeven. De hoeveelheid stof per recipiënt mag echter niet groter zijn dan de hoeveelheid die bij 65 °C in het recipiënt een druk gelijk aan de beproevingsdruk zou veroorzaken. De hoogst toelaatbare vulling moet in dit geval worden vastgesteld door een door de bevoegde overheid erkende deskundige.

2221 (1) Voor de recipiënten, bestemd voor het vervoer van de onder druk opgeloste gassen van 9°, gelden de hiernavolgende waarden voor de minimale inwendige druk (beproevingsdruk) tijdens de hydraulische drukproef en voor de maximaal toelaatbare vullingsgraad:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(2) Na het bereiken van de evenwichtstoestand bij 15 °C mag de vuldruk voor opgelost acetyleen van 9°c) niet hoger zijn dan de druk die door de bevoegde overheid voor de poreuze massa is voorgeschreven en die op de fles moet zijn ingeslagen. De hoeveelheid oplosmiddel en de hoeveelheid acetyleen moeten ook overeenstemmen met de bij de goedkeuring vastgestelde waarden.

3. Gezamenlijke verpakking

2222 (1) De stoffen van klasse 2 (behalve de stoffen van 7° en 8°) mogen in éénzelfde collo bijeengebracht worden, indien ze verpakt zijn in:

a) metalen drukrecipiënten met een inhoud van ten hoogste 10 liter;

b) dikwandige glazen buizen of glazen sifons, die beantwoorden aan randnummer 2205 en 2206, op voorwaarde dat deze breekbare recipiënten overeenkomstig de voorschriften van randnummer 2001 (7) zijn vastgezet. De als buffer dienende vulmiddelen moeten aangepast zijn aan de eigenschappen van de inhoud. De binnenverpakkingen moeten in een buitenverpakking geplaatst worden, waarin zij op efficiënte wijze van elkaar moeten gescheiden zijn.

(2) Voorwerpen van 10° en 11° mogen in éénzelfde collo bijeengebracht worden, mits de bepalingen van randnummer 2210 nageleefd worden.

(3) De stoffen, verpakt volgens randnummers 2205 en 2206, mogen in éénzelfde collo bijeengebracht worden, indien de in punt (4) vermelde bijzondere voorwaarden nageleefd worden.

(4) Een collo, dat aan de voorwaarden van (1) en (3) voldoet, mag niet meer wegen dan 100 kg (of 75 kg wanneer het breekbare recipiënten bevat).

Bijzondere voorwaarden:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie aanhangsel A.9)

Opschriften

2223 (1) Op alle colli, die recipiënten met gassen van 1° tot 9°, 12°, 13° of gaspatronen van 11° bevatten, moet de vermelding van de inhoud, aangevuld met "klasse 2", goed leesbaar en onuitwisbaar aangebracht zijn. Dit opschrift moet in een officiële taal van de Staat van verzending gesteld zijn en daarenboven in het Engels, het Frans of het Duits indien de officiële taal geen van de drie genoemde is; dit tenzij akkoorden tussen de bij het vervoer betrokken Staten, indien er bestaan, anders bepalen. Deze bepaling moet niet in acht genomen worden indien de recipiënten en hun opschriften duidelijk zichtbaar zijn.

(2) Op colli, die spuitbussen van 10° bevatten, moet het opschrift "AEROSOL" goed leesbaar en onuitwisbaar aangebracht zijn.

(3) Indien colli als wagenlading vervoerd worden zijn de in punt (1) vernoemde opschriften niet nodig.

Gevaarsetiketten

2224 Opmerking: Elke verpakking die recipiënten, spuitbussen en patronen met gassen onder druk bevat en elk recipiënt zonder buitenverpakking wordt beschouwd als een collo.

(1) Colli die stoffen en voorwerpen van klasse 2 bevatten dewelke niet voorkomen in tabel 2 van alinea (2) of in alinea (3) van onderhavig randnummer, moeten voorzien zijn van de hieronder aangegeven etiketten:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(2) Colli die stoffen en voorwerpen bevatten welke vernoemd zijn in de hierna volgende tabel 2, moeten voorzien zijn van volgende etiketten:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(3) Colli die stoffen van 12° en 13° bevatten moeten, in functie van de gevaarlijke eigenschappen van die stoffen, voorzien zijn van:

- een etiket dat overeenstemt met model 3 voor de brandbare gassen,

- een etiket dat overeenstemt met model 6.1 voor de giftige gassen,

- etiketten die overeenstemmen met model 6.1 en 8 voor de corrosieve gassen,

- etiketten die overeenstemmen met model 2 en 05 voor de gassen die de verbranding bevorderen,

- etiketten die overeenstemmen met model 3 en 6.1 voor de gassen die zowel brandbaar als giftig zijn,

- etiketten die overeenstemmen met model 3, 6.1 en 8 voor de gassen die zowel brandbaar als corrosief zijn,

- een etiket dat overeenstemt met model 2 voor gassen die niet brandbaar, niet giftig, niet corrosief en niet brandbevorderend zijn,

- etiketten die overeenstemmen met model 6.1 en 05 voor de mengsels die fluor bevatten en voor de mengsels die stikstofdioxide bevatten.

(4) colli die recipiënten bevatten, vervaardigd uit materialen die kunnen versplinteren (zoals glas of sommige kunststoffen), moeten voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 12.

(5) Ieder collo met gassen van 7° en 8° moet op twee tegenoverliggende zijvlakken voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 11; indien deze stoffen zich in glazen recipiënten bevinden [randnummer 2207 (2)a)], moet bovendien een etiket dat overeenstemt met model 12 op het collo aangebracht worden.

(6) Bij gasflessen is het toegelaten dat de etiketten op het gewelfd deel van de fles aangebracht worden; in dat geval mogen hun afmetingen kleiner zijn, op voorwaarde dat ze goed zichtbaar blijven.

2225

B. Vermeldingen in het vervoerdocument

2226 (1) De omschrijving van de stof in het vervoerdocument moet overeenstemmen met:

a) voor de zuivere en technisch zuivere gassen van 1°, 3°, 5°, 7° en 9°, voor spuitbussen van 10° en voor gaspatronen van 11°: één van de cursief gedrukte benamingen in randnummer 2201;

b) voor de gasmengsels van 2°, 4°, 6°, 8°, 12° en 13°: "gasmengsels". Deze omschrijving moet aangevuld worden met de samenstelling van het gasmengsel in volume-% of in massa-%. Componenten met een concentratie van minder dan 1 % moeten niet vermeld worden. Voor de gasmengsels van 2°a), 2°b), 2°bt), 4°a), 4°b), 4°c), 4°ct), 6°a), 8°a) en 8°b) mogen ook de gebruikelijke handelsnamen (die in randnummer 2201 cursief gedrukt zijn) zonder aanduiding van de samenstelling worden gebruikt.

Voor de mengsels A, A0 en C van 4°b), die in tanks of laadketels vervoerd worden, mogen vervolg de in de opmerking geciteerde gebruikelijke handelsnamen echter slechts als aanvulling gebruikt worden.

Die omschrijving moet gevolgd worden door de opgave van zijn klasse, zijn volgnummer in de opsomming - in voorkomend geval aangevuld met de letter(s) - en de afkorting "ADR" of "RID" (bijvoorbeeld 2, 5° at), ADR).

(2) Bij het vervoer van de gassen van 7°a) en 8°a) (op koolstofdioxide en distikstofoxide na) in tanks moet het vervoerdocument de volgende verklaring bevatten: "Het reservoir staat doorlopend met de buitenlucht in verbinding";

(3) Wanneer de in randnummer 2212 (1) a) gedefinieerde flessen volgens de voorwaarden van randnummer 2217 (3) vervoerd worden, moet het vervoerdocument de volgende vermelding bevatten: "Vervoer volgens randnummer 2217 (3)"

2227-

2236

C. Lege verpakkingen

2237 (1) De recipiënten en tanks van 14° moeten op dezelfde manier gesloten worden als toen ze gevuld waren.

(2) De niet-gereinigde lege recipiënten van 14° moeten van dezelfde gevaarsetiketten voorzien zijn als toen ze gevuld waren.

(3) De omschrijving in het vervoerdocument moet overeenstemmen met één van de in 14° cursief gedrukte benamingen, aangevuld met "2, 14°, ADR" (bijvoorbeeld: Ongereinigd leegrecipiënt, 2, 14°, ADR). Deze omschrijving moet aangevuld worden met "Laatst geladen stof", gevolgd door de benaming en het cijfer van de laatst geladen stof [bijvoorbeeld: Laatst geladen stof: chloor 3°at)].

(4) De recipiënten van 14°, gedefinieerd in randnummer 2212(1) a), b) en d), mogen ook na het verstrijken van de termijnen, die randnummer 2215 voor de periodieke onderzoeken voorschrijft, vervoerd worden om aan de onderzoeken te worden onderworpen.

D. Overgangsbepalingen

2238 De volgende overgangsbepalingen zijn van toepassing op recipiënten voor samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen:

a) reeds in dienst zijnde recipiënten mogen, onder voorbehoud van de hierna genoemde uitzonderingen, zolang gebruikt worden als de voorschriften van het Staatslid, waar de in randnummer 2216 vermelde keuringen hebben plaatsgevonden, dat toestaan; de in de randnummers 2216 (3) en 2217 voorgeschreven termijnen voor de periodieke onderzoeken moeten in acht worden genomen;

b) het is niet toegestaan de beproevingsdruk of de vuldruk van recipiënten, die zijn vervaardigd volgens de oude voorschriften (toelaatbare spanning 2/3 van de rekgrens in plaats van 3/4), te verhogen [zie randnummer 2211 (1)];

c) zie randnummer 211 180 en 211 184 voor de overgangsbepalingen voor tanks;

d) zie randnummer 212 180 voor de overgangsbepalingen voor laadketels.

2239-

2299

KLASSE 3 BRANDBARE VLOEISTOFFEN

1. Opsomming van de stoffen

2300 (1) Van de brandbare stoffen en mengsels die door de titel van klasse 3 bevoegd worden, zijn diegene welke in randnummer 2301 opgesomd zijn of diegene welke vallen onder een collectieve rubriek van dat randnummer - evenals de voorwerpen die dergelijke stoffen (of mengsels) bevatten - onderworpen aan de voorwaarden vastgesteld in de randnummers 2300 (2) tot 2322, aan de voorschriften van onderhavige bijlage en aan de bepalingen van bijlage B, en dus stoffen van deze Richtlijn.

Opmerking: Voor de stoffen van randnummer 2301 worden de hoeveelheden, die niet onderworpen zijn aan de voorschriften voor onderhavige klasse van zowel deze bijlage als van bijlage B gegeven in randnummer 2301a.

(2) De titel van klasse 3 slaat op de stoffen, en op de voorwerpen die stoffen van onderhavige klasse bevatten, die

- ofwel vloeibaar zijn bij een maximale temperatuur van 20 °C, ofwel - in het geval van viskeuze stoffen waarvoor het niet mogelijk is om een specifiek smeltpunt te bepalen - zeer viskeus zijn volgens de criteria van de pentrometerproef (zie randnummer 3310 van aanhangsel A.3), ofwel vloeibaar zijn volgens de testmethode ASTMD 4359-90,

- bij 50 °C een dampspanning hebben van ten hoogste 300 kPa (3 bar),

- een vlampunt bezitten van ten hoogste 61 °C.

De titel van klasse 3 slaat ook op de brandbare vloeistoffen met een vlampunt van meer dan 61 °C en op de vaste stoffen in gesmolten toestand, indien die warm - bij een temperatuur die ten minste gelijk is aan hun vlampunt - vervoerd worden of voor vervoer worden aangeboden.

De niet-giftige en niet-corrosieve stoffen met een vlampunt boven 35 °C, die onder de vastgelegde testvoorwaarden de verbranding niet in stand houden (zie randnummer 3304 van aanhangsel A.3), zijn uitgesloten; indien deze stoffen echter warm - bij temperaturen die ten minste gelijk zijn aan hun vlampunt - voor vervoer aangeboden en vervoerd worden, zijn ze stoffen van onderhavige klasse.

De brandbare vloeistoffen, die wegens hun bijkomende gevaarlijke eigenschappen opgesomd of te assimileren zijn in andere klassen, zijn eveneens uitgesloten. Het vlampunt moet bepaald worden zoals dat in randnummers 3300 tot 3302 van aanhangsel A.3 is aangegeven.

Opmerkingen: 1. Zie echter de opmerking bij 31°c) van randnummer 2301 voor dieselolie, gasolie of (lichte) stookolie met identificatienummer 1202, waarvan het vlampunt hoger is dan 61 °C.

2. Zie echter randnummer 2301, 61°c) voor de stoffen met een vlampunt hoger dan 61 °C, die warm - bij een temperatuur die ten minste gelijk is aan hun vlampunt - vervoerd of voor vervoer aangeboden worden.

(3) De stoffen van klasse 3 zijn als volgt onderverdeeld:

A. Niet-giftige en niet-corrosieve stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C;

B. Giftige stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C;

C. Corrosieve stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C;

D. Giftige en corrosieve stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, en de voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten;

E. Stoffen met een vlampunt van 23 °C tot 61 °C (grenswaarden inbegrepen), die in geringe mate giftig of corrosief kunnen zijn;

F. Stoffen en preparaten met een vlampunt lager dan 23 °C die gebruikt worden als pecticiden;

G. Stoffen met een vlampunt hoger dan 61 °C, die warm - bij een temperatuur die ten minste gelijk is aan hun vlampunt - vervoerd of voor vervoer aangeboden worden;

H. Lege verpakkingen.

Afhankelijk van hun gevaarsgraad worden de stoffen en voorwerpen van klasse 3, die ingedeeld zijn bij de verschillende cijfers van randnummer 2301 (met uitzondering van 6°, 12°, 13° en 28°), ondergebracht bij één van de volgende met de letters a), b), en c) aangeduide groepen:

a) zeer gevaarlijke stoffen: brandbare vloeistoffen met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C, en brandbare vloeistoffen met een vlampunt lager dan 23 °C die zeer giftig zijn volgens de criteria van randnummer 2600 of zeer corrosief volgens de criteria van randnummer 2800;

b) gevaarlijke stoffen: brandbare vloeistoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, die niet ingedeeld zijn bij letter a) [behalve de stoffen van randnummer 2301, 5°c)];

c) stoffen met een geringe gevaarsgraad: brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 23 tot 61 °C (grenswaarden inbegrepen), alsook de stoffen van randnummer 2301, 5°c).

(4) Wanneer stoffen van klasse 3 door het toevoegen van andere stoffen naar andere gevaarskategorieën overgaan dan deze waartoe de in randnummer 2301 met name genoemde stoffen behoren, dienen deze mengsels of oplossingen ingedeeld te worden bij de cijfers of de letters waartoe ze op basis van hun werkelijk gevaar behoren.

Opmerking: Zie ook randnummer 2002 (8) voor de classificatie van oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen).

(5) Op basis van de criteria van paragraaf (2) en van de testprocedures volgens randnummers 3300 tot 3302, 3304 en 3310 van aanhangsel A.3 kan ook bepaald worden of de aard van een mengsel of oplossing, die met name genoemd is of een met name genoemde stof bevat, dusdanig is dat deze oplossing of dit mengsel niet onderworpen is aan de voorschriften van onderhavige klasse.

(6) Bepaalde zeer giftige brandbare vloeistoffen met een vlampunt lager dan 23 °C zijn stoffen van klasse 6.1 (randnummer 2601, 1° tot 10°).

(7) De stoffen van klasse 3 die gemakkelijk in peroxides omzetten (zoals de ethers of sommige zuurstofhoudende heterocyclische stoffen), mogen slechts voor het vervoer aangeboden worden indien hun peroxidegehalte niet meer dan 0,3 % bedraagt, omgerekend in waterstofperoxide (H2O2). Het peroxidegehalte wordt bepaald zoals opgegeven in randnummer 3303 van aanhangsel A.3.

(8) Chemisch onstabiele stoffen van klasse 3 mogen slechts voor het vervoer aangeboden worden indien alle maatregelen werden getroffen die nodig zijn om een gevaarlijke ontbinding of polymerisatie tijdens het vervoer te verhinderen. Daartoe moet er in het bijzonder op toegezien worden dat de recipiënten geen stoffen bevatten die deze reacties kunnen bevorderen.

A. Stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, niet giftig en niet corrosief

2301 1° De stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen), waarvan de dampspanning bij 50 °C hoger is dan 175 kPa (1,75 bar):

a) 1089 acetaldehyde (ethanal), 1108 penteen-1 (n-amyleen), 1144 crotonyleen (butyn-2), 1243 methylformiaat, 1265 pentanen, vloeibaar (isopentaan), 1267 ruwe aardolie, 1303 vinylideenchloride, gestabiliseerd (1,1-dichloorethyleen, gestabiliseerd), 1308 zirconium, suspensie in een brandbare vloeistof, 1863 brandstof voor straalvliegtuigen, 2371 isopentenen, 2389 furaan, 2456 2-chloorpropeen, 2459 2-methylbuteen-1, 2561 3-methylbuteen-1 (isoamyleen-1) (isopropylethyleen), 2749 tetramethylsilaan, 1268 aardoliedestillaten, n.e.g. of 1268 aardolieprodukten, n.e.g., 3295 koolwaterstoffen, vloeibaar, n.e.g., 1993 brandbare vloeistof, n.e.g.

2° De stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen), waarvan de dampspanning bij 50° C hoger is dan 110 kPa (1,10 bar) maar lager dan of gelijk aan 175 kPa (1,75 bar):

a) 1155 diëthylether (ethylether), 1167 divinylether, gestabiliseerd, 1218 isopreen, gestabiliseerd, 1267 ruwe aardolie, 1280 propyleenoxide, gestabiliseerd, 1302 vinylethylether, gestabiliseerd, 1308 zirconium, suspensie in een brandbare vloeistof, 1863 brandstof voor straalvliegtuigen, 2356 2-chloorpropaan (isopropylchloride), 2363 ethylmercaptaan, 1268 aardoliedestillaten, n.e.g. of 1268 aardolieprodukten, n.e.g., 3295 koolwaterstoffen, vloeibaar, n.e.g., 1993 brandbare vloeistof, n.e.g.;

b) 1164 dimethylsulfide, 1234 methylal (dimethoxymethaan), 1265 pentanen, vloeibaar (n-pentaan), 1267 ruwe aardolie, 1278 l-chloorpropaan (propylchloride), 1308 zirconium, suspensie in een brandbare vloeistof, 1863 brandstof voor straalvliegtuigen, 2246 cyclopenteen, 2460 2-methylbuteen-2, 2612 methylpropylether, 1224 ketonen, n.e.g., 1268 aardoliedestillaten, n.e.g. of 1268 aardolieprodukten, n.e.g., 1987 alcoholen, brandbaar, n.e.g., 1989 aldehyden, brandbaar, n.e.g., 3295 koolwaterstoffen, vloeibaar, n.e.g., 1993 brandbare vloeistof, n.e.g.

3° De stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen), waarvan de dampspanning bij 50 °C niet hoger is dan 110 kPa (1,10 bar):

b) 1203 benzine (motorbrandstof), 1267 ruwe aardolie, 1863 brandstof voor straalvliegtuigen, 1268 aardoliedestillaten, n.e.g. of 1268 aardolieprodukten, n.e.g.

Opmerking: Onder invloed van bepaalde klimatologische omstandigheden kan de dampspanning van benzine bij 50 °C hoger zijn dan 110 kPa (1,10 bar), zonder 150 kPa (1,50 bar) te overtreffen; ook in dat geval moet ze echter bij dit cijfer gerangschikt blijven.

Koolwaterstoffen:

1114 benzeen, 1136 koolteerdestillaten, 1145 cyclohexaan, 1146 cyclopentaan, 1175 ethylbenzeen, 1206 heptanen, 1208 hexanen, 1216 isoöctenen, 1262 octanen, 1288 leisteenolie, 1294 tolueen, 1300 kunstterpentijn (white spirit), 1307 xylenen (o-xyleen, dimethylbenzenen), 2050 diisobutyleen, isomere verbindingen, 2057 tripropyleen (propyleen trimeer), 2241 cycloheptaan, 2242 cyclohepteen, 2251 bicyclo-[2,2,1]-heptadieen-2,5, gestabiliseerd of 2251 norbornadieen-2,5, gestabiliseerd, 2256 cyclohexeen, 2263 dimethylcyclohexanen, 2278 n-hepteen, 2287 isoheptenen, 2288 isohexenen, 2296 methylcyclohexaan, 2298 methylcyclopentaan, 2309 octadiënen, 2358 cycloöctatetraeen, 2370 hexeen-1, 2457 2,3-dimethylbutaan, 2458 hexadiënen, 2461 methylpentadiënen, 3295 koolwaterstoffen, vloeibaar, n.e.g.;

Halogeenhoudende stoffen:

1107 amylchloriden, 1126 1-broombutaan (n-butylbromide), 1127 chloorbutanen (butylchloriden), 1150 1,2-dichloorethyleen, 1279 1,2-dichloorpropaan propyleendichloride), 2047 dichloorpropenen, 2338 benzotrifluoride, 2339 2-broombutaan, 2340 2-broomethylethylether, 2342 broommethylpropanen, 2343 2-broompentaan, 2344 broompropanen, 2345 3-broompropyn, 2362 1,1-dichloorethaan (ethylideenchloride), 2387 fluorbenzeen, 2388 fluortoluenen, 2390 2-joodbutaan, 2391 joodmethylpropanen, 2554 methylallylchloride;

Alcoholen:

1105 amylalcoholen, 1120 butanolen, 1148 diacetonalcohol, technisch, 1170 ethanol (ethylalcohol) of 1170 ethanol, oplossing (ethylalcohol, oplossing) in water met meer dan 70 vol.- % alcohol, 1219 isopropanol (isopropylalcohol), 1274 n-propanol (n-propylalcohol), 3065 alcoholische dranken met meer dan 70 volume- % alcohol, 1987 alcoholen, brandbaar, n.e.g.;

Opmerking: Alcoholische dranken met meer dan 24 en ten hoogste 70 volume-% alcohol zijn stoffen van 31°c).

Ethers:

1088 acetaal (1,1-diëthoxyethaan), 1159 diisopropylether, 1165 dioxaan, 1166 dioxolaan, 1179 ethylbutylether, 1304 vinylisobutylether, gestabiliseerd, 2056 tetrahydrofuraan, 2252 1,2-dimethoxyethaan, 2301 2-methylfuraan, 2350 butylmethylether, 2352 butylvinylether, gestabiliseerd, 2373 diëthoxymethaan, 2374 3,3-diëthoxypropeen, 2376 2,3-dihydropyraan, 2377 1,1-dimethoxyethaan, 2384 di-n-propylether, 2398 methyl-tert-butylether, 2536 methyltetrahydrofuraan, 2615 ethylpropylether, 2707 dimethyldioxanen, 3022 1,2-butyleenoxide, gestabiliseerd, 3271 ethers, n.e.g.;

Aldehyden:

1129 butyraldehyde, 1178 2-ethylbutyraldehyde, 1275 propionaldehyde, 2045 isobutyraldehyde, 2058 valeraldehyde, 2367 methylvaleraldehyde, 1989 dehyden, brandbaar, n.e.g.;

Ketonen:

1090 aceton, 1156 diëthylketon, 1193 methylethylketon (ethylmethylketon), 1245 methylisobutylketon, 1246 methylisopropenylketon, gestabiliseerd, 1249 methylpropylketon, 1251 methylvinylketon, 2346 butaandion (diacetyl), 2397 3-methylbutaan-2-on, 1224 ketonen, n.e.g.;

Esters:

1123 butylacetaten, 1128 n-butylformiaat, 1161 dimethylcarbonaat, 1173 ethylacetaat, 1176 triëthylboraat, 1190 ethylformiaat, 1195 ethylpropionaat, 1213 isobutylacetaat, 1220 isopropylacetaat, 1231 methylacetaat, 1237 methylbutyraat, 1247 methylmethacrylaat, monomeer, gestabiliseerd, 1248 methylpropionaat, 1276 n-propylacetaat, 1281 propylformiaten, 1301 vinylacetaat, gestabiliseerd, 1862 ethylcrotonaat, 1917 ethylacrylaat, gestabiliseerd, 1919 methylacrylaat, gestabiliseerd, 2277 ethylmethacrylaat, 2385 ethylisobutyraat, 2393 isobutylformiaat, 2394 isobutylpropionaat, 2400 methylisovaleraat, 2403 isopropenylacetaat, 2406 isopropylisobutyraat, 2409 isopropylpropionaat, 2416 trimethylboraat, 2616 triisopropylboraat, 2838 vinylbutyraat, gestabiliseerd, 3272 esters, n.e.g.;

Zwavelhoudende stoffen:

1111 amylmercaptanen, 2347 butylmercaptanen, 2375 diëthylsulfide, 2381 imethyldisulfide, 2402 propaanthiolen (propylmercaptanen), 2412 tetrahydrothiofeen (thiolaan), 2414 thiofeen, 2436 thioazijnzuur;

Stikstofhoudende stoffen:

1113 amylnitrieten, 1222 isopropylnitraat, 1261 nitromethaan, 1282 pyridine, 1648 acetonitril (methylcyanide), 1865 n-propylnitraat, 2351 butylnitrieten, 2372 1,2-bis-(dimethylamino)-ethaan (tetramethylethyleendiamine), 2410 1,2,3,6-tetrahydropyridine;

Andere brandbare stoffen, mengsels en preparaten die brandbare vloeistoffen bevatten:

1091 acetonoliën, 1201 foezelolie, 1293 tincturen, medicinale, 1308 zirconium, suspensie in een brandbare vloeistof, 2380 dimethyldiëthoxysilaan, 1993 brandbare vloeistof, n.e.g.

Opmerking: Zie bij 5° voor de viskeuze stoffen, preparaten en mengsels.

4° Oplossingen van nitrocellulose in mengsels van stoffen van 1° tot 3°, die meer dan 20 % en ten hoogste 55 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van niet meer dan 12,6 % in de droge stof bevatten:

a) 2059 nitrocellulose, oplossing, brandbaar;

b) 2059 nitrocellulose, oplossing, brandbaar.

Opmerkingen: 1. Mengsels met een vlampunt lager dan 23 °C en met:

- meer dan 55 % nitrocellulose, ongeacht zijn stikstofgehalte, of

- ten hoogste 55 % nitrocellulose met stikstofgehalte hoger dan 12,6 % in de droge stof,

zijn stoffen van klasse 1 (zie randnummer 2101, 4°, identificatienummer 0340 of 26°, identificatienummer 0342) of van klasse 4.1 (zie randnummer 2401, 24°).

2. De mengsels die ten hoogste 20 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van niet meer dan 12,6 % in de droge stof bevatten, zijn stoffen van 5°.

5° Vloeibare of viskeuze mengsels en preparaten, met inbegrip van deze die ten hoogste 20 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van niet meer dan 12,6 % in de droge stof bevatten:

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C, voor zover zij niet ingedeeld zijn bij c):

1133 lijmen, 1139 beschermlak, oplossing, 1169 extracten, aromatisch, vloeibaar, 1197 extracten, smaakstoffen, vloeibaar, 1210 drukinkten, 1263 verven (met inbegrip van verven, lakverven, emails, beitsen, schellakoplossingen, vernissen, polijstmiddelen, vloeibare plamuren, vloeibare lakbasissen) of 1263 verf-verwante produkten (met inbegrip van verdunners en oplosmiddelen voor verven), 1266 parfumerieprodukten, 1286 harsolie, 1287 rubbersolutie, 1866 hars, oplossing;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C, voor zover zij niet ingedeeld zijn bij c):

1133 lijmen, 1139 beschermlak, oplossing, 1169 extracten, aromatisch, vloeibaar, 1197 extracten, smaakstoffen, vloeibaar, 1210 drukinkten, 1263 verven (met inbegrip van verven, lakverven, emails, beitsen, schellakoplossingen, vernissen, polijstmiddelen, vloeibare plamuren, vloeibare lakbasissen) of 1263 verf-verwante produkten (met inbegrip van verdunners en oplosmiddelen voor verven), 1266 parfumerieprodukten, 1286 harsolie, 1287 rubbersolutie, 1306 houtconserveringsmiddelen, vloeibaar, 1866 hars, oplossing, 1999 teer, vloeibaar (met inbegrip van straatasfalt en bitumineuze cut-backs), 3269 polyesterhars-kits;

c) 1133 lijmen, 1139 beschermlak, oplossing, 1169 extracten, aromatisch, vloeibaar, 1197 extracten, smaakstoffen, vloeibaar, 1210 drukinkten, 1263 verven (met inbegrip van verven, lakverven, emails, beitsen, schellakoplossingen, vernissen, polijstmiddelen, vloeibare plamuren, vloeibare lakbasissen) of 1263 verf-verwante produkten (met inbegrip van verdunners en oplosmiddelen voor verven), 1266 parfumerieprodukten, 1286 harsolie, 1287 rubbersolutie, 1306 houtconserveringsmiddelen, vloeibaar, 1866 hars, oplossing, 1999 teer, vloeibaar (met inbegrip van straatasfalt en bitumineuze cut-backs), 3269 polyesterhars-kits, 1993 brandbare vloeistof, n.e.g.

De indeling van deze mengsels en preparaten bij de letter c) is alleen onder de volgende voorwaarden toegelaten:

1. bij de afscheidingsproef van het oplosmiddel () moet de dikte van de laag afgescheiden oplosmiddel kleiner zijn dan 3 % van de totale hoogte van het staal, en

2. de viscositeit () en het vlampunt moeten binnen de grenzen liggen die in de volgende tabel worden aangegeven:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Opmerkingen: 1. De mengsels die meer dan 20 % maar ten hoogste 55 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van niet meer dan 12,6 % in de droge stof bevatten, zijn stoffen van 4°.

De mengsels met een vlampunt lager dan 23 °C en met:

- ofwel meer dan 55 % nitrocellulose, ongeacht zijn stikstofgehalte;

- ofwel ten hoogste 55 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van meer dan 12,6 % in de droge stof,

zijn stoffen van klasse 1 (zie randnummer 2101, 4°, identificatienummer 0340 of 26°-identificatienummer 0342) of van klasse 4.1 (zie randnummer 2401, 24°).

2. Geen enkele stof van deze Richtlijn die met name genoemd is in andere rubrieken mag vervoerd worden onder de rubriek 1263 verven of 1263 verf-verwante produkten. Stoffen die onder deze rubrieken vervoerd worden mogen tot 20 % itrocellulose bevatten, op voorwaarde dat deze ten hoogste 12,6 % stikstof in de droge stof bevat.

3. 3269 Polyesterhars-kits bestaan uit twee componenten: een basisprodukt [klasse 3, groep b) of c)] en een activator (organisch peroxide), die elk afzonderlijk verpakt zijn in een binnenverpakking. Het organisch peroxide moet van het type D, E of F zijn en mag geen temperatuursregeling vereisen; zijn hoeveelheid per binnenverpakking is beperkt tot 125 ml voor een vloeistof en 500 g voor een vaste stof. De componenten mogen in dezelfde buitenverpakking geplaatst zijn, op voorwaarde dat zij in geval van lekkage niet gevaarlijk met elkaar reageren.

6° 3064 nitroglycerine, oplossing in alcohol, met meer dan 1 % maar niet meer dan 5 % nitroglycerine.

Opmerking: Op deze stof zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing (zie randnummer 2303); zie tevens klasse 1, randnummer 2101, 4°, identificatienummer 0144.

7° b) 1204 nitroglycerine, oplossing in alcohol, met ten hoogste 1 % nitroglycerine.

B. Stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, giftig

Opmerkingen: 1. Giftige stoffen met een vlampunt van 23 °C of hoger, alsmede bepaalde stoffen die in 1° tot 10° van randnummer 2601 met name genoemd worden, zijn stoffen van klasse 6.1.

2. Zie randnummer 2600 (1) voor de giftigheidscriteria.

11° Nitrilen en isonitrilen (isocyaniden):

a) 1093 acrylnitril, gestabiliseerd, 3079 methacrylnitril, gestabiliseerd, 3273 nitrilen, brandbaar, giftig, n.e.g.;

b) 2284 isobutyronitril, 2378 dimethylaminoacetonitril, 2404 propionitril, 2411 butyronitril, 3273 nitrilen, brandbaar, giftig, n.e.g.

12° 1921 propyleenimine, gestabiliseerd.

Opmerking: Op deze stof zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing (zie randnummer 2304).

13° 2481 ethylisocyanaat.

Opmerking: Op deze stof zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing (zie randnummer 2304).

14° Andere isocyanaten:

a) 2483 isopropylisocyanaat, 2605 methoxymethylisocyanaat;

b) 2486 isobutylisocyanaat, 2478 isocyanaten, brandbaar, giftig, n.e.g., of 2478 isocyanaten, oplossing, brandbaar, giftig n.e.g.

Opmerking: Oplossingen van isocyanaten met een vlampunt hoger dan 23 °C zijn stoffen van klasse 6.1 (zie randnummer 2601, 18° of 19°).

15° Andere stikstofhoudende stoffen:

a) 1194 ethylnitriet, oplossing.

16° Halogeenhoudende organische stoffen:

a) 1099 allylbromide, 1100 allylchloride, 1991 chloropreen, gestabiliseerd;

b) 1184 ethyleendichloride (1,2-dichloorethaan), 2354 chloormethylethylether.

17° Zuurstofhoudende organische stoffen:

a) 2336 allylformiaat, 2983 ethyleenoxide en propyleenoxide, mengsel, met ten hoogste 30 % ethyleenoxide, 1986 alcoholen, brandbaar, giftig, n.e.g., 1988 aldehyden, brandbaar, giftig, n.e.g.;

b) 1230 methanol, 2333 allylacetaat, 2335 allylethylether, 2360 diallylether, 2396 methacrylaldehyde, gestabiliseerd, 2622 glycidaldehyde, 1986 alcoholen, brandbaar, giftig, n.e.g., 1988 aldehyden, brandbaar, giftig, n.e.g.

18° Zwavelhoudende organische stoffen:

a) 1131 koolstofdisulfide (zwavelkoolstof);

b) 1228 mercaptanen, vloeibaar, brandbaar, giftig, n.e.g. of 1228 mercaptanen, mengsel, vloeibaar, brandbaar, giftig, n.e.g.

19° Giftige stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen), met een vlampunt lager dan 23 °C, die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 1992 brandbare vloeistof, giftig, n.e.g.;

b) 2603 cycloheptatrieen, 3248 geneesmiddel, vloeibaar, brandbaar, giftig, n.e.g., 1992 brandbare vloeistof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Gebruiksklare farmaceutische produkten, bijvoorbeeld cosmetica en geneesmiddelen, die normalerwijze stoffen van 19°b) zouden zijn, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn indien ze voor persoonlijk of huishoudelijk gebruik vervaardigd worden en verpakt in verpakkingen die bestemd zijn voor de detailhandel of distributie.

C. Stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, corrosief

Opmerkingen: 1. Corrosieve stoffen met een vlampunt van 23 °C of hoger zijn stoffen van klasse 8 (zie randnummer 2801).

2. Bepaalde corrosieve brandbare vloeistoffen met een vlampunt lager dan 23 °C en een kookpunt hoger dan 35 °C zijn stoffen van klasse 8 [zie randnummer 2800 (7) a)].

3. Zie randnummer 2800 voor de corrosiviteitscriteria.

21° Chloorsilanen:

a) 1250 methyltrichloorsilaan, 1305 vinyltrichloorsilaan, gestabiliseerd;

b) 1162 dimethyldichloorsilaan, 1196 ethyltrichloorsilaan, 1298 trimethylchloorsilaan, 2985 chloorsilanen, brandbaar, corrosief, n.e.g.

Opmerking: Chloorsilanen, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 [zie randnummer 2471, 1°a)].

22° Aminen en hun oplossingen:

a) 1221 isopropylamine, 1297 trimethylamine, oplossing in water, met 30 tot 50 massa-% trimethylamine, 2733 aminen, brandbaar, corrosief, n.e.g. of 2733 polyaminen, brandbaar, corrosief, n.e.g.;

b) 1106 amylaminen (n-amylamine, tert-amylamine), 1125 n-butylamine, 1154 diëthylamine, 1158 diisopropylamine, 1160 dimethylamine, oplossing in water, 1214 isobutylamine, 1235 methylamine, oplossing in water, 1277 propylamine, 1296 triëthylamine, 1297 trimethylamine, oplossing in water, met ten hoogste 30 massa-% trimethylamine, 2266 N,N-dimethylpropylamine (dimethyl-N-propylamine), 2270 ethylamine, oplossing in water met ten minste 50 massa-% en ten hoogste 70 massa-% ethylamine, 2379 1,3-dimethylbutylamine, 2383 dipropylamine, 2945 N-methylbutylamine, 2733 aminen, brandbaar, corrosief, n.e.g. of 2733 polyaminen, brandbaar, corrosief, n.e.g.

Opmerking: Watervrij dimethylamine, ethylamine, methylamine en trimethylamine zijn stoffen van klasse 2 [zie randnummer 2201, 3° bt)].

23° Andere stikstofhoudende stoffen:

b) 1922 pyrrolidine, 2386 1-ethylpiperidine, 2399 1-methylpiperidine, 2401 piperidine, 2493 hexamethyleenimine, 2535 4-methylmorfoline (N-methylmorfoline).

24° Oplossingen van alcoholaten:

b) 1289 natrimmethylaat, oplossing in alcohol, 3274 alcoholaten, oplossing in alcohol, n.e.g.

25° Andere halogeenhoudende corrosieve stoffen:

b) 1717 acetylchloride, 1723 allyljodide, 1815 propionylchloride, 2353 butyrylchloride, 2395 isobutyrylchloride.

26° Zeer corrosieve, corrosieve of in geringe mate corrosieve stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen) met een vlampunt lager dan 23 °C, die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 2924 brandbare vloeistof, corrosief, n.e.g.;

b) 2924 brandbare vloeistof, corrosief, n.e.g.

D. Stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, giftig en corrosief,

alsmede de voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten

27° a) 3286 brandbare vloeistof, giftig, corrosief, n.e.g.;

b) 2359 diallylamine, 3286 brandbare vloeistof, giftig, corrosief, n.e.g.

28° 3165 brandstofreservoir voor hydraulisch aggregaat voor vliegtuigen (die een mengsel van methylhydrazine en watervrije hydrazine bevat).

Opmerking: Op deze reservoirs zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing (zie randnummer 2309).

E. Stoffen met een vlampunt van 23 tot 61 °C (grenswaarden inbegrepen),

die in geringe mate giftig of corrosief kunnen zijn

Opmerking: De homogene niet-giftige en niet-corrosieve oplossingen en mengsels met een vlampunt van 23 °C of hoger (viskeuze stoffen, zoals verven en vernissen, met uitsluiting van de stoffen die meer dan 20 % nitrocellulose bevatten) en verpakt in recipiënten met een inhoud van minder dan 450 liter, zijn enkel onderworpen aan de voorschriften van randnummer 2314 indien bij de afscheidingsproef van het oplosmiddel volgens voetnoot (¹) bij 5° de hoogte van de afgescheiden laag oplosmiddel kleiner is dan 3 % van de totale hoogte, en indien de stoffen bij 23 °C - bij de bepaling van de viscositeit door middel van een aftapbeker volgens ISO 2431-1984 met een uitloopstuk van 6 mm diameter - een uitlooptijd hebben van:

a) hetzij ten minste 60 seconden;

b) hetzij ten minste 40 seconden als ze niet meer dan 60 % stoffen van klasse 3 bevatten.

31° Stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen) met een vlampunt van 23 °C tot 61 °C (grenswaarden inbegrepen), die noch in geringe mate giftig, noch in geringe mate corrosief zijn:

c) 1202 dieselolie of 1202 gasolie of 1202 stookolie, lichte, 1223 kerosine, 1267 ruwe aardolie, 1863 brandstof voor straalvliegtuigen, 1268 aardoliedestillaten, n.e.g. of 1268 aardolieprodukten, n.e.g.

Opmerking: In afwijking van randnummer 2300 (2) worden dieselolie, gasolie en lichte stookolie met een vlampunt hoger dan 61 °C aanzien als stoffen van identificatienummer 1202 van 31°c).

Koolwaterstoffen:

1136 koolteerdestillaten, 1147 decahydronaftaleen (decaline), 1288 leisteenolie, 1299 terpentijn, 1300 kunstterpentijn (White spirit), 1307 xylenen (m-xyleen, p-xyleen, dimethylbenzeen), 1918 isopropylbenzeen (cumeen), 1920 nonanen, 1999 teer, vloeibaar (met inbegrip van straatasfalt en bitumineuze cut-backs), 2046 cymenen (o-, m-, p-) (methylisopropylbenzeen), 2048 dicyclopentadieen, 2049 diëthylbenzenen (o-, m-, p-), 2052 dipenteen (limoneen), 2055 styreen monomeer, gestabiliseerd (vinylbenzeen monomeer, gestabiliseerd), 2057 tripropyleen (propyleen trimeer), 2247 n-decaan, 2286 pentamethylheptaan (isododecaan), 2303 isopropenylbenzeen, 2324 triisobutyleen, 2325 1,3,5-trimethylbenzeen (mesityleen), 2330 undecaan, 2364 n-propylbenzeen, 2368 alfapineen, 2520 cycloöctadiënen, 2541 terpinoleen, 2618 vinyltoluenen, gestabiliseerd (o-, m-, p-), 2709 butylbenzenen, 2850 propyleen tetrameer (tetrapropyleen), 2319 terpeenkoolwaterstoffen, n.e.g., 3295 koolwaterstoffen, vloeibaar, n.e.g.

Halogeenhoudende stoffen:

1134 chloorbenzeen (fenylchloride), 1152 dichloorpentanen, 2047 dichloorpropenen, 2234 chloorbenzotrifluoriden (o-, m-, p-), 2238 chloortoluenen (o-, m-, p-), 2341 1-broom-3-methylbutaan, 2392 joodpropanen, 2514 broombenzeen, 2711 m-dibroom-benzeen.

Alcoholen:

1105 amylalcoholen, 1120 butanolen, 1148 diacetonalcohol, chemisch zuiver, 1170 ethanol, oplossing (ethylalcohol, oplossing), met meer dan 24 volume-% en ten hoogste 70 volume-% alcohol, 1171 ethyleenglycolmonoëthylether (2-ethoxyethanol), 1188 ethyleenglycolmonomethylether (2-methoxyethanol), 1212 isobutanol (isobutylalcohol), 1274 n-propanol (n-propylalcohol), 2053 methylamylalcohol (methylisobutylcarbinol), 2244 cyclopentanol, 2275 2-ethylbutanol, 2282 hexanolen, 2560 2-methylpentanol-2, 2614 methylallylalcohol, 2617 methylcyclohexanolen, brandbaar, 2686 diëthylaminoethanol, 3065 alcoholische dranken met meer dan 24 volume-% en ten hoogste 70 volume-% alcohol, 3092 1-methoxy-2-propanol, 1987 alcoholen, brandbaar, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Waterige oplossingen van ethylalcohol en alcoholische dranken met ten hoogste 24 volume-% alcohol zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. Enkel wanneer ze vervoerd worden in recipinten met een inhoud van meer dan 250 liter, in tankvoertuigen, in laadketels of in afneembare tanks, zijn alcoholische dranken met meer dan 24 volume-% en ten hoogste 70 volume-% alcohol aan de voorschriften van deze Richtlijn onderworpen.

Ethers:

1149 butylethers, 1153 ethyleenglycoldiëthylether (1,2-diëthoxyethaan), 2219 allylglycidylether, 2222 anisol (fenylmethylether), 2707 dimethyldioxanen, 2752 1,2- epoxy-3-ethoxypropaan, 3271 ethers, n.e.g.

Aldehyden:

1191 octylaldehyden (ethylhexaldehyden) (2-ethylhexaldehyde, 3-ethylhexaldehyde), 1199 furfural (furfuraldehyde), 1207 hexaldehyde, 1264 paraldehyde, 2498 1,2,3,6-tetrahydrobenzaldehyde, 2607 acroleïne dimeer, gestabiliseerd, 3056 n-heptaldehyde, 1989 aldehyden, brandbaar, n.e.g.

Ketonen:

1110 n-amylmethylketon, 1157 diisobutylketon, 1229 mesityloxide, 1915 cyclohexanon, 2245 cyclopentanon, 2271 ethylamylketonen, 2293 4-methoxy-4-methylpentaan-2-on, 2297 methylcyclohexanonen, 2302 5-methylhexaan-2-on, 2310 2,4-pentaandion (acetylaceton), 2621 acetylmethylcarbinol, 2710 dipropylketon, 1224 ketonen, n.e.g.

Esters:

1104 amylacetaten, 1109 amylformiaten, 1123 butylacetaten, 1172 ethyleenglycolmonoëthyletheracetaat (2-ethoxyethylacetaat), 1177 ethylbutylacetaat, 1180 ethylbutyraat, 1189 ethyleenglycolmonomethyletheracetaat, 1192 ethyllactaat, 1233 methylamylacetaat, 1292 tetraethylsilicaat, 1914 n-butylpropionaat, 2227 n-butylmethacrylaat, gestabiliseerd, 2243 cyclohexylacetaat, 2283 isobutylmethacrylaat, gestabiliseerd, 2323 triëthylfosfiet, 2329 trimethylfosfiet, 2348 n-butylacrylaat, gestabiliseerd, 2366 ethylcarbonaat (diëthylcarbonaat), 2405 isopropylbutyraat, 2413 tetrapropylorthotitanaat, 2524 ethylorthoformiaat, 2527 isobutylacrylaat, gestabiliseerd, 2528 isobutylisobutyraat, 2616 triisopropylboraat, 2620 amylbutyraten, 2708 butoxyl (3-methoxybutylacetaat), 2933 methyl-2-cloorpropionaat, 2934 isopropyl-2-chloorpropionaat, 2935 ethyl-2-chloorpropionaat, 2947 isopropylchlooracetaat, 3272 esters, n.e.g.

Stikstofhoudende stoffen:

1112 amylnitraten, 2054 morfoline, 2265 N,N-dimethylformamide, 2313 picolinen (methylpyridinen), 2332 acetaldoxime, 2351 butylnitrieten, 2608 nitropropanen, 2840 butyraldoxime, 2842 nitroëthaan, 2906 triisocyanato-isocyanuraat van isoforondiisocyanaat, oplossing (70 massa-%), 2943 tetrahydrofurfurylamine

Zavelhoudende stoffen:

3054 cyclohexylmercaptaan

Andere brandbare stoffen, mengsels en preparaten die brandbare vloeistoffen bevatten:

1130 kamferolie, 1133 lijmen, 1139 beschermlak, oplossing, 1169 extracten, aromatisch, vloeibaar, 1197 extracten, smaakstoffen, vloeibaar, 1201 foezelolie, 1210 drukinkten, 1263 verven (met inbegrip van verven, lakverven, emails, beitsen, schellakoplossingen, vernissen, polijstmiddelen, vloeibare plamuren, vloeibare lakbasissen) of 1263 verf-verwante produkten (met inbegrip van verdunners en oplosmiddelen voor verven), 1266 parfumerieprodukten, 1272 pijnolie, 1286 harsolie, 1287 rubbersolutie, 1293 tincturen, medicinale, 1306 houtconserveringsmiddelen, vloeibaar, 1308 zirconium, suspensie in een brandbare vloeistof, 1866 hars, oplossing, 3269 polyesterhars-kits, 1993 brandbare vloeistof, n.e.g.

Opmerkingen: 1. De mengsels die meer dan 20 % maar niet meer dan 55 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van ten hoogste 12,6 % in de droge stof bevatten, zijn stoffen van 34°c).

2. Zie opmerking 3 bij 5° voor 3269 polyesterhars-kits.

32° In geringe mate giftige stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen), met een vlampunt van 23 °C tot 61 °C (grenswaarden inbegrepen):

c) 2841 di-n-amylamine, 1228 mercaptanen, vloeibaar, brandbaar, giftig, n.e.g. of 1228 mercaptanen, mengsel, vloeibaar, brandbaar, giftig, n.e.g., 1986 alcoholen, brandbaar, giftig, n.e.g., 1988 aldehyden, brandbaar, giftig, n.e.g., 2478 isocyanaten, brandbaar, giftig, n.e.g. of 2478 isocyanaten in oplossing, brandbaar, giftig, n.e.g., 3248 geneesmiddel, vloeibaar, brandbaar, giftig, n.e.g., 1992 brandbare vloeistof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Gebruiksklare farmaceutische produkten, bijvoorbeeld cosmetica en geneesmiddelen, die normalerwijze stoffen van 32°c) zouden zijn, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn indien ze voor persoonlijk of huishoudelijk gebruik vervaardigd worden en verpakt in verpakkingen die bestemd zijn voor de detailhandel of distributie.

33° In geringe mate corrosieve stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen), met een vlampunt van 23 °C tot 61 °C (grenswaarden inbegrepen):

c) 1106 amylamine (sec-amylamine), 1198 formaldehyde, oplossing, brandbaar, 1289 natriummethylaat, oplossing in alcohol, 1297 trimethylamine, oplossing in water met ten hoogste 30 massa-% trimethylamine, 2260 tri- propylamine, 2276 2-ethylhexylamine, 2361 diisobutyl-amine, 2526 furfurylamine, 2529 isoboterzuur, 2530 isoboterzuuranhydride, 2610 triallylamine, 2684 3-(diëthylamino)propylamine, 2733 aminen, brandbaar, corrosief, n.e.g. of 2733 polyaminen, brandbaar, corrosief, n.e.g., 2924 brandbare vloeistof, corrosief, n.e.g.

34° De oplossingen van nitrocellulose in mengsels van stoffen van 31°c), die meer dan 20 % maar niet meer dan 55 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van niet meer dan 12,6 % in de droge stof bevatten:

c) 2059 nitrocellulose, oplossing, brandbaar.

Opmerking: Mengsels met:

- meer dan 55 % nitrocellulose, ongeacht zijn stikstofgehalte;

- ten hoogste 55 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van meer dan 12,6 % in de droge stof,

zijn stoffen van de klasse 1 (zie randnummer 2101, 4°, identificatienummer 0340 of 26°, identificatienummer 0342) of van de klasse 4.1 (zie randnummer 2401, 24°).

F. Stoffen en preparaten die als pesticide gebruikt worden, met een vlampunt lager dan 23 °C

Opmerkingen: 1. De zeer giftige, giftige of in geringe mate giftige vloeibare stoffen en preparaten, die als pesticide gebruikt worden en die een vlampunt hebben van ten minste 23 °C, zijn stoffen van klasse 6.1 (zie randnummer 2601, 71° tot 87°).

2. In de tabellen bij 41° tot 57° worden de pesticiden als volgt onderverdeeld:

- zeer giftige stoffen en preparaten;

- giftige stoffen en preparaten;

- in geringe mate giftige stoffen en preparaten.

3. De aktieve stoffen en hun preparaten, die als pesticide gebruikt worden, worden bij 41° tot 57° als "zeer giftig", "giftig" of "in geringe mate giftig" ingedeeld op basis van randnummer 2600 (3).

4. Indien enkel de LD50-waarde van de aktieve stof bekend is, maar die van elk van zijn preparaten niet, mogen die preparaten bij 41° tot 57° als "zeer giftig", "giftig" of "in geringe mate giftig" ingedeeld worden met behulp van de volgende tabellen; de cijfers die in de kolommen aldaar voorkomen slaan op de percentages van de aktieve verdelgingsstof in de preparaten.

5. Voor elke stof die in de lijst niet met name genoemd is en waarvan men alleen de LD50-waarde van de actieve stof kent maar niet die van de diverse preparaten, kan een preparaat op basis van de tabel in randnummer 2600 (3) ingedeeld worden; dit met behulp van een LD50-waarde die verkregen wordt door de LD50-waarde van de werkzame stof te vermenigvuldigen met 100/X (waarin X staat voor het massa-percentage van de actieve stof), volgens de formule:

LD50-waarde van de aktieve stof × 100

LD50-waarde van het preparaat = --------------------

massa-% van de aktieve stof in het preparaat

6. De in bovenstaande opmerking 4 en 5 aangegeven methodes mogen niet gebruikt worden voor de indeling van preparaten waarin additieven voorkomen die de giftigheid van de aktieve stof beïnvloeden, of waarin verscheidene aktieve stoffen aanwezig zijn. In die gevallen moet de indeling volgens de criteria van randnummer 2600 (3) geschieden op basis van de LD50-waarde van het betrokken preparaat. Indien deze LD50-waarde niet bekend is, wordt het preparaat bij 41° tot 57° ingedeeld als "zeer giftig".

41° 2784 pesticide, organische fosforverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

42° 2762 pesticide, organische chloorverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig,

zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

43° 2766 pesticide, fenoxyverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig,

zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

44° 2758 pesticide, carbamaat, vloeibaar, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig,

zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

45° 2778 pesticide, kwikverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig,

zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

46° 2787 pesticide, organische tinverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig,

zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

47° 3024 pesticide, coumarinverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig,

zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

48° 2782 pesticide, bipyridylverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig,

zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

49° 2760 pesticide, arseenverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig,

zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

50° 2776 pesticide, koperverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig,

zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

51° 2780 pesticide, met gesubstitueerd nitrofenol, vloeibaar, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig,

zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

52° 2764 pesticide, triazineverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig,

zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

53° 2770 pesticide, benzoëzuurverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig,

zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

54° 2774 pesticide, ftaalimideverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig,

zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

55° 2768 pesticide, fenylureumverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig,

zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

56° 2772 pesticide, dithiocarbamaat, vloeibaar, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig,

zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

57° 3021 pesticide, vloeibaar, brandbaar, giftig, n.e.g., met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of begin van kooktraject van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of begin van kooktraject hoger dan 35 °C en giftig of in geringe mate giftig.

Organische stikstofverbindingen, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Alkaloïden, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Andere organische metaalverbindingen, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Anorganische fluorverbindingen, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Anorganische thalliumverbindingen, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Andere pesticiden, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Pyrethrinoiden, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

G. Stoffen met een vlampunt hoger dan 61 °C die warm - bij een temperatuur

die ten minste gelijk is aan hun vlampunt - vervoerd of voor vervoer aangeboden worden

61° c) 3256 warm vervoerde vloeistof, brandbaar, n.e.g., met een vlampunt hoger dan 61 °C, bij een temperatuur die ten minste gelijk is aan haar vlampunt.

H. Lege verpakkingen

71° Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van de lege grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), lege tankvoertuigen, lege afneembare tanks en lege laadketels die stoffen van de klasse 3 hebben bevat.

2301a Zijn niet onderworpen aan de voorschriften die deze bijlage en bijlage B voor onderhavige klasse voorzien:

(1) de stoffen van 1° tot 5°, van 21° tot 26° en van 31° tot 34°, en de stoffen van 41° tot 57° die in geringe mate giftig zijn, indien ze vervoerd worden in samengestelde verpakkingen die ten minste beantwoorden aan de voorschriften van randnummer 3538, waarbij volgende maximale hoeveelheden niet overschreden worden:

a) 500 ml per binnenverpakking en 1 liter per collo voor de stoffen ingedeeld bij a) van elk cijfer;

b) 3 liter per binnenverpakking en 12 liter per collo voor de stoffen ingedeeld bij b) van elk cijfer, met uitzondering van 5°b) en van de alcoholische dranken van 3°b);

c) 5 liter per binnenverpakking voor de alcoholische dranken van 3°b);

d) 5 liter per binnenverpakking en 20 liter per collo voor de stoffen ingedeeld bij 5b);

e) 5 liter per binnenverpakking en 45 liter per collo voor de stoffen ingedeeld bij c) van elk cijfer.

De algemene verpakkingsvoorschriften van randnummer 3500 (1), (2) en (5) tot (7) moeten in acht genomen worden.

Opmerking: Voor homogene mengsels die water bevatten slaan de genoemde hoeveelheden alleen op de stoffen van onderhavige klasse, vervat in deze mengsels.

(2) alcoholische dranken van 31°c) in verpakkingen met een inhoud van ten hoogste 250 liter.

(3) de brandstof, vervat in de reservoirs van vervoermiddelen, die dient voor hun voortstuwing of voor de werking van hun speciale uitrustingen (koelsystemen bijvoorbeeld). De kraan tussen de motor en het reservoir van motorfietsen en van fietsen met hulpmotor moet tijdens het vervoer gesloten zijn indien deze reservoirs brandstof bevatten; bovendien moeten die motorfietsen en fietsen met hulpmotor staande geladen worden en tegen elke val beveiligd zijn.

2. Voorschriften

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

2302 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.5, behalve voor die stoffen waarvoor er in randnummers 2303 tot 2309 individuele verpakkingsvoorschriften voorzien zijn.

(2) De grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.6.

(3) Volgens de bepalingen van randnummers 2300 (3) en 3511 (2) of 3611 (2) moeten de volgende verpakkingen gebruikt worden:

- verpakkingen van de verpakkingsgroep I, gemerkt met de letter "X", voor de zeer gevaarlijke stoffen ingedeeld bij de letter a) van elk cijfer;

- verpakkingen van de verpakkingsgroepen II of I, respectievelijk gemerkt met de letter "Y" of "X", of grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) van de verpakkingsgroep II, gemerkt met de letter "Y", voor de gevaarlijke stoffen ingedeeld bij de letter b) van elk cijfer;

- verpakkingen van de verpakkingsgroepen III, II of I, respectievelijk gemerkt met de letter "Z", "Y" of "X", of grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) van verpakkingsgroep III of II, respectievelijk gemerkt met de letter "Z" of "Y", voor de stoffen met een geringe gevaarsgraad ingedeeld bij de letter c) van elk cijfer.

Opmerking: Zie bijlage B voor het vervoer van stoffen van klasse 3 in tankvoertuigen, afneembare tanks of laadketels.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

2303 Nitroglycerine opgelost in alkohol van 6° moet verpakt worden in metalen dozen, elk met een maximale inhoud van 1 liter; deze moeten op hun beurt verpakt zijn in een houten kist die maximum 5 liter oplossing mag bevatten. De metalen dozen moeten volledig omgeven zijn door als buffer dienende absorberende stoffen.De houten kisten moeten volledig voorzien zijn van een binnenbekleding uit geschikte stoffen, die ondoordringbaar is voor water en nitroglycerine.

De colli van dit type moeten voldoen aan de beproevingseisen van aanhangsel A.5 voor samengestelde verpakkingen en verpakkingsgroep II.

2304 (1) Propyleenimine van 12° moet verpakt worden:

a) in stalen recipiënten met een voldoende wanddikte; deze dienen gesloten te worden door middel van een geschroefde spon of stop die voorzien is van een geschikt toebehoren dat een dichting vormt voor zowel vloeistof als damp. De recipiënten moeten vóór hun indienstname, en daarna uiterlijk om de 5 jaar, beproefd worden bij een druk van ten minste 0,3 MPa (3 bar) (manometerdruk) volgens de randnummers 2215(1) en 2216. Elk recipiënt moet, met behulp van als buffer dienende absorberende stoffen, vastgezet worden in een stevige en dichte metalen beschermverpakking. Deze beschermverpakking moet hermetisch gesloten zijn en haar sluiting dient beveiligd te zijn tegen elke ontijdige opening. De massa produkt mag niet meer bedragen dan 0,67 kg per liter inhoud. Een collo mag niet meer wegen dan 75 kg. Colli die meer dan 30 kg wegen moeten van inrichtingen voor het vastgrijpen voorzien zijn, behalve indien ze als wagenlading worden verzonden; of

b) in stalen recipiënten met een voldoende wanddikte; deze dienen gesloten te worden door middel van een geschroefde spon, gevolgd door een geschroefde beschermstop of door middel van een gelijkwaardige inrichting, die zowel voor vloeistof als voor damp zijn afgedicht. De recipiënten moeten vóór hun indienstname, en daarna uiterlijk om de vijf jaar, beproefd worden bij een druk van ten minste 1 MPa (10 bar) (manometerdruk) volgens de randnummers 2215 (1) en 2216. De massa produkt mag niet meer bedragen dan 0,67 kg per liter inhoud. Een collo mag niet meer wegen dan 75 kg;

c) Op de in a) en b) beschreven recipiënten moet het volgende goed leesbaar en onuitwisbaar voorkomen:

- de naam van de fabrikant of het fabricagemerk en het nummer van het recipiënt;

- de vermelding "propyleenimine";

- de tarra van het recipiënt en de maximum toegelaten massa van het gevuld recipiënt;

- de datum (maand en jaar) van de eerste beproeving en van de laatste periodieke beproeving;

- het waarmerk van de deskundige die de beproevingen en nazichten heeft verricht.

(2) Ethylisocyanaat van 13° moet verpakt worden:

a) hetzij in hermetisch gesloten recipiënten uit zuiver aluminium met een inhoud van ten hoogste 1 liter, die tot niet meer dan 90 % van hun inhoud mogen gevuld worden. Deze recipiënten worden met behulp van geschikte vulmiddelen vastgezet in een houten kist; elke kist mag ten hoogste 10 recipiënten bevatten. Een dergelijke collo moet voldoen aan de beproevingseisen van randnummer 3538 voor samengestelde verpakkingen en verpakkingsgroep I, en mag niet meer wegen dan 30 kg;

b) hetzij in recipiënten uit zuiver aluminium met een wanddikte van ten minste 5 mm of in recipiënten uit roestvrij staal; ze moeten volledig gelast zijn en vóór hun indienstname, en daarna uiterlijk om de vijf jaar, beproefd worden bij een druk van ten minste 0,5 MPa (5 bar) (manometerdruk) volgens de randnummers 2215 (1) en 2216. Zij moeten hermetisch gesloten worden door middel van twee boven elkaar gelegen sluitingen, waarvan er een geschroefd of op gelijkwaardige manier bevestigd moet zijn. De vullingsgraad mag niet meer bedragen dan 90 %.

Vaten die meer dan 100 kg wegen, dienen voorzien te worden van rolban versterkingsbiezen.

c) op de in b) beschreven recipiënten moet het volgende goed leesbaar en onuitwisbaar voorkomen:

- de naam van de fabrikant of het fabricagemerk en het nummer van het recipiënt;

- de vermelding "ethylisocyanaat";

- de tarra van het recipiënt en de maximum toegelaten massa van het gevuld recipiënt;

- de datum (maand en jaar) van de eerste beproeving en van de laatste periodieke beproeving;

- het waarmerk van de deskundige die de beproevingen en nazichten heeft verricht.

2305 De stoffen die bij de letter a) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn, moeten verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten uit kunststof met niet-afneembaar deksel en met een maximale inhoud van 60 liter of in jerrycans uit kunststof met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof), die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen met binnenverpakkingen van glas, kunststof of metaal, die beantwoorden aan randnummer 3538.

2306 (1) De stoffen die bij de letter b) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn, moeten verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten of in jerrycans uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof) die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen die beantwoorden aan randnummer 3538.

Opmerking 1 bij a), b), c) en d): Nitromethaan van 3°b) mag niet vervoerd worden in verpakkingen met afneembaar deksel.

Opmerking 2 bij a), b), c) en d): Er zijn vereenvoudigde voorschriften van toepassing op de vaten en jerrycans met afneembaar deksel voor viskeuze stoffen waarvan de viscositeit bij 23 °C hoger is dan 200 mm2/s (zie randnummers 3512, 3553, 3554 en 3560).

(2) De stoffen die ingedeeld zijn bij de letter b) van 3°, 15°, 17°, 22°, 24° en 25° en de in geringe mate giftige stoffen die ingedeeld zijn bij de letter b) van 41° tot 57°, mogen bovendien verpakt worden in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aandewerk) die beantwoorden aan randnummer 3539.

(3) Met uitzondering van nitromethaan van 3°b) mogen de stoffen met een dampspanning bij 50 °C van niet meer dan 110 kPa (1,10 bar), die bij de letter b) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn, ook verpakt worden in metalen IBC's die beantwoorden aan randnummer 3622, in IBC's uit stijve kunststof die beantwoorden aan randnummer 3624 of in gecombineerde IBC's met een binnenrecipiënt uit stijve kunststof die beantwoorden aan randnummer 3625.

2307 (1) De stoffen die bij de letter c) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn, moeten verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten of in jerrycans uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof) die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen die beantwoorden aan randnummer 3538;

g) hetzij in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) die beantwoorden aan randnummer 3539.

Opmerking bij a), b), c) en d): Er zijn vereenvoudigde voorwaarden van toepassing op de vaten en jerrycans met afneembaar deksel voor viskeuze stoffen waarvan de viscositeit bij 23 °C hoger is dan 200 mm2/s (zie randnummers 3512, 3553, 3554 en 3560).

(2) De stoffen die bij de letter c) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn, mogen bovendien verpakt worden in IBC's uit metaal die beantwoorden aan randnummer 3622, in IBC's uit stijve kunststof die beantwoorden aan randnummer 3624 of in gecombineerde IBC's met een binnenrecipiënt uit stijve kunststof die beantwoorden aan randnummer 3625.

2308 (1) Ethylalcohol en zijn waterige oplossingen en de alcoholische dranken van 3°b) en 31°c) mogen bovendien verpakt worden in tonnen uit massief hout met spongat, die beantwoorden aan randnummer 3524.

(2) Wanneer alcoholische dranken met meer dan 24 volume-% en ten hoogste 70 volume-% alcohol in het kader van hun fabricageproces vervoerd worden, mogen ze onder de volgende voorwaarden getransporteerd worden in houten vaten met een inhoud van niet meer dan 500 liter die niet beantwoorden aan de bepalingen van aanhangsel A.5:

a) de vaten moeten voor het vullen nagezien en opnieuw aangespannen worden;

b) er dient een voldoende vullingsmarge voorzien te worden (ten minste 3 %) voor de uitzetting van de vloeistof;

c) tijdens het transport moeten de vaten met de spongaten naar boven geplaatst zijn;

d) de vaten moeten vervoerd worden in laadkisten die beantwoorden aan de bepalingen van de internationale Conventie betreffende de veiligheid van Containers (CSC) (), zoals gewijzigd. Elk vat moet op een speciaal onderstel geplaatst zijn en met behulp van gepaste middelen zodanig vastgezet worden dat het zich tijdens het transport op geen enkele wijze kan verplaatsen.

(3) Stoffen van 3°b), 4°b), 5°b), 5°c), 31°c), 32°c), 33°c) en 34°c) en de in geringe mate giftige stoffen die ingedeeld zijn bij de letter b) van 41° tot 57° mogen bovendien verpakt worden in lichte metalen verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3540. Er zijn vereenvoudigde voorwaarden van toepassing op de lichte metalen verpakkingen met afneembaar deksel voor viskeuze stoffen waarvan de viscositeit bij 23 °C hoger is dan 200 mm2/s en voor de stoffen van 5°c) (zie randnummers 3512 en 3552 tot 3554).

Opmerking: Nitromethaan van 3°b) mag niet vervoerd worden in verpakkingen met afneembaar deksel.

(4) De volgende stoffen: 1133 lijmen, 1210 drukinkten, 1263 verven, 1263 verf-verwante produkten, 1866 hars, oplossing en 3269 polyesterhars-kits van 5°b), 5°c) en 31°c) mogen vervoerd worden in verpakkingen uit metaal of uit kunststof die enkel aan de voorschriften van randnummer 3500 (1), (2) en (5) tot (7) moeten voldoen en die ten hoogste 5 liter produkt mogen bevatten; de verpakkingen moeten op paletten vastgezet worden met behulp van riemen, krimpfolie, een uitrekbare hoes of een andere gepaste methode, of moeten de binnenverpakkingen zijn van samengestelde verpakkingen met een maximale totale brutomassa van 40 kg. De vermelding in het vervoerdocument moet overeenstemmen met randnummer 2314 (1) en (3).

2309 De brandstofreservoirs voor hydraulisch aggregaat voor vliegtuigen van 28° zijn toegelaten, mits ze aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

a) het reservoir moet uit een uit aluminiumbuizen vervaardigde drukhouder met gelaste bodems bestaan. Binnen deze houder moet de brandstof vervat zijn in een omsluiting uit gelast aluminium met een inwendig volume van ten hoogste 46 liter. De berekeningsdruk van de uitwendige houder moet ten minste 1 275 kPa bedragen (manometerdruk) en zijn barstdruk ten minste 2 755 kPa (manometerdruk). Elke houder moet tijdens zijn constructie en voor de verzending een lektest ondergaan en lekdicht bevonden worden. Een volledige inwendige eenheid moet zorgvuldig met een als buffer dienend onbrandbaar materiaal zoals vermiculite zodanig in een sterke en hermetisch gesloten metalen buitenverpakking verpakt worden dat alle aansluitingen efficiënt beschermd zijn. De maximale hoeveelheid brandstof per reservoir en per collo bedraagt 42 liter;

b) het reservoir moet uit een aluminium drukhouder bestaan. Binnen deze houder moet de brandstof vervat zijn in een door lassen hermetisch gesloten brandstofcompartiment, met een blaas uit elastomeer die een inwendig volume heeft van ten hoogste 46 liter. De berekeningsdruk van de drukhouder moet ten minste 2 860 kPa bedragen (manometerdruk) en zijn barstdruk ten minste 5 170 kPa (manometerdruk). Elke houder moet tijdens zijn constructie en voor de verzending een lektest ondergaan en lekdicht bevonden worden. Een volledige inwendige eenheid moet zorgvuldig met een als buffer dienend onbrandbaar materiaal zoals vermiculite zodanig in een sterke en hermetisch gesloten metalen buitenverpakking verpakt worden dat alle aansluitingen efficiënt beschermd zijn. De maximale hoeveelheid brandstof per reservoir en per collo bedraagt 42 liter.

2310 Recipiënten of IBC's, gevuld met preparaten van 31°c), 32°c) en 33°c), die al naargelang van het geval koolstofdioxide of stikstof in kleine hoeveelheden ontwikkelen, moeten voorzien zijn van een ontgassingsinrichting die respectievelijk beantwoordt aan randnummer 3500 (8) of 3601 (6).

3. Gezamenlijke verpakking

2311 (1) Stoffen die ingedeeld zijn bij hetzelfde cijfer mogen in eenzelfde samengestelde verpakking (beantwoordend aan randnummer 3538) bijeengebracht worden.

(2) Stoffen of voorwerpen van onderhavige klasse mogen - wanneer hun hoeveelheid per binnenverpakking 5 liter niet overschrijdt - onderling en/of met niet aan de voorschriften van deze Richtlijn onderworpen goederen bijeengebracht worden in eenzelfde samengestelde verpakking, die beantwoordt aan randnummer 3538; dit op voorwaarde dat zij onderling niet gevaarlijk reageren.

(3) De stoffen van 6°, 7°, 12° en 13° mogen niet in eenzelfde collo bijeengebracht worden met andere goederen.

(4) De stoffen die bij de letter a) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn, mogen niet gezamenlijk verpakt worden met stoffen en voorwerpen van de klassen 1, 5.2 (met uitzondering van de verharders en systemen met meerdere componenten) en 7.

(5) Behoudens wanneer bijzondere voorwaarden het tegengestelde bepalen, mogen de stoffen van klasse 3 onder de volgende voorwaarden met stoffen of voorwerpen van de andere klassen en/of met goederen die niet onderworpen zijn aan de voorschriften van deze Richtlijn bijeengebracht worden in eenzelfde samengestelde verpakking, die beantwoordt aan randnummer 3538:

- tot 0,5 liter per binnenverpakking en 1 liter per collo voor de stoffen die bij de letter a) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn;

- tot 5 liter per binnenverpakking voor de stoffen die bij de letters b) of c) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn;

de gezamenlijke verpakking moet evenwel ook toegelaten zijn voor de stoffen en voorwerpen van die andere klassen en de bijeengebrachte stoffen mogen onderling niet gevaarlijk reageren.

(6) Worden als gevaarlijke reacties beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanzienlijke warmteontwikkeling;

b) de uitwaseming van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van corrosieve vloeistoffen;

d) de vorming van onstabiele stoffen.

(7) Een stof met zuur karakter en een stof met basisch karakter mogen niet gezamenlijk verpakt worden in éénzelfde collo, indien ze beide in breekbare recipiënten verpakt zijn.

(8) De voorschriften van de randnummers 2001 (7), 2002 (6) en (7) en 2302 dienen in acht te worden genomen.

(9) Een collo mag niet meer wegen dan 100 kg indien houten of kartonnen kisten gebruikt worden.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie aanhangsel A.9)

Opschriften

2312 (1) Elk collo moet duidelijk en blijvend voorzien zijn van de letters "UN", gevolgd door het identificatienummer van het goed dat in het vervoerdocument dient aangegeven te worden.

Gevaarsetiketten

(2) Colli, die stoffen of voorwerpen bevatten van onderhavige klasse, moeten voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 3.

(3) Colli, die stoffen bevatten van 11° tot 19°, 32° en 41° tot 57°, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 6.1.

(4) Colli, die stoffen bevatten van 21° tot 26° en 33°, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 8.

(5) Colli, die stoffen of voorwerpen bevatten van 27° en 28°, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 6.1 en van een etiket dat overeenstemt met model 8.

(6) Colli die breekbare recipiënten bevatten welke van buitenuit niet zichtbaar zijn moeten op twee tegenoverstaande zijvlakken voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 12.

(7) Colli die recipiënten bevatten waarvan de sluitingen van buitenuit niet zichtbaar zijn, colli die recipiënten bevatten voorzien van ontgassingsinrichtingen en recipiënten voorzien van ontgassingsinrichtingen zonder buitenverpakking, moeten op twee tegenoverstaande zijvlakken voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 11.

2313

B. Vermeldingen in het vervoerdocument

2314 (1) De omschrijving van de stof in het vervoerdocument moet overeenstemmen met een van de cursief gedrukte identificatienummers en bijbehorende benaming van randnummer 2301.

Wanneer de stof daar niet met name vermeld staat, maar behoort tot een n.e.g. rubriek of een andere collectieve rubriek, moet de omschrijving van de stof bestaan uit het identificatienummer en de benaming van de n.e.g. rubriek of van de collectieve rubriek, gevolgd door zijn scheikundige of technische benaming ().

De omschrijving van de stof moet door de opgave van zijn klasse, zijn volgnummer in de opsomming - in voorkomend geval aangevuld met de letter - en de afkorting "ADR" (of "RID ") gevolgd worden (bijvoorbeeld 3, 1°a), ADR).

Voor stoffen en preparaten van 41° tot 57° moet de benaming van het gevaarlijkste bestanddeel vermeld worden, en dit zowel van het gedeelte bestaande uit het pesticide () als van dat bestaande uit de brandbare vloeistof (bijvoorbeeld "Parathion in hexaan").

Bij het vervoer van afvalstoffen [zie randnummer 2000 (5)] wordt de stof als volgt omschreven: "Afvalstof, bevat ", waarbij de component(en) waarop de classificatie van de afvalstof volgens randnummer 2002 (8) gebaseerd is, met hun scheikundige benaming(en) moeten opgegeven worden (bijvoorbeeld "Afvalstof, bevat 1230 methanol, 3, 17°b)").

Bij het vervoer van oplossingen of mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen), die meerdere componenten bevatten die aan deze Richtlijn onderworpen zijn, zal het in het algemeen niet nodig zijn om meer dan twee componenten te vermelden die bepalend zijn voor de gevaarlijke eigenschap(pen) van de oplossingen en mengsels.

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels die slechts één enkele component bevatten die aan de voorschriften van deze Richtlijn onderworpen is, moeten de woorden "in oplossing" of "mengsel met" opgenomen worden in de benaming in het vervoerdocument [zie randnummer 2002 (8)].

Wanneer een oplossing of mengsel, die met name genoemd is of een met name genoemde stof bevat, niet onderworpen is aan de voorschriften van onderhavige klasse op basis van randnummer 2300 (5), mag de verzender de vermelding "produkt niet onderworpen aan klasse 3" in het vervoerdokument plaatsen.

(2) Voor de zendingen die op basis van de opmerking bij E van randnummer 2301 uitgevoerd worden, moet de verzender in het vervoerdocument het volgende verklaren: "Transport op basis van de opmerking bij E van randnummer 2301".

(3) Voor de zendingen die op basis van randnummer 2308 (4) uitgevoerd worden, moet de verzender in het vervoerdocument het volgende verklaren: "Transport op basis van randnummer 2308 (4)".

2315-

2321

C. Lege verpakkingen

2322 (1) De niet-gereinigde lege verpakkingen (met inbegrip van de lege IBC's) van 71° moeten op dezelfde manier gesloten worden en dezelfde dichtheidsgaranties bieden als toen ze gevuld waren.

(2) De niet-gereinigde lege verpakkingen (met inbegrip van de lege IBC's) van 71° moeten van dezelfde gevaarsetiketten voorzien zijn als toen ze gevuld waren.

(3) De omschrijving in het vervoerdocument moet overeenstemmen met één van de in 71° cursief gedrukte benamingen, aangevuld met 3, 71°, ADR (bijvoorbeeld "Lege verpakking, 3, 71°, ADR").

Voor niet-gereinigde lege tankvoertuigen, lege afneembare tanks en lege laadketels moet deze omschrijving aangevuld worden met "Laatst geladen stof", gevolgd door de benaming en het cijfer van de laatst geladen stof [bijvoorbeeld "Laatst geladen stof 1089 acetaldehyde, 1°a)"].

2323-

2324

D. Overgangsbepalingen

2325 De stoffen van klasse 3 mogen tot 30 juni 1995 vervoerd worden overeenkomstig de voorschriften voor klasse 3 die tot 31 december 1994 van kracht waren. In dit geval moet het vervoerdocument de vermelding "Vervoer overeenkomstig het vóór 1 januari 1995 geldend ADR" bevatten.

2326-

2399

KLASSE 4.1 BRANDBARE VASTE STOFFEN

1. Opsomming van de stoffen

2400 (1) Van de stoffen en voorwerpen, die door de titel van klasse 4.1 beoogd worden, zijn diegene welke in randnummer 2401 opgesomd zijn en diegene welke vallen onder een collectieve rubriek van dat randnummer onderworpen aan de voorwaarden vastgesteld in de randnummers 2400 (2) tot 2422, aan de voorschriften van deze bijlage en aan de bepalingen van bijlage B, en dus stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn.

Opmerking: Voor de stoffen van randnummer 2401 worden de hoeveelheden, die niet onderworpen zijn aan de voorschriften voor klasse 4.1 van zowel deze bijlage als van bijlage B, gegeven in randnummer 2401a.

(2) De titel van klasse 4.1 slaat op de stoffen en voorwerpen die ofwel een smeltpunt hebben van meer dan 20 °C, ofwel pastavormig zijn volgens de criteria van de penetrometertest (zie randnummer 3310 van aanhangsel A.3), ofwel niet vloeibaar zijn volgens de testmethode ASTM D4359-90, ofwel autoreactieve vloeistoffen zijn. In klasse 4.1 zijn ingedeeld:

- vaste stoffen en voorwerpen die gemakkelijk branden, die door vonken ontstoken kunnen worden of die door wrijving een brand kunnen veroorzaken;

- autoreactieve stoffen, die (bij normale of verhoogde temperatuur) door ongewoon hoge transporttemperaturen of door contact met onzuiverheden op een sterk exotherme wijze kunnen ontbinden.

- stoffen verwant aan autoreactieve stoffen, die zich van deze laatste onderscheiden door een zelfversnellende ontbindingstemperatuur van meer dan 75 °C, kunnen op een sterk exotherme wijze ontbinden en kunnen in bepaalde verpakkingen beantwoorden aan de critria voor de ontplofbare stoffen van klasse 1;

- ontplofbare stoffen die met voldoende water of alcohol bevochtigd zijn of die voldoende plastificeermiddel of flegmatiseermiddel bevatten om hun explosieve eigenschappen te neutraliseren.

Opmerkingen: 1. Autoreactieve stoffen en preparaten met autoreactieve stoffen worden niet als autoreactieve stoffen van klasse 4.1 aanzien indien:

- ze ontplofbaar zijn volgens de criteria van klasse 1;

- ze de verbranding bevorderen volgens de indelingsprocedure van klasse 5.1;

- het organische peroxides zijn volgens de criteria van klasse 5.2;

- hun ontledingswarmte minder is dan 300 J/g;

- hun temperatuur van zelfversnellende ontleding hoger is dan 75 °C voor een collo van 50 kg; of

- testen aangetoond hebben dat ze als stoffen van type G kunnen vrijgesteld worden (zie randnummer 3104(2) g) van aanhansel A.1).

2. De ontledingswarmte mag bepaald worden via om het even welke internationaal erkende methode, zoals de differentiële calorimetrische analyse of de adiabatische calorimetrie.

3. De temperatuur van zelfversnellende ontleding (SADT) is de laagste temperatuur waarbij een stof zelfversnellend kan ontleden in de verpakking die tijdens het vervoer wordt gebruikt. De voorschriften voor de bepaling van deze temperatuur zijn opgenomen in randnummer 3103 van aanhangsel A.1.

(3) De stoffen en voorwerpen van klasse 4.1 zijn als volgt onderverdeeld:

A. organische brandbare vaste stoffen en voorwerpen

B. anorganische brandbare vaste stoffen en voorwerpen

C. ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand

D. stoffen verwant aan autoreactieve stoffen

E. autoreactieve stoffen waarvoor geen temperatuursregeling is vereist

F. autoreactieve stoffen waarvoor een temperatuursregeling is vereist

G. lege verpakkingen.

Afhankelijk van hun gevaarsgraad worden de stoffen van klasse 4.1, die ingedeeld zijn bij de verschillende cijfers van randnummer 2401 (met uitzondering van de stoffen van 6° en 15°), ondergebracht bij één van de volgende met de letters a), b) en c) aangeduide groepen:

a) zeer gevaarlijke stoffen;

b) gevaarlijke stoffen;

c) stoffen die in mindere mate gevaarlijk zijn.

Alle normalerwijze bevochtigde vaste stoffen, die in droge toestand bij de ontplofbare stoffen zouden ingedeeld zijn, worden ondergebracht in groep a) van de onderscheiden cijfers.

De autoreactieve stoffen worden ondergebracht in groep b) van de onderscheiden cijfers.

De stoffen verwant aan autoreactieve stoffen worden ondergebracht in groep b) en c) van de onderscheiden cijfers.

(4) De indeling van niet met name genoemde stoffen en voorwerpen bij de cijfers 3° tot 8° van randnummer 2401 en bij de groepen binnen deze cijfers, geschiedt op basis van ervaring of op basis van de resultaten van de beproevingsmethode volgens randnummers 3320 en 3321 van aanhangsel A.3.

De indeling bij de cijfers 11° tot 14°, 16° en 17° en bij de groepen binnen deze cijfers geschiedt op basis van de resultaten van de beproevingsmethode volgens randnummers 3320 en 3321 van aanhangsel A.3; met ervaring moet ook rekening worden gehouden, indien deze tot een strengere indeling leidt.

(5) Wanneer de niet met name genoemde stoffen en voorwerpen op basis van de beproevingsmethode volgens randnummers 3320 en 3321 van aanhangsel A.3 bij de cijfers van randnummer 2401 ingedeeld worden, zijn de volgende criteria van toepassing:

a) Gemakkelijk brandbare poedervormige, korrelvormige of pastavormige stoffen van 1°, 4°, 6° tot 8°, 11°, 12°, 14°, 16° en 17° moeten bij de klasse 4.1 ingedeeld worden indien zij door kortstondig contact met een ontstekingsbron (bijvoorbeeld een brandende lucifer) gemakkelijk kunnen worden ontstoken, of indien de vlam zich bij ontsteking snel uitbreidt, met een verbrandingstijd van minder dan 45 seconden voor een meetafstand van 100 mm of met een grotere voortplantingssnelheid van de verbranding dan 2,2 mm/s.

b) Metaalpoeders of poeders van metaallegeringen van 13° moeten bij de klasse 4.1 ingedeeld worden indien zij door contact met een vlam kunnen worden ontstoken en de reactie zich in minder dan 10 minuten over heel het monster uitbreidt.

(6) Wanneer de niet met name genoemde stoffen of voorwerpen op basis van de beproevingsmethode volgens randnummers 3320 en 3321 van aanhangsel A.3 bij de groepen van de cijfers van randnummer 2401 ingedeeld worden, zijn de volgende criteria van toepassing:

a) de brandbare vaste stoffen van 4°, 6° tot 8°, 11°, 12°, 14°, 16° en 17°, die bij de beproeving een verbrandingstijd van minder dan 45 seconden hebben voor een meetafstand van 100 mm, moeten:

i) bij groep b) ingedeeld worden indien de vlam in de bevochtigde zone doordringt;

ii) bij groep c) ingedeeld worden indien de vlam door de bevochtigde zone binnen 4 minuten tot stilstand wordt gebracht.

b) metaalpoeders en poeders van metaallegeringen van 13°, waarbij de reactie zich tijdens de beproeving:

i) in ten hoogste 5 minuten over het gehele monster uitbreidt, moeten in groep b) ingedeeld worden;

ii) in meer dan 5 minuten over het gehele monster uitbreidt, moeten in groep c) ingedeeld worden.

(7) Wanneer de stoffen van klasse 4.1 door het toevoegen van andere stoffen naar andere gevaarsgraden overgaan dan diegene waartoe de stoffen van randnummer 2401 behoren, dienen deze mengsels ingedeeld te worden bij de cijfers of de letters waartoe ze op basis van hun werkelijke gevaarsgraad behoren.

Opmerking: Zie ook randnummer 2002 (8) voor de classificatie van oplossingen en mengels (zoals preparaten en afvalstoffen).

(8) Indien stoffen en voorwerpen bij meerdere letters van éénzelfde cijfer van randnummer 2401 met name genoemd zijn, kan de passende letter bepaald worden op basis van de resultaten van de beproevingsmethode volgens randnummers 3320 en 3321 van aanhangsel A.3 en van de criteria van alinea (6).

(9) Op basis van de beproevingsmethode volgens randnummers 3320 en 3321 van aanhangsel A.3 en van de criteria van alinea (6) kan ook bepaald worden of de aard van een met name genoemde stof dusdanig is dat deze stof niet onderworpen is aan de voorschriften van onderhavige klasse (zie randnummer 2414).

(10) Chemisch onstabiele stoffen van klasse 4.1 mogen slechts voor het vervoer aangeboden worden indien alle maatregelen werden getroffen die nodig zijn om een gevaarlijke ontbinding of polymerisatie tijdens het vervoer te verhinderen. Daartoe moet er in het bijzonder op toegezien worden dat de verpakkingen geen stoffen bevatten die deze reacties kunnen bevorderen.

(11) Brandbare vaste stoffen, oxiderend, die bij identificatienummer 3097 van de Aanbevelingen van de VN ingedeeld zijn, mogen niet vervoerd worden [zie evenwel voetnoot (¹) bij de tabel van paragraaf 2.3.1 in randnummer 2002 (8)].

Autoreactieve stoffen

(12) De ontleding van de autoreactieve stoffen kan veroorzaakt worden door warmte, contact met katalytische onzuiverheden (bijvoorbeeld zuren, verbindingen van zware metalen, basen), wrijving of schokken. De ontledingssnelheid stijgt met de temperatuur en varieert al naar gelang van de stof. De ontleding kan - vooral wanneer geen ontbranding plaatsvindt - gepaard gaan met het vrijkomen van giftige gassen of dampen. Voor bepaalde autoreactieve stoffen moet de temperatuur geregeld worden. Bepaalde autoreactieve stoffen kunnen explosief ontleden, vooral wanneer ze zijn ingesloten.

Deze eigenschap kan gewijzigd worden door verdunningsmiddelen toe te voegen of door geschikteverpakkingen te gebruiken. Enkele autoreactieve stoffen branden hevig. Sommige verbindingen van de hieronder aangegeven types zijn bijvoorbeeld autoreactieve stoffen:

- alifatische azoverbindingen (-C-N=N-C-);

- organische aziden (-C-N3);

- diazoniumzouten (-CN2+Z-);

- N-nitrosoverbindingen (-N-N=O);

- aromatische sulfohydraziden (-SO2-NH-NH2).

Deze lijst is niet volledig en stoffen met andere reactieve groepen en sommige mengsels van stoffen kunnen gelijkaardige eigenschappen bezitten.

(13) De autoreactieve stoffen worden onderverdeeld in zeven types, afhankelijk van hun gevaarlijkheidsgraad. De principes die van toepassing zijn op de classificatie van de stoffen die niet in randnummer 2401 worden opgesomd, zijn aangegeven in randnummer 3104 van aanhangsel A.1. De types van autoreactieve stoffen gaan van type A, dat niet mag vervoerd worden in de verpakking waarin het werd getest, tot type G, dat niet onderworpen is aan de voorschriften die van toepassing zijn op autoreactieve stoffen van klasse 4.1 [zie randnummer 2414 (5)]. De classificatie van de autoreactieve stoffen van de types B tot F is rechtstreeks functie van de maximaal toegelaten hoeveelheid in een verpakking.

(14) De volgende autoreactieve stoffen mogen niet vervoerd worden:

- de autoreactieve stoffen van type A (zie randnummer 3104 (2) a) van aanhangsel A.1);

(15) De autoreactieve stoffen en de preparaten van autoreactieve stoffen die in randnummer 2401 opgesomd worden, zijn ingedeeld bij de rubrieken 31° tot 50°, identificatienummers 3221 tot 3240.

De indelingen voor de stoffen van 31° tot 50° zijn gebaseerd op de technisch zuivere stoffen (behalve wanneer een concentratie van minder dan 100 % is aangegeven). Voor andere concentraties kan de stof anders ingedeeld worden, volgens de procedures van randnummer 3104 van aanhangsel A.1.

De collectieve rubrieken preciseren:

- het type van autoreactieve stof (B tot F) (zie paragraaf (13) hierboven);

- de fysische toestand (vloeibaar/vast), en

- desgevallend de temperatuursregeling (zie paragraaf (20) hieronder).

(16) De classificatie van de autoreactieve stoffen of preparaten van autoreactieve stoffen die niet in randnummer 2401 opgesomd zijn, en hun indeling bij een collectieve rubriek, moeten verricht worden door de bevoegde overheid van de Staat van herkomst.

(17) Activatoren, zoals zinkverbindingen, worden soms aan bepaalde autoreactieve stoffen toegevoegd om hun reactiviteit te veranderen. Afhankelijk van het type en de concentratie van de activator kan dit een vermindering van de thermische stabiliteit en een verandering van de ontplofbare eigenschappen teweegbrengen.

Indien een van deze eigenschappen verandert, moet het nieuw preparaat overeenkomstig de classificatieprocedure geëvalueerd worden.

(18) Monsters van autoreactieve stoffen of van formuleringen van autoreactieve stoffen, die niet in randnummer 2401 zijn opgesomd, waarvan geen volledige testgegevens beschikbaar zijn en die vervoerd moeten worden voor aanvullende beproevingen en beoordelingen, dienen ingedeeld te worden bij een van de collectieve rubrieken die horen bij de organische peroxiden van type C, indien:

- volgens de beschikbare gegevens het staal niet gevaarlijker is dan een autoreactieve stof van type B;

- het staal verpakt is volgens verpakkingsmethode OP2A of OP2B, en de hoeveelheid per transporteenheid niet meer van 10 kg bedraagt;

- de beschikbare gegevens desgevallend aantonen dat de regelingstemperatuur voldoende laag is om elke gevaarlijke ontleding te voorkomen en voldoende hoog om elke gevaarlijke scheiding van de fasen te vermijden.

(19) Om de veiligheid tijdens het vervoer van autoreactieve stoffen te verzekeren, worden deze dikwijls gedesensibiliseerd door er een verdunner aan toe te voegen. Wanneer een percentage van een stof is opgelegd, is dit het massa-percentage, afgerond tot op het dichtstbijgelegen geheel getal. Indien een verdunner gebruikt wordt, moet de autoreactieve stof getest worden terwijl de verdunner er in aanwezig is in de concentratie en onder de vorm die bij het vervoer wordt toegepast. Verdunners die zouden kunnen toelaten dat een autoreactieve stof zich in geval van lekkage uit een verpakking in gevaarlijke mate concentreert, mogen niet gebruikt worden. Alle gebruikte verdunners moeten compatibel zijn met de autoreactieve stof. In dit verband zijn vaste of vloeibare verdunners compatibel indien ze geen negatief effect hebben op de thermische stabiliteit en het gevaarstype van de autoreactieve stof. Vloeibare verdunningsmiddelen in preparaten waarvoor een temperatuursregeling vereist is [zie paragraaf (20)] moeten een kookpunt bezitten van ten minste 60 °C, en een vlampunt van ten minste 5 °C. Het kookpunt van de vloeistof moet ten minste 50 °C hoger zijn dan de controletemperatuur van de autoreactieve stof.

(20) De regelingstemperatuur is de maximale temperatuur waarbij de autoreactieve stof veilig vervoerd kan worden. Men gaat uit van de veronderstelling dat de temperatuur in de onmiddellijke omgeving van het collo tijdens het transport slechts gedurende een relatief korte tijd per etmaal 55 °C overschrijdt. Indien het systeem voor de temperatuursregeling uitvalt kan het nodig zijn om urgentieprocedures toe te passen. De kritieke temperatuur is de temperatuur waarbij deze urgentieprocedures in werking moeten treden.

De regelingstemperatuur en de kritieke temperatuur zijn afgeleid van de temperatuur van zelfversnellende ontleding (self-accelerating decomposition temperature SADT) (zie tabel 1). De SADT moet bepaald worden om vast te stellen of een stof tijdens het vervoer aan temperatuursregeling moet onderworpen worden. De voorschriften voor de bepaling van de SADT zijn opgenomen in randnummer 3103 van aanhangsel A.1.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De autoreactieve stoffen met een SADT die niet hoger is dan 55 °C, moeten tijdens het vervoer aan temperatuursregeling onderworpen worden. De regelingstemperatuur en de kritieke temperatuur worden desgevallend aangegeven in randnummer 2401. De werkelijke temperatuur tijdens het vervoer mag lager zijn dan de regelingstemperatuur, maar hij moet zodanig gekozen zijn dat een gevaarlijke scheiding van de fasen vermeden wordt.

A. Organische brandbare vaste stoffen en voorwerpen

2401 1° Stoffen afkomstig van de rubberverwerking, in brandbare vorm, zoals:

b) 1345 rubberafval of 1345 rubberresten, onder de vorm van poeder of korrels.

2° Brandbare voorwerpen in voor de handel bestemde vorm:

c) 1331 wrijvingslucifers (geen veiligheidslucifers), 1944 veiligheidslucifers (voor strijkvlak) in boekjes of doosjes, 1945 waslucifers, 2254 stormlucifers, 2623 vuuraanmakers (vast) gedrenkt in brandbare vloeistoffen.

3° Voorwerpen op basis van zwak genitreerde nitrocellulose:

c) 1324 films met nitrocellulosedrager, gegelatineerd, 2000 celluloid (in blokken, staven, rollen, bladen, buizen, enz.)

1353 vezels gedrenkt in zwak genitreerde nitrocellulose, n.e.g. of 1353 weefsels gedrenkt in zwak genitreerde nitrocellulose, n.e.g.

Opmerking: 2006 kunststoffen op basis van nitrocellulose, zelfverhittend, n.e.g. en 2002 celluloidafval zijn stoffen van klasse 4.2 (zie randnummer 2431, 4°).

4° c) 3175 vaste stoffen of mengsels van vaste stoffen die brandbare vloeistoffen met een vlampunt van ten hoogste 100 °C bevatten (zoals preparaten en afvalstoffen), n.e.g.

5° Organische brandbare stoffen in gesmolten toestand:

2304 naftaline, gesmolten;

3176 organische brandbare vaste stof in gesmolten toestand, n.e.g.

Opmerking: 1334 naftaline in vaste vorm is een stof van 6°.

6° Niet-giftige en niet-corrosieve organische brandbare vaste stoffen, en niet-giftige en niet-corrosieve mengsels van organische brandbare vaste stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere verzamelrubriek ingedeeld kunnen worden:

b) 1325 organische brandbare vaste stof, n.e.g.;

c) 1312 borneol, 1328 hexamethyleentetramine, 1332 metaldehyde, 1334 naftaline, ruw of 1334 naftaline, geraffineerd, 2213 paraformaldehyde, 2538 nitronaftaline, 2717 synthetische kamfer, 1325 organische brandbare vaste stof n.e.g.

Opmerking: 2304 naftaline in gesmolten toestand is een stof van 5°.

7° Giftige organische brandbare vaste stoffen en giftige mengsels van organische brandbare vaste stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere verzamelrubriek ingedeeld kunnen worden:

b) 2926 organische brandbare vaste stof, giftig, n.e.g.;

c) 2926 organische brandbare vaste stof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2600 (1) voor de giftigheidscriteria.

8° Corrosieve organische brandbare vaste stoffen en corrosieve mengsels van organische brandbare vaste stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere verzamelrubriek ingedeeld kunnen worden:

b) 2925 organische brandbare vaste stof, corrosief, n.e.g.;

c) 2925 organische brandbare vaste stof, corrosief, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2800 (1) voor de corrosiviteitscriteria.

B. Anorganische brandbare vaste stoffen en voorwerpen

11° Anorganische niet-metallische stoffen in brandbare vorm:

b) 1339 fosforheptasulfide (P4S7) vrij van witte of gele fosfor, 1341 fosforsesquisulfide (P4S3) vrij van witte of gele fosfor, 1343 fosfortrisulfide (P4S6) vrij van witte of gele fosfor, 2989 loodfosfiet, dibasisch, 3178 anorganische brandbare vaste stof, n.e.g.;

Opmerking: Fosforsulfiden die niet vrij zijn van witte of gele fosfor mogen niet vervoerd worden.

c) 1338 rodefosfor, amorf, 1350 zwavel (met inbegrip van zwavelbloem), 2687 dicyclohexylammoniumnitriet, 2989 loodfosfiet, dibasisch, 3178 anorganische brandbare vaste stof, n.e.g.

Opmerking: 2448 zwavel in gesmolten toestand is een stof van 15°.

12° Brandbare metaalzouten van organische verbindingen:

b) 3181 brandbare metaalzouten van organische verbindingen, n.e.g.;

c) 1313 calciumresinaat, 1314 calciumresinaat, gesmolten en gestold, 1318 kobaltresinaat, neergeslagen, 1330 mangaanresinaat, 2001 kobaltnaftenaatpoeder, 2714 zinkresinaat, 2715 aluminiumresinaat, 3181 brandbare metaalzouten van organische verbindingen, n.e.g.

13° Metalen en metaallegeringen in poedervorm of in een andere brandbare vorm:

Opmerkingen: 1. Metalen en metaallegeringen in poedervorm of in een andere brandbare vorm, die voor zelfontbranding vatbaar zijn, zijn stoffen van klasse 4.2 (zie randnummer 2431, 12°).

2. Metalen en metaallegeringen in poedervorm of in een andere brandbare vorm, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 (zie randnummer 2471, 11° tot 15°).

b) 1309 aluminiumpoeder, omhuld, 1323 ferrocerium, 1333 cerium, platen, staven, baren, 1326 hafniumpoeder, bevochtigd met ten minste 25 massa-% water, 1352 titaanpoeder, bevochtigd met ten minste 25 massa-% water, 1358 zirconiumpoeder, bevochtigd met ten minste 25 massa-% water, 3089 brandbaar metaalpoeder, n.e.g.;

Opmerkingen: 1. Halfnium-, titaan- en zirconiumpoeder- moeten een zichtbare overmaat aan water bevatten.

2. Bevochtigd hafnium-, titaan- en zirconiumpoeder zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn indien hun korrelgrootte ten minste 53 m bedraagt en ze mechanisch vervaardigd zijn, of indien hun korrelgrootte ten minste 840 ìm bedraagt en ze op chemische wijze vervaardigd zijn.

c) 1309 aluminiumpoeder, omhuld, 1346 siliciumpoeder, amorf, 1869 magnesium of 1869 magnesiumlegeringen, korrels, repen, draaisels, 2858 zirconium, droog, opgerolde draad, metalen platen, repen (dunner dan 254 ìm, maar niet dunner dan 18 ìm), 2878 titaanspons, korrelvormig, of 2878 titaanspons, poedervormig, 3089 brandbaar metaalpoeder, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Magnesiumlegeringen met ten hoogs 50 % magnesium zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. Siliciumpoeder in een andere vorm is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

3. 2009 zirconium, droog, onder de vorm van opgerolde draad, metalen platen of repen en dunner dan 18 ìm, is een stof van klasse 4.2 [zie randnummer 2431, 12°c)]. Zirconium, droog, onder de vorm van opgerolde draad, metalen platen of repen met een dikte van ten minste 254 ìm, is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

14° Brandbare metaalhydriden:

b) 1437 zirconiumhydride, 1871 titaanhydride, 3182 brandbare metaalhydriden, n.e.g.;

c) 3182 brandbare metaalhydriden, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Metaalhydriden, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 (zie randnummer 2471, 16°).

2. 2870 aluminiumboorhydride of 2870 aluminiumhydride in apparaten is een stof van klasse 4.2 [zie randnummer 2431, 17°a)].

15° De volgende anorganische brandbare stof in gesmolten toestand:

2448 zwavel, gesmolten.

Opmerkingen: 1. 1350 zwavel (in vaste toestand) is een stof van 11°c).

2. Andere anorganische brandbare stoffen in gesmolten toestand mogen niet vervoerd worden.

16° Giftige anorganische brandbare vaste stoffen en giftige mengsels van anorganische brandbare vaste stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere verzamelrubriek ingedeeld kunnen worden:

b) 1868 decaboraan, 3179 anorganische brandbare vaste stof, giftig, n.e.g.;

c) 3179 anorganische brandbare vaste stof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2600(1) voor de giftigheidscriteria.

17° Corrosieve anorganische brandbare vaste stoffen en corrosieve mengsels van anorganische brandbare vaste stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere verzamelrubriek ingedeeld kunnen worden:

b) 3180 anorganische brandbare vaste stof, corrosief, n.e.g.;

c) 3180 anorganische brandbare vaste stof, corrosief, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2800 (1) voor de corrosiviteitscriteria.

C. Ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand

Opmerkingen: 1. Andere ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand dan deze die opgesomd zijn in 21° tot 26° mogen niet als stoffen van klasse 4.1 vervoerd worden.

2. Op de stoffen van 21° tot 26° zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing (zie randnummer 2404).

21° De volgende bevochtigde ontplofbare stoffen:

a) 1310 ammoniumpikraat, bevochtigd met ten minste 10 massa-% water; 1322 dinitroresorcinol, bevochtigd met ten minste 15 massa-% water; 1336 nitroguanidine, bevochtigd met ten minste 20 massa-% water; 1337 zetmeelnitraat, bevochtigd met ten minste 20 massa-% water; 1344 trinitrofenol, bevochtigd met ten minste 30 massa-% water; 1347 zilverpikraat, bevochtigd met ten minste 30 massa-% water; 1349 natriumpikramaat, bevochtigd met ten minste 20 massa-% water; 1354 trinitrobenzeen, bevochtigd met ten minste 30 massa-% water; 1355 trinitrobenzoëzuur, bevochtigd met ten minste 30 massa-% water; 1356 trinitrotolueen (TNT), bevochtigd met ten minste 30 massa-% water; 1357 ureumnitraat, bevochtigd met ten minste 20 massa-% water; 1517 zirkoniumpikramaat, bevochtigd met ten minste 20 massa-% water; 2852 dipicrylsulfide, bevochtigd met ten minste 10 massa-% water.

22° De volgende giftige bevochtigde ontplofbare stoffen:

a) 1320 dinitrofenol, bevochtigd met ten minste 15 massa-% water; 1321 dinitrofenolaten, bevochtigd met ten minste 15 massa-% water; 1348 natriumdinitro-O-cresolaat, bevochtigd met ten minste 15 massa-% water.

Opmerkingen bij 21° en 22°: 1. De ontplofbare stoffen waarvan het watergehalte lager is dan de opgegeven limieten zijn stoffen van klasse 1.

2. Het water moet homogeen verdeeld zijn over de volledige ontplofbare stof. Gedurende het transport mag zich geen enkele scheiding in het mengsel voordoen, die het inertie-effect teniet doet.

3. De bevochtigde ontplofbare stoffen mogen niet tot detonatie kunnen gebracht worden door middel van een genormaliseerde detonator (), en niet tot een massale ontploffing door middel van een krachtige versterker.

23° De volgende inert gemaakte ontplofbare stof:

b) 2907 isosorbidedinitraat, mengsel met ten minste 60 % lactose, mannose, zetmeel of calciumwaterstoffosfaat, of met andere flegmatiseermiddelen die op zijn minst even efficiënte inert makende eigenschappen bezitten.

24° De volgende nitrocellulosemengsels:

a) 2555 nitrocellulose met ten minste 25 massa-% water; 2556 nitrocellulose met ten minste 25 massa-% alcohol en met een stikstofgehalte van ten hoogste 12,6 % in de droge massa; 2557 nitrocellulose, mengsel met een stikstofgehalte van ten hoogste 12,6 % in de droge massa, met of zonder plastificeermiddel, met of zonder pigment.

Opmerkingen: 1. 2556 nitrocellulose met ten minste 25 massa-% alcohol of 2557 nitrocellulose, mengsel met of zonder plastificeermiddel, met of zonder pigment, beide met een stikstofgehalte van ten hoogste 12,6 % in de droge massa, moet verpakt worden in recipinten die derwijze gebouwd zijn dat een explosie als gevolg van een stijging van de inwendige druk verhinderd wordt.

2. Nitrocellulosemengels waarvan het gehalte aan water, alcohol of plastificeermiddel lager is dan de opgegeven limieten, zijn stoffen van klasse 1 (zie randnummer 2101, 4° en 26°).

25° Volgend giftig azide:

a) 1571 bariumazide, bevochtigd met ten minste 50 massa-% water.

Opmerking: Bariumazide waarvan het watergehalte lager is dan de opgegeven limiet mag niet vervoerd worden.

D. Stoffen verwant aan autoreactieve stoffen

26° De volgende stoffen zijn verwant aan de autoreactieve stoffen:

b) 3242 azodicarbonamide;

c) 2956 5-tert-butyl-2,4,6-trinitro-m-xyleen (muskusxyleen), 3251 isosorbide-5-mononitraat.

Opmerkingen: 1. Op de stoffen van 26° zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing [zie randnummer 2404 (3)].

2. Indien uit reeks 2 van de testen van de indelingsprocedure met betrekking tot klasse 1 [zie randnummer 3101 (1) van aanhangsel A.1] blijkt dat iso-sorbide-5-mononitraat of preparaten met deze stof te weinig gevoelig zijn om bij klasse 1 ingedeeld te worden, zijn ze niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

E. Autoreactieve stoffen, waarvoor geen temperatuursregeling is vereist

31° b) 3221 autoreactieve vloeistof van type B ()

32° b) 3222 autoreactieve vaste stof van type B, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

33° b) 3223 autoreactieve vloeistof van type C, zoals

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

34° b) 3224 autoreactieve vaste stof van type C, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

35° b) 3225 autoreactieve vloeistof van type D ()

36° b) 3226 autoreactieve vaste stof van type D, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

37° b) 3227 autoreactieve vloeistof van type E ()

38° b) 3228 autoreactieve vaste stof van type E ()

39° b) 3229 autoreactieve vloeistof van type F ()

40° b) 3230 autoreactieve vaste stof van type F ()

F. Autoreactieve stoffen waarvoor temperatuursregeling is vereist

Opmerking: De stoffen van 41° tot 50° zijn autoreactieve stoffen die gemakkelijk ontleden bij normale temperaturen en die derhalve slechts mogen vervoerd worden met een gepaste koeling. Voor deze autoreactieve stoffen mag de maximale temperatuur tijdens het vervoer niet hoger oplopen dan de opgegeven regelingstemperatuur.

41° b) 3231 autoreactieve vloeistof van type B, met temperatuursregeling ()

42° b) 3232 autoreactieve vaste stof van type B, met temperatuursregeling, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

43° b) 3233 autoreactieve vloeistof van type C, met temperatuursregeling, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

44° b) 3234 autoreactieve vaste stof van type C, met temperatuursregeling, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

45° b) 3235 autoreactieve vloeistof van type D, met temperatuursregeling, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

46° b) 3236 autoreactieve vaste stof van type D, met temperatuursregeling, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

47° b) 3237 autoreactieve vloeistof van type E, met temperatuursregeling ()

48° b) 3238 autoreactieve vaste stof van type E, met temperatuursregeling ()

49° b) 3239 autoreactieve vloeistof van type F, met temperatuursregeling ()

50° b) 3240 autoreactieve vaste stof van type F, met temperatuursregeling ()

G. Lege verpakkingen

51° Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), lege tankwagens, lege laadketels, evenals de lege wagens voor losgestort vervoer en lege kleine laadkisten voor losgestort vervoer, niet gereinigd, die stoffen van klasse 4.1 hebben bevat.

2401a De stoffen van 1° tot 4°, 6° en 11° tot 14° zijn niet onderworpen aan de voorschriften voor klasse 4.1, voorzien in deze bijlage en in bijlage B, indien ze vervoerd worden overeenkomstig de onderstaande bepalingen:

a) Stoffen die bij b) van elk cijfer ingedeeld zijn, tot 3 kg per binnenverpakking en tot 12 kg per collo;

b) Stoffen die bij c) van elk cijfer ingedeeld zijn, tot 6 kg per binnenverpakking en tot 24 kg per collo.

Die hoeveelheden stoffen moeten worden vervoerd in samengestelde verpakkingen die ten minste beantwoorden aan de voorschriften van randnummer 3538.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van randnummer 3500 (1), (2) en (5) tot (7) moeten in acht genomen worden.

2. Voorschriften

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

2402 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.5, behalve voor die stoffen waarvoor er in randnummers 2403 tot 2405 individuele verpakkingsvoorschriften voorzien zijn.

De grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.6.

(2) Volgens de bepalingen van randnummer 2400 (3) en 3511 (2) of 3611 (2) moeten de volgende verpakkingen gebruikt worden:

- verpakkingen van de verpakkingsgroep I, gemerkt met de letter "X", voor de zeer gevaarlijke stoffen ingedeeld bij de letter a) van elk cijfer,

- verpakkingen van de verpakkingsgroepen II of I, resp. gemerkt met de letter "Y" of X, of grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) van de verpakkingsgroep II, gemerkt met de letter "Y", voor de gevaarlijke stoffen ingedeeld bij de letter b) van elk cijfer,

- verpakkingen van de verpakkingsgroepen III, II of I, resp. gemerkt met de letter "Z", "Y" of "X", of grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) van verpakkingsgroep III of II, resp. gemerkt met de letter "Z" of "Y", voor de minder gevaarlijke stoffen ingedeeld bij de letter c) van elk cijfer.

Opmerking: Zie aanhangsel B voor het vervoer van stoffen van klasse 4.1 in tankvoertuigen, afneembare tanks en laadketels en voor het losgestort vervoer.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

2403 De stoffen van 5° en gesmolten zwavel van 15° mogen slechts in tankvoertuigen en afneembare tanks (zie aanhangsel B.1a) of in laadketels (zie aanhangsel B.1b) vervoerd worden.

2404 (1) De stoffen van 21°, 22°, 23° en 25° moeten verpakt worden:

a) hetzij in vaten vervaardigd uit multiplex (beantwoordend aan randnummer 3523), uit karton (beantwoordend aan randnummer 3525) of uit kunststof (beantwoordend aan randnummer 3526); deze moeten steeds voorzien zijn van één of meerdere binnenzakken die geen vocht doorlaten;

b) hetzij in samengestelde verpakkingen die beantwoorden aan randnummer 3538, met binnenverpakkingen die geen vocht doorlaten. Er is echter geen enkele inwendige of uitwendige verpakking uit metaal toegelaten.

De verpakkingen moeten zodanig ontworpen zijn dat het watergehalte of het gehalte flegmatiseermiddel, dat toegevoegd werd om de explosieve stof inert te maken, tijdens het transport niet kan verminderen.

(2) De stoffen van 24° mogen ook verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten, met afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten, met afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans met afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten uit multiplex, die beantwoorden aan randnummer 3523;

e) hetzij in kartonnen vaten, die beantwoorden aan randnummer 3525;

f) hetzij in kartonnen kisten, die beantwoorden aan randnummer 3530;

g) hetzij in kisten uit staal of aluminium, die beantwoorden aan randnummer 3532;

h) hetzij in samengestelde verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3538; er is echter geen enkele inwendige of uitwendige verpakking uit metaal toegelaten.

De metalen recipiënten moeten zodanig gebouwd en gesloten zijn dat ze bezwijken wanneer de inwendige druk een waarde bereikt van ten hoogste 300 kPa (3 bar).

2555 Nitrocellulose met ten minste 25 massa-% water mag bovendien verpakt worden in vaten en in jerrycans uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3526.

Wanneer 2557 nitrocellulose, mengsel met een stikstofgehalte van ten hoogste 12,6 % in de droge massa, met of zonder plastificeermiddel, met of zonder pigment, verpakt wordt in metalen recipiënten, moet een binnenzak uit meerlagig papier gebruikt worden.

Wanneer 2555 nitrocellulose met ten minste 25 massa-% water of 2556 nitrocellulose met ten minste 25 massa-% alcohol verpakt wordt in vaten uit multiplex, vaten uit karton of kisten uit karton, moet gebruik gemaakt worden van een vochtdichte binnenzak, een binnenbekleding uit kunststoffolie of een coating uit kunststof.

Alle verpakkingen moeten zodanig ontworpen zijn dat het gehalte water, alcohol of flegmatiseermiddel tijdens het transport niet kan verminderen.

(3) a) De stoffen van 26° moeten verpakt worden in kartonnen vaten die beantwoorden aan randnummer 3525, met een voering uit kunststof of met een even doelmatige inwendige binnenbekleding. Een collo mag niet meer dan 50 kg wegen.

b) 3242 azodicarbonamide van 26°b) mag daarenboven verpakt worden in de volgende binnenverpakkingen:

- een zak uit kunststof, afzonderlijk verpakt in een kartonnen kist met een maximale inhoud van 50 kg, of

- flessen, kruiken, zakken of kisten uit kunststof, elk met een maximale inhoud van 5 kg, en met een kist of vat uit karton met een maximale inhoud van 25 kg als buitenverpakking.

2405 (1) Bij het verpakken van de stoffen van 31° tot 50° moet gebruik gemaakt worden van de verpakkingsmethodes die opgesomd zijn in tabel 2; voor vloeistoffen worden ze aangeduid met OP1A tot OP8A en voor vaste stoffen met OP1B tot OP8B. De stoffen moeten verpakt worden zoals dat in randnummer 2401 is aangegeven; de details zijn gepreciseerd in tabel 2A) en 2B). Een verpakkingsmethode die overeenstemt met een collo van kleinere afmetingen (d.w.z. met een lager OP-nummer) mag gebruikt worden, maar een verpakkingsmethode die overeenstemt met een collo van grotere afmetingen (d.w.z. met een hoger OP-nummer) mag niet gebruikt worden. Metalen verpakkingen die voldoen aan de testcriteria voor verpakkingsgroep I mogen niet gebruikt worden. De vulmiddelen in samengestelde verpakkingen moeten moeilijk ontvlambaar zijn en mogen in geval van lekkage de ontleding van de autoreactieve stof niet veroorzaken.

(2) De colli die op basis van randnummer 2412 (5) voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 01 moeten voldoen aan de voorschriften van randnummer 2102 (4) en (6).

(3) Voor de autoreactieve stoffen of de preparaten van autoreactieve stoffen die niet in randnummer 2401 opgesomd zijn moet de volgende procedure gevolgd worden om de geschikte verpakkingsmethode vast te stellen:

a) autoreactieve stoffen van type B:

Voor deze stoffen wordt verpakkingsmethode OP5A of OP5B toegepast, op voorwaarde dat ze in één van de aangegeven verpakkingen aan de criteria van randnummer 3104 (2)b) van aanhangsel A.1 voldoen. Indien de autoreactieve stof slechts aan deze criteria kan voldoen in een kleinere verpakking dan deze die opgesomd zijn bij de verpakkingsmethode OP5A of OP5B (d.w.z. in een van de verpakkingen die bij OP1A tot OP4A of OP1B tot OP4B opgesomd zijn), moet de verpakkingsmethode die overeenstemt met een lager OP-nummer gebruikt worden.

b) autoreactieve stoffen van type C:

Voor deze stoffen wordt verpakkingsmethode OP6A of OP6B toegepast, op voorwaarde dat ze in één van de aangegeven verpakkingen aan de criteria van randnummer 3104 (2) c) van aanhangsel A.1 voldoen. Indien de autoreactieve stof slechts aan deze criteria kan voldoen in een kleinere verpakking dan deze die opgesomd zijn bij de verpakkingsmethode OP6A of OP6B, moet de verpakkingsmethode die overeenstemt met een lager OP-nummer gebruikt worden.

c) autoreactieve stoffen van type D:

Verpakkingsmethode OP7A of OP7B moet gebruikt worden.

d) autoreactieve stoffen van type E:

Verpakkingsmethode OP8A of OP8B moet gebruikt worden.

e) autoreactieve stoffen van type F:

Verpakkingsmethode OP8A of OP8B moet gebruikt worden.

(4) De stoffen van 39°b), 40°b), 49°b) en 50°b) mogen in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) vervoerd worden volgens de voorwaarden die door de bevoegde overheid van het land van herkomst zijn vastgesteld, indien deze overheid op basis van de beproevingsresultaten van oordeel is dat een dergelijk vervoer veilig kan plaatsvinden. De beproevingen moeten onder meer:

- aantonen dat de autoreactieve stof voldoet aan de classificatieprincipes die in randnummer 3104(2)f) van aanhangsel A.1 zijn voorgeschreven;

- de compatibiliteit aantonen van alle materialen die normalerwijze tijdens het vervoer in contact komen met de stof;

- desgevallend in functie van de SADT de regelingstemperatuur en de kritieke temperatuur vaststellen die op het vervoer van de stof in de voorziene IBC van toepassing zijn;

- desgevallend het vaststellen van de karakteristieken van de drukontlastingsinrichtingen mogelijk maken; en

- toelaten om te bepalen of speciale voorschriften noodzakelijk zijn.

(5) Om het explosief bezwijken van metalen grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) of gecombineerde grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) met een volwandig metalen omhulsel te voorkomen, moeten de drukontlastingsinrichtingen ontworpen worden om alle ontledingsprodukten en dampen af te blazen die vrijkomen tijdens een aanwezigheid in een brandhaard (met een warmteoverdracht van 110 kW/m2) gedurende een periode van ten minste een uur of als gevolg van een zelfversnellende ontleding.

(6) De recipiënten en de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) moeten, indien ze stoffen van 31°b), 33°b), 37°b), 39°b), 41°b), 43°b), 45°b), 47°b) of 49°b) bevatten die kleine hoeveelheden gas ontwikkelen, voorzien zijn van een ontgassingsinrichting die beantwoordt aan randnummers 3500 (8) en 3601 (6).

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2406 (1) De stoffen die bij de letter b) van 1° tot 17° ingedeeld zijn moeten als volgt verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans, die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten en in jerrycans uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof), die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3538;

g) hetzij in combinatieverpakkingen (glas, porselein, aardewerk), die beantwoorden aan randnummer 3539;

h) hetzij in metalen grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), die beantwoorden aan randnummer 3622.

(2) De stoffen die bij de letter b) van 1° tot 17° ingedeeld zijn en ofwel een smeltpunt bezitten van meer dan 45 °C, ofwel pastavormig zijn volgens de criteria van de penetrometertest (zie randnummer 3310 van aanhangsel A.3), ofwel niet vloeibaar zijn volgens de testmethode ASTM D 4359-90, mogen ook als volgt verpakt worden:

a) hetzij in vaten uit multiplex, die beantwoorden aan randnummer 3523, of in kartonnen vaten, die beantwoorden aan randnummer 3525; beide zo nodig met één of meerdere niet-doorlaatbare binnenzakken;

b) hetzij in kisten; deze mogen vervaardigd zijn uit staal of aluminium (beantwoordend aan randnummer 3532), uit massief hout (beantwoordend aan randnummer 3527), uit multiplex (beantwoordend aan randnummer 3528), uit spaanplaat (beantwoordend aan randnummer 3529), uit karton (beantwoordend aan randnummer 3530) of uit kunststof (beantwoordend aan randnummer 3531); deze kisten worden, indien nodig, voorzien van één of meerdere stofdichte binnenzakken;

c) hetzij in stofdichte zakken; deze mogen vervaardigd zijn uit textiel (beantwoordend aan randnummer 3533), uit geweven kunststof (beantwoordend aan randnummer 3534), uit kunststoffolie (beantwoordend aan randnummer 3535) of uit papier (beantwoordend aan randnummer 3536). Dit op voorwaarde dat de zakken op paletten gestapeld zijn of als wagenlading vervoerd worden.

(3) De stoffen die bij de letter b) van 1°, 6°, 7°, 8°, 12°, 13°, 16° en 17° ingedeeld zijn, mogen ook als volgt verpakt worden:

a) hetzij in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) uit stijve kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3624;

b) hetzij in gecombineerde grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), met een binnenrecipiënt uit kunststof die beantwoorden aan randnummer 3625, met uitzondering van de types 11HZ2 en 31HZ2.

(4) De stoffen die bij de letter b) van 1°, 6°, 12° en 13° ingedeeld zijn en ofwel een smeltpunt bezitten van meer dan 45 °C, ofwel pastavormig zijn volgens de criteria van de penetrometertest (zie randnummer 3310 van aanhangsel A.3), ofwel niet vloeibaar zijn volgens de testmethode ASTM D 4359-90, mogen ook als volgt verpakt worden:

a) hetzij in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) uit karton, die beantwoorden aan randnummer 3626;

b) hetzij in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) uit hout, die beantwoorden aan randnummer 3627.

(5) De stoffen die bij de letter b) van 1°, 6° en 12° ingedeeld zijn en ofwel een smeltpunt bezitten van meer dan 45 °C, ofwel pastavormig zijn volgens de criteria van de penetrometertest (zie randnummer 3310 van aanhangsel A.3), ofwel niet vloeibaar zijn volgens de testmethode ASTM D 4359-90, mogen ook verpakt worden in soepele grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) die beantwoorden aan randnummer 3623, met uitzondering van de types 13H1, 13L1 en 13M1. Dit op voorwaarde dat de soepele grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) op paletten gestapeld zijn of als wagenlading vervoerd worden.

2407 (1) De stoffen die bij de letter c) van 1° tot 17° ingedeeld zijn moeten verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans, die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten en in jerrycans uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof), die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3538;

g) hetzij in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk), die beantwoorden aan randnummer 3539;

h) hetzij in lichte metalen verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3540;

i) hetzij in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) uit metaal, die beantwoorden aan randnummer 3622;

j) hetzij in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) uit stijve kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3624;

k) hetzij in gecombineerde grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) met een binnenrecipiënt uit kunststof die beantwoorden aan randnummer 3625, met uitzondering van de types 11HZ2 en 31HZ2.

(2) De stoffen die bij de letter c) van 1° tot 17° ingedeeld zijn en ofwel een smeltpunt bezitten van meer dan 45 °C, ofwel pastavormig zijn volgens de criteria van de penetrometertest (zie randnummer 3310 van aanhangsel A.3), ofwel niet vloeibaar zijn volgens de testmethode ASTM D 4359-90, mogen ook als volgt verpakt worden:

a) hetzij in vaten uit multiplex, die beantwoorden aan randnummer 3523, of in kartonnen vaten, die beantwoorden aan randnummer 3525; beide zo nodig met één of meerdere niet-doorlaatbare binnenzakken;

b) hetzij in kisten; deze mogen vervaardigd zijn uit staal of aluminium (beantwoordend aan randnummer 3532), uit massief hout (beantwoordend aan randnummer 3527), uit multiplex (beantwoordend aan randnummer 3528), uit spaanplaat (beantwoordend aan randnummer 3529), uit karton (beantwoordend aan randnummer 3530) of uit kunststof (beantwoordend aan randnummer 3531); deze kisten worden, indien nodig, voorzien van één of meerdere stofdichte binnenzakken;

c) hetzij in stofdichte zakken; deze mogen vervaardigd zijn uit textiel (beantwoordend aan randnummer 3533), uit geweven kunststof (beantwoordend aan randnummer 3534), uit kunststoffolie (beantwoordend aan randnummer 3535) of uit papier (beantwoordend aan randnummer 3536).

(3) De stoffen die bij de letter c) van 6°, 11° tot 14°, 16° en 17° ingedeeld zijn en ofwel een smeltpunt bezitten van meer dan 45 °C, ofwel pastavormig zijn volgens de criteria van de penetrometertest (zie randnummer 3310 van aanhangsel A.3), ofwel niet vloeibaar zijn volgens de testmethode ASTM D 4359-90, mogen ook als volgt verpakt worden:

a) hetzij in soepele grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) die beantwoorden aan randnummer 3623, met uitzondering van de types 11H1, 11L1 en 11M1;

b) hetzij in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) uit karton, die beantwoorden aan randnummer 3626;

c) hetzij in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) uit hout, die beantwoorden aan randnummer 3627;

d) hetzij in gecombineerde grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) met een binnenrecipiënt uit kunststof, van het type 11HZ2, die beantwoorden aan randnummer 3625.

2408 Celluloïd in bladen van 3°c) mag ook onverpakt als wagenlading in gesloten voertuigen geladen worden, op voorwaarde dat het op paletten is geplaatst, omwikkeld met kunststoffolie en vastgezet met geschikte middelen (bijvoorbeeld stalen banden). Een palet mag niet meer dan 1 000 kg wegen.

2409-

2410

3. Gezamenlijke verpakking

2411 (1) Stoffen die ingedeeld zijn bij hetzelfde cijfer mogen in eenzelfde samengestelde verpakking (beantwoordend aan randnummer 3538) bijeengebracht worden.

(2) De stoffen van 21° tot 26° en van 31° tot 50° mogen niet in eenzelfde collo verpakt worden met andere goederen.

(3) Behoudens wanneer de bijzondere voorwaarden van alinea (7) het tegengestelde bepalen en met uitzondering van de stoffen die in alinea (2) vernoemd worden, mogen de stoffen van de verschillende cijfers van klasse 4.1 - wanneer hun hoeveelheid per verpakking ten hoogste 5 kg bedraagt - met stoffen of voorwerpen van de andere klassen en/of met goederen die niet onderworpen zijn aan de voorschriften van het RID bijeengebracht worden in eenzelfde samengestelde verpakking, die beantwoordt aan randnummer 3538; de gezamenlijke verpakking moet evenwel ook toegelaten zijn voor de stoffen en voorwerpen van die andere klassen en de bijeengebrachte stoffen mogen onderling niet gevaarlijk reageren.

(4) Worden als gevaarlijke reacties beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanzienlijke warmteontwikkeling;

b) de uitwaseming van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van corrosieve vloeistoffen;

d) de vorming van onstabiele stoffen.

(5) De voorschriften van de randnummers 2001(7), 2002(6) en (7) en 2402 moeten nageleefd worden.

(6) Een collo mag niet meer wegen dan 100 kg indien houten of kartonnen kisten gebruikt worden.

(7) De stoffen die bij de letter b) of c) van 1° tot 5° en 11° tot 14° ingedeeld zijn, mogen niet gezamenlijk verpakt worden met de stoffen van klasse 5.1 die bij de letter a) of b) van de verschillende cijfers van randnummer 2501 ingedeeld zijn.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie aanhangsel A.9)

Opschriften

2412 (1) Elk collo moet duidelijk en blijvend voorzien zijn van de letters "UN", gevolgd door het identificatienummer van het goed dat in het vervoerdocument dient aangegeven te worden.

Gevaarsetiketten

(2) Colli, die stoffen bevatten van klasse 4.1, moeten voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 4.1.

(3) Colli, die stoffen bevatten van 7°, 16°, 22° en 25°, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 6.1, en deze die stoffen van 8° en 17° bevatten, van een etiket dat overeenstemt met model 8.

(4) Colli, die stoffen bevatten van 31°, 32°, 41° en 42°, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 01, tenzij de bevoegde overheid toestemming heeft verleend om dit etiket weg te laten op het beproefd verpakkingstype omdat de beproevingsresultaten aantonen dat de autoreactieve stof in een dergelijke verpakking geen explosief gedrag vertoont [zie randnummer 2414 (4)].

(5) Colli die breekbare recipiënten bevatten dewelke van buitenaf niet zichtbaar zijn moeten op twee tegenoverstaande zijvlakken voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 12.

(6) Colli die vloeistoffen bevatten in recipiënten waarvan de sluiting van buitenuit niet zichtbaar is, colli die recipiënten bevatten voorzien van ontgassingsinrichtingen, en recipiënten voorzien van ontgassingsinrichtingen zonder buitenverpakking, moeten bovendien op twee tegenoverstaande zijvlakken voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 11.

2413

B. Vermeldingen in het vervoerdocument

2414 (1) De omschrijving van de stof in het vervoerdocument moet overeenstemmen met een van de cursief gedrukte identificatienummers en bijbehorende benaming van randnummer 2401.

Wanneer de stof daar niet met name vermeld staat, maar behoort tot een n.e.g. rubriek of een collectieve rubriek, moet de omschrijving van de stof bestaan uit het identificatienummer en de benaming van de n.e.g. rubriek of van de collectieve rubriek, gevolgd door zijn scheikundige of technische benaming ();

De omschrijving van de stof moet door de opgave van zijn klasse, zijn volgnummer in de opsomming - in voorkomend geval aangevuld met de letter - en de afkorting "ADR" (of "RID") gevolgd worden (bijvoorbeeld 4.1, 6°b), ADR).

Bij het vervoer van afvalstoffen [zie randnummer 2000 (5)] wordt de stof als volgt omschreven: "Afvalstof, bevat ", waarbij de component(en) waarop de classificatie van de afvalstof volgens randnummer 2000 (8) gebaseerd is, met hun scheikundige benaming(en) moeten opgegeven worden (bijvoorbeeld "Afvalstof, grond die tolueen bevat, 4.1, 4°c), ADR").

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen) die meerdere componenten bevatten die aan deze Richtlijn onderworpen zijn, zal het in het algemeen niet nodig zijn om meer dan twee componenten te vermelden die bepalend zijn voor de gevaarlijke eigenschap(pen) van de oplossingen en mengsels.

Wanneer een met name genoemde stof niet onderworpen is aan de voorschriften voor onderhavige klasse op basis van randnummer 2400 (9), mag de verzender de vermelding "produkt niet onderworpen aan klasse 4.1" in het vervoerdocument plaatsen.

(2) Indien het transport van stoffen uitgevoerd wordt volgens de voorwaarden die door de bevoegde overheid werden vastgesteld [zie randnummers 2400 (16) en 2405 (4)], moet de volgende vermelding in het vervoerdocument geplaatst worden:

"Transport uitgevoerd volgens randnummer 2414(2)"

(3) Indien een monster van een autoreactieve stof vervoerd wordt op basis van randnummers 2400 (18) en 2405 (6), moet de volgende vermelding in het vervoerdocument geplaatst worden:

"Transport uitgevoerd volgens randnummer 2414(3)"

(4) Indien de bevoegde overheid op basis van randnummer 2412 (4) toestemming heeft verleend om het etiket dat overeenstemt met model 01 weg te laten, moet de volgende vermelding in het vervoerdocument geplaatst worden:

"Het gevaarsetiket dat overeenstemt met model 01 is niet vereist"

(5) Indien autoreactieve stoffen van type G [zie randnummer 3104 (2)g) van aanhangsel A.1] vervoerd worden, mag de volgende vermelding in het vervoerdocument geplaatst worden:

"Maakt geen deel uit van de autoreactieve stoffen van klasse 4.1"

(6) Voor de autoreactieve stoffen die tijdens het vervoer een temperatuursregeling vereisen, moeten de volgende gegevens in het vervoerdocument geplaatst worden:

"Regelingstemperatuur: . °C Kritieke temperatuur: .. °C"

(7) Bij oplossingen en mengsels die slechts één enkele component bevatten die aan de voorschriften van deze Richtlijn onderworpen is, moeten de woorden "in oplossing" of "mengsel met" opgenomen worden in de benaming in het vervoerdocument [zie randnummer 2002 (8) a)].

(8) Wanneer een vaste stof in gesmolten toestand voor vervoer wordt aangeboden, moet de omschrijving van het goed vervolledigd worden met de vermelding "gesmolten" indien deze vermelding niet in de benaming zelf voorkomt.

2415-

2421

C. Lege verpakkingen

2422 (1) De niet-gereinigde lege verpakkingen [met inbegrip van de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's)] van 51°, die niet in alinea (2) opgenomen zijn, moeten op dezelfde manier gesloten worden en dezelfde dichtheidsgaranties bieden als toen ze gevuld waren.

(2) Indien op de buitenkant van niet-gereinigde lege verpakkingen [met inbegrip van grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's)] van 51° resten van de vorige inhoud kleven, moeten deze in dichte verpakkingen vervoerd worden.

(3) De niet-gereinigde lege verpakkingen [met inbegrip van de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's)], die met water bevochtigde stoffen van 13°b) of stoffen van 21° tot 25° bevat hebben, mogen slechts vervoerd worden indien de restanten van de stoffen dusdanig verpakt zijn dat het gehalte aan water of aan andere flegmatiseermiddelen, dan de stoffen werden toegevoegd om deze inert te maken, niet kan dalen. De niet-gereinigde lege verpakkingen, die stoffen van 31° tot 50° hebben bevat, mogen slechts vervoerd worden indien maatregelen werden getroffen om een gevaarlijke zelfontbinding uit te sluiten.

(4) De niet-gereinigde lege verpakkingen [met inbegrip van de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's)], lege tankwagens, lege laadketels en lege wagens en laadkisten voor losgestort vervoer van 51° en de in alinea (2) vermelde verpakkingen moeten van dezelfde gevaarsetiketten voorzien zijn als toen ze gevuld waren.

(5) De omschrijving in het vervoerdocument moet overeenstemmen met een van de in 51° cursief gedrukte benamingen, aangevuld met 4.1, 51°, ADR (bijvoorbeeld "Lege verpakkingen, 4.1, 51°, ADR"). Voor niet-gereinigde lege tankvoertuigen, lege afneembare tanks, lege laadketels en lege kleine laadkisten moet deze omschrijving aangevuld worden met "Laatst geladen stof", gevolgd door de benaming en het cijfer van de laatst geladen stof (bijvoorbeeld "Laatst geladen stof 2304 naftaleen, gesmolten, 5°").

2423-

2424

D. Overgangsbepalingen

2425 De stoffen en voorwerpen van klasse 4.1 mogen tot 30 juni 1995 vervoerd worden overeenkomstig de voorschriften voor klasse 4.1 die tot 31 december 1994 van kracht waren. In dit geval moet het vervoerdocument de vermelding "Vervoer overeenkomstig het vóór 1 januari 1995 geldend ADR" bevatten.

2426-

2429

KLASSE 4.2 VOOR ZELFONTBRANDING VATBARE STOFFEN

1. Opsomming van de stoffen

2430 (1) Van de stoffen en voorwerpen, die door de titel van klasse 4.2 beoogd worden, zijn diegene welke in randnummer 2431 opgesomd zijn en diegene welke vallen onder een collectieve rubriek van dat randnummer onderworpen aan de voorwaarden vastgesteld in de randnummers 2430 (2) tot 2452, aan de voorschriften van deze bijlage en aan de bepalingen van bijlage B, en dus stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn.

(2) De titel van klasse 4.2 slaat op:

- de stoffen, met inbegrip van mengsels en oplossingen (vloeibare of vaste), die zelfs in kleine hoeveelheden in minder dan vijf minuten ontbranden in contact met de lucht. Deze stoffen worden voor zelfontbranding vatbare stoffen (pyrofore stoffen) genoemd;

- de stoffen en voorwerpen, met inbegrip van mengsels en oplossingen, die in contact met de lucht en zonder toevoer van energie kunnen opwarmen. Deze stoffen kunnen slechts in grote hoeveelheden (meerdere kilogram) en na lange tijd (uren of dagen) ontbranden; ze worden voor zelfverhitting vatbare stoffen genoemd.

(3) De stoffen en voorwerpen van klasse 4.2 zijn als volgt onderverdeeld:

A. Voor zelfontbranding vatbare organische stoffen.

B. Voor zelfontbranding vatbare anorganische stoffen.

C. Voor zelfontbranding vatbare organometallische verbindingen.

D. Lege verpakkingen.

Afhankelijk van hun gevaarsgraad worden de stoffen van klasse 4.2, die ingedeeld zijn bij de verschillende cijfers van randnummer 2431, ondergebracht bij één van de volgende met de letters a), b) en c) aangeduide groepen:

a) voor zelfontbranding vatbaar (pyrofoor);

b) voor zelfverhitting vatbaar;

c) in mindere mate voor zelfverhitting vatbaar.

(4) De indeling van niet met name genoemde stoffen en voorwerpen bij de cijfers 3° tot 5°, 12°, 15°, 16°, 31° en 32° van randnummer 2431 en bij de groepen binnen deze cijfers, geschiedt op basis van ervaring of van de resultaten van de beproevingsmethode volgens randnummers 3330 tot 3333 van aanhangsel A.3.

De indeling bij de cijfers 6° tot 10°, 14°, 17° tot 21° en 33° en bij de groepen binnen deze cijfers, geschiedt op basis van de resultaten van de beproevingsmethode volgens randnummers 3330 tot 3333 van aanhangsel A.3; met ervaring moet ook rekening worden gehouden, indien deze tot een strengere indeling leidt.

(5) Wanneer de niet met name genoemde stoffen en voorwerpen op basis van de beproevingsmethode volgens randnummers 3330 tot 3333 van aanhangsel A.3 bij de cijfers van randnummer 2431 ingedeeld worden, zijn de volgende criteria van toepassing:

a) voor zelfontbranding vatbare (pyrofore) vaste stoffen moeten bij de klasse 4.2 ingedeeld worden indien zij tijdens de val van 1 meter hoogte of minder dan 5 minuten daarna ontbranden;

b) voor zelfontbranding vatbare (pyrofore) vloeistoffen moeten bij de klasse 4.2 ingedeeld worden indien zij:

i) na op een inerte drager te zijn gegoten, in minder dan 5 minuten ontbranden, of

ii) bij een negatief beproevingsresultaat volgens i) een droog ingescheurd filterpapiertje (Whatman filter nr. 3) doen ontbranden of verkolen, minder dan 5 minuten nadat ze er waren op gegoten;

c) de stoffen waarbij, in een kubusvormig monster met ribben van 10 cm en bij een beproevingstemperatuur van 140 °C, na minder dan 24 uur een zelfontbranding of een temperatuurverhoging tot meer dan 200 °C wordt waargenomen, moeten in de klasse 4.2 ingedeeld worden. Dit criterium is gebaseerd op de zelfontbrandingstemperatuur van houtskool, die 50 °C bedraagt voor een kubusvormig monster van 27 m3. Stoffen waarvan de zelfontbrandingstemperatuur voor een volume van 27 m3 hoger is dan 50 °C, moeten niet bij de klasse 4.2 ingedeeld worden.

(6) Wanneer de niet met name genoemde stoffen en voorwerpen op basis van de beproevingsmethode volgens randnummers 3330 tot 3333 van aanhangsel A.3 bij de groepen van de cijfers van randnummer 2431 ingedeeld worden, zijn de volgende criteria van toepassing:

a) de voor zelfontbranding vatbare (pyrofore) stoffen moeten ingedeeld worden bij groep a);

b) de voor zelfverhitting vatbare stoffen en voorwerpen waarbij, in een kubusvormig monster met ribben van 2,5 cm en bij een beproevingstemperatuur van 140 °C, na minder dan 24 uur een zelfontbranding of een temperatuurverhoging tot meer dan 200 °C wordt waargenomen, moeten ingedeeld worden bij groep b);

c) de in mindere mate voor zelfverhitting vatbare stoffen, waarbij de in b) vernoemde verschijnselen niet worden waargenomen in een kubusvormig monster met ribben van 2,5 cm en in de gegeven voorwaarden, moeten ingedeeld worden bij groep c) indien in een kubusvormig monster met ribben van 10 cm en bij een beproevingstemperatuur van 140 °C, na minder dan 24 uur een zelfontbranding of een temperatuurverhoging tot meer dan 200 °C wordt waargenomen.

(7) Wanneer de stoffen van klasse 4.2 door het toevoegen van andere stoffen naar andere gevaarscategorieën overgaan dan diegene waartoe de stoffen van randnummer 2431 behoren, dienen deze mengsels ingedeeld te worden bij de cijfers of de letters waartoe ze op basis van hun werkelijk gevaar behoren.

Opmerking: Zie ook randnummer 2002 (8) voor de classificatie van oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen).

(8) Indien stoffen en voorwerpen bij meerdere letters van éénzelfde cijfer van randnummer 2431 met name genoemd zijn, kan de passende letter bepaald worden op basis van de resultaten van de beproevingsmethode volgens randnummers 3330 en 3333 van aanhangsel A.3 en van de criteria van alinea (6).

(9) Op basis van de beproevingsmethode volgens randnummers 3330 en 3333 van aanhangsel A.3 en van de criteria van alinea (6) kan ook bepaald worden of de aard van een met name genoemde stof dusdanig is dat deze stof niet onderworpen is aan de voorschriften van onderhavige klasse (zie randnummer 2444).

(10) Voor de verpakkingsvoorschriften van randnummers 2435 (2), 2436 (2) en 2437 (3) en (4) worden de stoffen of mengsels van stoffen met een smeltpunt boven 45 °C als vaste stoffen beschouwd.

(11) De voor zelfverhitting vatbare vaste stoffen die de verbranding bevorderen (ingedeeld bij identificatienummer 3127 van de Aanbevelingen van de VN) mogen niet vervoerd worden [zie evenwel voetnoot (¹) bij de tabel van paragraaf 2.3.1 in randnummer 2002 (8)].

A. Voor zelfontbranding vatbare organische stoffen

2431 1° Kool, poedervormig, in korrels of in stukken:

b) 1361 kool of 1361 roet, van dierlijke of plantaardige oorsprong;

c) 1361 kool of 1361 roet, van dierlijke of plantaardige oorsprong, 1362 kool, geactiveerd.

Opmerkingen: 1. Met waterdamp geactiveerde kool en niet-geactiveerd roet van minerale oorsprong zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. Niet-geactiveerde kool van minerale oorsprong en poederkool in niet voor zelfverhitting vatbare toestand zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2° Stoffen van dierlijke of plantaardige oorsprong:

b) 1374 vismeel (visafval), niet gestabiliseerd;

c) 1363 copra, 1386 oliezaadkoeken met meer dan 1,5 massa-% olie en ten hoogste 11 massa-% vocht, 2217 oliezaadkoeken met ten hoogste 1,5 massa-% olie en ten hoogste 11 massa-% vocht.

3° Vezels, weefsels en gelijkaardige produkten van industriële oorsprong:

c) 1364 katoenafval, oliehoudend, 1365 katoen, vochtig, 1379 papier, behandeld met onverzadigde oliën, onvolledig gedroogd (met inbegrip van carbonpapier), 1373 vezels van dierlijke, plantaardige of synthetische oorsprong, doordrenkt met olie, n.e.g. of 1373 weefsels van dierlijke, plantaardige of synthetische oorsprong, doordrenkt met olie, n.e.g.

4° Stoffen op basis van zak genitreerde cellulose:

c) 2002 celluloidafval, 2006 kunststoffen op basis van nitrocellulose, voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g.

Opmerking: 1353 vezels of weefsels gedrenkt in zwak genitreerde nitrocellulose, niet voor zelfverhitting vatbaar, en 2000 celluloid zijn voorwerpen van klasse 4.1 [zie randnummer 2401, 3°c)].

5° Niet-giftige en niet-corrosieve voor zelfontbranding vatbare organische vaste stoffen en niet-giftige en niet-corrosieve mengsels van voor zelfontbranding vatbare organische vaste stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 2846 organische pyrofore vaste stof, n.e.g.;

b) 1369 p-nitrosodimethylaniline, 2940 9-fosfabicyclononanen (cyclooctadieenfosfinen); 3088 organische voor zelfverhitting vatbare vaste stof, n.e.g.;

c) 3088 organische voor zelfverhitting vatbare vaste stof, n.e.g.

6° Niet-giftige en niet-corrosieve voor zelfontbranding vatbare organische vloeistoffen en niet-giftige en niet-corrosieve oplossingen van voor zelfontbranding vatbare organische stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 2845 organische pyrofore vloeistof, n.e.g.;

Opmerking: Op deze stof zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing (zie randnummer 2433).

b) 3183 organische voor zelfverhitting vatbare vloeistof, n.e.g.

c) 3183 organische voor zelfverhitting vatbare vloeistof, n.e.g.

7° Giftige voor zelfontbranding vatbare organische vaste stoffen en giftige mengsels van voor zelfontbranding vatbare organische vaste stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

b) 3128 organische voor zelfverhitting vatbare vaste stof, giftig, n.e.g.

c) 3128 organische voor zelfverhitting vatbare vaste stof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2600 (1) voor de giftigheidscriteria.

8° Giftige voor zelfontbranding vatbare organische vloeistoffen en giftige oplossingen van voor zelfontbranding vatbare organische stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

b) 3184 organische voor zelfverhitting vatbare vloeistof, giftig, n.e.g.

c) 3184 organische voor zelfverhitting vatbare vloeistof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2600 (1) voor de giftigheidscriteria.

9° Corrosieve voor zelfontbranding vatbare organische vaste stoffen en corrosieve mengsels van voor zelfontbranding vatbare organische vaste stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

b) 3126 organische voor zelfverhitting vatbare vaste stof, corrosief, n.e.g.

c) 3126 organische voor zelfverhitting vatbare vaste stof, corrosief, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2800 (1) voor de corrosiviteitscriteria.

10° Corrosieve voor zelfontbranding vatbare organische vloeistoffen en corrosieve oplossingen van voor zelfontbranding vatbare organische stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

b) 3185 organische voor zelfverhitting vatbare vloeistof, corrosief, n.e.g.

c) 3185 organische voor zelfverhitting vatbare vloeistof, corrosief, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2800 (1) voor de corrosiviteitscriteria.

B. Voor zelfontbranding vatbare anorganische stoffen

11° Fosfor:

a) 1381 fosfor, wit of geel, droog, of 1381 fosfor, wit of geel, onder water, of 1381 fosfor, wit of geel, in oplossing.

Opmerking: 2447 fosfor, wit of geel, gesmolten, is een stof van 22°.

12° Metalen en metaallegeringen onder de vorm van poeder, stof of korrels, of onder een andere vorm die voor zelfontbranding vatbaar is:

a) 1854 bariumlegeringen, pyrofoor, 1855 calcium, pyrofoor, of 1855 calciumlegeringen, pyrofoor, 2008 zirconiumpoeder, droog, 2545 hafniumpoeder, droog, 2546 titaanpoeder, droog, 2881 metaalkatalysator, droog, 1383 pyrofoor metaal, n.e.g., of 1383 pyrofore legering, n.e.g.;

b) 1378 metaalkatalysator, bevochtigd, met een zichtbare overmaat vloeistof, 2008 zirconiumpoeder, droog, 2545 hafniumpoeder, droog, 2546 titaanpoeder, droog, 2881 metaalkatalysator, droog, 3189 voor zelfverhitting vatbaar metaalpoeder, n.e.g.;

Opmerking bij a) en b): De identificatienummers 1378 en 2881 omvatten uitsluitend metaalkatalysatoren op basis van nikkel, cobalt, koper, mangaan of hun verbindingen.

c) 1932 zirconiumafval, 2008 zirconiumpoeder, droog, 2009 zirconium, droog, onder de vorm van platen, repen of draad (dunner dan 18 ìm), 2545 hafniumpoeder, droog, 2546 titaanpoeder, droog, 2793 ferrometalen, spaanders, krullen, draaisels of schaafsel in een voor zelfverhitting vatbare vorm, 2881 metaalkatalysator, droog, 3189 voor zelfverhitting vatbaar metaalpoeder, n.e.g.

Opmerkingen: 1. 2858 Afgewerkte produkten van zirconium met een dikte van ten minste 18 ìm zijn stoffen van klasse 4.1 [zie randnummer 2401, 13°c)].

2. 1326 Hafniumpoeder, 1352 titaanpoeder of 1358 zirconiumpoeder, bevochtigd met ten minste 25 % water, zijn stoffen van klasse 4.1 (zie randnummer 2401, 13°).

3. Stof en poeder van niet-giftige metalen in een niet voor zelfontbranding vatbare vorm, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 (zie randnummer 2471, 13°).

13° Sulfiden, waterstofsulfiden en dithionieten in voor zelfontbranding vatbare vorm:

b) 1382 kaliumsulfide, watervrij, of 1382 kaliumsulfide met minder dan 30 % kristalwater, 1384 natriumdithioniet (natriumhydrosulfiet), 1385 natriumsulfide, watervrij, of 1385 natriumsulfide met minder dan 30 % kristalwater, 1923 calciumdithioniet (calciumhydrosulfiet), 1929 kaliumdithioniet (kaliumhydrosulfiet), 2318 natriumwaterstofsulfide met minder dan 25 % kristalwater.

Opmerking: 1847 Kaliumsulfide, gehydrateerd met ten minste 30 % kristalwater, 1849 natriumsulfide, gehydrateerd met ten minste 30 % kristalwater en 2949 natriumwaterstofsulfide, gehydrateerd met ten minste 25 % kristalwater zijn stoffen van klasse 8 [zie randnummer 2801, 45°b) 1.].

c) 3174 titaandisulfide.

14° Metaalzouten en alcoholaten, niet-giftig en niet-corrosief, in voor zelfontbranding vatbare toestand:

b) 3205 alcoholaten van aardalkalimetalen, n.e.g.;

c) 3205 alcoholaten van aardalkalimetalen, n.e.g.

15° Metaalzouten en alcoholaten, corrosief, in voor zelfontbranding vatbare toestand:

a) 2441 titaantrichloride, pyrofoor, of 2441 titaantrichloridemengsels, pyrofoor;

Opmerking: 2869 titaantrichloride, mengsel, niet pyrofoor, is een stof van klasse 8 [zie randnummer 2801, 11°b) of c)].

b) 1431 natriummethylaat, 3206 alcoholaten van alkalimetalen, n.e.g.;

c) 3206 alcoholaten van alkalimetalen, n.e.g.

16° Niet-giftige en niet-corrosieve voor zelfontbranding vatbare anorganische vaste stoffen en niet-giftige en niet-corrosieve mengsels van voor zelfontbranding vatbare anorganische vaste stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 3200 anorganische pyrofore vaste stof, n.e.g.;

b) 2004 magnesiumdiamide, 3190 anorganische voor zelfverhitting vatbare vaste stof, n.e.g.;

c) 1376 ijzeroxide, residu of 1376 ijzerspons, residu, afkomstig van de lichtgaszuivering, 2210 maneb (mangaan-ethyleen-1,2-bis-dithiocarbamaat) of 2210 maneb-preparaten met ten minste 60 massa-% maneb, 3190 anorganische, voor zelfverhitting vatbare vaste stof, n.e.g.

Opmerking: 2968 maneb of 2968 maneb-preparaten, die tegen zelfverhitting gestabiliseerd zijn en die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 [zie randnummer 2471, 20°c)].

17° Niet-giftige en niet-corrosieve voor zelfontbranding vatbare anorganische vloeistoffen en niet-giftige en niet-corrosieve oplossingen van voor zelfontbranding vatbare anorganische stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 2870 aluminiumboorhydride of 2870 aluminiumboorhydride in apparaten, 3194 anorganische pyrofore vloeistof, n.e.g.;

Opmerkingen: 1. Op deze stoffen zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing (zie randnummer 2433).

2. De andere metaalhydriden in brandbare vorm zijn stoffen van klasse 4.1 (zie randnummer 2401, 14°).

3. Metaalhydriden, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 (zie randnummer 2471, 16°).

b) 3186 anorganische voor zelfverhitting vatbare vloeistof, n.e.g.;

c) 3186 anorganische voor zelfverhitting vatbare vloeistof, n.e.g.

18° Giftige voor zelfontbranding vatbare anorganische vaste stoffen en giftige mengsels van voor zelfontbranding vatbare anorganische vaste stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

b) 3191 anorganische voor zelfverhitting vatbare vaste stof, giftig, n.e.g.;

c) 3191 anorganische voor zelfverhitting vatbare vaste stof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2600 (1) voor de giftigheidscriteria.

19° Giftige voor zelfontbranding vatbare anorganische vloeistoffen en giftige oplossingen van voor zelfontbranding vatbare anorganische stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 1380 pentaboraan;

Opmerking: Op deze stof zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing (zie randnummer 2433).

b) 3187 anorganische voor zelfverhitting vatbare vloeistof, giftig, n.e.g.;

c) 3187 anorganische voor zelfverhitting vatbare vloeistof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2600 (1) voor de giftigheidscriteria.

20° Corrosieve voor zelfontbranding vatbare anorganische vaste stoffen en corrosieve mengsels van voor zelfontbranding vatbare anorganische vaste stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

b) 3192 anorganische voor zelfverhitting vatbare vaste stof, corrosief, n.e.g.;

c) 3192 anorganische voor zelfverhitting vatbare vaste stof, corrosief, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2800 (1) voor de corrosiviteitscriteria.

21° Corrosieve voor zelfontbranding vatbare anorganische vloeistoffen en corrosieve oplossingen van voor zelfontbranding vatbare anorganische stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

b) 3188 anorganische voor zelfverhitting vatbare vloeistof, corrosief, n.e.g.;

c) 3188 anorganische voor zelfverhitting vatbare vloeistof, corrosief, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2800 (1) voor de corrosiviteitscriteria.

22° 2447 fosfor, wit of geel, gesmolten.

C. Voor zelfontbranding vatbare organometallische verbindingen

Opmerkingen: 1. De organometallische verbindingen en hun oplossingen, die niet voor zelfontbranding vatbaar zijn maar die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 (zie randnummer 2471, 3°).

2. Brandbare oplossingen met organometallische verbindingen, die niet voor zelfontbranding vatbaar zijn en die in contact met water geen brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 3.

3. Op de stoffen van 31° tot 33° zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing (zie randnummer 2433).

31° De voor zelfontbranding vatbare metaalalkylen en metaalarylen:

a) 1366 diëthylzink, 1370 dimethylzink, 2005 difenylmagnesium, 2445 lithiumalkylen, 3051 aluminiumalkylen, 3053 magnesiumalkylen, 2003 metaalalkylen, n.e.g., of 2003 metaalarylen, n.e.g.

32° De andere voor zelfontbranding vatbare organometallische verbindingen:

a) 3052 aluminiumalkylhalogeniden, 3076 aluminiumalkylhydriden, 3049 metaalalkylhalogeniden, n.e.g., of 3049 metaalarylhalogeniden, n.e.g., 3050 metaalalkylhydriden, n.e.g., of 3050 metaalarylhydriden, n.e.g.

33° De voor zelfontbranding vatbare organometallische verbindingen:

a) 3203 pyrofore organometallische verbinding, n.e.g.

D. Lege verpakkingen

41° Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), lege tankvoertuigen, lege afneembare tanks en lege laadketels, evenals de ongereinigde lege voertuigen voor losgestort vervoer en lege kleine laadkisten voor losgestort vervoer, die stoffen van klasse 4.2 hebben bevat.

Opmerking: De ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), lege tankvoertuigen, lege afneembare tanks, lege laadketels en lege kleine laadkisten die stoffen van 4°c) (identificatienummer 2002), van 12°c) (identificatienummers 1932, 2009 en 2793) en van 16°c) (identificatienummer 1376) hebben bevat, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. Voorschriften

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

2432 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.5, behalve voor die stoffen waarvoor er in randnummer 2433 individuele verpakkingsvoorschriften voorzien zijn. De grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.6.

(2) De (binnen)verpakkingen moeten hermetisch gesloten zijn, behalve deze die in randnummer 2436 (2) a), b) en (3) en in randnummer 2437 (3) a), b), (4) en (5) vernoemd worden.

(3) Volgens de bepalingen van randnummers 2430 (3), 3511 (2) en 3611 (2) moeten de volgende verpakkingen gebruikt worden:

- verpakkingen van de verpakkingsgroep I, gemerkt met de letter "X", voor de voor zelfontbranding vatbare (pyrofore) stoffen ingedeeld bij de letter a) van elk cijfer;

- verpakkingen van de verpakkingsgroepen II of I, resp. gemerkt met de letter "Y" of "X", of grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) van de verpakkingsgroep II, gemerkt met de letter "Y", voor de voor zelfverhitting vatbare stoffen ingedeeld bij de letter b) van elk cijfer;

- verpakkingen van de verpakkingsgroepen III, II of I, resp. gemerkt met de letter "Z", "Y" of "X", of grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) van verpakkingsgroep III of II, resp. gemerkt met de letter "Z" of "Y", voor de in mindere mate voor zelfverhitting vatbare stoffen ingedeeld bij de letter c) van elk cijfer.

Opmerking: Zie aanhangsel B voor het vervoer van stoffen van klasse 4.2 in tankvoertuigen, afneembare tanks en laadketels en voor het losgestort vervoer.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

2433 (1) De pyrofore vloeistoffen van 6°a), 17°a) met uitzondering van aluminiumboorhydride in apparaten, 19°a) en 31° tot 33° moeten verpakt zijn in hermetisch gesloten metalen recipiënten, die niet door de inhoud kunnen aangetast worden en die een inhoud hebben van ten hoogste 450 liter. De recipiënten dienen vóór hun in dienstname - en daarna uiterlijk om de vijf jaar - onderworpen te worden aan een drukproef bij een manometerdruk van ten minste 1 MPa (10 bar). De recipiënten mogen tot ten hoogste 90 % van hun inhoud worden gevuld; bij een gemiddelde vloeistoftemperatuur van 50 °C moet er echter steeds nog een lege veiligheidsruimte van ten minste 5 % overblijven. Tijdens het vervoer moet boven de vloeistof een atmosfeer van inert gas aangebracht zijn met een druk van ten minste 50 kPa (0,5 bar). De recipiënten moeten een kenplaatje bezitten waarop de volgende vermeldingen op een duurzame wijze zijn aangebracht:

- de aanduiding van de stof of de stoffen () die mogen vervoerd worden,

- de tarra () van het recipiënt met inbegrip van zijn toebehoren,

- de beproevingsdruk () (manometerdruk),

- de datum (maand, jaar) van de laatste beproeving,

- het waarmerk van de deskundige die de beproevingen heeft uitgevoerd,

- de inhoud () van het recipiënt,

- de hoogst toegelaten vulmassa ().

(2) De in paragraaf (1) bedoelde stoffen mogen bovendien verpakt worden in samengestelde verpakkingen die beantwoorden aan randnummer 3538, met een binnenverpakking uit glas en een buitenverpakking uit staal of aluminium die beantwoordt aan randnummer 3532. De recipiënten mogen tot ten hoogste 90 % van hun inhoud gevuld worden. Een collo mag slechts één enkele binnenverpakking bevatten. Deze samengestelde verpakkingen moeten overeenstemmen met een constructietype dat volgens aanhangsel A.5 getest en goedgekeurd is voor verpakkingsgroep I.

2434 Fosfor van 22° mag slechts in tankvoertuigen en afneembare tanks (zie aanhangsel B.1a) of in laadketels (zie aanhangsel B.1b) vervoerd worden.

2435 (1) De stoffen die bij de letter a) van 5°, 12°, 15° en 16° ingedeeld zijn, moeten als volgt verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten uit kunststof met niet-afneembaar deksel en met een maximale inhoud van 60 liter of in jerrycans uit kunststof met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof), die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen met binnenverpakkingen uit glas, kunststof of metaal, die beantwoorden aan randnummer 3538.

(2) Stoffen, die luidens de definitie van randnummer 2430(10) vast zijn, mogen ook verpakt worden in vaten met afneembaar deksel, vervaardigd uit staal (beantwoordend aan randnummer 3520), uit aluminium (beantwoordend aan randnummer 3521) of uit kunststof (beantwoordend aan randnummer 3526), of in jerrycans met afneembaar deksel, vervaardigd uit staal (beantwoordend aan randnummer 3522) of uit kunststof (beantwoordend aan randnummer 3526).

(3) Witte of gele fosfor van 11°a) moet als volgt verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in stalen jerrycans met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3522;

c) hetzij in samengestelde verpakkingen met binnenverpakkingen uit metaal, die beantwoorden aan randnummer 3538.

(4) Aluminiumboorhydride in apparaten van 17°a) moet als volgt verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten met afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten met afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in vaten uit kuntstof met afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3526;

d) hetzij in kisten uit staal of aluminium, die beantwoorden aan randnummer 3532.

2436 (1) De stoffen die bij de letter b) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn moeten als volgt verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans, die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten en jerrycans uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof), die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3538;

g) hetzij in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk), die beantwoorden aan randnummer 3539;

h) hetzij in metalen grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), die beantwoorden aan randnummer 3622;

i) hetzij in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) uit stijve kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3624;

j) hetzij in gecombineerde grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) met een binnenrecipiënt uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3625, met uitzondering van de types 11HZ2 en 31HZ2.

(2) Stoffen, die luidens de definitie van randnummer 2430 (10) vast zijn, mogen ook als volgt verpakt worden:

a) hetzij in vaten uit multiplex (beantwoordend aan randnummer 3523) of uit karton (beantwoordend aan randnummer 3525); deze vaten worden, indien nodig, voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken;

b) hetzij in zakken uit kunststoffolie die beantwoorden aan randnummer 3535; dit op voorwaarde dat de zakken op paletten gestapeld zijn of als wagenlading vervoerd worden.

(3) Vismeel van 2°b) mag bovendien verpakt worden in soepele grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), die beantwoorden aan randnummer 3623, met uitzondering van de types 13H1, 13L1 en 13M1; dit op voorwaarde dat de soepele grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) op paletten gestapeld zijn of als wagenlading vervoerd worden.

2437 (1) De stoffen die bij de letter c) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn moeten als volgt verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans, die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten en jerrycans uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof), die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3538;

g) hetzij in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk), die beantwoorden aan randnummer 3539;

h) hetzij in lichte metalen verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3540.

Opmerking: De metalen verpakkingen voor de stoffen van 4° moeten zodanig gebouwd en gesloten zijn dat ze bezwijken wanneer de inwendige druk een waarde bereikt van ten hoogste 300 kPa (3 bar).

(2) Met uitzondering van de stoffen van 4°, mogen de in paragraaf (1) bedoelde stoffen bovendien als volgt verpakt worden:

a) hetzij in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) uit metaal, die beantwoorden aan randnummer 3622;

b) hetzij in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) uit stijve kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3624;

c) hetzij in gecombineerde grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) met een binnenrecipiënt uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3625, met uitzondering van de types 11HZ2 en 31HZ2.

(3) Stoffen, die luidens de definitie van randnummer 2430 (10) vast zijn, mogen ook als volgt verpakt worden:

a) hetzij in vaten uit multiplex (beantwoordend aan randnummer 3523) of uit karton (beantwoordend aan randnummer 3525); beide zo nodig met één of meerdere stofdichte binnenzakken;

b) hetzij in zakken uit kunststoffolie die beantwoorden aan randnummer 3535.

(4) Met uitzondering van de stoffen van 4°, mogen de stoffen die luidens de definitie van randnummer 2430 (10) vast zijn, ook verpakt worden in soepele grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), die beantwoorden aan randnummer 363, met uitzondering van de types 13H1, 13L1 en 13M1.

(5) De stoffen van 2°c) en 3°c) mogen bovendien vervoerd worden in niet-gekeurde verpakkingen, die slechts moeten voldoen aan de voorschriften van randnummer 3500 (1), (2) en (5) tot (7). Katoenafval met een oliegehalte dat lager is dan 5 massa-% en katoen van 3)c) mogen ook vervoerd worden in stevig dichtgesnoerde balen.

2438 (1) De openingen van recipiënten voor het vervoer van vloeistoffen met een viscositeit van minder dan 200 mm2/s bij 23 °C, met uitzondering van de glazen ampullen en de drukflessen, moeten dicht afgesloten worden met behulp van twee in serie geplaatste inrichtingen; één hiervan moet geschroefd zijn of op gelijkwaardige wijze bevestigd.

Opmerking: Zie evenwel randnummer 3621 (8) voor de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's).

(2) De stalen vaten, die beantwoorden aan randnummer 3520 en bevochtigde metaalkatalysator van 12°b) bevatten, moeten voorzien zijn van een ontgassingsinrichting die beantwoordt aan randnummer 3500 (8).

2439-

2440

3. Gezamenlijke verpakking

2441 (1) Stoffen die ingedeeld zijn bij hetzelfde cijfer mogen in eenzelfde samengestelde verpakking (beantwoordend aan randnummer 3538) bijeengebracht worden.

(2) De stoffen van 6°a), 11°, 17°a), 19°a) en 31° tot 33° mogen niet gezamenlijk verpakt worden met stoffen en voorwerpen van andere cijfers van klasse 4.2, met stoffen en voorwerpen van de andere klassen en met goederen die niet onderworpen zijn aan de voorschriften van deze Richtlijn.

(3) Met uitzondering van de stoffen die in alinea (2) vernoemd worden, mogen de stoffen van klasse 4.2 - wanneer hun hoeveelheid per recipiënt ten hoogste 3 liter bedraagt voor vloeistoffen en/of 6 kg voor vaste stoffen - met stoffen of voorwerpen van de andere klassen en/of met goederen die niet onderworpen zijn aan deze Richtlijn bijeengebracht worden in eenzelfde samengestelde verpakking, die beantwoordt aan randnummer 3538; de gezamenlijke verpakking moet evenwel ook toegelaten zijn voor de stoffen en voorwerpen van die andere klassen en de bijeengebrachte stoffen mogen onderling niet gevaarlijk reageren.

Voor de stoffen van onderhavige klasse die bij de groep a) zijn ingedeeld, mag de netto massa per collo niet meer bedragen dan 3 kg/3 liter

(4) Worden als gevaarlijke reacties beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanzienlijke warmteontwikkeling;

b) de uitwaseming van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van corrosieve vloeistoffen;

d) de vorming van onstabiele stoffen.

(5) De voorschriften van de randnummers 2001 (7), 2002 (6) en (7) en 2432 moeten nageleefd worden.

(6) Een collo mag niet meer wegen dan 100 kg indien houten of kartonnen kisten gebruikt worden.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie aanhangsel A.9)

Opschriften

2442 (1) Elk collo moet duidelijk en blijvend voorzien zijn van de letters "UN", gevolgd door het identificatienummer van het goed dat in het vervoerdocument dient aangegeven te worden.

Gevaarsetiketten

(2) Colli, die stoffen bevatten van klasse 4.2, moeten voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 4.2.

(3) Colli, die maneb of manebpreparaten van 16°c) of stoffen van 17°a) en 31° tot 33° bevatten, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 4.3.

(4) Colli, die stoffen bevatten van 7°, 8°, 11°, 18° en 19°, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 6.1.

(5) Colli, die stoffen bevatten van 9°, 10°, 15°, 20° en 21°, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 8.

(6) Colli die breekbare recipiënten bevatten dewelke van buitenaf niet zichtbaar zijn moeten op twee tegenoverstaande zijvlakken voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 12.

(7) Colli die vloeistoffen bevatten in recipiënten waarvan de sluitingen van buitenuit niet zichtbaar zijn, colli die recipiënten bevatten voorzien van ontgassingsinrichtingen, recipiënten voorzien van ontgassingsinrichtingen zonder buitenverpakking en colli die fosfor onder water van 11°a) bevatten, moeten op twee tegenoverstaande zijvlakken voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 11.

2443

B. Vermeldingen in het vervoerdocument

2444 De omschrijving van de stof in het vervoerdocument moet overeenstemmen met een van de cursief gedrukte identificatienummers en bijbehorende benaming van randnummer 2431.

Wanneer de stof daar niet met name vermeld staat, maar behoort tot een n.e.g. rubriek, moet de omschrijving van de stof bestaan uit het identificatienummer en de benaming van de n.e.g. rubriek, gevolgd door zijn scheikundige of technische benaming ().

De omschrijving van de stof moet door de opgave van zijn klasse, zijn volgnummer in de opsomming - in voorkomend geval aangevuld met de letter - en de afkorting "ADR" (of "RID") gevolgd worden (bijvoorbeeld 4.2, 13°b), ADR).

Bij het vervoer van afvalstoffen [zie randnummer 2000(5)] wordt de stof als volgt omschreven: "Afvalstof, bevat ", waarbij de component(en) waarop de classificatie van de afvalstof volgens randnummer 2002 (8) gebaseerd is, met hun scheikundige benaming(en) moeten opgegeven worden (bijvoorbeeld "Afvalstof, bevat 1381 fosfor, wit, onder water, 4.2,11°a), ADR".

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen) die meerdere componenten bevatten die aan deze Richtlijn onderworpen zijn, zal het in het algemeen niet nodig zijn om meer dan twee componenten te vermelden die bepalend zijn voor de gevaarlijke eigenschap(pen) van de oplossingen en mengsels.

Bij oplossingen en mengsels die slechts één enkele component bevatten die aan de voorschriften van het ADR onderworpen is, moeten de woorden "in oplossing" of "mengsel met" opgenomen worden in de benaming in het vervoerdocument [zie randnummer 2002(8)a)].

Wanneer een vaste stof in gesmolten toestand voor vervoer wordt aangeboden, moet de omschrijving van het goed vervolledigd worden met de vermelding "gesmolten" indien deze vermelding niet in de benaming zelf voorkomt.

Wanneer een met name genoemde stof niet onderworpen is aan de voorschriften voor onderhavige klasse op basis van randnummer 2430 (9), mag de verzender de vermelding "produkt niet onderworpen aan klasse 4.2" in het vervoerdocument plaatsen.

2445-

2451

C. Lege verpakkingen

2452 (1) De niet-gereinigde lege verpakkingen [met inbegrip van de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's)] van 41° moeten op dezelfde manier gesloten worden en dezelfde dichtheidsgaranties bieden als toen ze gevuld waren.

(2) de niet-gereinigde lege verpakkingen [met inbegrip van de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's)] van 41° moeten van dezelfde gevaarsetiketten voorzien zijn als toen ze gevuld waren.

(3) de omschrijving in het vervoerdokument moet overeenstemmen met een van de in 41° cursief gedrukte benamingen, aangevuld met 4.2, 41°, ADR (bijvoorbeeld "Lege verpakkingen, 4.2, 41°, ADR"). Voor niet-gereinigde lege tankwagens, lege afneembare tanks, lege laadketels en lege kleine laadkisten moet deze omschrijving aangevuld worden met "Laatst geladen stof", gevolgd door de benaming en het cijfer van de laatst geladen stof [bijvoorbeeld "Laatst geladen stof: 1381 fosfor, wit, droog 11°a)"].

2453-

2469

KLASSE 4.3 STOFFEN DIE IN CONTACT MET WATER BRANDBARE GASSEN ONTWIKKELEN

1. Opsomming van de stoffen

2470 (1) Van de stoffen en voorwerpen, die door de titel van klasse 4.3 beoogd worden, zijn diegene welke in randnummer 2471 opgesomd zijn en diegene welke vallen onder een collectieve rubriek van dat randnummer onderworpen aan de voorwaarden vastgesteld in de randnummers 2470 (2) tot 2492, aan de voorschriften van deze bijlage en aan de bepalingen van bijlage B, en dus stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn.

Opmerking: Voor de stoffen van randnummer 2471 worden de hoeveelheden, die niet onderworpen zijn aan de voorschriften van klasse 4.3 van zowel deze bijlage als van bijlage B gegeven in randnummer 2471a.

(2) De titel van klasse 4.3 slaat op de stoffen die, als gevolg van een reactie met water, brandbare gassen ontwikkelen die met lucht ontplofbare mengsels kunnen vormen.

Opmerking: De uitdrukking "met water reagerend", die in de n.e.g.-rubrieken van randnummer 2471 gebruikt wordt, geeft een stof aan die in contact met water brandbare gassen ontwikkelt.

(3) De stoffen van klasse 4.3 zijn als volgt onderverdeeld:

A. Organische stoffen, organometallische verbindingen en stoffen in organische oplosmiddelen, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen.

B. Anorganische stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen.

C. Lege verpakkingen.

Afhankelijk van hun gevaarsgraad worden de stoffen van klasse 4.3, die ingedeeld zijn bij de verschillende cijfers van randnummer 2471 ondergebracht bij één van de volgende met de letters a), b) en c) aangeduide groepen:

a) zeer gevaarlijke stoffen;

b) gevaarlijke stoffen;

c) stoffen die in mindere mate gevaarlijk zijn.

(4) De indeling van niet met name genoemde stoffen bij de cijfers 1°, 3°, 11°, 13°, 14°, 16° en 20° tot 25° van randnummer 2471 en bij de groepen binnen deze cijfers, geschiedt op basis van de resultaten van de beproevingsmethode volgens randnummers 3340 en 3341 van aanhangsel A.3; met ervaring moet ook rekening worden gehouden, indien deze tot een strengere indeling leidt.

(5) Wanneer de niet met name genoemde stoffen op basis van de beproevingsmethode volgens randnummers 3340 en 3341 van aanhangsel A.3 ingedeeld worden, zijn de volgende criteria van toepassing:

Een stof moet bij de klasse 4.3 ingedeeld worden indien:

a) het ontwikkeld gas spontaan ontbrandt tijdens een willekeurige fase van de beproeving, of

b) een debiet van het brandbaar gas dat per uur wordt opgetekend ten minste 1 liter per kilogram produkt bedraagt.

(6) Wanneer de niet met name genoemde stoffen op basis van de beproevingsmethode volgens randnummers 3340 en 3341 van aanhangsel A.3 bij de groepen van de cijfers van randnummer 2471 ingedeeld worden, zijn de volgende criteria van toepassing:

a) worden ingedeeld bij groep a): alle stoffen die bij kamertemperatuur hevig met water reageren en daarbij gewoonlijk een gas ontwikkelen dat spontaan kan ontbranden, en deze die bij kamertemperatuur gemakkelijk met water reageren, en dit in een dergelijke mate dat het debiet van het ontwikkeld brandbaar gas ten minste 10 liter per kilogram produkt bedraagt gedurende een willekeurige minuut van de beproeving.

b) worden ingedeeld bij groep b): alle stoffen die bij kamertemperatuur gemakkelijk met water reageren en daarbij een brandbaar gas ontwikkelen dat een maximaal debiet heeft van ten minste 20 liter per uur en per kilogram produkt, en die niet voldoen aan de criteria voor groep a).

c) worden ingedeeld bij groep c): alle stoffen die bij kamertemperatuur langzaam met water reageren en daarbij een brandbaar gas ontwikkelen dat een maximaal debiet heeft van ten minste 1 liter per uur en per kilogram produkt, en die niet voldoen aan de criteria voor groep a) of b).

(7) Wanneer de stoffen van klasse 4.3 door het toevoegen van andere stoffen naar andere gevaarsgraden overgaan dan diegene waartoe de stoffen van randnummer 2471 behoren, dienen deze mengsels ingedeeld te worden bij de cijfers of de letters waartoe ze op basis van hun werkelijke gevaarsgraad behoren.

Opmerking: Zie ook randnummer 2002 (8) voor de classificatie van oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen).

(8) Indien stoffen en voorwerpen bij meerdere letters van éénzelfde cijfer van randnummer 2471 met name genoemd zijn, kan de passende letter bepaald worden op basis van de resultaten van de beproevingsmethode volgens randnummer 3340 en 3341 van aanhangsel A.3 en van de criteria van alinea (6).

(9) Op basis van de beproevingsmethode volgens randnummers 3340 en 3341 van aanhangsel A.3 en van de criteria van alinea (6) kan ook bepaald worden of de aard van een met name genoemde stof dusdanig is dat deze stof niet onderworpen is aan de voorschriften van onderhavige klasse (zie randnummer 2484).

(10) Voor de verpakkingsvoorschriften van randnummers 2474 (2), 2475 (3) en 2476 (2) worden de stoffen of mengsels van stoffen met een smeltpunt boven 45 °C als vaste stoffen beschouwd.

(11) Met water reagerende brandbare vaste stoffen (ingedeeld bij identificatienummer 3132 van de Aanbevelingen van de VN), met water reagerende vaste stoffen die de verbranding bevorderen (ingedeeld bij identificatienummer 3133 van de Aanbevelingen van de VN) en met water reagerende voor zelfverhitting vatbare vaste stoffen (ingedeeld bij identificatienummer 3135 van de Aanbevelingen van de VN) mogen niet vervoerd worden [zie evenwel voetnoot (¹) bij de tabel van paragraaf 2.3.1 in randnummer 2002 (8)].

A. Organische stoffen, organometallische verbindingen en stoffen

in organische oplosmiddelen, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen

2471 1° Chloorsilanen:

a) 1183 ethyldichloorsilaan, 1242 methyldichloorsilaan, 1295 trichloorsilaan (silicochloroform), 2988 chloorsilanen, met water reagerend, brandbaar, corrosief, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Op deze stoffen zijn individuele verpakkingsvoor schriften van toepassing [zie randnummer 2473 (1)].

2. Chloorsilanen met een vlampunt lager dan 21 °C, die in contact met water geen brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 3 [zie randnummer 2301, 21°a)].

3. Chloorsilanen met een vlampunt van ten minste 21 °C, die in contact met water geen brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 8 (zie randnummer 2801, 37°).

2° Het volgend complex van boortrifluoride:

a) 2965 boortrifluoridedimethyletheraat.

3° Organometallische verbindingen en hun oplossingen:

a) 1928 methylmagnesiumbromide in ethylether, 3207 organische metaalverbinding, met water reagerend, brandbaar, n.e.g., of 3207 organische metaalverbinding, oplossing, met water reagerend, brandbaar, n.e.g., of 3207 organische metaalverbinding, dispersie, met water reagerend, brandbaar, n.e.g.

Opmerking: Op deze stoffen zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing [zie randnummer 2473 (2)].

b) 3207 organische metaalverbinding, met water reagerend, brandbaar, n.e.g., of 3207 organische metaalverbinding, oplossing, met water reagerend, brandbaar, n.e.g., of 3207 organische metaalverbinding, dispersie, met water reagerend, brandbaar, n.e.g.;

c) 3207 organische metaalverbinding, met water reagerend, brandbaar, n.e.g., of 3207 organische metaalverbinding, oplossing, met water reagerend, brandbaar, n.e.g., of 3207 organische metaalverbinding, dispersie, met water reagerend, brandbaar, n.e.g.

Opmerkingen: 1. De organometallische verbindingen en hun oplossingen die voor zelfontbranding vatbaar zijn, zijn stoffen van klasse 4.2 (zie randnummer 2431, 31° tot 33°).

2. Brandbare oplossingen met organometallische verbindingen in een dusdanige concentratie dat ze in contact met water geen gevaarlijke hoeveelheid brandbare gassen ontwikkelen en niet voor zelfontbranding vatbaar zijn, zijn stoffen van klasse 3.

B. Anorganische stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen

Opmerkingen: 1. het begrip "alkalimetalen" omvat deelementen lithium, natrium, kalium, rubidium en cesium.

2. Het begrip "aardalkalimetalen" omvat de elementen magnesium, calcium, strontium en barium.

11° Alkalimetalen, aardalkalimetalen en hun legeringen en metallische verbindingen:

a) 1389 amalgaam van alkalimetalen, 1391 dispersie van alkalimetalen of 1391 dispersie van aardalkalimetalen, 1392 amalgaam van aardalkalimetalen, 1407 cesium, 1415 lithium, 1420 metallische legeringen van kalium, 1422 legeringen van kalium en natrium, 1423 rubidium, 1428 natrium, 2257 kalium, 1421 legering van alkalimetalen, vloeibaar, n.e.g.;

b) 1400 barium, 1401 calcium, 1393 legering van aardalkalimetalen, n.e.g.;

c) 2950 magnesiumkorrels, omhuld, met een korrelgrootte van ten minste 149 ìm.

Opmerkingen: 1. Aardalkalimetalen en legeringen van aardalkalimetalen inpyrofore vorm zijn stoffen van klasse 4.2 (zie randnummer 2431, 12°).

2. 1869 magnesium of 1869 magnesiumlegeringen met meer dan 50 % magnesium, in de vorm van korrels, repen of draaisels, zijn stoffen van klasse 4.1 [zie randnummer 2401, 13°c)].

3. 1418 magnesiumpoeder en 1418 poeder van magnesiumlegeringen zijn stoffen van 14°.

12° Siliciumlegeringen en metaalsiliciden:

b) 1405 calciumsilicide, 1417 lithiumsilicium, 2624 magnesiumsilicide, 2830 lithiumferrosilicium;

c) 1405 calciumsilicide, 2844 calciummangaansilicide.

Opmerking: Zie ook randnummer 2471a voor de stoffen die bij c) ingedeeld zijn.

13° Andere niet giftige metalen en niet giftige legeringen en mengsels van metalen, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen:

a) 3208 metallische stof, met water reagerend, n.e.g.;

b) 1396 aluminiumpoeder, niet omhuld, 3078 cerium, spanen of schuurpoeder, 3170 bijprodukten van de aluminiumbewerking, 3208 metallische stof, met water reagerend, n.e.g.;

c) 1398 aluminiumsiliciumpoeder, niet omhuld, 1435 zinkas, 3170 bijprodukten van de aluminiumbewerking, 3208 metallische stof, met water reagerend, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Metaalstof en metaalpoeder in pyrofore toestand zijn stoffen van klasse 4.2 (zie randnummer 2431, 12°).

2. Omhuld aluminiumsiliciumpoeder is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

3. 1333 cerium in platen, staven of baren is een stof van klasse 4.1 [zie randnummer 2401, 13°b)].

14° Metalen en metaallegeringen in poedervorm of in een andere vorm, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen en die ook voor zelfverhitting vatbaar zijn:

a) 1436 zinkpoeder of 1436 zinkstof, 3209 metallische stof, met water reagerend en voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g.;

b) 1418 magnesiumpoeder of 1418 poeder van magnesiumlegeringen, 1436 zinkpoeder of 1436 zinkstof, 3209 metallische stof, met water reagerend en voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g.;

c) 1436 zinkpoeder of 1436 zinkstof, 3209 metallische stof, met water reagerend en voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Metalen en metaallegeringen in pyrofore toestand zijn stoffen van klasse 4.2 (zie randnummer 2431, 12°).

2. Metalen en metaallegeringen, die geen brandbare gassen ontwikkelen in contact met water en niet pyrofoor of voor zelfverhitting vatbaar zijn maar wel gemakkelijk ontvlambaar, zijn stoffen van klasse 4.1 (zie randnummer 2401, 13°).

15° Giftige metalen en metaallegeringen:

b) 1395 aluminiumferosiliciumpoeder;

c) 1408 ferrosilicium met ten minste 30 massa-%, en minder dan 90 massa-% silicium.

Opmerking: Ferrosilicium met minder dan 30 massa- % of ten minste 90 massa-% silicium is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

16° Metaalhydriden:

a) 1404 calciumhydride, 1410 lithiumaluminiumhydride, 1411 lithiumaluminiumhydride in ether, 1413 lithiumboorhydride, 1414 lithiumhydride, 1426 natriumboorhydride, 1427 natriumhydride, 1870 kaliumboorhydride, 2010 magnesiumhydride, 2463 aluminiumhydride, 1409 metaalhydriden, met water reagerend, n.e.g.;

b) 2805 lithiumhydride, vast, gegoten stukken, 2835 natriumaluminiumhydride, 1409 metaalhydriden, met water reagerend, n.e.g.

Opmerkingen: 1. 1871 titaanhydride en 1437 zirkoniumhydride zijn stoffen van klasse 4.1 (zie randnummer 2401, 14°).

2. 2870 aluminiumboorhydride is een stof van klasse 4.2 [zie randnummer 2431, 17°a)].

17° Metaalcarbiden en metaalnitriden:

a) 2806 lithiumnitride;

b) 1394 aluminiumcarbide, 1402 calciumcarbide.

18° Giftige metaalfosfiden:

a) 1360 calciumfosfide, 1397 aluminiumfosfide, 1419 magnesiumaluminiumfosfide, 1432 natriumfosfide, 1433 tinfosfiden, 1714 zinkfosfide, 2011 magnesiumfosfide, 2012 kaliumfosfide, 2013 strontiumfosfide.

Opmerkingen: 1. Verbindingen van fosfor met zware metalen, zoals ijzer, koper, enz zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. 3048 Aluminiumfosfide, pesticide, met additieven om het vrijkomen van giftige brandbare gassen te vertragen, zijn stoffen van klasse 6.1 (zie randnummer 2601, 43°a)].

19° Metaalamiden en metaalcyaanamiden:

b) 1390 alkalimetaalamiden;

c) 1403 calciumcyaanamide met meer dan 0,1 massa-% calciumcarbide.

Opmerkingen: 1. Calciumcyaanamide met ten hoogste 0,1 massa- % calciumcarbide is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. 2004 magnesiumdiamide is een stof van klasse 4.2 [zie randnummer 2431, 16°b)].

20° Niet giftige en niet corrosieve anorganische vaste stoffen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen), die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen en die niet bij een andere verzamelrubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 2813 vaste stof, met water reagerend, n.e.g.;

b) 1340 fosforpentasulfide (P2S5) (dat geen witte en gele fosfor bevat), 2813 vaste stof, met water reagerend, n.e.g.;

Opmerking: Fosforpentasulfide dat witte en gele fosfor bevat, mag niet vervoerd worden.

c) 2968 maneb (mangaan-ethyleen-1,2-bis-dithiocarbamaat), gestabiliseerd tegen zelfverhitting of 2968 maneb-preparaten, gestabiliseerd tegen zelfverhitting, 2813 vaste stof, met water reagerend, n.e.g.

Opmerking: 2210 Maneb of 2210 maneb-preparaten, in een vorm die voor zelfverhitting vatbaar is, zijn stoffen van klasse 4.2 [zie randnummer 2431, 16°c)]; zie echter ook punt c) van randnummer 2471a.

21° Niet giftige en niet corrosieve anorganische vloeistoffen en oplossingen van anorganische stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen en die niet bij een andere verzamelrubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 3148 vloeistof, met water reagerend, n.e.g.;

Opmerking: Op deze stof zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing [zie randnummer 2473 (2)].

b) 3148 vloeistof, met water reagerend, n.e.g.;

c) 3148 vloeistof, met water reagerend, n.e.g.

22° Giftige anorganische vaste stoffen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen), die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen en die niet bij een andere verzamelrubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 3134 vaste stof, met water reagerend, giftig, n.e.g.;

b) 3134 vaste stof, met water reagerend, giftig, n.e.g.;

c) 3134 vaste stof, met water reagerend, giftig, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2600 (1) voor de giftigheidscriteria.

23° Giftige anorganische vloeistoffen en oplossingen van anorganische stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen en die niet bij een andere verzamelrubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 3130 vloeistof, met water reagerend, giftig, n.e.g.;

Opmerking: Op deze stof zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing [zie randnummer 2473 (2)].

b) 3130 vloeistof, met water reagerend, giftig, n.e.g.;

c) 3130 vloeistof, met water reagerend, giftig, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2600 (1) voor de giftigheidscriteria.

24° Corrosieve anorganische vaste stoffen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen), die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen en die niet bij een andere verzamelrubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 3131 vaste stof, met water reagerend, corrosief, n.e.g.;

b) 3131 vaste stof, met water reagerend, corrosief, n.e.g.;

c) 3131 vaste stof, met water reagerend, corrosief, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2800 (1) voor de corrosiviteitscriteria.

25° Corrosieve anorganische vloeistoffen en oplossingen van anorganische stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen en die niet bij een andere verzamelrubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 3129 vloeistof, met water reagerend, corrosief, n.e.g.;

Opmerking: Op deze stof zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing [zie randnummer 2473 (2)].

b) 3129 vloeistof, met water reagerend, corrosief, n.e.g.;

c) 3129 vloeistof, met water reagerend, corrosief, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2800 (1) voor de corrosiviteitscriteria.

C. Lege verpakkingen

31° Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), lege tankvoertuigen, lege afneembare tanks en lege laadketels, evenals de ongereinigde lege voertuigen voor losgestort vervoer en lege kleine laadkisten voor losgestort vervoer, die stoffen van klasse 4.3 hebben bevat.

2471a Indien ze vervoerd worden overeenkomstig de onderstaande bepalingen, zijn de stoffen van de onderscheiden cijfers niet onderworpen aan de voorschriften die deze bijlage en bijlage B voor onderhavige klasse voorzien:

a) dit randnummer is niet van toepassing op de stoffen die bij a) van elk cijfer ingedeeld zijn;

b) - tot 500 ml per binnenverpakking voor vloeistoffen ingedeeld bij b) van elk cijfer;

- tot 1 kg per binnenverpakking voor aluminiumpoeder van 13°b);

- tot 500 g per binnenverpakking voor de andere vaste stoffen ingedeeld bij b) van elk cijfer;

c) - tot 1 liter per binnenverpakking voor vloeistoffen ingedeeld bij c) van elk cijfer;

- tot 1 kg per binnenverpakking voor vaste stoffen ingedeeld bij c) van elk cijfer.

Die hoeveelheden stoffen moeten worden vervoerd in samengestelde verpakkingen die ten minste beantwoorden aan de voorschriften van randnummer 3538. Een collo mag niet meer wegen dan 30 kg.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van randnummer 3500 (1), (2) en (5) tot (7) moeten in acht genomen worden.

2. Voorschriften

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

2472 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.5, behalve voor die stoffen waarvoor er in randnummer 2473 individuele verpakkingsvoorschriften voorzien zijn.

De grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.6.

(2) De verpakkingen moeten hermetisch gesloten zijn, zodat het binnendringen van vocht en elk verlies van de inhoud verhinderd wordt. Ze mogen niet voorzien zijn van ontgassingsinrichtingen volgens randnummer 3500 (8) of 3601 (6).

(3) Volgens de bepalingen van randnummers 2470 (3), 3511 (2) en 3611 (2) moeten de volgende verpakkingen gebruikt worden:

- verpakkingen van de verpakkingsgroep I, gemerkt met de letter "X", voor de zeer gevaarlijke stoffen ingedeeld bij de letter a) van elk cijfer,

- verpakkingen van de verpakkingsgroepen II of I, resp. gemerkt met de letter "Y" of "X", of grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) van de verpakkingsgroep II, gemerkt met de letter "Y", voor de gevaarlijke stoffen ingedeeld bij de letter b) van elk cijfer;

- verpakkingen van de verpakkingsgroepen III, II of I, resp. gemerkt met de letter "Z", "Y" of "X", of grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) van verpakkingsgroep III of II, resp. gemerkt met de letter "Z" of "Y", voor de minder gevaarlijke stoffen ingedeeld bij de letter c) van elk cijfer.

Opmerking: Zie aanhangsel B voor het vervoer van stoffen van klasse 4.3 in tankvoertuigen, afneembare tanks en laadketels en voor het losgestort vervoer.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

2473 (1) Chloorsilanen van 1°a) moeten verpakt worden in stalen recipiënten die corrosiebestendig zijn, met een inhoud van ten hoogste 450 liter. De recipiënten moeten voor hun indienstname, en daarna uiterlijk om de vijf jaar, onderworpen worden aan een drukproef bij een manometerdruk van ten minste 0,4 MPa (4 bar). De sluiting van de recipiënten dient door een beschermkap beveiligd te zijn. Indien op basis van de massa wordt gevuld mag de maximale vullingsgraad de volgende waarden niet overschrijden: 1,14 kg/l voor trichloorsilaan, 0,93 kg/l voor ethyldichloorsilaan, 0,95 kg/l voor methyldichloorsilaan. Indien volumetrisch wordt gevuld, mag de vullingsgraad niet hoger zijn dan 85 %. De recipiënten moeten bovendien van een kenplaatje voorzien zijn waarop de volgende vermeldingen op een duurzame wijze dienen aangebracht te worden:

- chloorsilanen, klasse 4.3,

- benaming van het of de toegelaten chloorsila(a)n(en),

- de tarra () van het recipiënt met inbegrip van zijn toebehoren,

- de beproevingsdruk () (manometerdruk),

- de datum (maand, jaar) van de laatste beproeving,

- het waarmerk van de deskundige die de beproeving heeft uitgevoerd,

- de inhoud () van het recipiënt,

- de hoogst toegelaten vulmassa () voor iedere toegelaten stof.

(2) De stoffen van 3°a), 21°a), 23°a) en 25°a) moeten verpakt zijn in hermetisch gesloten metalen recipiënten, die niet door de inhoud kunnen aangetast worden en die een inhoud hebben van ten hoogste 450 liter. De recipiënten dienen vóór hun indienstname - en daarna uiterlijk om de vijf jaar - onderworpen te worden aan een drukproef bij een manometerdruk van ten minste 1 MPa (10 bar).

De recipiënten mogen tot ten hoogste 90 % van hun inhoud gevuld worden; bij een vloeistoftemperatuur van 50 °C moet er echter steeds nog een lege veiligheidsruimte van 5 % overblijven. Boven de vloeistof die voor vervoer wordt aangeboden, moet een atmosfeer van inert gas aangebracht zijn waarvan de druk ten minste 50 kPa (0,5 bar) bedraagt. De recipiënten moeten van een kenplaatje voorzien zijn waarop de volgende vermeldingen op een duurzame wijze dienen aangebracht te worden:

- aanduiding van de tot het transport toegelaten stof(fen) (),

- de tarra () van het recipiënt met inbegrip van zijn toebehoren,

- de beproevingsdruk () (manometerdruk),

- de datum (maand, jaar) van de laatste beproeving,

- het waarmerk van de deskundige die de beproeving heeft uitgevoerd,

- de inhoud () van het recipiënt,

- de hoogst toegelaten vulmassa ().

(3) De in paragraaf (2) bedoelde stoffen mogen bovendien verpakt worden in samengestelde verpakkingen die beantwoorden aan randnummer 3538, met een binnenverpakking uit glas en een buitenverpakking uit staal of aluminium die beantwoordt aan randnummer 3532.

De recipiënten mogen tot ten hoogste 90 % van hun inhoud gevuld worden. Een collo mag slechts één enkele binnenverpakking bevatten. Deze samengestelde verpakkingen moeten overeenstemmen met een constructietype dat volgens aanhangsel A.5 getest en goedgekeurd is voor verpakkingsgroep I.

2474 (1) De stoffen die bij de letter a) van 2°, 11°, 13°, 14°, 16° tot 18°, 20°, 22° en 24° ingedeeld zijn, moeten als volgt verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan ranndummer 3522;

d) hetzij in vaten uit kunststof met niet-afneembaar deksel en met een maximale inhoud van 60 liter of in jerrycans uit kunststof met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof), die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen met binnenverpakkingen uit glas, kunststof of metaal, die beantwoorden aan randnummer 3538.

(2) Stoffen, die luidens de definitie van randnummer 2470 (10) vast zijn, mogen ook als volgt verpakt worden:

a) hetzij in vaten met afneembaar deksel, vervaardigd uit staal (beantwoordend aan randnummer 3520), uit aluminium (beantwoordend aan randnummer 3521) of uit kunststof (beantwoordend aan randnummer 3526), of in jerrycans met afneembaar deksel, vervaardigd uit staal (beantwoordend aan randnummer 3522) of uit kunststof (beantwoordend aan randnummer 3526);

b) hetzij in samengestelde verpakkingen die beantwoorden aan randnummer 3538, met één of meer stofdichte binnenzakken.

2475 (1) De stoffen die bij de letter b) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn moeten als volgt verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans, die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten en in jerrycans uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof), die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3538;

g) hetzij in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk), die beantwoorden aan randnummer 3539;

(2) De stoffen van 12° tot 17° en 20° mogen ook als volgt verpakt worden:

a) hetzij in metalen grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), die beantwoorden aan randnummer 3622;

b) hetzij in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) uit stijve kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3624;

c) hetzij in gecombineerde grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), met een binnenrecipiënt uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3625, met uitzondering van de types 11HZ2 en 31HZ2.

(3) Stoffen, die luidens de definitie van randnummer 2470 (10) vast zijn, mogen ook als volgt verpakt worden:

a) hetzij in vaten uit multiplex (beantwoordend aan randnummer 3523) of uit karton (beantwoordend aan randnummer 3525); deze vaten worden, indien nodig, voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken;

b) hetzij in zakken uit kunstoffolie die beantwoorden aan randnummer 3535. Dit op voorwaarde dat de zakken op paletten gestapeld zijn of als wagenlading vervoerd worden.

2476 (1) De stoffen die bij de letter c) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn moeten als volgt verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans, die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten en jerrycans uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof), die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3538;

g) hetzij in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk), die beantwoorden aan randnummer 3539;

h) hetzij in lichte metalen verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3540;

i) hetzij in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) uit metaal, die beantwoorden aan randnummer 3622;

j) hetzij in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) uit stijve kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3624;

k) hetzij in gecombineerde grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) met een binnenrecipiënt uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3625, met uitzondering van de types 11HZ2 en 31HZ2.

(2) Stoffen, die luidens de definitie van randnummer 2470 (10) vast zijn, mogen ook als volgt verpakt worden:

a) hetzij in vaten uit multiplex (beantwoordend aan randnummer 3523) of uit karton (beantwoordend aan randnummer 3525); beide zo nodig met één of meerdere stofdichte binnenzakken;

b) hetzij in zakken uit kunststoffolie die beantwoorden aan randnummer 3535;

c) hetzij in soepele grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), die beantwoorden aan randnummer 3623, met uitzondering van de types 13H1, 13L1 en 13M1.

Opmerking: De stoffen van 15°c) mogen ook verpakt worden in verpakkingen die slechts onderworpen zijn aan de voorschriften van randnummer 3500 (1), (2) en (5) tot (7); ze mogen bovendien verpakt worden in IBC's van type 13H1.

2477 De openingen van recipiënten voor stoffen van 23° moeten dicht afgesloten worden met behulp van twee in serie geplaatste inrichtingen; één hiervan moet geschroefd zijn of op gelijkwaardige wijze bevestigd.

Opmerking: Zie evenwel randnummer 3621 (8) voor de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's).

2478-

2480

3. Gezamenlijke verpakking

2481 (1) Stoffen die ingedeeld zijn bij hetzelfde cijfer mogen in eenzelfde samengestelde verpakking (beantwoordend aan randnummer 3538) bijeengebracht worden.

(2) Stoffen die bij de letter a) van de verschillende cijfers vernoemd worden, mogen niet gezamenlijk verpakt worden met stoffen van andere cijfers van klasse 4.3, met stoffen en voorwerpen van de andere klassen en met goederen die niet onderworpen zijn aan deze Richtlijn.

(3) Met uitzondering van de stoffen die in alinea (2) vernoemd worden, mogen de stoffen van de verschillende cijfers van klasse 4.3 - wanneer hun hoeveelheid per recipiënt ten hoogste 3 liter bedraagt voor vloeistoffen en/of 6 kg voor vaste stoffen - met stoffen of voorwerpen van de andere klassen en/of met goederen die niet onderworpen zijn aan deze Richtlijn bijeengebracht worden in eenzelfde samengestelde verpakking, die beantwoordt aan randnummer 3538; de gezamenlijke verpakking moet evenwel ook toegelaten zijn voor de stoffen en voorwerpen van die andere klassen en de bijeengebrachte stoffen mogen onderling niet gevaarlijk reageren.

(4) Worden als gevaarlijke reacties beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanzienlijke warmteontwikkeling;

b) de uitwaseming van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van corrosieve vloeistoffen;

d) de vorming van onstabiele stoffen.

(5) De voorschriften van de randnummers 2001 (7), 2002 (6) en (7) en 2472 moeten nageleefd worden.

(6) Een collo mag niet meer wegen dan 100 kg indien houten of kartonnen kisten gebruikt worden.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie aanhangsel A.9)

Opschriften

2482 (1) Elk collo moet duidelijk en blijvend voorzien zijn van de letters "UN", gevolgd door het identificatienummer van het goed dat in het vervoerdocument dient aangegeven te worden.

Gevaarsetiketten

(2) Colli, die stoffen bevatten van klasse 4.3, moeten voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 4.3.

(3) Colli, die stoffen bevatten van 1° en 2°, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 3 en van een etiket dat overeenstemt met model 8.

(4) Colli, die stoffen bevatten van 3° of lithiumaluminiumhydride in ether van 16°a), moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 3.

(5) Colli die stoffen bevatten van 14° moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 4.2.

(6) Colli, die stoffen bevatten van 15°, 18°, 22° en 23°, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 6.1.

(7) Colli, die stoffen bevatten van 24° en 25°, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 8.

(8) Colli die breekbare recipiënten bevatten welke van buitenaf niet zichtbaar zijn moeten op twee tegenoverstaande zijvlakken voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 12.

(9) Colli, die vloeistoffen bevatten in recipiënten waarvan de sluitingen van buitenuit niet zichtbaar zijn, moeten op twee tegenoverstaande zijvlakken voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 11.

2483

B. Vermeldingen in het vervoerdocument

2484 De omschrijving van de stof in het vervoerdocument moet overeenstemmen met een van de cursief gedrukte identificatienummers en bijbehorende benaming van randnummer 2471.

Wanneer de stof daar niet met name vermeld staat, maar behoort tot een n.e.g. rubriek, moet de omschrijving van de stof bestaan uit het identificatienummer en de benaming van de n.e.g. rubriek, gevolgd door zijn scheikundige of technische benaming ().

De omschrijving van de stof moet door de opgave van zijn klasse, zijn volgnummer en letter in de opsomming en de afkorting "ADR" (of "RID") gevolgd worden (bijvoorbeeld 4.3, 1°a), ADR).

Bij het vervoer van afvalstoffen [zie randnummer 2000 (5)] wordt de stof als volgt omschreven: "Afvalstof, bevat ", waarbij de component(en) waarop de classificatie van de afvalstofvolgens randnummer 2002 (8) gebaseerd is, met hun scheikundige benaming(en) moeten opgegeven worden (bijvoorbeeld "Afvalstof, bevat 1428 natrium, 4.3, 11°a), ADR").

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen), die meerdere componenten bevatten die aan het ADR onderworpen zijn, zal het in het algemeen niet nodig zijn om meer dan twee componenten te vermelden die bepalend zijn voor de gevaarlijke eigenschap(pen) van de oplossingen en mengsels.

Bij oplossingen en mengsels die slechts één enkele component bevatten die aan de voorschriften van het ADR onderworpen is, moeten de woorden "in oplossing" of "mengsel met" opgenomen worden in de benaming in het vervoerdocument [zie randnummer 2002 (8) a)].

Wanneer een vaste stof in gesmolten toestand voor vervoer wordt aangeboden, moet de omschrijving van het goed vervolledigd worden met de vermelding "gesmolten" indien deze vermelding niet in de benaming zelf voorkomt.

Wanneer een met name genoemde stof niet onderworpen is aan de voorschriften van onderhavige klasse op basis van randnummer 2470 (9), mag de verzender de vermelding "produkt niet onderworpen aan klasse 4.3" in het vervoerdocument plaatsen.

2485-

2491

C. Lege verpakkingen

2492 (1) De niet-gereinigde lege verpakkingen [met inbegrip van de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's)] van 31° moeten op dezelfde manier gesloten worden en dezelfde dichtheidsgaranties bieden als toen ze gevuld waren.

(2) De niet-gereinigde lege verpakkingen [met inbegrip van de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's)] van 31° moeten van dezelfde gevaarsetiketten voorzien zijn als toen ze gevuld waren.

(3) De omschrijving in het vervoerdocument moet overeenstemmen met een van de in 31° cursief gedrukte benamingen, aangevuld met 4.3, 31° ADR (bijvoorbeeld "Lege verpakkingen, 4.3, 31°, ADR").

Voor niet-gereinigde lege tankvoertuigen, lege afneembare tanks, lege laadketels en lege kleine laadkisten moet deze omschrijving aangevuld worden met "Laatst geladen stof", gevolgd door de benaming en het cijfer van de laatst geladen stof [bijvoorbeeld "Laatst geladen stof: 1295 trichloosilaan, 1°a)"].

2493-

2499

KLASSE 5.1 STOFFEN DIE DE VERBRANDING BEVORDEREN

1. Opsomming van de stoffen

2500 (1) Van de stoffen, die door de titel van klasse 5.1 beoogd worden, zijn diegene welke in randnummer 2501 opgesomd zijn en diegene welke vallen onder een collectieve rubriek van dat randnummer onderworpen aan de voorwaarden vastgesteld in de randnummers 2500 (2) tot 2522, aan de voorschriften van deze bijlage en aan de bepalingen van bijlage B en dus stoffen van deze Richtlijn.

Opmerking: Voor de stoffen van randnummer 2501 worden de hoeveelheden die niet onderworpen zijn aan de voorschriften voor klasse 5.1 van zowel deze bijlage als van bijlage B, gegeven in randnummer 2501a.

(2) De titel van klasse 5.1 slaat op de stoffen die - zonder zelf altijd brandbaar te zijn - de verbranding van andere stoffen kunnen veroorzaken of bevorderen; dit gewoonlijk door zuurstof af te staan.

(3) De stoffen van klasse 5.1 zijn als volgt onderverdeeld:

A. Vloeistoffen die de verbranding bevorderen en hun waterige oplossingen.

B. Vaste stoffen die de verbranding bevorderen en hun waterige oplossingen.

C. Lege verpakkingen.

Afhankelijk van hun gevaarsgraad worden de stoffen van klasse 5.1, die ingedeeld zijn bij de verschillende cijfers van randnummer 2501 (met uitzondering van de stoffen van 5° en 20°), ondergebracht bij één van de volgende met de letters a), b) en c) aangeduide groepen:

a) stoffen die de verbranding sterk bevorderen;

b) stoffen die de verbranding bevorderen;

c) stoffen die in mindere mate de verbranding bevorderen.

(4) De indeling van niet met name genoemde vaste stoffen die de verbranding bevorderen bij klasse 5.1, geschiedt op basis van ervaring of op basis van de resultaten van de beproevingsmethode, van de werkwijze en van de criteria vastgelegd in randnummers 3350 en 3351 van aanhangsel A.3. Indien de resultaten van de beproevingen strijdig zijn met de opgedane ervaring, dient de beoordeling die gebaseerd is op deze ervaring de voorrang te krijgen op de resultaten van de beproevingen. De niet met name genoemde vloeistoffen die de verbranding bevorderen worden bij klasse 5.1 ingedeeld op grond van ervaring.

(5) Wanneer de niet met name genoemde stoffen op basis van de beproevingsmethodes volgens randnummers 3350 en 3351 van aanhangsel A.3 bij de cijfers van randnummer 2501 ingedeeld worden, is volgend criterium van toepassing:

Een stof moet bij de klasse 5.1 ingedeeld worden indien - bij de ene of de andere geteste concentratie - de gemiddelde verbrandingsduur van het zaagsel (gemiddelde over de drie beproevingen) korter is dan - of gelijk is aan de gemiddelde verbrandingsduur van het mengsel van zaagsel en ammoniumpersulfaat.

(6) Wanneer de niet met name genoemde stoffen op basis van de beproevingsmethodes volgens randnummers 3350 en 3351 van aanhangsel A.3 bij de groepen van de cijfers van randnummer 2501 ingedeeld worden, zijn de volgende criteria van toepassing:

Een stof moet bij groep a) ingedeeld worden indien - bij de ene of de andere geteste concentratie - de verbrandingsduur ervan korter is dan deze met kaliumbromaat;

Een stof moet bij groep b) ingedeeld worden indien - bij de ene of de andere geteste concentratie - de verbrandingsduur ervan korter is dan - of gelijk is aan deze met kaliumperchloraat en indien niet aan het criterium voor groep a) wordt voldaan;

Een stof moet bij groep c) ingedeeld worden indien - bij de ene of de andere geteste concentratie - de verbrandingsduur ervan korter is dan - of gelijk is aan deze met ammoniumpersulfaat en indien niet aan de criteria voor groep a) of b) wordt voldaan.

(7) Wanneer de stoffen van klasse 5.1 door het toevoegen van andere stoffen naar andere gevaarsgraden overgaan dan diegene waartoe de met name genoemde stoffen van randnummer 2501 behoren, dienen deze mengsels of oplossingen ingedeeld te worden bij de cijfers of de letters waartoe ze op basis van hun werkelijke gevaarsgraad behoren.

Opmerking: zie ook randnummer 2002 (8) voor de classificatie van oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen).

(8) Indien stoffen bij meerdere letters van éénzelfde cijfer van randnummer 2501 met name genoemd zijn, kan de passende letter bepaald worden op basis van de resultaten van de beproevingsmethode volgens randnummers 3350 en 3351 van aanhangsel A.3 en van de criteria van alinea (6).

(9) Op basis van de beproevingsmethode volgens randnummers 3350 en 3351 van aanhangsel A.3 en van de criteria van alinea (6) kan ook bepaald worden of de aard van een met name genoemde stof dusdanig is dat deze stof niet onderworpen is aan de voorschriften van onderhavige klasse (zie randnummer 2514).

(10) Voor de verpakkingsvoorschriften van randnummers 2506 (2), 2507 (2) en 2508 (2) worden de stoffen of mengsels van stoffen met een smeltpunt boven 45 °C als vaste stoffen beschouwd.

(11) Chemisch onstabiele stoffen van klasse 5.1 mogen slechts voor het vervoer aangeboden worden indien alle maatregelen werden getroffen die nodig zijn om een gevaarlijke ontbinding of polymerisatie tijdens het vervoer te verhinderen. Daartoe moet er in het bijzonder op toegezien worden dat de verpakkingen geen stoffen bevatten die deze reacties kunnen bevorderen.

(12) Vaste, voor zelfverhitting vatbare stoffen die de verbranding bevorderen (ingedeeld bij identificatienummer 3100 van de Aanbevelingen van de VN), vaste met water reagerende stoffen die de verbranding bevorderen (ingedeeld bij identificatienummer 3121 van de aanbevelingen van de VN) en brandbare vaste stoffen die de verbranding bevorderen (ingedeeld bij identificatienummer 3137 van de Aanbevelingen van de VN), mogen niet vervoerd worden [zie evenwel voetnoot 1/ bij de tabel van paragraaf 2.3.1 in randnummer 2002 (8)].

A. Vloeistoffen die de verbranding bevorderen en hun waterige oplossingen

2501 1° Waterstofperoxide en zijn oplossingen of waterige oplossingen van mengsels van waterstofperoxide met een andere vloeistof:

a) 2015 Waterstofperoxide, gestabiliseerd, of 2015 waterstofperoxide, oplossing in water, gestabiliseerd, met meer dan 60 % waterstofperoxide;

Opmerkingen: 1. Op deze stoffen zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing (zie randnummer 2503).

2. Niet-gestabiliseerd waterstofperoxide of niet-gestabiliseerde waterige oplossingen van waterstofperoxide met meer dan 60 % waterstofperoxide mogen niet vervoerd worden.

b) 2014 waterstofperoxide, oplossing in water, met minstens 20 % en ten hoogste 60 % waterstofperoxide (zo nodig gestabiliseerd), 3149 waterstofperoxide en peroxyazijnzuur, mengsel, met zu(u)r(en), water en ten hoogste 5 % peroxyazijnzuur, gestabiliseerd;

Opmerking: Bij laboratoriumbeproevingen () mag dit mengsel van waterstofperoxide en peroxyazijnzuur (identificatienummer 3149) niet detoneren onder invloed van cavitatie, niet deflagreren, geen reactie vertonen bij verwarming onder insluiting en geen explosief vermogen bezitten. Het preparaat moet thermisch stabiel zijn (temperatuur van zelfversnellende ontleding 60 °C of hoger voor een collo van 50 kg) en als verdunningsmiddel voor de desensibilisatie een vloeistof bevatten die verenigbaar is met het peroxyazijnzuur. Formuleringen die niet aan deze criteria voldoen dienen beschouwd te worden als stoffen van klasse 5.2 [zie aanhangsel A.1, randnummer 3106(2)g)].

c) 2984 waterstofperoxide, oplossing in water, met minstens 8 % en minder dan 20 % waterstofperoxide (zo nodig gestabiliseerd).

Opmerking: Waterige oplossingen van waterstofperoxide, die minder dan 8 % waterstofperoxide bevatten, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2° Tetranitromethaan:

a) 1510 tetranitromethaan.

Opmerking: Tetranitromethaan dat niet vrij is van brandbare onzuiverheden mag niet vervoerd worden.

3° Perchloorzuur in oplossing:

a) 1873 perchloorzuur, oplossing in water, met meer dan 50 massa-%, maar ten hoogste 72 massa-% zuur.

Opmerkingen: 1. Oplossingen van perchloorzuur met meer dan 72 massa-% zuur of mengsels van perchloorzuur met een andere vloeistof dan water mogen niet vervoerd worden.

2. 1802 Perchloorzuur, oplossing in water, met niet meer dan 50 massa-% zuur is een stof van klasse 8 [zie rand nummer 2801, 4°b)].

4° Chloorzuur in oplossing:

b) 2626 chloorzuur, oplossing in water, met ten hoogste 10 % chloorzuur.

Opmerking: Oplossingen van chloorzuur met meer dan 10 % chloorzuur of mengsels van chloorzuur met een andere vloeistof dan water mogen niet vervoerd worden.

5° De volgende gehalogeneerde fluorverbindingen:

1745 broompentafluoride, 1746 broomtrifluoride, 2495 joodpentafluoride.

Opmerking: 1. Op deze stoffen zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing (zie randnummer 2504).

2. De andere gehalogeneerde fluorverbindingen mogen niet als stoffen van klasse 5.1 vervoerd worden.

B. Vaste stoffen die de verbranding bevorderen en hun waterige oplossingen

11° Chloraten en mengsels van chloraten met boraten of met hygroscopische chloriden (zoals magnesiumchloride of calciumchloride)

b) 1452 calciumchloraat, 1548 chloraat en boraat, mengsel, 1459 chloraat en magnesiumchloride, mengsel, 1485 kaliumchloraat, 1495 natriumchloraat, 1506 strontiumchloraat, 1513 zinkchloraat, 2427 kaliumchloraat, oplossing in water, 2428 natriumchloraat, oplossing in water, 2429 calciumchloraat, oplossing in water, 2721 koperchloraat, 2723 magnesiumchloraat,

1461 anorganische chloraten, n.e.g.,

3210 anorganische chloraten, oplossing in water, n.e.g.

Opmerking: 1. Zie ook bij 29°.

2. Ammoniumchloraat en mengsels van een chloraat met een ammoniumzout mogen niet vervoerd worden.

12° Ammoniumperchloraat

b) 1442 ammoniumperchloraat.

Opmerking: De indeling van deze stof dient te geschieden op basis van de resultaten van de beproevingen van aanhangsel A.1. Zie ook klasse 1 al naar gelang van de korrelgrootte en de verpakking van deze stof (randnummer 2101, 4°, identificatienummer 0402).

13° Perchloraten (met uitzondering van ammoniumperchloraat, zie 12°)

b) 1455 calciumperchloraat, 1475 magnesiumperchloraat, 1489 kaliumperchloraat, 1502 natriumperchloraat, 1508 strontiumperchloraat, 1481 anorganische perchloraten, n.e.g., 3211 anorganische perchloraten, oplossing in water, n.e.g.

Opmerking: Zie ook bij 29°.

14° Chlorieten:

b) 1453 calciumchloriet, 1496 natriumchloriet, 1462 anorganische chlorieten, n.e.g.

Opmerking: 1. 1908 Chloriet, oplossing is een stof van klasse 8 [zie randnummer 2801, 61°b) of c)].

2. Ammoniumchloriet en mengsels van een chloriet met een ammoniumzout mogen niet vervoerd worden.

15° Hypochlorieten:

b) 1471 lithiumhypochloriet, droog, of 1471 lithiumhypochloriet, mengsel, met meer dan 39 % actieve chloor (8,8 % actieve zuurstof), 1748 calciumhypochloriet, droog, of 1748 calciumhypochloriet, droog, mengsel, met meer dan 39 % actieve chloor (8,8 % actieve zuurstof), 2880 calciumhypochloriet, gehydrateerd, of 2880 calciumhypochloriet, gehydrateerd, mengsel, met ten minste 5,5 % en ten hoogste 10 % water, 3212 anorganische hypochlorieten, n.e.g.

c) 2208 calciumhypochloriet, droog, mengsel, met meer dan 10 % en ten hoogste 39 % actieve chloor.

Opmerkingen: 1. Mengsels met droog calciumhypochloriet, die ten hoogste 10 % actieve chloor bevatten, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. 1791 Hypochloriet, oplossing is een stof van klasse 8 [zie randnummer 2801, 61°b) of c)].

3. Mengsels van een hypochloriet met een ammoniumzout mogen niet vervoerd worden.

4. Zie ook bij 29°.

16° Bromaten:

b) 1473 magnesiumbromaat, 1484 kaliumbromaat, 1494 natriumbromaat, 1450 anorganische bromaten, n.e.g., 3213 anorganische bromaten, oplossing in water, n.e.g.;

c) 2469 zinkbromaat, 3213 anorganische bromaten, oplossing in water, n.e.g.

Opmerking: 1. Ammoniumbromaat en mengsels van een bromaat met een ammoniumzout mogen niet vervoerd worden.

2. Zie ook bij 29°.

17° Permanganaten:

b) 1456 calciumpermanganaat, 1490 kaliumpermanganaat, 1503 natriumpermanganaat, 1515 zinkpermanganaat, 1482 anorganische permanganaten, n.e.g., 3214 anorganische permanganaten, oplossing in water, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Ammoniumpermanganaat en mengsels van een permanganaat met een ammoniumzout mogen niet vervoerd worden.

2. Zie ook bij 29°.

18° Persulfaten:

c) 1444 ammoniumpersulfaat, 1492 kaliumpersulfaat, 1505 natriumpersulfaat, 3215 anorganische persulfaten, n.e.g., 3216 anorganische persulfaten, oplossing in water, n.e.g.

19° Percarbonaten:

c) 2467 natriumpercarbonaten, 3217 anorganische percarbonaten, n.e.g.

Opmerking: Natriumcarbonaat-peroxyhydraat is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

20° Oplossingen van ammoniumnitraat:

2426 ammoniumnitraat, vloeibaar, warme geconcentreerde oplossing met een concentratie van meer dan 80 % maar ten hoogste 93 %, op voorwaarde dat:

1. de gemeten pH-waarde van een waterige oplossing met 10 % van de vervoerde stof tussen 5 en 7 ligt;

2. de oplossing geen chloorverbindingen bevat in een dusdanige hoeveelheid dat het chloorgehalte 0,02 % overschrijdt, en de oplossing niet meer dan 0,2 %brandbare stof bevat.

Opmerking: Waterige oplossingen van ammoniumnitraat met een concentratie van ten hoogste 80 % zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

21° Ammoniumnitraat en meststoffen die ammoniumnitraat bevatten ():

c) 1942 ammoniumnitraat dat niet meer dan 0,2 % brandbare stoffen bevat (inclusief om het even welke organische stof, berekend als koolstof), met uitzondering van elke andere stof,

2067 meststoffen die ammoniumnitraat bevatten, type A1: homogene en stabiele mengsels, met ten minste 90 % ammoniumnitraat waaraan om het even welke andere anorganische stof is toegevoegd die chemisch inert is t.o.v. ammoniumniraat, en met niet meer dan 0,2 % brandbare stoffen (inclusief om het even welke organische stof, berekend als koolstof), of mengsels met meer dan 70 % maar minder dan 90 % ammoniumnitraat die niet meer dan 0,4 % brandbare stoffen bevatten,

2068 meststoffen die ammoniumnitraat bevatten, type A2: homogene en stabiele mengsels van ammoniumnitraat met calciumcarbonaat en/of dolomiet, die meer dan 80 % maar minder dan 90 % ammoniumnitraat bevatten en niet meer dan 0,4 % brandbare stoffen,

2069 meststoffen die ammoniumnitraat bevatten, type A3: homogene en stabiele mengsels van ammoniumnitraat met ammoniumsulfaat, die meer dan 45 % maar ten hoogste 70 % ammoniumnitraat bevatten en niet meer dan 0,4 % brandbare stoffen,

2070 meststoffen die ammoniumnitraat bevatten, type A4: homogene en stabiele mengsels van het type stikstof/fosfaat of stikstof/kalium, of volledige meststoffen van het type stikstof/fosfaat/kalium, die meer dan 70 % maar minder dan 90 % ammoniumnitraat bevatten en niet meer dan 0,4 % brandbare stoffen.

Opmerkingen: 1. Ammoniumnitraat dat meer dan 0,2 % brandbare toffen bevat (inclusief om het even welkeorganische stof, berekend als koolstof) mag niet vervoerd worden, behalve wanneer het om een component van een stof of voorwerp van klasse 1 gaat.

2. Om het ammoniumnitraatgehalte te bepalen moeten alle nitraationen, waarvoor in het mengsel een moleculair equivalent ammoniumionen aanwezig is, als ammoniumnitraat in rekening gebracht worden.

3. De meststoffen met een hoger gehalte aan ammoniumnitraat of aan brandbare stoffen dan de aangegeven limieten, mogen slechts volgens de voorwaarden van klasse 1 vervoerd worden. Zie ook opmerking 5.

4. De meststoffen met een lager gehalte aan ammo niumnitraat dan de aangegeven limieten, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn

5. De meststoffen die ammoniumnitraat bevatten, homogene en stabiele mengsels van het type stikstof/fosfaat of stikstof/kalium of volledige meststoffen van het type stikstof/fosfaat/kalium, waarvan het moleculair overschot van de nitraten t.o.v. de ammoniumionen (berekend als kaliumnitraat) niet hoger is dan 10 %, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn indien:

a) hun gehalte aan ammoniumnitraat niet hoger is dan 70 % en hun totaal gehalte aan brandbare stoffen niet hoger dan 0,4 %, of

b) hun gehalte aan ammoniumnitraat niet hoger is dan 45 %, met een willekeurig gehalte aan brandbare stoffen.

22° Nitraten (met uitzondering van de stoffen van 20°, 21° en 29°)

b) 1493 zilvernitraat, 1514 zinknitraat, 1477 anorganische nitraten, n.e.g., 3218 anorganische nitraten, oplossing in water, n.e.g.;

c) 1438 aluminiumnitraat, 1451 cesiumnitraat, 1454 calciumnitraat, 1465 didymiumnitraat, 1466 ijzer- (III)-nitraat, 1467 guanidinenitraat, 1474 magnesiumnitraat, 1486 kaliumnitraat, 1498 natriumnitraat, 1499 natriumnitraat en kaliumnitraat, mengsel, 1507 strontiumnitraat, 2720 chroomnitraat, 2722 lithiumnitraat, 2724 mangaannitraat, 2725 nikkelnitraat, 2728 zirconiumnitraat, 1477 anorganische nitraten, n.e.g., 3218 anorganische nitraten, oplossing in water, n.e.g.

Opmerkingen: 1. 1625 Kwik(II)nitraat, 1627 kwik-(I)nitraat en 2727 thalliumnitraat zijn stoffen van klasse 6.1 [zie randnummer 2601, 52°b) en 68°b)]. 2976 Thoriumnitraat, vast, 2980 uranylnitraat-hexahydraat, oplossingen en 2981 uranylnitraat, vast, zijn stoffen van klasse 7 (zie randnummer 2704, fiches 5, 6, 9, 10, 11 en 13).

2. De commerciële kwaliteit van meststoffen met calciumnitraat, die in hoofdzaak bestaat uit een dubbelzout (calciumnitraat en ammoniumnitraat) en die ten hoogste 10 % ammoniumnitraat en ten minste 12 % kristalwater bevat, is niet onderworpen aan de voorschriften van deze richtlijn.

23° Nitrieten:

b) 1488 kaliumnitriet, 1512 zinkammoniumnitriet, 2627 anorganische nitrieten, n.e.g., 3219 anorganische nitrieten, oplossing in water, n.e.g.;

c) 1500 natriumnitriet, 2726 nikkelnitriet, 3219 anorganische nitrieten, oplossing in water, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Ammoniumnitriet en mengsels van een organisch nitriet met een ammoniumzout mogen niet vervoerd worden.

2. Zinkammoniumnitriet mag niet over zee vervoerd worden.

24° Mengsels van nitraten en nitrieten van 22° en 23°:

b) 1487 kaliumnitraat en natriumnitriet, mengsel.

Opmerking: Mengsels met een ammoniumzout mogen niet vervoerd worden.

25° Peroxiden en superoxiden:

a) 1491 kaliumperoxide, 1504 natriumperoxide, 2466 kaliumsuperoxide, 2547 natriumsuperoxide;

b) 1457 calciumperoxide, 1472 lithiumperoxide, 1476 magnesiumperoxide, 1509 strontiumperoxide, 1516 zinkperoxide, 1483 anorganische peroxiden, n.e.g.

Opmerking: Zie ook bij 29°.

26° Chloorisocyanuurzuren en hun zouten:

b) 2465 dichloorisocyanuurzuur, droog, of 2465 dichloorisocyanuurzure zouten, 2468 trichloorisocyanuurzuur, droog.

Opmerking: Het gedihydrateerd natriumzout van dichloorisocyanuurzuur is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

27° Niet-giftige en niet-corrosieve vaste stofen die de verbranding bevorderen en de mengsels van deze stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere verzamelrubriek kunnen ingedeeld worden:

a) 1479 vaste stof die de verbranding bevordert, n.e.g.;

b) 1439 ammoniumdichromaat, 3247 natriumperoxoboraat, watervrij, 1479 vaste stof die de verbranding bevordert, n.e.g.;

c) 1479 vaste stof die de verbranding bevordert, n.e.g.

28° Niet-giftige en niet-corrosieve waterige oplossingen van vaste stoffen die de verbranding bevorderen en van mengsels van deze stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere verzamelrubriek ingedeeld kunnen worden:

b) 3139 vloeistof die de verbranding bevordert, n.e.g.;

c) 3139 vloeistof die de verbranding bevordert, n.e.g.

29° Giftige vaste stoffen die de verbranding bevorderen en de mengsels van deze stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere verzamelrubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 3087 vaste stof die de verbranding bevordert, giftig, n.e.g.;

b) 1445 bariumchloraat, 1446 bariumnitraat, 1447 bariumperchloraat, 1448 bariumpermanganaat, 1449 bariumperoxide, 1469 loodnitraat, 1470 loodperchloraat, 2464 berylliumnitraat, 2573 thalliumchloraat, 2719 bariumbromaat, 2741 bariumhypochloriet, met meer dan 22 % actieve chloor, 3087 vaste stof die de verbranding bevordert, giftig, n.e.g.;

c) 1872 looddioxide, 3087 vaste stof die de verbranding bevordert, giftig, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2600 (1) voor de giftigheidscriteria.

30° Giftige waterige oplossingen van vaste stoffen die de verbranding bevorderen en van mengsels van deze stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere verzamelrubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 3099 vloeistof die de verbranding bevordert, giftig, n.e.g.;

b) 3099 vloeistof die de verbranding bevordert, giftig, n.e.g.;

c) 3099 vloeistof die de verbranding bevordert, giftig, n.e.g.

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2600 (1) voor de giftigheidscriteria.

31° Corrosieve vaste stoffen die de verbranding bevorderen en de mengsels van deze stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere verzamelrubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 3085 vaste stof die de verbranding bevordert, corrosief, n.e.g.;

b) 1463 chroomtrioxide, watervrij (vast chroomzuur), 3085 vaste stof die de verbranding bevordert, corrosief, n.e.g.;

c) 1511 ureumwaterstofperoxide, 3085 vaste stof die de verbranding bevordert, corrosief, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2800 (1) voor de corrosiviteitscriteria.

2. 1755 Chroomzuur, oplossing is een stof van klasse 8 [zie randnummer 2801, 17°b) of c)].

32° Corrosieve waterige oplossingen van vaste stoffen die de verbranding bevorderen en van mengsels van deze stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere verzamelrubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 3098 vloeistof die de verbranding bevordert, corrosief, n.e.g.;

b) 3098 vloeistof die de verbranding bevordert, corrosief, n.e.g.;

c) 3098 vloeistof die de verbranding bevordert, corrosief, n.e.g.;

Opmerking: Zie voetnoot (¹) bij randnummer 2800 (1) voor de corrosiviteitscriteria.

C. Lege verpakkingen

Opmerking: Lege verpakkingen waaraan op hun buitenzijde resten van hun vorige inhoud zitten, mogen niet vervoerd worden.

41° Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), lege tankvoertuigen, lege afneembare tanks en lege laadketels, evenals de ongereinigde lege voertuigen voor losgestort vervoer en lege kleine laadkisten voor losgestort vervoer, die stoffen van klasse 5.1 hebben bevat.

2501a Indien ze vervoerd worden overeenkomstig de onderstaande bepalingen, zijn de stoffen van de onderscheiden cijfers niet onderworpen aan de voorschriften die deze bijlage en bijlage B voor onderhavige klasse voorzien:

a) dit randnummer is niet van toepassing op de stoffen die bij a) van elk cijfer ingedeeld zijn;

b) tot 500 ml per binnenverpakking voor vloeistoffen ingedeeld bij b) van elk cijfer;

tot 500 g per binnenverpakking voor vaste stoffen ingedeeld bij b) van elk cijfer;

c) tot 1 liter per binnenverpakking voor vloeistoffen ingedeeld bij c) van elk cijfer;

tot 1 kg per binnenverpakking voor vaste stoffen ingedeeld bij c) van elk cijfer.

Die hoeveelheden stoffen moeten worden vervoerd in samengestelde verpakkingen die ten minste beantwoorden aan de voorschriften van randnummer 3538. Een collo mag niet meer wegen dan 30 kg.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van randnummer 3500 (1), (2) en (5) tot (7) moeten in acht genomen worden.

2. Voorschriften

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

2502 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.5, behalve voor die stoffen waarvoor er in randnummer 2503 en 2504 individuele verpakkingsvoorschriften voorzien zijn.

(2) De grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.6.

(3) Volgens de bepalingen van randnummers 2500 (3), 3511 (2) en 3611 (2) moeten de volgende verpakkingen gebruikt worden:

- verpakkingen van de verpakkingsgroep I, gemerkt met de letter "X", voor de stoffen die de verbranding sterk bevorderen, ingedeeld bij de letter a) van elk cijfer;

- verpakkingen van de verpakkingsgroepen II of I, resp. gemerkt met de letter "Y" of "X", of grote recipinten voor losgestort vervoer (IBC's) van de verpakkingsgroep II, gemerkt met de letter "Y", voor de stoffen die de verbranding bevorderen, ingedeeld bij de letter b) van elk cijfer;

- verpakkingen van de verpakkingsgroepen III, II of I, resp. gemerkt met de letter "Z", "Y" of "X", of grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) van verpakkingsgroep III of II, resp. gemerkt met de letter "Z" of "Y", voor de stoffen die in mindere mate de verbranding bevorderen, ingedeeld bij de letter c) van elk cijfer.

Opmerking: Zie aanhangsel B voor het vervoer van stoffen van klasse 5.1 in tankvoertuigen, afneembare tanks en laadketels en voor het losgestort vervoer.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

2503 (1) De stoffen van 1°a) moeten verpakt worden:

a) hetzij in vaten met niet-afneembaar deksel uit aluminium met een zuiverheidsgraad van ten minste 99,5 %, die beantwoorden aan randnummer 3521, of in vaten met niet-afneembaar deksel uit een speciale staalsoort die geen ontleding van het waterstofperoxide veroorzaakt, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in samengestelde verpakkingen die beantwoorden aan randnummer 3538, met binnenverpakkingen uit glas of kunststof, of uit metalen die geen ontleding van het waterstofperoxide veroorzaken. Een binnenverpakking uit glas of kunststof mag een inhoud hebben van ten hoogste 2 liter, en een binnenverpakking uit metaal een inhoud van ten hoogste 5 liter.

De verpakkingen moeten voorzien zijn van een ontgassingsinrichting die beantwoordt aan randnummer 3500 (8). Ze moeten overeenstemmen met een constructietype dat volgens aanhangsel A.5 getest en goedgekeurd is voor verpakkingsgroep I.

(2) De verpakkingen mogen tot ten hoogste 90 % van hun inhoud gevuld worden.

(3) Een collo mag niet meer dan 125 kg wegen.

2504 De stoffen van 5° moeten vervoerd worden in flessen met een inhoud van ten hoogste 150 liter of in recipiënten met een inhoud van ten hoogste 1 000 liter (bijvoorbeeld cylindervormige recipiënten met rolbanden of bolvormige recipiënten), vervaardigd uit koolstofstaal of uit een geschikt gelegeerd staal.

a) De recipiënten moeten voldoen aan de ter zake doende voorschriften van klasse 2 [zie randnummer 2211 en 2213 (1) en (2)]. De recipiënten moeten ontworpen worden voor eenberekeningsdruk van ten minste 2,1 MPa (21 bar) (overdruk).De wanden van de recipiënten moeten echter tenminste 3 mm dik zijn. De recipiënten moeten voor hun indienstname, en daarna uiterlijk om de acht jaar, onderworpen worden aan een hydraulische drukproef bij een manometerdruk van ten minste 1 MPa (10 bar). De drukproef gaat gepaard met een inwendig onderzoek van het recipiënt en een nazicht van zijn uitrusting. Bovendien moet om de 2 jaar door middel van geschikte toestellen (bijvoorbeeld ultrasoon) nagegaan worden of de recipiënten aan de corrosie hebben weerstaan; terzelfder tijd moet ook de staat van de uitrusting nagezien worden. Deze beproevingen en onderzoeken moeten voldoen aan de ter zake doende voorschriften van klasse 2 (zie randnummers 2215 en 2216).

b) De recipiënten mogen tot ten hoogste 92 % van hun inhoud gevuld worden;

c) op de recipiënten moeten de volgende opschriften goed leesbaar en onuitwisbaar voorkomen:

- de naam of het merk van de fabrikant van het recipiënt en het nummer van het recipiënt;

- de omschrijving van de stof volgens randnummer 2501, 5°;

- de tarra van het recipiënt en de maximum toegelaten massa van het gevuld recipiënt;

- de datum (maand en jaar) van de eerste beproeving en van de laatste periodieke beproeving;

- het waarmerk van de deskundige die de beproevingen en onderzoeken heeft verricht.

2505 De oplossingen van ammoniumnitraat van 20° mogen slechts in tankvoertuigen en afneembare tanks (zie aanhangsel B.1a) of in laadketels (zie aanhangsel B.1b) vervoerd worden.

2506 (1) De stoffen die bij de letter a) van de verschillende cijfers van randnummer 2501 ingedeeld zijn, behalve deze van 1°a), moeten als volgt verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten uit kunststof met niet-afneembaar deksel en met een maximale inhoud van 60 liter of in jerrycans uit kunststof met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof), die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen met binnenverpakkingen uit glas, kunststof of metaal, die beantwoorden aan randnummer 3538.

(2) Perchloorzuur van 3°a) mag bovendien verpakt worden in combinatieverpakkingen (glas), die beantwoorden aan randnummer 3539.

(3) Stoffen, die luidens de definitie van randnummer 2500 (10) vast zijn, mogen ook als volgt verpakt worden:

a) in vaten met afneembaar deksel, vervaardigd uit staal (beantwoordend aan randnummer 3520), uit aluminium (beantwoordend aan randnummer 3521), uit multiplex (beantwoordend aan randnummer 3523), uit karton (beantwoordend aan randnummer 3525) of uit kunststof (beantwoordend aan randnummer 3526) of in jerrycans met afneembaar deksel, vervaardigd uit staal (beantwoordend aan randnummer 3522) of uit kunststof (beantwoordend aan randnummer 3526). Deze vaten of jerrycans worden, indien nodig, voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken;

b) in samengestelde verpakkingen die beantwoorden aan randnummer 3538, met één of meer stofdichte binnenzakken.

2507 (1) De stoffen die bij de letter b) van de verschillende cijfers van randnummer 2501 ingedeeld zijn moeten als volgt verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans, die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten en in jerrycans uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof), die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3538;

g) hetzij in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk), die beantwoorden aan randnummer 3539;

h) hetzij in metalen grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), die beantwoorden aan randnummer 3622;

i) hetzij in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) uit stijve kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3624;

j) hetzij in gecombineerde grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), met een binnenrecipiënt uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3625, met uitzondering van de types 11HZ2 en 31HZ2.

Opmerking bij a), b), c) en d): Er zijn vereenvoudigde voorschriften van toe passing op de vaten en jerrycans met afneembaar deksel voor vaste stoffen en voor viskeuze stoffen waarvan de viscositeit bij 23 °C hoger is dan 200 mm2/s (zie randnummers 3512, 3553, 3554 en 3560).

(2) Stoffen, die luidens de definitie van randnummer 2500 (10) vast zijn, mogen ook als volgt verpakt worden:

a) hetzij in vaten uit multiplex (beantwoordend aan randnummer 3523) of uit karton (beantwoordend aan randnummer 3525); deze vaten worden, indien nodig, voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken;

b) hetzij in stofdichte zakken; deze mogen vervaardigd zijn uit textiel (beantwoordend aan randnummer 3533), uit geweven kunststof (beantwoordend aan randnummer 3534), uit kunststoffolie (beantwoordend aan randnummer 3535) of uit waterbestendig papier (beantwoordend aan randnummer 3536). Dit op voorwaarde dat de zakken op paletten gestapeld zijn of als wagenlading vervoerd worden;

c) hetzij in soepele grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), die beantwoorden aan randnummer 3623, met uitzondering van de types 13H1, 13L1 en 13M1; dit op voorwaarde dat ze als wagenlading vervoerd worden.

2508 (1) De stoffen die bij de letter c) van de verschillende cijfers van randnummer 2501 ingedeeld zijn moeten als volgt verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans, die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten en jerrycans uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof), die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3538;

g) hetzij in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk), die beantwoorden aan randnummer 3539;

h) hetzij in lichte metalen verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3540;

i) hetzij in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) uit metaal, die beantwoorden aan randnummer 3622;

j) hetzij in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) uit stijve kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3624;

k) hetzij in gecombineerde grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) met een binnenrecipiënt uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3625, met uitzondering van de types 11HZ2 en 31HZ2.

Opmerking bij a), b), c), d) en h): Er zijn vereenvoudigde voorschriften van toepassing op de vaten, jerrycans en lichte metalen verpakkingen met afneembaar deksel voor viskeuze stoffen waarvan de viskositeit bij 23 °C hoger is dan 200 mm2/s en voor vaste stoffen (zie randnummers 3512, 3552 tot 3554 en 3560).

(2) Stoffen, die luidens de definitie van randnummer 2500 (10) vast zijn, mogen ook als volgt verpakt worden:

a) hetzij in vaten met afneembaar deksel uit multiplex (beantwoordend aan randnummer 3523) of uit karton (beantwoordend aan randnummer 3525); beide zo nodig met één of meerdere stofdichte binnenzakken;

b) hetzij in stofdichte zakken; deze mogen vervaardigd zijn uit textiel (beantwoordend aan randnummer 3533), uit geweven kunststof (beantwoordend aan randnummer 3534), uit kunstoffolie (beantwoordend aan randnummer 3535) of uit waterbestendig papier (beantwoordend aan randnummer 3536);

c) hetzij in soepele grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), die beantwoorden aan randnummer 3623, met uitzondering van de types 13H1, 13L1 en 13M1; de stoffen van 21° en 22°c) mogen echter verpakt worden in alle types van soepele grote recipinten voor losgestort vervoer (IBC's), die beantwoorden aan randnummer 3623.

2509 De verpakkingen of de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), die stoffen van 1°b) of 1°c) bevatten, moeten voorzien zijn van een ontgassingsinrichting die respectievelijk beantwoordt aan randnummer 3500 (8) of 3601 (6).

2510

3. Gezamenlijke verpakking

2511 (1) Stoffen die ingedeeld zijn bij hetzelfde cijfer mogen in eenzelfde samengestelde verpakking (beantwoordend aan randnummer 3538) bijeengebracht worden.

(2) Stoffen die ingedeeld zijn bij verschillende cijfers van klasse 5.1 mogen - wanneer hun hoeveelheid per recipiënt ten hoogste 3 liter bedraagt voor vloeistoffen en/of 5 kg voor vaste stoffen - onderling en/of met niet aan de voorschriften van deze Richtlijn onderworpen goederen bijeengebracht worden in eenzelfde samengestelde verpakking, die beantwoordt aan randnummer 3538; dit indien de bijeengebrachte stoffen onderling niet gevaarlijk reageren.

(3) Behoudens wanneer de bijzondere voorwaarden van alinea (7) het tegengestelde bepalen mogen de stoffen van klasse 5.1 - wanneer hun hoeveelheid per recipiënt ten hoogste 3 liter bedraagt voor vloeistoffen en/of 5 kg voor vaste stoffen - met stoffen of voorwerpen van de andere klassen en/of met goederen die niet onderworpen zijn aan deze Richtlijn bijeengebracht worden in eenzelfde samengestelde verpakking, die beantwoordt aan randnummer 3538; de gezamenlijke verpakking moet evenwel ook toegelaten zijn voor de stoffen en voorwerpen van die andere klassen en de bijeengebrachte stoffen mogen onderling niet gevaarlijk reageren.

(4) Worden als gevaarlijke reacties beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanzienlijke warmteontwikkeling;

b) de uitwaseming van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van corrosieve vloeistoffen;

d) de vorming van onstabiele stoffen.

(5) De voorschriften van randnummers 2001 (7), 2002 (6) en (7) en 2502 moeten nageleefd worden.

(6) Een collo mag niet meer wegen dan 100 kg indien houten of kartonnen kisten gebruikt worden.

(7) Gezamenlijke verpakking is niet toegestaan voor stoffen van 1°a), 2°, 4°, 5°, 11°, 12°, 13°, 14°, 16°b), 17°, 25° en 27° tot 32°, en voor de bij de letter a) ingedeelde stoffen van de overige cijfers; perchloorzuur met meer dan 50 % zuiver zuur van 3°a) mag echter gezamenlijk verpakt worden met perchloorzuur van klasse 8, 4°b), randnummer 2801.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie aanhangsel A.9)

Opschriften

2512 (1) Elk collo moet duidelijk en blijvend voorzien zijn van de letters "UN", gevolgd door het identificatienummer van het goed dat in het vervoerdocument dient aangegeven te worden.

Gevaarsetiketten

(2) Colli, die stoffen bevatten van klasse 5.1, moeten voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 5.1.

(3) Colli, die stoffen bevatten van 2°, 5°, 29° of 30°, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 6.1, en deze die stoffen van 1°a), 1°b), 3°a), 5°, 31° of 32° bevatten, van een etiket dat overeenstemt met model 8.

(4) Colli, die breekbare recipiënten bevatten dewelke van buitenaf niet zichtbaar zijn moeten op twee tegenoverstaande zijvlakken voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 12.

(5) Colli die vloeistoffen bevatten in recipiënten waarvan de sluitingen van buitenuit niet zichtbaar zijn, colli die recipiënten bevatten voorzien van ontgassingsinrichtingen, en recipiënten voorzien van ontgassingsinrichtingen zonder buitenverpakking, moeten op twee tegenoverstaande zijvlakken voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 11.

2513

B. Vermeldingen in het vervoerdocument

2514 De omschrijving van de stof in het vervoerdocument moet overeenstemmen met een van de cursief gedrukte identificatienummers en bijbehorende benaming van randnummer 2501.

Wanneer de stof daar niet met name vermeld staat, maar behoort tot een n.e.g. rubriek, moet de omschrijving van de stof bestaan uit het identificatienummer en de benaming van de n.e.g. rubriek, gevolgd door zijn scheikundige of technische benaming ().

De omschrijving van de stof moet door de opgave van zijn klasse, zijn volgnummer in de opsomming - in voorkomend geval aangevuld met de letter - en de afkorting "ADR" (of "RID") gevolgd worden (bijvoorbeeld 5.1, 11°b), ADR).

Bij het vervoer van afvalstoffen [zie randnummer 2000(5)] wordt de stof als volgt omschreven: "Afvalstof, bevat ", waarbij de component(en) waarop de classificatie van de afvalstof volgens randnummer 2002 (8) gebaseerd is, met hun scheikundige benaming(en) moeten opgegeven worden (bijvoorbeeld "Afvalstof, bevat 1513 zinkchloraat, 5.1, 11°b), ADR").

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen) die meerdere componenten bevatten die aan deze Richtlijn onderworpen zijn, zal het in het algemeen niet nodig zijn om meer dan twee componenten te vermelden die bepalend zijn voor de gevaarlijke eigenschap(pen) van de oplossingen en mengsels.

Wanneer een met name genoemde stof niet onderworpen is aan de voorschriften voor onderhavige klasse op basis van randnummer 2500 (9), mag de verzender de vermelding "produkt niet onderworpen aan klasse 5.1" in het vervoerdokument plaatsen.

Bij oplossingen en mengsels die slechts één enkele component bevatten die aan de voorschriften van deze Richtlijn onderworpen is, moeten de woorden "in oplossing" of "mengsel met" opgenomen worden in de benaming in het vervoerdocument [zie randnummer 2002 (8) a)].

Wanneer een vaste stof in gesmolten toestand voor vervoer wordt aangeboden, moet de omschrijving van het goed vervolledigd worden met de vermelding "gesmolten" indien deze vermelding niet in de benaming zelf voorkomt.

2515-

2521

C. Lege verpakkingen

2522 (1) De niet-gereinigde lege verpakkingen [met inbegrip van de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's)] van 41° moeten op dezelfde manier gesloten worden en dezelfde dichtheidsgaranties bieden als toen ze gevuld waren.

(2) De niet-gereinigde lege verpakkingen [met inbegrip van de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's)] van 41° moeten van dezelfde gevaarsetiketten voorzien zijn als toen ze gevuld waren.

(3) De omschrijving in het vervoerdokument moet overeenstemmen met een van de in 41° cursief gedrukte benamingen, aangevuld met 5.1, 41°, ADR (bijvoorbeeld "Lege verpakkingen, 5.1, 41°, ADR").

Voor niet-gereinigde lege tankwagens, lege afneembare tanks, lege laadketels en lege kleine laadkisten voor losgestort vervoer, moet deze omschrijving aangevuld worden met "Laatst geladen stof", gevolgd door de benaming en het cijfer van de laatst geladen stof [bijvoorbeeld "Laatst geladen stof: 2015 waterstofperoxide 1°a)"].

2523-

2549

KLASSE 5.2 ORGANISCHE PEROXIDEN

1. Opsomming van de stoffen

2550 (1) Van de stoffen en voorwerpen, die door de titel van klasse 5.2 beoogd worden, zijn enkel diegene welke in randnummer 2551 opgesomd zijn en diegene welke vallen onder een collectieve rubriek van dat randnummer onderworpen aan de voorwaarden vastgesteld in de randnummers 2550 (4) tot 2567, aan de voorschriften van onderhavige bijlage en aan de bepalingen van bijlage B, en dus stoffen en voorwerpen van het deze Richtlijn ().

Opmerking: Zie ook randnummer 2002 (8) voor de classificatie van oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen).

(2) Organische peroxiden en preparaten van organische peroxiden worden niet beschouwd als stoffen van de klasse 5.2 indien:

- ze niet meer dan 1,0 % actieve zuurstof in de organische peroxiden bevatten en daarenboven niet meer dan 1,0 % waterstofperoxide;

- ze niet meer dan 0,5 % actieve zuurstof in de organische peroxiden bevatten en daarenboven meer dan 1,0 % maar ten hoogste 7,0 % waterstofperoxide; of

- door de beproevingen is aangetoond dat ze van type G zijn [zie alinea (6)].

Opmerking: Het gehalte aan actieve zuurstof ( %) in een preparaat van een organisch peroxide wordt bekomen met de formule 16 × Ó (ni × Ci/mi), waarin:

ni

= aantal peroxi-groepen per molecule van het organisch peroxide i;

Ci

= concentratie (massa- %) van het organisch peroxide i;

mi

= moleculaire massa van het organisch peroxide i.

(3) De volgende organische peroxiden mogen niet vervoerd worden onder de voorwaarden van klasse 5.2:

- de organische peroxiden van type A [zie randnummer 3106(2)a) van aanhangsel A.1].

Definitie

(4) Klasse 5.2 behelst de organische stoffen die het bivalent structuurelement -0-0- bevatten en als derivaten van waterstofperoxide kunnen beschouwd worden, waarin één of beide waterstofatomen vervangen zijn door organische radicalen.

Eigenschappen

(5) Organische peroxiden zijn thermisch onstabiele stoffen, die bij normale of verhoogde temperatuur op exotherme wijze kunnen ontleden. De ontleding kan veroorzaakt worden door warmte, contact met verontreinigingen (bijvoorbeeld zuren, verbindingen van zware metalen, aminen), wrijving of schokken. De ontledingssnelheid stijgt met de temperatuur en hangt af van de formulering van het organisch peroxide. De ontleding kan gepaard gaan met het vrijkomen van schadelijke of brandbare gassen of dampen. Enkele organische peroxiden kunnen explosief ontleden, vooral wanneer ze zijn ingesloten. Deze eigenschap kan gewijzigd worden door verdunningsmiddelen toe te voegen of door geschikte verpakkingen te gebruiken. Veel organische peroxiden branden hevig. Contact van organische peroxiden met de ogen moet vermeden worden. Sommige organische peroxiden veroorzaken, zelfs na kortstondig contact, ernstige beschadigingen aan het hoornvlies of zijn corrosief voor de huid.

Indeling van de organische peroxiden

(6) Organische peroxiden worden onderverdeeld in zeven types, afhankelijk van hun gevaarlijkheidsgraad. De principes die van toepassing zijn op de classificatie van de stoffen die niet in randnummer 2551 worden opgesomd, zijn aangegeven in randnummer 3106 van aanhangsel A.1. De types van organische peroxiden gaan van type A, dat niet mag vervoerd worden in de verpakking waarin het werd getest, tot type G, dat niet onderworpen is aan de voorschriften van klasse 5.2 [zie randnummer 2561(5)]. De classificatie van de types B tot F is functie van de maximaal toegelaten hoeveelheid in een verpakking.

(7) De organische peroxiden en de preparaten van organische peroxiden die in randnummer 2551 opgesomd worden, zijn ingedeeld bij de volgende collectieve rubrieken:

- 1° tot 20°, identificatienummers 3101 tot 3120.

De collectieve rubrieken preciseren:

- het type van organisch peroxide (B tot F) [zie alinea (6)];

- de fysische toestand (vloeibaar/vast) [zie randnummer 2553(1)];

- desgevallend de temperatuursregeling [zie alineas (16) tot (19)].

De mengsels van deze preparaten mogen ingedeeld worden bij het gevaarlijkste type van organisch peroxide dat er deel van uitmaakt, en ze mogen vervoerd worden onder de voorwaarden die voor dit type gelden. Omdat twee stabiele componenten een thermisch minder stabiel mengsel kunnen vormen, moet echter de temperatuur van zelfversnellende ontleding van het mengsel bepaald worden en - zo nodig - de overeenkomstig de bepalingen van randnummer 2550 (17) van de SADT afgeleide regelingstemperatuur en kritieke temperatuur.

(8) De classificatie van de organische peroxiden, van de preparaten of van de mengsels van organische peroxiden die niet in randnummer 2551 opgesomd zijn, en hun indeling bij een collectieve rubriek, moeten verricht worden door de bevoegde overheid van het land van herkomst.

(9) Stalen van organische peroxiden of van formuleringen van organische peroxiden, die niet in randnummer 2551 zijn opgesomd, waarvan geen volledige testgegevens beschikbaar zijn en die vervoerd moeten worden voor aanvullende beproevingen of beoordelingen, dienen ingedeeld te worden bij een van de collectieve rubrieken die horen bij de organische peroxiden van type C, indien:

- volgens de beschikbare gegevens het staal niet gevaarlijker is dan een organisch peroxide van type B;

- het staal verpakt is volgens verpakkingsmethode OP2A of OP2B, en de hoeveelheid per transporteenheid niet meer dan 10 kg bedraagt;

- de beschikbare gegevens desgevallend aantonen dat de regelingstemperatuur voldoende laag is om elke gevaarlijke ontleding te voorkomen en voldoende hoog om elke gevaarlijke scheiding van de fasen te vermijden.

Desensibilisering van organische peroxiden

(10) Om de veiligheid tijdens het vervoer van organische peroxiden te verzekeren, worden deze dikwijls gedesensibiliseerd door er organische vloeistoffen of vaste stoffen, anorganische vaste stoffen of water aan toe te voegen. Wanneer een percentage van een dergelijke stof is opgelegd, is dit het massa-percentage, afgerond tot op het dichtstbijgelegen geheel getal. De desensibilisatie moet over het algemeen zodanig zijn dat het organisch peroxide zich in geval van lekkage niet in gevaarlijke mate kan concentreren.

(11) Tenzij voor een specifiek preparaat van een organisch peroxide uitdrukkelijk anders wordt vermeld, zijn de volgende definities van toepassing op de verdunningsmiddelen die voor de desensibilisatie gebruikt worden:

- Verdunningsmiddelen van type A zijn organische vloeistoffen die inert zijn ten opzichte van het organisch peroxide en die een kookpunt hebben van ten minste 150 °C. Verdunningsmiddelen van type A mogen gebruikt worden voor de desensibilisatie van alle organische peroxiden.

- Verdunningsmiddelen van type B zijn organische vloeistoffen die inert zijn ten opzichte van het organisch peroxide, een kookpunt hebben dat lager is dan 150 °C maar niet lager dan 60 °C, en een vlampunt van ten minste 5 °C.

Verdunningsmiddelen van type B mogen slechts gebruikt worden voor de desensibilisatie van organische peroxiden waarvoor een temperatuursregeling vereist is. Het kookpunt van de vloeistof moet ten minste 50 °C hoger zijn dan de regelingstemperatuur van het organisch peroxide.

(12) Aan de in de opsomming van randnummer 2551 vernoemde preparaten van organische peroxiden mogen andere verdunningsmiddelen dan deze van type A of B toegevoegd worden, mits deze inert zijn en de classificatie niet wijzigen.

(13) Water mag slechts gebruikt worden om die organische peroxiden te desensibiliseren waarvan de omschrijving, in randnummer 2551 of in de beslissing van de bevoegde overheid volgens alinea (8), de vermelding "met water" of "stabiele dispersie in water" bevat. Stalen en preparaten van organische peroxiden, die niet in randnummer 2551 opgesomd zijn, mogen ook met water gedesensibiliseerd worden op voorwaarde dat ze aan de voorschriften van alinea (9) voldoen.

(14) Organische en anorganische vaste stoffen mogen voor de desensibilisatie van organische peroxiden gebruikt worden indien ze inert zijn.

(15) Vloeistoffen en vaste stoffen worden als inert beschouwd indien ze geen invloed hebben op de thermische stabiliteit en op het gevaarstype van het preparaat.

Regeling van de temperatuur

(16) Bepaalde organische peroxiden mogen slechts vervoerd worden onder omstandigheden met temperatuursregeling. De regelingstemperatuur is de maximale temperatuur waarbij het organisch peroxide veilig vervoerd kan worden. Men gaat uit van de veronderstelling dat de temperatuur in de onmiddellijke omgeving van het collo tijdens het transport slechts gedurende een relatief korte tijd per etmaal 55 °C overschrijdt. Indien het systeem voor de temperatuursregeling uitvalt kan het nodig zijn om urgentieprocedures toe te passen. De kritieke temperatuur is de temperatuur waarbij deze urgentieprocedures in werking moeten treden.

(17) De regelingstemperatuur en de kritieke temperatuur zijn afgeleid van de temperatuur van zelfversnellende ontleding (self-accelerating decomposition temperature SADT) (zie tabel 1). De laatste is de laagste temperatuur waarbij de stof zelfversnellend kan ontleden in de verpakking die tijdens het vervoer wordt gebruikt. De SADT moet bepaald worden om vast te stellen of een stof tijdens het vervoer aan temperatuursregeling moet onderworpen worden. De voorschriften voor de bepaling van de SADT zijn opgenomen in randnummer 3105 van aanhangsel A.1.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(18) Voor volgende organische peroxiden is temperatuursregeling vereist tijdens het vervoer:

- de organische peroxiden van type B en C met een SADT ≤ 50 °C;

- de organische peroxiden van type D die een heftige of middelmatige reactie vertonen bij verwarming onder insluiting, met een SADT ≤ 50 °C of de organische peroxiden van type D die een geringe of geen reactie vertonen bij verwarming onder insluiting, met een SADT ≤ 45 °C;

- de organische peroxiden van type E en F met een SADT ≤ 45 °C.

Opmerking: De voorschriften voor de bepaling van de reacties bij verwarming onder insluiting zijn opgenomen in randnummer 3105 van aanhangsel A.1.

(19) De regelingstemperatuur en de kritieke temperatuur worden desgevallend aangegeven in randnummer 2551. De werkelijke temperatuur tijdens het vervoer mag lager zijn dan de regelingstemperatuur, maar hij moet zodanig gekozen zijn dat een gevaarlijke scheiding van de fasen vermeden wordt.

2551 A. Organische peroxiden, waarvoor geen temperatuursregeling is vereist

1° b) 3101 organisch peroxide van type B, vloeibaar, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2° b) 3102 organisch peroxide van type B, vast, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3° b) 3103 organisch peroxide van type C, vloeibaar, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4° b) 3104 organisch peroxide van type C, vast, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

5° b) 3105 organisch peroxide van type D, vloeibaar, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

6° b) 3106 organisch peroxide van type D, vast, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7° b) 3107 organisch peroxide van type E, vloeibaar, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

8° b) 3108 organisch peroxide van type E, vast, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

9° b) 3109 organisch peroxide van type F, vloeibaar, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

10° b) 3110 organisch peroxide van type F, vast, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B. Organische peroxiden waarvoor temperatuursregeling is vereist

Opmerking: De stoffen van 11° tot 20° zijn organische peroxiden die gemakkelijk ontleden bij normale temperaturen en die derhalve slechts mogen vervoerd worden met een gepaste koeling. Voor deze organische peroxiden mag de maximale temperatuur tijdens het vervoer niet hoger oplopen dan de opgegeven regelingstemperatuur.

11° b) 3111 organisch peroxide van type B, vloeibaar, met temperatuursregeling, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

12° b) 3112 organisch peroxide van type B, vast, met temperatuursregeling, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

13° b) 3113 organisch peroxide van type C, vloeibaar, met temperatuursregeling, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

14° b) 3114 organisch peroxide van type C, vast, met temperatuursregeling, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

15° b) 3115 organisch peroxide van type D, vloeibaar, met temperatuursregeling, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

16° b) 3116 organisch peroxide van type D, vast, met temperatuursregeling, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

17° b) 3117 organisch peroxide van type E, vloeibaar, met temperatuursregeling, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

18° b) 3118 organisch peroxide van type E, vast, met temperatuursregeling, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

19° b) 3119 organisch peroxide van type F, vloeibaar, met temperatuursregeling, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

20° b) 3120 organisch peroxide van type F, vast, met temratuursregeling, zoals:

Momenteel is geen enkel bestaand organisch peroxide ingedeeld bij deze rubriek.

C. Lege verpakkingen

31° Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), lege tankvoertuigen, lege afneembare tanks en lege laadketels, die stoffen van klasse 5.2 hebben bevat.

2551a Indien ze vervoerd worden overeenkomstig de onderstaande bepalingen, zijn de testsets, de reparatiesets of de andere voorwerpen die kleine hoeveelheden van de hieronder aangegeven stoffen bevatten, niet onderworpen aan de voorschriften die deze bijlage en bijlage B voor onderhavige klasse voorzien:

a) tot 25 ml per binnenverpakking voor vloeistoffen van 1°, 3°, 5°, 7° of 9°;

b) tot 100 g per binnenverpakking voor vaste stoffen van 2°, 4°, 6°, 8° of 10°.

Die hoeveelheden stoffen moeten worden vervoerd in samengestelde verpakkingen die ten minste beantwoorden aan de voorschriften van randnummer 3538. Een collo mag niet meer wegen dan 30 kg (totale brutomassa).

Deze hoeveelheden stoffen mogen met andere voorwerpen of stoffen gezamenlijk verpakt worden, op voorwaarde dat ze in geval van lekkage onderling niet gevaarlijk reageren.

Worden als gevaarlijke reacties beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanzienlijke warmteontwikkeling;

b) de uitwaseming van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van corrosieve vloeistoffen;

d) de vorming van onstabiele stoffen.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van randnummer 3500 (1), (2) en (5) tot (7) moeten in acht genomen worden.

2. Voorschriften

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

2552 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.5 en zodanig vervaardigd zijn dat geen van de materialen die in contact komen met de inhoud hierop een gevaarlijk effect kan hebben. De vullingsgraad mag niet hoger zijn dan 93 %. De vulmiddelen in samengestelde verpakkingen moeten moeilijk ontvlambaar zijn en mogen in geval van lekkage de ontleding van het organisch peroxide niet veroorzaken.

(2) De grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.6.

(3) Volgens de bepalingen van randnummers 3511 (2) of 3611 (2) moeten voor de stoffen en voorwerpen de volgende verpakkingen gebruikt worden: verpakkingen van de verpakkingsgroepen II of I, resp. gemerkt met de letter "Y" of "X", of grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) van de verpakkingsgroep II, gemerkt met de letter "Y". Metalen verpakkingen van verpakkingsgroep I mogen echter niet gebruikt worden.

Opmerking: Zie aanhangsel B voor het vervoer van stoffen van klasse 5.2 in tankvoertuigen, afneembare tanks en laadketels.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften voor bepaalde voorwerpen en stoffen

2553 (1) De verpakkingsmethodes voor de stoffen van klasse 5.2 zijn opgesomd in tabel 2; voor vloeistoffen worden ze aangeduid met OP1A tot OP8A en voor vaste stoffen met OP1B tot OP8B. De viskeuze stoffen, waarvan de uitstroomtijd uit een DIN-beker met een mondstuk van 4 mm diameter meer dan 10 minuten bedraagt bij 20 °C (wat overeenstemt met een uitlooptijd van meer dan 690 seconden uit een Ford-beker nr 4 bij 20 °C, of met meer dan 2,68 × 10-3 m2/s), worden beschouwd als vaste stoffen.

(2) De stoffen en voorwerpen moeten verpakt worden zoals dat in randnummer 2551 is aangegeven; de details zijn gepreciseerd in tabel 2A) en 2B). Een verpakkingsmethode voor een collo met kleinere afmetingen (d.w.z. met een lager OP-nummer) mag gebruikt worden, maar een verpakkingsmethode voor een collo met grotere afmetingen (d.w.z. met een hoger OP-nummer) mag niet gebruikt worden.

(3) De colli die voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 01 moeten voldoen aan de voorschriften van randnummer 2102 (4) en (6).

(4) De recipiënten en de IBC's, die stoffen van 1°b), 3°b), 5°b), 7°b), 9°b), 11°b), 13°b), 15°b), 17°b) of 19°b) bevatten dewelke kleine hoeveelheden gassen ontwikkelen, moeten overeenkomstig randnummer 3500 (8) of 3601 (6) voorzien zijn van een ontgassingsinrichting.

2554 (1) Voor de organische peroxiden of de preparaten van organische peroxiden die niet in randnummer 2551 opgesomd zijn moet de volgende procedure gevolgd worden om de geschikte verpakkingsmethode vast te stellen:

a) organische peroxiden van type B:

Voor deze stoffen en voorwerpen wordt verpakkingsmethode OP5A of OP5B toegepast, op voorwaarde dat ze in één van de aangegeven verpakkingen aan de criteria van randnummer 3106 (2) b) van aanhangsel A.1 voldoen. Indien het organisch peroxide slechts aan deze criteria kan voldoen in een kleinere verpakking dan deze die opgesomd zijn bij de verpakkingsmethode OP5A of OP5B (d.w.z. in een van de verpakkingen die bij OP1A tot OP4A of OP1B tot OP4B opgesomd zijn), moet de verpakkingsmethode die overeenstemt met het lager OP-nummer gebruikt worden.

b) organische peroxide van type C:

Voor deze stoffen en voorwerpen wordt verpakkingsmethode OP6A of OP6B toegepast, op voorwaarde dat ze in één van de aangegeven verpakkingen aan de criteria van randnummer 3106 (2) c) van aanhangsel A.1 voldoen. Indien het organisch peroxide slechts aan deze criteria kan voldoen in een kleinere verpakking dan deze die opgesomd zijn bij de verpakkingsmethode OP6A of OP6B, moet de verpakkingsmethode die overeenstemt met het lager OP-nummer gebruikt worden.

c) organische peroxiden van type D:

Verpakkingsmethode OP7A of OP7B moet gebruikt worden.

d) organische peroxiden van type E:

Verpakkingsmethode OP8A of OP8B moet gebruikt worden.

e) organische peroxiden van type F:

Verpakkingsmethode OP8A of OP8B moet gebruikt worden.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2555 (1) De stoffen van 9°b), 10°b), 19°b) en 20°b) van randnummer 2551 mogen in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) vervoerd worden volgens de voorwaarden die door de bevoegde overheid van het land van herkomst zijn vastgesteld, indien deze overheid op basis van de beproevingsresultaten van oordeel is dat een dergelijk vervoer veilig kan plaatsvinden. De beproevingen moeten onder meer:

- aantonen dat het organisch peroxide voldoet aan de classificatieprincipes die in randnummer 3106(2)f) van aanhangsel A.1 zijn voorgeschreven;

- aantonen dat het organisch peroxide inert is ten opzichte van alle materialen die er normalerwijze tijdens het vervoer mee in contact komen;

- desgevallend in functie van de SADT de regelingstemperatuur en de kritieke temperatuur vaststellen die op het vervoer van de stof in de voorziene IBC van toepassing zijn;

- desgevallend het ontwerp van drukontlastingsinrichtingen mogelijk maken;

- bepalen of speciale voorschriften noodzakelijk zijn.

(2) De volgende organische peroxiden van type F mogen in grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) van het aangegeven type vervoerd worden, zonder aan de voorwaarden van alinea (1) te voldoen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(3) Om het explosief bezwijken van metalen grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) of gecombineerde grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) met een volwandig metalen omhulsel te voorkomen, moeten de drukontlastingsinrichtingen ontworpen worden om alle ontledingsprodukten en dampen af te blazen die vrijkomen tijdens een aanwezigheid in een brandhaard (met een warmteoverdracht van 110 kw/m2) gedurende een periode van ten minste een uur of als gevolg van een zelfversnellende ontleding.

2556-

2557

3. Gezamenlijke verpakking

2558 De stoffen van klasse 5.2 mogen niet in éénzelfde collo bijeengebracht worden met stoffen en voorwerpen van andere klassen of met goederen die niet onderworpen zijn aan de voorschriften van deze Richtlijn.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie aanhangsel A.9)

Opschriften

2559 (1) Elk collo moet duidelijk en blijvend voorzien zijn van de letters "UN", gevolgd door het identificatienummer van het goed dat in het vervoerdocument dient aangegeven te worden.

Gevaarsetiketten

(2) Colli, die stoffen bevatten van klasse 5.2, moeten voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 5.2.

(3) Colli, die organische peroxiden bevatten van 1°, 2°, 11° en 12°, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 01, tenzij de bevoegde overheid toestemming heeft verleend om dit etiket weg te laten op het beproefd verpakkingstype omdat de beproevingsresultaten aantonen dat het organisch peroxide in een dergelijke verpakking geen explosief gedrag vertoont [zie randnummer 2561 (4)].

(4) Indien een stof zeer corrosief of corrosief is volgens de criteria van klasse 8 [zie randnummer 2800 (1)], moeten de colli bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 8. Dit is aangegeven in randnummer 2551 (bijomend etiket) of voorgeschreven in de goedgekeurde vervoersvoorwaarden [zie randnummer 2550 (8)].

(5) Colli, die breekbare recipiënten bevatten dewelke van buitenaf niet zichtbaar zijn moeten op twee tegenoverstaande zijvlakken voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 12.

(6) Colli die vloeistoffen bevatten in recipiënten waarvan de sluitingen van buitenuit niet zichtbaar zijn, colli die recipiënten bevatten voorzien van ontgassingsinrichtingen, en recipiënten voorzien van ontgassingsinrichtingen zonder buitenverpakking, moeten op twee tegenoverstaande zijvlakken voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 11.

2560

B. Vermeldingen in het vervoerdocument

2561 (1) De omschrijving van de stof in het vervoerdocument moet overeenstemmen met een van de cursief gedrukte identificatienummers en bijbehorende collectieve rubriek van randnummer 2551, gevolgd door de scheikundige benaming van de stof tussen haakjes.

Deze omschrijving moet door de opgave van de klasse, het volgnummer in de opsomming (aangevuld met de letter) en de afkorting "ADR" (of "RID") gevolgd worden (bijvoorbeeld "3108, organisch peroxide van type E, vast (dibenzoylperoxide), 5.2, 8°b), ADR").

Bij het vervoer van afvalstoffen [zie randnummer 2000 (5)] wordt de stof als volgt omschreven: "Afvalstof, bevat ", waarbij de component(en) waarop de classificatie van de afvalstof volgens randnummer 2002 (8) gebaseerd is, met hun scheikundige benaming(en) moeten opgegeven worden (bijvoorbeeld "Afvalstof, bevat 3107 organisch peroxide van type E, vloeibaar (peroxyazijnzuur), 5.2, 7° b), ADR"). In het algemeen zal het niet nodig zijn om meer dan twee componenten te vermelden die bepalend zijn voor de gevaarlijke eigenschappen van de afvalstof.

(2) Indien het transport van stoffen en voorwerpen uitgevoerd wordt volgens de voorwaarden die door de bevoegde overheid werden vastgesteld [zie randnummers 2550 (8) en 2555 (1) en randnummer 21X.511 van aanhangsel B.1a/B.1b], moet de volgende vermelding in het vervoerdocument geplaatst worden:

"Transport uitgevoerd volgens randnummer 2561(2)".

Een copie van de beslissing van de bevoegde overheid met de vervoersvoorwaarden moet bij het vervoerdocument gevoegd zijn.

(3) Indien een staal van een organisch peroxide vervoerd wordt op basis van randnummer 2550 (9), moet de volgende vermelding in het vervoerdocument geplaatst worden:

"Transport uitgevoerd volgens randnummer 2561 (3)".

(4) Indien de bevoegde overheid op basis van randnummer 2559 (2) toestemming heeft verleend om het etiket dat overeenstemt met model 01 weg te laten, moet de volgende vermelding in het vervoerdocument geplaatst worden:

"Het gevaarsetiket dat overeenstemt met model 01 is niet vereist".

(5) Indien organische peroxiden van type G [zie randnummer 3106 (2) g) van aanhangsel A.1] vervoerd worden, mag de volgende vermelding in het vervoerdocument geplaatst worden:

"Stof die niet onderworpen is aan klasse 5.2".

(6) Bij het vervoer van organische peroxiden onder omstandigheden met temperatuursregeling moeten de volgende gegevens in het vervoerdocument geplaatst worden:

"Regelingstemperatuur: . °C

Kritieke temperatuur: .. °C".

2562-

2566

C. Lege verpakkingen

2567 (1) De niet-gereinigde lege verpakkingen [met inbegrip van de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's)] van 31° moeten op dezelfde manier gesloten worden en dezelfde dichtheidsgaranties bieden als toen ze gevuld waren.

(2) De niet-gereinigde lege verpakkingen [met inbegrip van de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's)] van 31° moeten van dezelfde gevaarsetiketten voorzien zijn als toen ze gevuld waren.

(3) De omschrijving in het vervoerdocument moet overeenstemmen met een van de in 31° cursief gedrukte benamingen, aangevuld met 5.2, 31°, ADR (bijvoorbeeld "Lege verpakkingen, 5.2, 31°, ADR"). Voor niet-gereinigde lege tankvoertuigen, lege afneembare tanks en lege laadketels moet deze omschrijving aangevuld worden met "Laatst geladen stof", gevolgd dor de scheikundige benaming en het cijfer van de laatst geladen stof [bijvoorbeeld "Laatst geladen stof: 3109 organisch peroxide van type F, vloeibaar (tert-butylhydroperoxide), 9°b)"].

2568-

2599

KLASSE 6.1 GIFTIGE STOFFEN

1. Opsomming van de stoffen

2600 (1) Van de stoffen en voorwerpen, die door de titel van klasse 6.1 beoogd worden, zijn diegene welke in randnummer 2601 opgesomd zijn en diegene welke vallen onder een collectieve rubriek van dat randnummer onderworpen aan de voorwaarden vastgesteld in de randnummers 2600 (2) tot 2622, aan de voorschriften van onderhavige bijlage en aan de bepalingen van bijlage B, en dus stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn.

Opmerking: Voor de stoffen van randnummer 2601 worden de hoeveelheden die niet onderworpen zijn aan de voorschriften voor deze klasse van zowel onderhavige bijlage als van bijlage B, gegeven in randnummer 2601a.

(2) De titel van klasse 6.1 slaat op de giftige stoffen waarvan men uit ervaring weet - of waarvan men na proefnemingen op dieren mag aannemen - dat ze schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van de mens of diens dood kunnen veroorzaken, en dit na een éénmalige of kortstondige inwerking (door inademen, opname via de huid of inslikken) van een betrekkelijk kleine hoeveelheid.

De stoffen van klasse 6.1 zijn als volgt onderverdeeld:

A. Bij inademen zeer giftige stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, die geen stoffen zijn van klasse 3

B. Organische stoffen met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C of niet-brandbare organische stoffen

C. Organische metaalverbindingen en carbonylen

D. Anorganische stoffen die giftige gassen kunnen ontwikkelen in contact met water (ook de luchtvochtigheid), met waterige oplossingen of met zuren, en andere met water reagerende giftige stoffen ()

E. De andere anorganische stoffen en de metaalzouten van organische stoffen

F. Stoffen en preparaten die als pesticide gebruikt worden

G. Stoffen bestemd voor laboratoria, voor proefnemingen en voor de aanmaak van farmaceutische produkten, indien ze niet opgesomd zijn bij andere cijfers van onderhavige klasse

H. Lege verpakkingen

(3) Afhankelijk van hun giftigheidsgraad worden de stoffen en voorwerpen van klasse 6.1, die ingedeeld zijn bij de verschillende cijfers van randnummer 2601 (met uitzondering van 1° tot 5°), ondergebracht bij één van de volgende met de letters a), b) en c) aangeduide groepen:

a) zeer giftige stoffen

b) giftige stoffen

c) stoffen die in geringe mate giftig zijn.

De niet uitdrukkelijk vernoemde stoffen, mengsels en oplossingen, evenals de pesticiden van 71° tot 87°, worden bij een cijfer en een groep ingedeeld op basis van volgende criteria:

1. Bij het bepalen van de giftigheidsgraad van een produkt dient rekening te worden gehouden met zijn invloed op de mens zoals die bij gevallen van accidentele vergiftiging werd vastgesteld, en de eigenschappen die eigen zijn aan deze of gene stof (vloeibare toestand, grote vluchtigheid, bijzondere geëigendheid voor opname via de huid, speciale biologische effekten).

2. Bij gebrek aan waarnemingen op de mens, wordt de giftigheidsgraad bepaald aan de hand van informatie die uit proefnemingen op dieren voortkomt, en dit overeenkomstig de volgende tabel:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2.1. Wanneer een stof verschillende giftigheidsgraden bezit voor twee of meer wijzen van opname in het lichaam, wordt voor de indeling de hoogste giftigheidsgraad in aanmerking genomen.

2.2. De stoffen die beantwoorden aan de criteria van klasse 8 en waarvan de giftigheid bij het inademen van stofdeeltjes en mist (LC50) overeenstemt met groep a), mogen enkel maar bij klasse 6.1 ingedeeld worden indien terzelfdertijd de giftigheid bij het inslikken of bij opname via de huid ten minste overeenstemt met groep a) of b). Anders moet de stof zo nodig bij de klasse 8 ingedeeld worden (zie voetnoot (¹) van randnummer 2800).

LD50-waarde voor de acute giftigheid bij het inslikken

2.3. Die dosis toegediende stof die de grootste kans biedt om binnen de 14 dagen de helft van een groep jonge volwassen mannelijke en vrouwelijke albinoratten te doden. Het aantal proefdieren moet voldoende groot zijn om statistisch betekenisvolle resultaten te bekomen en overeenstemmen met de goede farmacologische praktijk. Het resultaat wordt uitgedrukt in mg per kg lichaamsmassa.

LD50-waarde voor de acute giftigheid bij opname via de huid

2.4. Die dosis van een stof die de grootste kans biedt om binnen de 14 dagen de helft van een groep albinokonijnen te doden, wanneer ze gedurende 24 uur voortdurend in contact met hun naakte huid wordt gebracht. Het aantal proefdieren moet voldoende groot zijn om statistisch betekenisvolle resultaten te bekomen en overeenstemmen met de goede farmacologische praktijk. Het resultaat wordt uitgedrukt in mg per kg lichaamsmassa.

LC50-waarde voor de acute giftigheid bij het inademen

2.5. Die concentratie van damp, mist of stof die de grootste kans biedt om binnen de 14 dagen de helft van een groep jonge volwassen mannelijke en vrouwelijke albinoratten te doden, wanneer deze hem gedurende één uur voortdurend inademen. Indien het produkt aan de dieren wordt toegediend onder de vorm van stofdeeltjes of mist, moet tijdens de beproeving meer dan 90 % van de deeltjes een diameter hebben van 10 ìm of kleiner; dit op voorwaarde dat het niet onwaarschijnlijk is om te veronderstellen dat een mens gedurende het vervoer aan deeltjes met vergelijkbare afmetingen kan blootgesteld worden. Het resultaat wordt uitgedrukt in mg per liter lucht voor stofdeeltjes en mist en in ml per m3 lucht (ppm) voor dampen.

2.6. De giftigheidscriteria bij het inademen van stofdeeltjes en mist zijn gebaseerd op de LC50-waarde, bekomen na voortdurend inademen gedurende een uur; deze gegevens moeten gebruikt worden indien ze beschikbaar zijn. Wanneer echter alleen de gegevens betreffende de LC50-waarde na het inademen gedurende 4 uur bekend zijn, mogen deze waarden, na vermenigvuldigd te zijn met vier, in de plaats gesteld worden van het criterium hierboven; het viervoud van de LC50-waarde (4 uur) wordt m.a.w. geacht gelijkwaardig te zijn aan de LC50-waarde (1 uur).

Giftigheid bij inademen van dampen

3. Vloeistoffen die giftige dampen afgeven moeten bij de volgende groepen ingedeeld worden (V is de concentratie van de verzadigde damp in lucht bij 20 °C en bij normale atmosferische druk (in ml/m3 lucht):

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Deze giftigheidscriteria bij het inademen van dampen zijn gebaseerd op de LC50 waarde, bekomen na voortdurend inademen gedurende één uur; deze gegevens moeten gebruikt worden indien ze beschikbaar zijn.

Wanneer echter alleen de gegevens betreffende de LC50 waarde na het inademen gedurende 4 uur bekend zijn, mogen deze waarden, na vermenigvuldigd te zijn met twee, in de plaats gesteld worden van de criteria hierboven; het dubbele van de LC50 waarde (4 uur) wordt m.a.w. geacht gelijkwaardig te zijn aan de LC50 waarde (1 uur).

Giftigheid bij het inademen van dampen

Scheidingslijnen voor de groepen

>REFERENTIE NAAR EEN FILM>

Op deze afbeelding worden de giftigheidscriteria grafisch voorgesteld, teneinde het klasseren te vergemakkelijken. Omwille van het gebrek aan precisie, dat eigen is aan het gebruik van grafieken, moet de klassering van produkten die juist op of in de nabijheid van de scheidingslijnen vallen echter gecontroleerd worden met behulp van de numerische criteria.

Mengsels van vloeistoffen

4. De mengsels van vloeistoffen die giftig zijn bij het inademen moeten overeenkomstig de hiernavolgende gegevens bij de groepen ingedeeld worden:

4.1. Indien de LC50-waarde gekend is van iedere giftige stof die in het mengsel voorkomt, kan de groep als volgt bepaald worden:

a) Berekening van de LC50-waarde van het mengsel:

LC50 (mengsel) = waarin

fi = molaire fractie van de ide component van het mengsel,

LC50i = gemiddelde dodelijke concentratie van de ide component in ml/m3.

b) Berekening van de vluchtigheid van iedere component van het mengsel:

Vi = Pi × >NUM>106

>DEN>101,3

ml/m3

waarin

Pi = partieeldruk van de ide component bij 20 °C en bij de normale atmosferische druk, in kPa.

c) Berekening van de verhouding van de vluchtigheid tot de LC50:

R = d) De berekende waarden van LC50 (mengsel) en van R dienen dan om de groep van het mengsel vast te stellen:

Groep a): R ≥ 10 en LC50 (mengsel) ≤ 1 000 ml/m3.

Groep b): R ≥ 1 en LC50 (mengsel) ≤ 3 000 ml/m3, en het mengsel beantwoordt niet aan de criteria voorgroep a).

Groep c): R ≥ 1/5 en LC50 (mengsel) ≤ 5 000 ml/m3 en het mengsel beantwoordt niet aan de criteria voor groep a) of groep b).

4.2. Indien de LC50-waarde van de giftige componenten niet gekend is, kan het mengsel met behulp van de hiernavolgende vereenvoudigde beproevingen inzake de giftigheidsdrempels bij een groep ingedeeld worden. In dit geval dient de meest restrictieve groep bepaald, en voor het vervoer van het mengsel gebruikt te worden.

4.3. Een mengsel wordt slechts bij groep a) ingedeeld indien het aan de volgende twee criteria voldoet:

i) Een staal van het vloeibaar mengsel wordt verdampt en zodanig met lucht verdund dat een testatmosfeer bekomen wordt met 1 000 ml/m3 verdampt mengsel in de lucht. Tien albinoratten (vijf mannelijke en vijf vrouwelijke) worden gedurende een uur aan deze atmosfeer blootgesteld en vervolgens gedurende veertien dagen geobserveerd. Indien ten minste vijf van de dieren gedurende deze observatieperiode sterven, wordt aangenomen dat de LC50-waarde van het mengsel gelijk is aan of lager is dan 1 000 ml/m3.

ii) Een staal van de damp, in evenwicht met het vloeibaar mengsel wordt met negen gelijke volumes lucht verdund om een testatmosfeer te vormen. Tien albinoratten (vijf mannelijke en vijf vrouwelijke) worden gedurende een uur aan deze atmosfeer blootgesteld en vervolgens gedurende veertien dagen geobserveerd. Indien ten minste vijf van de dieren gedurende deze observatieperiode sterven, wordt aangenomen dat het mengsel een vluchtigheid bezit die gelijk is aan of groter is dan 10 maal de LC50-waarde van het mengsel.

4.4. Een mengsel wordt slechts bij groep b) ingedeeld indien het aan de volgende twee criteria voldoet, en niet aan de criteria van groep a):

i) Een staal van het vloeibaar mengsel wordt verdampt en zodanig met lucht verdund dat een testatmosfeer bekomen wordt met 3 000 ml/m3 verdampt mengsel in de lucht. Tien albinoratten (vijf mannelijke en vijf vrouwelijke) worden gedurende een uur aan deze atmosfeer blootgesteld en vervolgens gedurende veertien dagen geobserveerd. Indien ten minste vijf van de dieren gedurende deze observatieperiode sterven, wordt aangenomen dat de LC50-waarde van het mengsel gelijk is aan of lager is dan 3 000 ml/m3.

ii) Een staal van de damp, in evenwicht met het vloeibaar mengsel, wordt gebruikt om een testatmosfeer te vormen. Tien albinoratten (vijf mannelijke en vijf vrouwelijke) worden gedurende een uur aan de testatmosfeer blootgesteld en vervolgens gedurende veertien dagen geobserveerd. Indien ten minste vijf van de dieren gedurende deze observatieperiode sterven, wordt aangenomen dat het mengsel een vluchtigheid bezit die gelijk is aan of groter is dan de LC50-waarde van het mengsel.

4.5. Een mengsel wordt slechts bij groep c) ingedeeld indien het aan de volgende twee criteria voldoet, en niet aan de criteria van groep a) of van groep b):

i) Een staal van het vloeibaar mengsel wordt verdampt en zodanig met lucht verdund dat een testatmosfeer bekomen wordt met 5 000 ml/m3 verdampt mengsel in de lucht. Tien albinoratten (vijf mannelijke en vijf vrouwelijke) worden gedurende een uur aan deze atmosfeer blootgesteld en vervolgens gedurende veertien dagen geobserveerd. Indien ten minste vijf van de dieren gedurende deze observatieperiode sterven, wordt aangenomen dat de LC50-waarde van het mengsel gelijk is aan of lager is dan 5 000 ml/m3.

ii) De dampconcentratie (vluchtigheid) van het vloeibaar mengsel wordt gemeten; indien deze gelijk is aan, of groter is dan 1 000 ml/m3, wordt aangenomen dat het mengsel een vluchtigheid bezit die gelijk is aan, of groter is dan 1/5 van de LC50-waarde van het mengsel.

(4) Wanneer de stoffen van klasse 6.1 door het toevoegen van andere stoffen naar andere gevaarscategorieën overgaan dan diegene waartoe de in randnummer 2601 met name genoemde stoffen behoren, dienen deze mengsels of oplossingen ingedeeld te worden bij de cijfers en de groepen waartoe ze op basis van hun werkelijke gevaarseigenschappen behoren.

Opmerking: Zie ook randnummer 2002 (8) voor de classificatie van oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen).

(5) Op basis van de criteria van alinea (3) kan ook bepaald worden of de aard van een oplossing of mengsel, die met name genoemd is of een met name genoemde stof bevat, dusdanig is dat deze oplossing of dit mengsel niet onderworpen is aan de voorschriften van onderhavige klasse.

(6) De brandbare vloeistoffen die giftig zijn bij het inademen en waarvan het vlampunt lager is dan 23 °C (behalve de stoffen van 1° tot 10°) zijn stoffen van klasse 3 (zie randnummer 2301, 11° tot 19°).

(7) De brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 23 tot 61 °C (grenswaarden inbegrepen) die in geringe mate giftig zijn (behalve stoffen en preparaten die als pesticide gebruikt worden), zijn stoffen van klasse 3 (zie randnummer 2301).

(8) De voor zelfverhitting vatbare stoffen die in geringe mate giftig zijn, zijn stoffen van klasse 4.2 (zie randnummer 2431).

(9) De met water reagerende stoffen die in geringe mate giftig zijn, zijn stoffen van klasse 4.3 (zie randnummer 2471).

(10) De verbranding bevorderende stoffen die in geringe mate giftig zijn, zijn stoffen van klasse 5.1 (zie randnummer 2501).

(11) De stoffen die in geringe mate giftig en in geringe mate corrosief zijn, zijn stoffen van klasse 8 (zie randnummer 2801).

(12) Chemisch onstabiele stoffen van klasse 6.1 mogen slechts voor het vervoer aangeboden worden indien alle maatregelen werden getroffen die nodig zijn om een gevaarlijke ontbinding of polymerisatie tijdens het vervoer te verhinderen. Daartoe moet er in het bijzonder op toegezien worden dat de verpakkingen geen stoffen bevatten die deze reacties kunnen bevorderen.

(13) Voor de verpakkingsvoorschriften van randnummer 2606 (2), 2607 (4) en 2608 (3) worden de stoffen of mengsels van stoffen met smeltpunt boven 45 °C als vaste stoffen beschouwd.

(14) Het vlampunt, waarvan hierna sprake is, wordt bepaald zoals opgegeven in aanhangsel A.3.

A. Bij inademen zeer giftige stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C

die geen stoffen zijn van klasse 3

2601 1° Cyaanwaterstof (blauwzuur), gestabiliseerd:

1051 cyaanwaterstof, gestabiliseerd, met minder dan 3 % water, 1614 cyaanwaterstof, gestabiliseerd, met minder dan 3 % water en geabsorbeerd door een inerte poreuze stof.

Opmerkingen: 1. Op deze stof zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing [zie randnummer 2603 (1)].

2. Watervrij cyaanwaterstof dat niet aan deze voorwaarden voldoet mag niet vervoerd worden.

3. Cyaanwaterstof met minder dan 3 % water is stabiel indien de pH-waarde 2,5 ± 0,5 bedraagt en de vloeistof helder en kleurloos is.

2° Oplossingen van cyaanwaterstof:

1613 cyaanwaterstof, oplossing in water (cyaanwaterstofzuur), met ten hoogste 20 % cyaanwaterstof, 3294 cyaanwaterstof, oplossing in alcohol, met ten hoogste 45 % cyaanwaterstof.

Opmerkingen: 1. Op deze stoffen zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing [zie randnummer 2603 (2)].

2. Oplossingen van cyaanwaterstof die niet aan deze voorwaarden voldoen mogen niet vervoerd worden.

3° Volgende metaalcarbonylen:

1259 nikkeltetracabonyl, 1994 ijzerpentacarbonyl.

Opmerkingen: 1. Op deze stoffen zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing (zie randnummer 2604).

2. Andere metaalcarbonylen met een vlampunt lager dan 23 °C mogen niet vervoerd worden.

4° 1185 ethyleenimine, gestabiliseerd.

Opmerking: Op deze stof zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing [ zie randnummer 2605 (1)].

5° 2480 methylisocyanaat.

Opmerking: Op deze stof zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing [zie randnummer 2605 (2)].

6° Andere isocyanaten met een vlampunt lager dan 23 °C:

a) 2482 n-propylisocyanaat, 2484 tert-butylisocyanaat, 2485 n-butylisocyanaat.

7° Stikstofhoudende stoffen:

a) 1. 1163 dimethylhydrazine, asymmetrisch, 1244 methylhydrazine;

2. 2334 allylamine, 2382 dimethylhydrazine, symmetrisch.

8° Zuurstofhoudende stoffen:

a) 1092 acroleïne, gestabiliseerd, 1098 allylalcohol, 1143 crotonaldehyde, gestabiliseerd, 2606 methylorthosilicaat (tetramethoxysilaan).

9° Halogeenhoudende stoffen:

a) 1239 methylchloormethylether.

10° Corrosieve halogeenhoudende stoffen:

a) 1182 ethylchloorformiaat, 1238 methylchloorformiaat, 2407 isopropylchloorformiaat, 2438 trimethylacetylchloride (pivaloylchloride).

B. Organische stoffen met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

of niet-brandbare organische stoffen

Opmerking: Organische stoffen en preparaten die als pesticide gebruikt worden zijn stoffen van 71° tot 78° en 81° tot 87°.

11° Stikstofhoudende stoffen met een vlampunt tussen 23 en 61 °C, grenswaarden inbegrepen:

a) 3275 nitrilen, giftig, brandbaar, n.e.g.;

b) 2668 chlooracetonitril, 3073 vinylpyridinen, gestabiliseerd, 3275 nitrilen, giftig, brandbaar, n.e.g.

12° Stikstofhoudende stoffen met een vlampunt hoger dan 61 °C:

a) 1541 acetoncyaanhydrine, gestabiliseerd, 3276 nitrilen, giftig, n.e.g.;

b) 1547 aniline, 1577 chloordinitrobenzeen, 1578 chloornitrobenzenen, 1590 dichlooranilinen, 1596 dinitroanilinen, 1597 dinitrobenzenen, 1598 dinitro-o-cresol, 1599 dinitrofenol, oplossing, 1650 beta-naftylamine, 1652 naftylureum, 1661 nitroanilinen (O-, m-, p-), 1662 nitrobenzeen, 1664 nitrotoluenen (o-, m-, p-), 1665 nitroxylenen (o-, m-, p-), 1708 toluïdinen, 1711 xylidinen, 1843 ammoniumdinitro-o-cresolaat, 1885 benzidine, 2018 chlooranilinen, vast, 2019 chlooranilinen, vloeibaar, 2038 dinitrotoluenen, 2224 benzonitril, 2253 N,N-dimethylaniline, 2306 nitrobenzotrifluoriden, 2307 3-nitro-4-chloorbenzotrifluoride, 2522 dimethylaminoëthylmethacrylaat, 2572 fenylhydrazine, 2647 malonitril, 2671 aminopyridinen (o-, m-, p-), 2673 2-amino-4-chloorfenol, 2690 N,n-butylimidazol, 2738 N-butylaniline, 2754 N-ethyltoluïdinen, 2822 2-chloorpyridine, 3276 nitrilen, giftig, n.e.g.;

c) 1548 anilinehydrochloride, 1599 dinitrofenol, oplossing, 1663 nitrofenolen (o-, m-, p-), 1673 fenyleendiaminen (o-, m-, p-), 1709 2,4-toluyleendiamine, 2074 acrylamide, 2077 alfa-naftylamine, 2205 adiponitril, 2272 N-ethylaniline, 2273 2-ethylaniline, 2274 N-ethyl-N-benzylaniline, 2294 N-methylaniline, 2300 2-methyl-5-ethylpyridine, 2311 fenetidinen, 2431 anisidinen, 2432 N,N-dithylaniline, 2446 nitrocresolen, 2470 fenylacetonitril, vloeibaar (benzylcyanide), 2512 aminofenolen (o-, m-, p-), 2651 4,4'-diaminodifenylmethaan, 2656 chinoline, 2660 mononitrotoluïdinen, 2666 ethylcyaanacetaat, 2713 acridine, 2730 nitroanisol, 2732 nitrobroombenzeen, 2753 N-ethylbenzyltoludinen, 2873 dibutylaminothanol, 2941 fluoranilinen, 2942 2-trifluormethylaniline, 2946 2-amino-5-diëthylaminopentaan, 3276 nitrilen, giftig, n.e.g.

Opmerking: De isocyanaten met een vlampunt hoger dan 61 °C zijn stoffen van 19°.

13° Zuurstofhoudende stoffen met een vlampunt tussen 23 en 61 °C, grenswaarden inbegrepen:

a) 2521 diketeen, gestabiliseerd.

14° Zuurstofhoudende stoffen met een vlampunt hoger dan 61 °C:

b) 1594 diëthylsulfaat, 1671 fenol, vast, 2261 xylenolen, 2587 benzochinon, 2669 chloorcresolen, 2821 fenol, oplossing, 2839 adol (beta-hydroxbutyraldehyde);

c) 2369 ethyleenglycolmonobutylether, 2525 ethyloxalaat, 2609 triallylboraat, 2662 hydrochinon, 2716 butyndiol-1,4, 2821 fenol, oplossing, 2874 furfurylalcohol, 2876 resorcinol, 2937 alfa-methylbenzylalcohol, 2938 methylbenzoaat.

15° Halogeenhoudende koolwaterstoffen:

a) 1605 ethyleendibromide (1,2-dibroomethaan), 1647 methylbromide en ethyleendibromide, mengsel, vloeibaar, 2646 hexachloorcyclopentadieen;

Opmerking: Mengsels van ethyleendibromide (1,2-dibroomethaan) en methylbromide, met een dampspanning bij 50 °C hoger dan 300 kPa (3 bar), zijn stoffen van klasse 2 [zie randnummer 2201, 4°bt)].

b) 1669 pentachloorethaan, 1701 xylylbromide, 1702 1,1,2,2-tetrachloorethaan (acetyleentetachloride), 1846 tetrachloorkoolstof, 1886 benzylideenchloride, 1891 ethylbromide, 2322 trichloorbuteen, 2644 methyljodide, 2653 benzyljodide;

c) 1591 o-dichloorbenzeen, 1593 dichloormethaan (methyleenchloride), 1710 trichloorethyleen, 1887 broomchloormethaan, 1888 chloroform, 1897 tetrachloorethyleen (perchloorethyleen), 2279 hexa-chloorbutadieen, 2321 trichloorbenzenen, vloeibaar, 2504 tetrabroomethaan (acetyleentetrabromide), 2515 bromoform, 2516 tetrabroomkoolstof, 2664 dibroommethaan, 2688 1-broom-3-chloorpropaan, 2729 hexachloorbenzeen, 2831 1,1,1-trichloorethaan, 2872 dibroomchloorpropanen, 2875 hexachlorofeen.

Opmerking: Mengsels van methylchloride en dichloormethaan (methyleenchloride), met een dampspanning bij 50 °C hoger dan 300 kPa (3 bar), zijn stoffen van klasse 2 [zie randnummer 2201, 4°bt)].

16° Andere halogeenhoudende stoffen met een vlampunt tussen 23 en 61 °C, grenswaarden inbegrepen:

a) 1135 ethyleenchloorhydrine (2-chloorethanol), 2558 epibroomhydrine;

b) 1181 ethylchlooracetaat, 1569 broomaceton, 1603 ethylbroomacetaat, 1916 2,2'-dichloordiëthylether, 2023 epichloorhydrine, 2295 methylchlooracetaat, 2589 vinylchlooracetaat, 2611 1-chloorpropanol-2.

17° Andere halogeenhoudende stoffen met een vlampunt hoger dan 61 °C:

a) 1580 chloorpikrine, 1670 perchloormethylmercaptaan, 1672 fenylcarbylaminechloride, 1694 broombenzylcyanide, 2232 2-chloorethanal (chlooracetaldehyde), 2628 kaliumfluoracetaat, 2629 natriumfluoracetaat, 2642 fluorazijnzuur, 1583 chloorpicrine, mengsel, n.e.g., 1610 halogeenhoudende irriterende vloeistof, n.e.g.;

Opmerking: Mengsels van methylbromide of methylchloride met chloorpicrine, met een dampspanning bij 50 °C hoger dan 300 kPa (3 bar), zijn stoffen van klasse 2 [zie randnummer 2201, 4°at) of 4°bt)].

b) 1695 chlooraceton, gestabiliseerd, 1697 chlooracetofenon (fenacylchloride), 2075 chloral, watervrij, gestabiliseerd, 2490 dichloorisopropylether, 2552 hexafluoracetonhydraat, 2567 natriumpentachloorfenaat, 2643 methylbroomacetaat, 2645 fenacylbromide (omega-broomacetofenon), 2648 1,2-dibroombutanon-3, 2649 1,3-dichlooraceton, 2650 1,1-dichloor-1-nitroëthaan, 2750 1,3-dichloorpropanol-2 (alfa-dichloorhydrine), 2948 3-trifluormethylaniline, 3155 pentachloorfenol, 1583 chloorpicrine, mengsel, n.e.g., 1610 halogeenhoudende irriterende vloeistof, n.e.g.;

c) 1579 4-chloor-o-toluidine-hydrochloride, 2020 chloorfenolen, vast, 2021 chloorfenolen, vloeibaar, 2233 chlooranisidinen, 2235 chloorbenzylchloriden, 2237 chloornitroanilinen, 2239 chloortoluïdinen, 2299 methyldichlooracetaat, 2433 chloornitrotoluenen, 2533 methyltrichlooracetaat, 2659 natriumchlooracetaat, 2661 hexachlooraceton, 2689 glycerol-alfa-monochloorhydrine, 2747 tert-butylcyclohexylchloorformiaat, 2849 3-chloorpropanol-1, 2875 hexachlorofeen, 3241 2-broom-2-nitropropaan-1,3-diol, 1583 chloorpicrine, mengsel, n.e.g., 1610 halogeenhoudende irriterende vloeistof, n.e.g.

Opmerking: Chloorformiaten waarvan het corrosief karakter overweegt, zijn stoffen van klasse 8 [zie randnummer 2801, 64°].

18° Isocyanaten met een vlampunt tussen 23 en 61 °C, grenswaarden inbegrepen:

b) 2285 isocyanatobenzotrifluoriden, 2487 fenylisocyanaat, 2488 cyclohexylisocyanaat, 3080 isocyanaten, giftig, brandbaar, n.e.g. of 3080 isocyanaten, oplossing, giftig, brandbaar, n.e.g.

Opmerking: Oplossingen van deze isocyanaten, met een vlampunt lager dan 23 °C, zijn stoffen van klasse 3 [zie randnummer 2301, 14°b)].

19° Isocyanaten met een vlampunt hoger dan 61 °C:

b) 2078 2,4-toluyleendiisocyanaat en de isomere mengsels, 2236 3-chloor-4-methylfenylisocyanaat, 2250 dichloorfenylisocyanaten, 2281 hexamethyleendiisocyanaat, 2206 isocyanaten, giftig, n.e.g. of 2206 isocyanaten, oplossing, giftig, n.e.g.;

Opmerkingen: 1. Oplossingen van deze isocyanaten, met een vlampunt lager dan 23 °C, zijn stoffen van klasse 3 (zie randnummer 2301, 14°).

2. Oplossingen van deze isocyanaten, met een vlampunt tussen 23 en 61 °C, grenswaarden inbegrepen, zijn stoffen van 18°b).

c) 2290 isoforondiisocyanaat (3-isocyanatomethyl-3,5,5-trimethylcyclohexylisocyanaat), 2328 trimethylhexamethyleendiisocyanaat en de isomere mengsels, 2489 difenylmethaan-4,4'-diisocyanaat, 2206 isocyanaten, giftig, n.e.g. of 2206 isocyanaten, oplossing, giftig, n.e.g.

20° Zwavelhoudende stoffen met een vlampunt tussen 23 en 61 °C, grenswaarden inbegrepen:

a) 2337 fenylmercaptaan (thiofenol);

b) 1545 allylisothiocyanaat, gestabiliseerd, 2477 methylisothiocyanaat, 3023 tertoctylmercaptaan, 3071 mercaptanen, vloeibaar, giftig, brandbaar, n.e.g. of 3071 mercaptanen, mengsels, vloeibaar, giftig, brandbaar, n.e.g.

21° Zwavelhoudende stoffen met een vlampunt hoger dan 61 °C:

b) 1651 naftylthioureum, 2474 thiofosgeen, 2936 thiomelkzuur, 2966 thioglycol (mercaptoëthanal);

c) 2785 4-thiapentanal (3-methylmercaptopropionaldehyde).

22° Fosforhoudende stoffen met een vlampunt tussen 23 en 61 °C, grenswaarden inbegrepen:

a) 3279 organische fosforverbinding, giftig, brandbaar, n.e.g.;

b) 3279 organische fosforverbinding, giftig, brandbaar, n.e.g.

23° Fosforhoudende stoffen met een vlampunt hoger dan 61 °C:

a) 3278 organische fosforverbinding, giftig, n.e.g.;

b) 1611 hexaethyltetrafosfaat, 1704 tetraethyldithiopyrofosfaat, 2501 tris-(1-aziridinyl)-fosfineoxide, oplossing, 2574 tricresylfosfaat met meer dan 3 % van het ortho-isomeer, 3278 organische fosforverbinding, giftig, n.e.g.;

c) 2501 tris-(1-aziridinyl)-fosfineoxide, oplossing, 3278 organische fosforverbinding, giftig, n.e.g.

24° Giftige organische stoffen die in gesmolten toestand vervoerd worden:

b) 1. 1600 dinitrotoluenen, gesmolten, 2312 fenol, gesmolten;

2. 3250 chloorazijnzuur, gesmolten.

25° Organische stoffen en voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten, evenals oplossingen en mengsels van organische stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 1601 desinfectiemiddel, vast, giftig, n.e.g., 1602 kleurstof, vloeibaar, giftig, n.e.g. of 1602 tussenprodukt voor kleurstof, vloeibaar, giftig, n.e.g., 1693 traansgasgrondstof, vloeibaar of vast, n.e.g., 3142 desinfectiemiddel, vloeibaar, giftig, n.e.g., 3143 kleurstof, vast, giftig, n.e.g. of 3143 tussenprodukt voor kleurstof, vast, giftig, n.e.g., 2810 organische giftige vloeistof, n.e.g., 2811 organische giftige vaste stof, n.e.g.;

Opmerking: 2,3,7,8-tetrachloordibenzo-1,4-dioxine (TCDD) mag, in concentraties die volgens de criteria van randnummer 2600 (3) als zeer giftig beschouwd worden, niet vervoerd worden.

b) 2016 munitie, giftig, niet ontplofbaar, zonder verspreidingslading of uitstootlading en zonder ontsteker, 1601 desinfectiemiddel, vast, giftig, n.e.g., 1602 kleurstof, vloeibaar, giftig, n.e.g. of 1602 tussenprodukt voor kleurstof, vloeibaar, giftig, n.e.g., 1693 traangasgrondstof, vloeibaar of vast, n.e.g., 3142 desinfectiemiddel, vloeibaar, giftig, n.e.g., 3143 kleurstof, vast, giftig, n.e.g. of 3143 tussenprodukt voor kleurstof, vast, giftig, n.e.g., 2810 organische giftige vloeistof, n.e.g., 2811 organische giftige vaste stof, n.e.g.;

c) 2518 1,5,9-cyclododecatrieen, 2667 butyltoluenen, 1601 desinfectiemiddel, vast, giftig, n.e.g., 1602 kleurstof, vloeibaar, giftig, n.e.g., of 1602 tussenprodukt voor kleurstof, vloeibaar, giftig, n.e.g., 3142 desinfectiemiddel, vloeibaar, giftig, n.e.g., 3143 kleurstof, vast, giftig, n.e.g. of 3143 tussenprodukt voor kleurstof, vast, giftig, n.e.g., 2810 organische giftige vloeistof, n.e.g., 2811 organische giftige vaste stof, n.e.g.

26° Brandbare organische giftige stoffen en voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten, evenals oplossingen en mengsels van brandbare giftige organische stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 1. 2929 organische giftige vloeistof, brandbaar, n.e.g.;

2. 2930 organische giftige vaste stof, brandbaar, n.e.g.

Opmerking: Symmetrisch dichloormethylether (identificatienummer 2249) mag niet vervoerd worden.

b) 1. 2929 organische giftige vloeistof, brandbaar, n.e.g.;

2. 1700 traangaskaarsen, 2930 organische giftige vaste stof, brandbaar, n.e.g.

27° Corrosieve giftige organische stoffen en voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten, evenals oplossingen en mengsels van corrosieve giftige organische stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen):

a) 1595 dimethylsulfaat, 1752 chlooracetylchloride, 1889 cyaanbromide, 3246 methaansulfonylchloride, 2927 organische giftige vloeistof, corrosief, n.e.g., 2928 organische giftige vaste stof, corrosief, n.e.g.;

b) 1737 benzylbromide, 1738 benzylchloride, 1750 chloorazijnzuur, oplossing, 1751 verspreidingslading of uitstootlading en zonder ontsteker, 2022 cresylzuur, 2076 cresolen (o-, m-, p-), 2267 dimethylthiofosforylchloride, 2745 chloormethylchloorformiaat, 2746 fenylchloorformiaat, 2748 2-ethylhexylchloorformiaat, 3277 chloorformiaten, giftig, corrosief, n.e.g., 2927 giftige organische vloeistof, corrosief, n.e.g., 2928 giftige organische vaste stof, corrosief, n.e.g.

Opmerking: Chloorformiaten waarvan het corrosief karakter overweegt, zijn stoffen van klasse 8 (zie randnummer 2801, 64°).

28° Chloorformiaten, giftig, corrosief, brandbaar:

a) 1722 allylchloorformiaat, 2740 n-propylchloorformiaat;

b) 2743 n-butylchloorformiaat, 2744 cyclobutylchloorformiaat, 2742 chloorformiaten, giftig, corrosief, brandbaar, n.e.g.

Opmerking: Chloorformiaten waarvan het corrosief karakter overweegt, zijn stoffen van klasse 8 (zie randnummer 2801, 64°).

C. Organische metaalverbindingen en carbonylen

Opmerkingen: 1. Giftige organische metaalverbindingen, die als pesticiden gebruikt worden, zijn stoffen van 75° en 76°.

2. Voor zelfontbranding vatbare organische metaalverbindingen zijn stoffen van klasse 4.2 (zie randnummer 2431, 31° tot 33°).

3. Met water reagerende organische metaalverbindingen zijn stoffen van klasse 4.3 (zie randnummer 2471, 3°).

31° Organische loodverbindingen:

a) 1649 antiklopmengsel voor motorbrandstoffen (tetraëthyllood, tetramethyllood).

32° Organische tinverbindingen:

a) 2788 organische tinverbinding, vloeibaar, n.e.g., 3146 organische tinverbinding, vast, n.e.g.;

b) 2788 organische tinverbinding, vloeibaar, n.e.g., 3146 organische tinverbinding, vast, n.e.g.;

c) 2788 organische tinverbinding, vloeibaar, n.e.g., 3146 organische tinverbinding, vast, n.e.g..

33° Organische kwikverbindingen:

a) 2026 fenylkwikverbinding, n.e.g.;

b) 1674 fenylkwikacetaat, 1894 fenylkwikhydroxide, 1895 fenylkwiknitraat, 2026 fenylkwikverbinding, n.e.g.;

c) 2026 fenylkwikverbinding, n.e.g.

34° Organische arseenverbindingen:

a) 1698 difenylaminochloorarsine, 1699 difenylchloorarsine, 1892 ethyldichloorarsine, 3280 organische arseenverbinding, n.e.g.;

b) 3280 organische arseenverbinding, n.e.g.;

c) 2473 natriumarsanilaat, 3280 organische arseenverbinding, n.e.g.

35° Andere organische metaalverbindingen:

a) 3282 organische metaalverbinding, giftig, n.e.g.;

b) 3282 organische metaalverbinding, giftig, n.e.g.;

c) 3282 organische metaalverbinding, giftig, n.e.g.

36° Carbonylen:

a) 3281 metaalcarbonylen, n.e.g.;

b) 3281 metaalcarbonylen, n.e.g.;

c) 3281 metaalcarbonylen, n.e.g.

D. Anorganische stoffen die giftige gassen kunnen ontwikkelen in contact met water

(ook de luchtvochtigheid), met waterige oplossingen of met zuren,

en andere met water reagerende giftige stoffen

41° Anorganische cyaniden:

a) 1565 bariumcyanide, 1575 calciumcyanide, 1626 kalium-kwikcyanide, 1680 kaliumcyanide, 1689 natriumcyanide, 1713 zinkcyanide, 2316 natriumkoper(I)cyanide, vast, 2317 natriumkoper(I)cyanide, oplossing, 1588 cyaniden, anorganisch, vast, n.e.g., 1935 cyanide, oplg.;

b) 1587 kopercyanide, 1620 loodcyanide, 1636 kwikcyanide, 1642 kwikoxycyanide, geflegmatiseerd, 1653 nikkelcyanide, 1679 kaliumkoper(I)cyanide, 1684 zilvercyanide, 1588 cyaniden, anorganisch, vast, n.e.g., 1935 cyanide, oplossing, n.e.g.;

c) 1588 cyaniden, anorganisch, vast, n.e.g., 1935 cyanide, oplossing, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Ferricyaniden, ferrocyaniden, alkalische thiocyanaten en ammoniumthiocyanaat zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze richtlijn.

2. Oplossingen van anorganische cyaniden met een totaal gehalte aan cyanideionen van meer dan 30 % moeten bij de letter a) ingedeeld worden, deze met een totaal gehalte aan cyanide-ionen van meer dan 3 % en ten hoogste 30 % moeten bij de letter b) ingedeeld worden en deze met een totaal gehalte aan cyanideionen van meer dan 0,3 % en ten hoogste 3 % moeten bij de letter c) ingedeeld worden.

42° Aziden:

b) 1687 natriumazide.

Opmerkingen: 1. 1571 bariumazide, bevochtigd, is een stof van klasse 4.1 (zie randnummer 2401, 25°).

2. Droog bariumazide, of bariumazide met minder dan 50 % water of alcoholen, mag niet vervoerd worden.

43° Preparaten van fosfiden, die additieven bevatten om de ontwikkeling van brandbare gassen te vertragen:

a) 3048 aluminiumfosfide, pesticide.

Opmerkingen: 1. Deze preparaten mogen slechts vervoerd worden indien zij additieven bevatten om de ontwikkeling van brandbare gassen te vertragen.

2. 1397 Aluminiumfosfide, 2011 magnesiumfosfide, 1714 zinkfosfide, 1432 natriumfosfide, 1360 calciumfosfide en 2013 strontiumfosfide zijn stoffen van klasse 4.3 (zie randnummer 2471, 18°).

44° Andere met water reagerende giftige stoffen:

a) 3123 giftige vloeistof, met water reagerend, n.e.g., 3125 giftige vaste stof, met water reagerend, n.e.g.;

b) 3123 giftige vloeistof, met water reagerend, n.e.g., 3125 giftige vaste stof, met water reagerend, n.e.g.

Opmerking: De uitdrukking "met water reagerend" geeft een stof aan die in contact met water brandbare gassen ontwikkelt.

E. De andere anorganische stoffen en de metaalzouten van organische stoffen

51° Arseen en arseenverbindingen:

a) 1553 arseenzuur, vloeibaar, 1560 arseentrichloride, 1556 arseenverbinding, vloeibaar, n.e.g. (arsenaten, arsenieten en arseensulfiden), 1557 arseenverbinding, vast, n.e.g. (arsenaten, arsenieten en arseensulfiden);

b) 1546 ammoniumarsenaat, 1554 arseenzuur, vast, 1555 arseenbromide, 1558 arseen, 1559 arseenpentoxide, 1561 arseentrioxide, 1562 arseenstof, 1572 kakodylzuur, 1573 calciumarsenaat, 1574 calciumarsenaat en calciumarseniet, mengsel, vast, 1585 koperacetoarseniet, 1586 koperarseniet, 1606 ijzer(III)arsenaat, 1607 ijzer(III)arseniet, 1608 ijzer(II)arsenaat, 1617 loodarsenaten, 1618 loodarsenieten, 1621 London Purple, 1622 magnesiumarsenaat, 1623 kwik(II)arsenaat, 1677 kaliumarsenaat, 1678 kaliumarseniet, 1683 zilverarseniet, 1685 natriumarsenaat, 1686 natriumarseniet, oplossing in water, 1688 natriumkakodylaat, 1691 strontiumarseniet, 1712 zinkarsenaat of 1712 zinkarseniet of 1712 zinkarsenaat en zinkarseniet, mengsel, 2027 natriumarseniet, vast, 1556 arseenverbinding, vloeibaar, n.e.g. (arsenaten, arsenieten en arseensulfiden), 1557 arseenverbinding, vast, n.e.g. (arsenaten, arsenieten en arseensulfiden);

c) 1686 natriumarseniet, oplossing in water, 1556 arseenverbinding, vloeibaar, n.e.g. (arsenaten, arsenieten en arseensulfiden), 1557 arseenverbinding, vast, n.e.g., (arsenaten, arsenieten en arseensulfiden).

Opmerking: De stoffen en preparaten, die arseen bevatten en die als pesticiden gebruikt worden, zijn stoffen van 79°.

52° Kwikverbindingen:

a) 2024 kwikverbinding, vloeibaar, n.e.g., 2025 kwikverbinding, vast, n.e.g.;

b) 1624 kwik(II)chloride, 1625 kwik(II)nitraat, 1627 kwik(I)nitraat, 1629 kwikacetaat, 1630 kwikammoniumchloride, 1631 kwikbenzoaat, 1634 kwikbromiden, 1637 kwikgluconaat, 1638 kwikjodide, 1639 kwiknucleaat, 1640 kwikoleaat, 1641 kwikoxide, 1643 kwik-kaliumjodide, 1644 kwiksalicylaat, 1645 kwik(II)sulfaat, 1646 kwikthiocyanaat, 2024 kwikverbinding, vloeibaar, n.e.g., 2025 kwikverbinding, vast, n.e.g.;

c) 2024 kwikverbinding, vloeibaar, n.e.g., 2025 kwikverbinding, vast, n.e.g.

Opmerkingen: 1. De stoffen en preparaten, die kwik bevatten en die als pesticiden gebruikt worden, zijn stoffen van 75°.

2. Kwik(I)chloride (calomel) is een stof van klasse 9 [zie randnummer 2901, 12°c)]. Cinnaber is niet onderworpen aan de voorschriften van de richtlijn.

3. Kwikfulminaten mogen niet vervoerd worden.

53° Thalliumverbindingen:

b) 1707 thalliumverbinding, n.e.g.

Opmerkingen: 1. De stoffen en preparaten, die thallium bevatten en die als pesticiden gebruikt worden, zijn stoffen van 87°.

2. 2727 thalliumnitraat is een stof van 68°.

54° Beryllium en berylliumverbindingen:

b) 1. 1567 berylliumpoeder,

2. 1566 berylliumverbinding, n.e.g.;

c) 1566 berylliumverbinding, n.e.g.

Opmerking: 2464 berylliumnitraat is een stof van klasse 5.1 [zie rand nummer 2501,29°b)].

55° Seleen en seleenverbindingen:

a) 2630 selenaten of 2630 selenieten, 3283 seleenverbinding, n.e.g.;

b) 2657 seleendisulfide, 3283 seleenverbinding, n.e.g.

c) 2658 seleen, poeder, 3283 seleenverbinding, n.e.g.

Opmerking: 1905 seleenzuur is een stof van klasse 8 [zie randnummer 2801, 16°a)].

56° Osmiumverbindingen:

a) 2471 osmiumtetroxide.

57° Telluurverbindingen:

b) 3284 telluurverbinding, n.e.g.;

c) 3284 telluurverbinding, n.e.g.

58° Vanadiumverbindingen:

b) 2859 ammoniummetavanadaat, 2861 ammoniumpolyvanadaat, 2862 vanadiumpentoxide, niet omgesmolten, 2683 natriumammoniumvanadaat, 2864 kaliummetavanadaat, 2931 vanadylsulfaat, 3285 vanadiumverbinding, n.e.g.;

c) 3285 vanadiumverbinding, n.e.g.

Opmerkingen: 1. 2443 Vanadiumoxytrichloride, 2444 vanadiumtetrachloride en 2475 vanadiumtrichloride zijn stoffen van klasse 8 (zie randnummer 2801, 11° en 12°).

2. Gesmolten en gestold vanadiumpentoxide is niet onderworpen aan de voorschriften van de richtlijn.

59° Antimoon en antimoonverbindingen:

c) 1550 antimoonlactaat, 1551 antimoon-kaliumtartraat, 2871 antimoonpoeder, 1549 anorganische antimoonverbinding, vast, n.e.g., 3141 anorganische antimoonverbinding, vloeibaar, n.e.g.

Opmerkingen: 1. 1730 antimoonpentafluoride, vloeibaar, 1731 antimoonpentafluoride, oplossing, 1733 antimoontrichloride en 1732 antimoonpentafluoride zijn stoffen van klasse 8 (zie randnummer 2801, 10°, 11° en 12°).

2. De antimoonoxiden en antimoonsulfide met een arseengehalte dat niet hoger is dan 0,5 % van de totale massa, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van de richtlijn.

60° Bariumverbindingen:

b) 1564 bariumverbinding, n.e.g.;

c) 1884 bariumoxide, 1564 bariumverbinding, n.e.g.

Opmerkingen: 1. 1445 Bariumchloraat, 1446 bariumnitraat, 1447 bariumperchloraat, 1448 bariumpermanganaat en 1449 bariumperoxide zijn stoffen van klasse 5.1 (zie randnummer 2501, 29°).

2. 1571 Bariumazide, bevochtigd, is een stof van klasse 4.1 (zie randnummer 2401, 25°).

3. Bariumstearaat, bariumsulfaat en bariumtitanaat zijn niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR.

61° Cadmiumverbindingen:

a) 2570 cadmiumverbinding;

b) 2570 cadmiumverbinding;

c) 2570 cadmiumverbinding.

Opmerking: Cadmiumpigmenten zoals cadmiumsulfiden, cadmiumsulfo seleniden en cadmiumzouten van hogere vetzuren (bijvoorbeeld cadmiumstearaat) zijn niet onderworpen aan de voorschriften van de richtlijn.

62° Loodverbindingen:

c) 1616 loodacetaat, 2291 loodverbinding, oplosbaar, n.e.g.

Opmerkingen: 1. 1469 Loodnitraat en 1470 loodperchloraat zijn stoffen van klasse 5.1 (zie randnummer 2501, 29°).

2. Loodzouten en loodpigmenten die, wanneer ze in een verhouding van 1 tot 1 000 met zoutzuur van 0,07 M gemengd worden, slechts voor ten hoogste 5 % oplossen na gedurende één uur bij 23 °C ± 2 °C geroerd te zijn, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van de richtlijn.

63° In water oplosbare fluoriden:

c) 1690 natriumfluoride, 1812 kaliumfluoride, 2505 ammoniumfluoride.

Opmerking: Corrosieve fluoriden zijn stoffen van klasse 8 (zie randnummer 2801, 6° tot 10°).

64° Fluorosilicaten:

c) 2655 kaliumfluorosilicaat, 2674 natriumfluorosilicaat, 2853 magnesiumfluorosilicaat, 2954 ammoniumfluorosilicaat, 2855 zinkfluorosilicaat, 2856 fluorosilicaten, n.e.g.

65° Anorganische stoffen, evenals oplossingen en mengsels van anorganische stoffen (zoals preparaten en afvalstoffen), die niet bij een andere collectieve rubriek ingedeeld kunnen worden:

a) 3287 giftige anorganische vloeistof, n.e.g., 3288 giftige anorganische vaste stof, n.e.g.;

b) 3243 vaste stoffen die giftige vloeistof bevatten, n.e.g., 3287 giftige anorganische vloeistof, n.e.g., 3288 giftige anorganische vaste stof, n.e.g.

Opmerking: Mengsels van vaste stoffen, die niet onderworpen zijn aan de voorschriften van de richtlijn, met giftige vloeistoffen, mogen met het identificatienummer 3243 vervoerd worden zonder dat er eerst de indelingscriteria van klasse 6.1 op worden toegepast; dit op voorwaarde dat geen overtollige vloeistof zichtbaar is op het moment dat de stof wordt geladen of dat de verpakking of de transporteenheid wordt gesloten. Elke verpakking moet overeenstemmen met een constructietype dat met goed gevolg de dichtheidsbeproeving voor verpakkingsgroep II heeft doorstaan. Dit identificatienummer mag niet gebruikt worden voor vaste stoffen die een bij de letter a) ingedeelde vloeistof bevatten.

c) 3293 hydrazine, oplossing in water, met ten hoogste 37 massa- % hydrazine, 3287 giftige anorganische vloeistof, n.e.g., 3288 giftige anorganische vaste stof, n.e.g.

Opmerking: 2030 Hydrazinehydraat en 2030 hydrazine, oplossing in water, met ten minste 37 en ten hoogste 64 massa- % hydrazine zijn stoffen van klasse 8 [zie randnummer 2801, 44°b)].

66° Voor zelfverhitting vatbare giftige stoffen:

a) 3124 giftige vaste stof, voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g.;

b) 3124 giftige vaste stof, voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g.

67° Corrosieve giftige stoffen:

a) 3289 giftige anorganische vloeistof, corrosief, n.e.g.; 3290 giftige anorganische vaste stof, corrosief, n.e.g.;

b) 3289 giftige anorganische vloeistof, corrosief, n.e.g." 3290 giftige anorganische vaste stof, corrosief, n.e.g.

68° Giftige stoffen die de verbranding bevorderen:

a) 3086 giftige vaste stof, verbranding bevorderend, n.e.g., 3122 giftige vloeistof, verbranding bevorderend, n.e.g.;

b) 2727 thalliumnitraat, 3086 giftige vaste stof, verbranding bevorderend, n.e.g., 3122 giftige vloeistof, verbranding bevorderend, n.e.g.

F. Stoffen en preparaten die als pesticide gebruikt worden

Opmerkingen: 1. De als pesticide gebruikte brandbare vloeistoffen en vloeibare preparaten, die zeer giftig, giftig of in geringe mate giftig zijn en die een vlampunt hebben van minder dan 23 °C, zijn stoffen van klasse 3 (zie randnummer 2301, 41° tot 57°).

2. a) Voorwerpen, doordrenkt met pesticiden van 71° tot 87° (zoals kartonnen borden, banden papier, wattenbollen, kunststofplaten, enz.) en verpakt in luchtdichte omhulsels, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van de richtlijn.

b) Stoffen zoals lokaas of zaad, die doordrenkt werden met pesticiden van 71° tot 87° ofmet andere stoffen van klasse 6.1, moeten op basis van hun giftigheid ingedeeld worden [zie randnummer 2600 (3) en onderstaande opmerking 3].

71° tot 87°: Bij deze cijfers zijn de stoffen en preparaten die als pesticide gebruikt worden in een tabel ingedeeld bij de met de letters a), b) en c) aangeduide groepen:

a) zeer giftige stoffen en preparaten;

b) giftige stoffen en preparaten;

c) stoffen en preparaten die in geringe mate giftig zijn.

Opmerkingen: 1. De aktieve stoffen en hun preparaten, die als pesticide gebruikt worden, worden bij letter a), b) of c) van 71° tot 87° ingedeeld op basis van randnummer 2600 (3).

2. Indien enkel de LD50-waarde van de aktieve stof bekend is, maar die van elk van zijn preparaten niet, mogen die preparaten bij a), b) of c) van 71° tot 87° ingedeeld worden met behulp van de volgende tabellen; de cijfers die in de kolommen a), b) en c) van 71° tot 87° voorkomen slaan op de percentages van de aktieve verdelgingsstof in de preparaten.

3. De hierna volgende tabellen hebben tot doel om het gamma aan te geven van de pesticiden en hun preparaten, die thuishoren bij de verschillende groepen in functie van de concentratie van de actieve stof. Indien de LD50-waarde van het preparaat gekend is, en de groep die via de toepassing van de criteria van randnummer 2600 (3) wordt bekomen niet overeenstemt met de groep die in de hierna volgende tabellen in functie van de concentratie van de actieve stof in het preparaat is aangegeven, heeft de groep die overeenkomstig de criteria van randnummer 2600 (3) werd bekomen voorrang.

4. Voor elke stof die in de lijst niet met name genoemd is en waarvan men alleen de LD50-waarde van de actieve stof kent maar niet die van de diverse preparaten, kan een preparaat op basis van de tabel in randnummer 2600 (3) ingedeeld worden; dit met behulp van een LD50-waarde die verkregen wordt door de LD50-waarde van de werkzame stof te vermenigvuldigen met 100/X (waarin X staat voor het massa-percentage van de actieve stof), volgens de formule:

LD50-waarde van het preparaat = >NUM>LD50-waarde van de aktieve stof × 100

>DEN>massa-% van de aktieve stof

5. De in bovenstaande opmerkingen 2, 3 en 4 aangegeven methodes mogen niet gebruikt worden voor de indeling van preparaten waarin additieven voorkomen die de giftigheid van de aktieve stof benvloeden, of waarin verscheidene aktieve stoffen aanwezig zijn. In die gevallen moet de indeling volgens de criteria van randnummer 2600 (3) geschieden op basis van de LD50-waarde van het betrokken preparaat. Indien deze LD50-waarde niet bekend is, wordt het preparaat bij 71° tot 87° ingedeeld bij de letter a).

71° 2783 pesticide, organische fosforverbinding, vast, giftig,

3017 pesticide, organische fosforverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C,

3018 pesticide, organische fosforverbinding, vloeibaar, giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

72° 2761 pesticide, organische chloorverbinding, vast, giftig,

2995 pesticide, organische chloorverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C,

2996 pesticide, organische chloorverbinding, vloeibaar, giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

73° 2765 pesticide, fenoxyverbinding, vast, giftig,

2999 pesticide, fenoxyverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C,

3000 pesticide, fenoxyverbinding, vloeibaar, giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

74° 2757 pesticide, carbamaat, vast, giftig,

2991 pesticide, carbamaat, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C,

2992 pesticide, carbamaat, vloeibaar, giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

75° 2777 pesticide, kwikverbinding, vast, giftig,

3011 pesticide, kwikverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C,

3012 pesticide, kwikverbinding, vloeibaar, giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

76° 2786 pesticide, organische tinverbinding, vast, giftig,

3019 pesticide, organische tinverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C,

3020 pesticide, organische tinverbinding, vloeibaar, giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

77° 3025 pesticide, coumarinverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C,

3026 pesticide, coumarinverbinding, vloeibaar, giftig,

3027 pesticide, coumarinverbinding, vast, giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

78° 2781 pesticide, bipyridylverbinding, vast, giftig,

3015 pesticide, bipyridylverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C,

3016 pesticide, pyridylverbinding, vloeibaar, giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

79° 2759 pesticide, arseenverbinding, vast, giftig,

2993 pesticide, arseenverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C,

2994 pesticide, arseenverbinding, vloeibaar, giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

80° 2775 pesticide, koperverbinding, vast, giftig,

3009 pesticide, koperverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C,

3010 pesticide, koperverbinding, vloeibaar, giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

81° 2779 pesticide, met gesubstitueerd nitrofenol, vast, giftig,

3013 pesticide, met gesubstitueerd nitrofenol, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C,

3014 pesticide, met gesubstitueerd nitrofenol, vloeibaar, giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

82° 2763 pesticide, triazineverbinding, vast, giftig,

2997 pesticide, triazineverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C,

2998 pesticide, triazineverbinding, vloeibaar, giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

83° 2769 pesticide, benzoëzuurverbinding, vast, giftig,

3003 pesticide, benzozuurverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C,

3004 pesticide, benzoëzuurverbinding, vloeibaar, giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

84° 2773 pesticide, ftaalimideverbinding, vast, giftig,

3007 pesticide, ftaalimideverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C,

3008 pesticide, ftaalimideverbinding, vloeibaar, giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

85° 2767 pesticide, fenylureumverbinding, vast, giftig,

3001 pesticide, fenylureumverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C,

3002 pesticide, fenylureumverbinding, vloeibaar, giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

86° 2771 pesticide, dithiocarbamaat, vast, giftig,

3005 pesticide, dithiocarbamaat, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C,

3006 pesticide, dithiocarbamaat, vloeibaar, giftig, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

87° De pesticiden die niet bij 71° tot 86° kunnen ingedeeld worden:

2588 pesticide, vast, giftig, n.e.g.,

2902 pesticide, vloeibaar, giftig, n.e.g.,

2903 pesticide, vloeibaar, giftig, brandbaar, n.e.g., met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C, zoals:

organische stikstofverbindingen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

alkaloïden

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

andere organische metaalverbindingen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

andere organische fluorverbindingen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

anorganische thalliumverbindingen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

andere pesticiden

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

pyrethrinoïden

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Opmerking: Pesticiden op basis van aluminiumfosfide zijn stoffen van 43°a).

G. Aktieve stoffen, zoals die welke bestemd zijn voor laboratoria, voor proefnemingen

en voor de aanmaak van farmaceutische produkten, indien ze niet opgesomd zijn

bij andere cijfers van onderhavige klasse

90° Aktieve stoffen, zoals:

a) 1570 brucine, 1692 strychnine of 1692 strychninezouten,

1544 alkaloïden, vast, n.e.g. of 1544 alkaloïdezouten, vast, n.e.g.,

1655 nicotineverbinding, vast, n.e.g. of 1655 nicotinepreparaat, vast, n.e.g.,

3140 alkaloïden, vloeibaar, n.e.g. of 3140 alkaloïdezouten, vloeibaar, n.e.g.,

3144 nicotineverbinding, vloeibaar, n.e.g. of 3144 nicotinepreparaat, vloeibaar, n.e.g.,

3172 toxinen, gewonnen uit levende organismen, n.e.g.;

b) 1654 nicotine, 1656 nicotinehydrochloride of 1656 nicotinehydrochloride, oplossing, 1657 nicotinesalicylaat, 1658 nicotinesulfaat, vast of 1658 nicotinesulfaat, oplossing, 1659 nicotinetartraat,

1544 alkaloden, vast, n.e.g. of 1544 alkaloïdezouten, vast, n.e.g.,

1655 nicotineverbinding, vast, n.e.g. of 1655 nicotinepreparaat, vast, n.e.g.,

1851 geneesmiddel, vloeibaar, giftig, n.e.g.,

3140 alkaloïden, vloeibaar, n.e.g. of 3140 alkaloïdezouten, vloeibaar, n.e.g.,

3144 nicotineverbinding, vloeibaar, n.e.g. of 3144 nicotinepreparaat, vloeibaar, n.e.g.,

3172 toxinen, gewonnen uit levende organismen, n.e.g.,

3249 geneesmiddel, vast, giftig, n.e.g.;

c) 1544 alkaloïden, vast, n.e.g. of 1544 alkaloïdezouten, vast, n.e.g.,

1655 nicotineverbinding, vast, n.e.g. of 1655 nicotinepreparaat, vast, n.e.g.,

1851 geneesmiddel, vloeibaar, giftig, n.e.g.,

3140 alkaloïden, vloeibaar, n.e.g. of 3140 alkaloïdezouten, vloeibaar, n.e.g.,

3144 nicotineverbinding, vloeibaar, n.e.g. of 3144 nicotinepreparaat, vloeibaar, n.e.g.,

3172 toxinen, gewonnen uit levende organismen, n.e.g.,

3249 geneesmiddel, vast, giftig, n.e.g.

Opmerkingen: 1. De aktieve stoffen, evenals de verwrijvingen of mengsels van stoffen van 90° met andere stoffen moeten op basis van hun giftigheid ingedeeld worden [zie randnummer 2600 (3)].

2. Gebruiksklare farmaceutische produkten, bijvoorbeeld cosmetica en geneesmiddelen, die normalerwijze stoffen van 90° zouden zijn, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van de richtlijn indien ze voor persoonlijk of huishoudelijk gebruik vervaardigd worden en verpakt in verpakkingen die bestemd zijn voor de detailhandel of distributie.

3. De stoffen en preparaten die alkaloïden of nicotine bevatten en die als pesticide gebruikt worden, zijn stoffen van 87°.

H. Lege verpakkingen

Opmerking: Lege verpakkingen, waarop aan de buitenzijde nog resten van hun vorige inhoud kleven, mogen niet vervoerd worden.

91° Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote recipiënten voor losgestortvervoer (IBC's), lege tankvoertuigen, lege afneembare tanks, lege laadketels, lege voertuigen en lege laadkisten voor losgestort vervoer, die stoffen van klasse 6.1 hebben bevat.

2601a Indien ze vervoerd worden overeenkomstig de onderstaande bepalingen, zijn de stoffen die bij b) en c) van 11°, 12°, 14° tot 28°, 32° tot 36°, 41°, 42°, 44°, 51° tot 55°, 57° tot 68°, 71° tot 87° en 90° ingedeeld zijn, niet onderworpen aan de voorschriften die deze bijlage en bijlage B voor onderhavige klasse voorzien:

a) stoffen die bij b) van elk cijfer ingedeeld zijn:

- tot 500 ml per binnenverpakking en tot 2 liter per collo voor vloeistoffen;

- tot 1 kg per binnenverpakking en tot 4 kg per collo voor vaste stoffen;

b) stoffen die bij c) van elk cijfer ingedeeld zijn:

- tot 3 liter per binnenverpakking en tot 12 liter per collo voor vloeistoffen;

- tot 6 kg per binnenverpakking en tot 24 kg per collo voor vaste stoffen.

Die hoeveelheden stoffen moeten worden vervoerd in samengestelde verpakkingen die ten minste beantwoorden aan de voorschriften van randnummer 3538.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van randnummer 3500 (1), (2) en (5) tot (7) moeten in acht genomen worden.

2. Voorschriften

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

2602 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.5, behalve voor die stoffen waarvoor er in randnummers 2603 tot 2608 individuele verpakkings voorschriften voorzien zijn.

(2) De grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.6.

(3) Volgens de bepalingen van randnummers 2600 (3) en 3511 (2) of 3611 (2) moeten de volgende verpakkingen gebruikt worden:

- verpakkingen van de verpakkingsgroep I, gemerkt met de letter "X", voor de zeer giftige stoffen ingedeeld bij a) van elk cijfer;

- verpakkingen van de verpakkingsgroepen II of I, respectievelijk gemerkt met de letter "Y" of "X", of IBC's van de verpakkingsgroep II, gemerkt met de letter "Y", voor de giftige stoffen ingedeeld bij b) van elk cijfer;

- verpakkingen van de verpakkingsgroepen III, II of I, respectievelijk gemerkt met de letter "Z", "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep III of II, respectievelijk gemerkt met de letter "Z" of "Y", voor de in geringe mate giftige stoffen ingedeeld bij c) van elk cijfer.

Opmerking: Zie aanhangsel B voor het vervoer van stoffen van klasse 6.1 in tankvoertuigen, afneembare tanks en laadketels en voor het losgestort vervoer van vaste stoffen van deze klasse.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

2603 (1) Gestabiliseerd cyaanwaterstof van 1° moet als volgt verpakt worden:

a) Indien het volledig geabsorbeerd is door een poreuze inerte stof, moet het verpakt worden in stevige metalen recipiënten met een inhoud van ten hoogste 7,5 liter; deze moeten derwijze in houten kisten geplaatst worden dat er geen onderling contact mogelijk is. Voornoemde samengestelde verpakking moet voldoen aan de volgende voorschriften:

1. de recipiënten dienen te worden beproefd bij een manometerdruk van ten minste 0,6 MPa (6 bar);

2. de recipiënten moeten volledig gevuld zijn met de poreuze stof; zelfs na langdurig gebruik of na schokken (en dit bij een temperatuur die 50 °C kan bereiken) mag deze niet in elkaar zakken of gevaarlijke holten vormen. De vuldatum moet onuitwisbaar op het deksel van elk recipiënt aangebracht worden;

3. de samengestelde verpakking moet overeenkomstig de voorschriften van aanhangsel A.5 voor verpakkingsgroep I beproefd en goedgekeurd zijn. Een collo mag niet meer wegen dan 120 kg.

b) Indien het blauwzuur vloeibaar is, maar niet geabsorbeerd door een poreuze stof, moet het verpakt worden in drukflessen uit koolstofstaal; deze flessen moeten voldoen aan de volgende voorschriften:

1. de drukflessen dienen vóór hun indienstname, en daarna uiterlijk om de twee jaar, onderworpen te worden aan een hydraulische drukproef bij een manometerdruk van ten minste 10 MPa (100 bar). De drukproef gaat gepaard met een grondig onderzoek van de binnenkant van het recipiënt en met een nazicht van zijn tarra;

2. de drukflessen moeten voldoen aan de desbetreffende voorschriften van klasse 2 [zie randnummers 2211, 2212 (1)a), 2213, 2215 en 2218];

3. de massa van het produkt mag niet meer bedragen dan 0,55 kg per liter inhoud.

(2) Oplossingen van cyaanwaterstof van 2° moeten verpakt worden in dichtgesmolten glazen ampullen met een inhoud van ten hoogste 50 g of in hermetisch gesloten glazen flessen met een inhoud van ten hoogste 250 g.

De ampullen en de flessen worden, met behulp van als buffer dienende absorberende vulstoffen, vastgezet in:

a) hetzij dichte buitenverpakkingen uit staal of uit aluminium; een dergelijk collo mag niet meer dan 15 kg wegen;

b) hetzij houten kisten met een dichte binnenbekleding uit blik; een dergelijk collo mag niet meer dan 75 kg wegen.

Deze samengestelde verpakkingen moeten overeenkomstig de voorschriften van aanhangsel A.5 voor verpakkingsgroep I beproefd en goedgekeurd zijn.

2604 IJzerpentacarbonyl en nikkeltetracarbonyl van 3° moeten verpakt worden in:

(1) gegoten flessen zonder las uit zuiver aluminium, met een inhoud van ten hoogste 1 liter en een wanddikte van ten minste 1 mm; deze flessen moeten bij een manometerdruk van ten minste 1 MPa (10 bar) beproefd zijn en afgesloten worden door middel van een metalen stop met schroefdraad en met een inerte pakking. De stop wordt stevig in de hals van de fles geschroefd en zodanig vastgezet dat ze onder normale vervoersvoorwaarden niet kan loskomen. Deze aluminiumflessen mogen met behulp van niet-brandbare en absorberende vulstoffen vastgezet worden in een houten of kartonnen buitenverpakking.

Een dergelijke samengestelde verpakking mag ten hoogste vier flessen bevatten, en moet overeenstemmen met een prototype dat overeenkomstig de voorschriften van aanhangsel A.5 voor verpakkingsgroep I beproefd en goedgekeurd is.

Een collo mag niet meer wegen dan 10 kg;

(2) metalen recipiënten met volkomen dichte afsluitinrichtingen, die - indien nodig - door beschermdoppen tegen mechanische beschadiging beveiligd worden. De wanddikte van stalen recipiënten met een inhoud van ten hoogste 150 liter moet ten minste 3 mm bedragen; de minimale wanddikte van grotere recipiënten en van recipiënten in andere materialen moet een gelijkwaardige mechanische weerstand waarborgen. De maximaal toegelaten inhoud van de recipiënten is 250 liter. De massa van het produkt mag niet meer bedragen dan 1 kg per liter inhoud.

De recipiënten dienen vóór hun indienstname, en daarna uiterlijk om de vijf jaar, onderworpen te worden aan een hydraulische drukproef bij een manometerdruk van ten minste 1 MPa (10 bar). De drukproef gaat gepaard met een grondig onderzoek van de binnenkant van het recipiënt en met een nazicht van zijn tarra. Op de metalen recipiënten moeten de volgende opschriften goed leesbaar en blijvend voorkomen:

a) de voluit geschreven benaming van de stof (bij afwisselend gebruik mogen de benamingen van de twee stoffen naast elkaar geplaatst worden);

b) de naam van de eigenaar van het recipiënt;

c) de tarra van het recipiënt, met inbegrip van de toebehoren zoals kleppen, beschermdoppen, enz.;

d) de datum (maand en jaar) van de eerste en van de laatste beproeving, en het waarmerk van de deskundige die deze beproevingen heeft verricht;

e) de maximaal toegelaten massa produkt die het recipiënt mag bevatten (in kg);

f) de bij de hydraulische drukproef toe te passen inwendige druk (proefdruk).

2605 (1)

a) Gestabiliseerd ethyleenimine van 4° moet verpakt worden in stalen recipiënten met een voldoende wanddikte; deze worden afgesloten door middel van een geschroefde spon of stop, die met behulp van een als dichting dienende geschikte pakking zowel voor de vloeistof als voor de damp ondoorlaatbaar gemaakt worden. De recipiënten dienen vóór hun indienstname, en daarna uiterlijk om de vijf jaar, onderworpen te worden aan een drukproef bij een manometerdruk van ten minste 0,3 MPa (3 bar), overeenkomstig de randnummers 2215 (1) en 2216.

Elk recipiënt moet, met behulp van als buffer dienende absorberende stoffen, vastgezet worden in een stevige en dichte metalen beschermverpakking. Deze beschermverpakking moet hermetisch gesloten zijn en haar sluiting dient beveiligd te zijn tegen elke ontijdige opening. De massa produkt mag niet meer bedragen dan 0,67 kg per liter inhoud. Een collo mag niet meer wegen dan 75 kg. Colli die meer dan 30 kg wegen moeten van inrichtingen voor het vastgrijpen voorzien zijn, behalve indien ze als wagenlading worden verzonden.

b) Gestabiliseerd ethyleenimine van 4° mag ook verpakt worden in stalen recipiënten met een voldoende wanddikte; deze dienen gesloten te worden door middel van een geschroefde spon of beschermstop of door middel van een gelijkwaardige inrichting, die zowel voor vloeistof als voor damp zijn afgedicht. De recipiënten moeten vóór hun indienstname, en daarna uiterlijk om de vijf jaar, beproefd worden bij een druk van ten minste 1 MPa (10 bar) (manometerdruk) volgens randnummers 2215(1) en 2216. De massa produkt mag niet meer bedragen dan 0,67 kg per liter inhoud. Een collo mag niet meer wegen dan 75 kg.

c) Op de recipiënten volgens a) en b) moeten de volgende opschriften goed leesbaar en blijvend voorkomen:

- de naam of het merk van de fabrikant en het nummer van het recipiënt;

- de aanduiding "ethyleenimine";

- de tarra van het recipiënt en de maximaal toegelaten massa van het recipiënt in gevulde toestand;

- de datum (maand en jaar) van de eerste en van de laatste beproeving;

- het waarmerk van de deskundige die de beproevingen en nazichten heeft verricht.

(2) Methylisocyanaat van 5° moet verpakt worden:

a) hetzij in hermetisch gesloten recipiënten uit zuiver aluminium met een inhoud van ten hoogste 1 liter, die tot niet meer dan 90 % van hun inhoud mogen gevuld worden. Deze recipiënten worden met behulp van geschikte vulmiddelen vastgezet in een houten kist; elke kist mag ten hoogste 10 recipiënten bevatten. Een dergelijk collo moet voldoen aan de beproevingseisen van randnummer 3538 voor samengestelde verpakkingen en verpakkingsgroep I, en mag niet meer wegen van 30 kg;

b) hetzij in recipiënten uit zuiver aluminium met een wanddikte van ten minste 5 mm of in recipiënten uit roestvrij staal; ze moeten volledig gelast zijn en vóór hun indienstname, en daarna uiterlijk om de vijf jaar, beproefd worden bij een druk van ten minste 0,5 MPa (5 bar) (manometerdruk) volgens randnummers 2215(1) en 2216. Zij moeten hermetisch gesloten worden door middel van twee boven elkaar gelegen sluitingen, waarvan er een geschroefd of op gelijkwaardige manier bevestigd moet zijn. De vullingsgraad mag niet meer bedragen dan 90 %.

Vaten die meer dan 100 kg wegen, dienen voorzien te worden van rolbanden of rolbiezen.

c) op de recipiënten volgens b) moeten de volgende opschriften goed leesbaar en (vervolg) blijvend voorkomen:

- de naam of het merk van de fabrikant en het nummer van het recipiënt;

- de aanduiding "methylisocyanaat";

- de tarra van het recipiënt en de maximaal toegelaten massa van het recipiënt in gevulde toestand;

- de datum (maand en jaar) van de eerste en van de laatste beproeving;

- het waarmerk van de deskundige die de beproevingen en nazichten heeft verricht.

2606 (1) De stoffen die bij a) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn moeten als volgt verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten uit kunststof met niet-afneembaar deksel en met een maximale inhoud van 60 liter of in jerrycans uit kunststof met niet-afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof), die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen met binnenverpakkingen van glas, kunststof of metaal, die beantwoorden aan randnummer 3538.

(2) Stoffen die luidens de definitie van randnummer 2600 (13) vast zijn, mogen bovendien als volgt verpakt worden;

a) hetzij in vaten met afneembaar deksel, vervaardigd uit staal (beantwoordend aan randnummer 3520), uit aluminium (beantwoordend aan randnummer 3521), uit multiplex (beantwoordend aan randnummer 3523), uit karton (beantwoordend aan randnummer 3525) of uit kunststof (beantwoordend aan randnummer 3526), of in jerrycans met afneembaar deksel, vervaardigd uit staal (beantwoordend aan randnummer 3522) of uit kunststof (beantwoordend aan randnummer 3526). Deze vaten of jerrycans worden, indien nodig, voorzien van één of meer niet-doorlaatbare binnenzakken;

b) hetzij in samengestelde verpakkingen die beantwoorden aan randnummer 3538, met één of meer niet-doorlaatbare binnenzakken.

(3) Natriumcyanide van 41°a) mag bovendien verpakt worden in IBC's uit metaal die beantwoorden aan randnummer 3622 of in IBC's uit hout met een stofdichte voering die beantwoorden aan randnummer 3627. Dit op voorwaarde dat ze als wagenlading vervoerd worden.

2607 (1) De stoffen die bij b) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn moeten als volgt verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans, die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten en in jerrycans uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof), die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3538.

Opmerking bij a), b), c) en d): Er zijn vereenvoudigde voorschriften van toepassing op de vaten en jerrycans met afneembaar deksel voor vaste stoffen en voor viskeuze stoffen waarvan de viskositeit bij 23 °C hoger is dan 200 mm2/s (zie randnummers 3512, 3353, 3554 en 3560).

(2) De stoffen met een dampspanning bij 50 °C van niet meer dan 110 kPa (1,10 bar), die bij b) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn, mogen bovendien verpakt worden in IBC's uit metaal die beantwoorden aan randnummer 3622, in IBC's uit stijve kunststof die eantwoorden aan randnummer 3624 of in gecombineerde IBC's met een binnenrecipiënt uit stijve kunststof die beantwoorden aan randnummer 3625.

(3) De stoffen die bij 15°b) ingedeeld zijn mogen bovendien verpakt worden in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk), die beantwoorden aan randnummer 3539.

(4) Stoffen, die luidens de definitie van randnummer 2600 (13) vast zijn, mogen bovendien als volgt verpakt worden:

a) hetzij in vaten uit multiplex met afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3523, of in kartonnen vaten met afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3525; beide zo nodig met één of meerdere niet-doorlaatbare binnenzakken;

b) hetzij in waterbestendige zakken; deze mogen veraardigd zijn uit textiel (beantwoordend aan randnummer 3533), uit geweven kunststof (beantwoordend aan randnummer 3534), uit kunststoffolie (beantwoordend aan randnummer 3535) of uit waterbestendig papier (beantwoordend aan randnummer 3536). Dit op voorwaarde dat de zakken op paletten gestapeld zijn of als wagenlading vervoerd worden;

c) hetzij in gecombineerde IBC's met een binnenrecipiënt uit soepele kunststof die beantwoorden aan randnummer 3625, in IBC's uit karton die beantwoorden aan randnummer 3626 of in IBC's uit hout die beantwoorden aan randnummer 3627;

d) hetzij in soepele IBC's die beantwoorden aan randnummer 3623, met uitzondering van de types 13H1, 13L1 en 13M1. Dit op voorwaarde dat het een wagenlading betreft of soepele IBC's die op paletten gestapeld zijn.

2608 (1) De stoffen die bij c) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn moeten als volgt verpakt worden:

a) hetzij in stalen vaten, die beantwoorden aan randnummer 3520;

b) hetzij in aluminium vaten, die beantwoorden aan randnummer 3521;

c) hetzij in stalen jerrycans, die beantwoorden aan randnummer 3522;

d) hetzij in vaten of in jerrycans uit kunststof, die beantwoorden aan randnummer 3526;

e) hetzij in combinatieverpakkingen (kunststof), die beantwoorden aan randnummer 3537;

f) hetzij in samengestelde verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3538;

g) hetzij in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk), die beantwoorden aan randnummer 3539;

h) hetzij in lichte metalen verpakkingen, die beantwoorden aan randnummer 3540.

Opmerking bij a), b), c) en d): Er zijn vereenvoudigde voorschriften vantoepassing op de vaten, jerrycans en lichte metalen verpakkingen met afneembaar deksel voor vaste stoffen en voor viskeuze stoffen waarvan de viscositeit bij 23 °C hoger is dan 200 mm2/s (zie randnummers 3512, 3552 tot 3554 en 3560).

(2) De stoffen met een dampspanning bij 50 °C van ten hoogste 110 kPa (1,10 bar), die bij c) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn, mogen bovendien verpakt worden in IBC's uit metaal die beantwoorden aan randnummer 3622, in IBC's uit stijve kunststof die beantwoorden aan randnummer 3624 of in gecombineerde IBC's met een binnenrecipiënt uit stijve kunststof die beantwoorden aan randnummer 3625.

(3) Stoffen, die luidens de definitie van randnummer 2600 (13) vast zijn, mogen ook als volgt verpakt worden:

a) hetzij in vaten uit multiplex met afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3523 of in kartonnen vaten met afneembaar deksel, die beantwoorden aan randnummer 3525; beide zo nodig met één of meerdere niet-doorlaatbare binnenzakken;

b) hetzij in waterbestendige zakken; deze mogen vervaardigd zijn uit textiel (beantwoordend aan randnummer 3533), uit geweven kunststof beantwoordend aan randnummer 3534), uit kunststoffolie (beantwoordend aan randnummer 3535) of uit waterbestendig papier (beantwoordend aan randnummer 3536);

c) hetzij in soepele IBC's die beantwoorden aan randnummer 3623, met uitzondering van de types 13H1, 13L1 en 13M1, in gecombineerde IBC's met een binnenrecipiënt uit soepele kunststof die beantwoorden aan randnummer 3625, in IBC's uit karton die beantwoorden aan randnummer 3626 of in IBC's uit hout die beantwoorden aan randnummer 3627.

2609-

2610

3. Gezamenlijke verpakking

2611 (1) Stoffen die ingedeeld zijn bij hetzelfde cijfer mogen in eenzelfde samengestelde verpakking (beantwoordend aan randnummer 3538) bijeengebracht worden.

(2) Stoffen van verschillende cijfers van klasse 6.1 mogen - wanneer hun hoeveelheid per verpakking ten hoogste 3 liter bedraagt voor vloeistoffen en/of 5 kg voor vaste stoffen - onderling en/of met niet aan de voorschriften van de richtlijn onderworpen goederen bijeengebracht worden in eenzelfde samengestelde verpakking, die beantwoordt aan randnummer 3538; dit op voorwaarde dat zij onderling niet gevaarlijk reageren.

(3) De stoffen van 1°, 3°, 4° en 5° mogen niet in eenzelfde collo bijeengebracht worden met andere goederen.

(4) De stoffen van 2° en de stoffen die bij a) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn, mogen niet gezamenlijk verpakt worden met de stoffen en voorwerpen van de klassen 1, 5.2 en 7.

(5) Behoudens wanneer bijzondere voorwaarden het tegengestelde bepalen, mogen de stoffen van klasse 6.1 onder de volgende voorwaarden met stoffen of voorwerpen van de andere klassen en/of met goederen die niet onderworpen zijn aan de voorschriften vande richtlijn bijeengebracht worden in eenzelfde samengestelde verpakking, die beantwoordt aan randnummer 3538:

- tot 0,5 liter per binnenverpakking en 1 liter per collo voor de stoffen van 2° en de vloeistoffen die bij a) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn;

- tot 3 liter per binnenverpakking voor de vloeistoffen, en/of tot 5 kg per binnenverpakking voor de vaste stoffen die bij b) of c) van de verschillende cijfers ingedeeld zijn;

de gezamenlijke verpakking moet evenwel ook toegelaten zijn voor de stoffen en voorwerpen van die andere klassen en de bijeengebrachte stoffen mogen onderling niet gevaarlijk reageren.

(6) Worden als gevaarlijke reacties beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanzienlijke warmteontwikkeling;

b) een uitwaseming van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van corrosieve vloeistoffen;

d) de vorming van onstabiele stoffen.

(7) Een stof met zuur karakter en een stof met basisch karakter mogen niet gezamenlijk verpakt worden in eenzelfde collo, indien ze beide in breekbare recipiënten verpakt zijn.

(8) De voorschriften van de randnummers 2001(7), 2002(6) en (7) en 2602 moeten nageleefd worden.

(9) Een collo mag niet meer wegen dan 100 kg indien houten of kartonnen kisten gebruikt worden.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie aanhangsel A.9)

Opschriften

2612 (1) Elk collo moet duidelijk en blijvend voorzien zijn van de letters "UN", gevolgd door het identificatienummer van het goed dat in het vervoerdocument dient aangegeven te worden.

Gevaarsetiketten

(2) Colli die stoffen bevatten van onderhavige klasse moeten voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 6.1.

(3) Colli die stoffen bevatten van 1° tot 6°, 7°a) 2, 8°, 9°, 11°, 13°, 16°, 18°, 20°, 22° en 26°a) 1 en b) 1 moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 3.

(4) Colli die brandbare pesticiden met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C bevatten van 71° tot 87° moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 3.

(5) Colli die stoffen bevatten van 7°a) 1, 10° en 28° moeten bovendien voorzien zijn van etiketten die overeenstemmen met modellen 3 en 8.

(6) Colli die stoffen bevatten van 26°a) 2, 26°b) 2 en 54°b) 1 moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 4.1.

(7) Colli die stoffen bevatten van 66° moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 4.2.

(8) Colli die stoffen bevatten van 44° moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 4.3.

(9) Colli die stoffen bevatten van 68° moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 05.

(10) Colli die stoffen bevatten van 24°b) 2, 27° en 67° moeten bovendien voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 8.

(11) Colli die breekbare recipiënten bevatten dewelke van buitenaf niet zichtbaar zijn moeten op twee tegenoverstaande zijvlakken voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 12.

(12) Colli die vloeistoffen bevatten in recipiënten waarvan de sluitingen van buitenuit niet zichtbaar zijn, colli die recipiënten bevatten voorzien van ontgassingsinrichtingen en recipiënten voorzien van ontgassingsrichtingen zonder buitenverpakking, moeten op twee tegenoverstaande zijvlakken voorzien zijn van een etiket dat overeenstemt met model 11.

2613

B. Vermeldingen in het vervoerdocument

2614 De omschrijving van de stof in het vervoerdocument moet overeenstemmen met een van de cursief gedrukte identificatienummers en bijbehorende benaming van randnummer 2601.

Wanneer de stof niet met name vermeld staat, maar behoort tot een n.e.g. rubriek of tot een andere collectieve rubriek, moet de omschrijving van de stof bestaan uit het identificatienummer en de benaming van de n.e.g. rubriek of van de collectieve rubriek, gevolgd door de scheikundige of technische () benaming van de stof.

De omschrijving van de stof moet door de opgave van zijn klasse, zijn volgnummer in de opsomming - in voorkomend geval aangevuld met de letter - en de afkorting "'ADR' of RID" gevolgd worden (bijvoorbeeld "6.1, 11°a), ADR").

Bij het vervoer van afvalstoffen [zie randnummer 2000 (5)] wordt de stof als volgt omschreven: "Afvalstof, bevat ", waarbij de component(en) waarop de classificatie van de afvalstof volgens randnummer 2002 (8) gebaseerd is, met hun scheikundige benaming(en) moeten opgegeven worden (bijvoorbeeld "Afvalstof, bevat 2570 cadmiumverbindingen, 6.1, 61°c), ADR").

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels (zoals preparaten en afvalstoffen) die meerdere componenten bevatten die aan deze Richtlijn onderworpen zijn, zal het in het algemeen niet nodig zijn om meer dan twee componenten te vermelden die bepalend zijn voor de gevaarlijke eigenschap(pen) van de oplossingen en mengsels.

Bij oplossingen en mengsels die slechts één enkele component bevatten die aan de voorschriften van deze richtlijn onderworpen is, moeten de woorden "in oplossing" of "mengsel met" opgenomen worden in de benaming in het vervoerdocument [zie randnummer 2002 (8)].

Wanneer een vaste stof in gesmolten toestand voor vervoer wordt aangeboden, moet de omschrijving van het goed vervolledigd worden met de vermelding "gesmolten" indien deze vermelding niet in de benaming zelf voorkomt.

Wanneer een oplossing of een mengsel, die een met name genoemde stof bevat niet (vervolg) onderworpen is aan de voorschriften voor onderhavige klasse op basis van randnummer 2600 (5), mag de verzender de vermelding "produkt niet onderworpen aan klasse 6.1" in het vervoerdocument plaatsen.

2615-

2621

C. Lege verpakkingen

2622 (1) Indien de lege niet-gereinigde verpakkingen van 91° zakken of soepele IBC's zijn, moeten deze in kisten of in waterdicht gemaakte zakken geplaatst worden, die elk verlies van produkt verhinderen.

(2) De andere niet-gereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van de lege IBC's van 91° moeten op dezelfde manier gesloten worden en dezelfde dichtheidsgaranties bieden als toen ze gevuld waren.

(3) De niet-gereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van de lege IBC's, van 91° moeten van dezelfde gevaarsetiketten voorzien zijn als toen ze gevuld waren.

(4) De omschrijving in het vervoerdocument moet overeenstemmen met een van de in 91° cursief gedrukte benamingen, aangevuld met "6.1, 91°, ADR" (bijvoorbeeld "Lege verpakking, 6.1, 91°, ADR").

Voor niet-gereinigde lege tankvoertuigen, lege afneembare tanks, lege laadketels, lege voertuigen voor losgestort vervoer en lege laadkisten voor losgestort vervoer moet deze omschrijving aangevuld worden met "Laatst geladen stof", gevolgd door de benaming en het cijfer van de laatst geladen stof (bijvoorbeeld "Laatst geladen stof: 2312 fenol, gesmolten, 24°b)".

2623-

2624

D. Overgangsbepalingen

2625 De stoffen van klasse 6.1 mogen tot 30 juni 1995 vervoerd worden overeenkomstig de voorschriften voor klasse 6.1 die tot 31 december 1994 van kracht waren.

In dit geval moet het vervoerdocument de vermelding "Vervoer overeenkomstig het vóór 1.1.1995 geldend ADR" bevatten.

2626-

2649

KLASSE 6.2 BESMETTELIJKE STOFFEN

1. Opsomming van de stoffen

2650 (1) Van de stoffen () die door de titel van klasse 6.2 beoogd worden, zijn diegene welke in randnummer 2651 opesomd zijn en diegene welke vallen onder een collectieve rubriek van dat randnummer onderworpen aan de voorwaarden vastgesteld in de randnummers 2650 (2) tot 2675, aan de voorschriften van onderhavige bijlage en aan de bepalingen van bijlage B, en dus stoffen van deze richtlijn.

(2) Klasse 6.2 omvat de stoffen die levensvatbare micro-organismen bevatten - zoals onder meer bacteriën, virussen, rickettsia, parasieten, schimmels, ook in de vorm van recombinante, hybride of muterende micro-organismen - waarvan bekend is of waarvan redelijkerwijze kan aangenomen worden dat zij ziektes veroorzaken bij mens of dier. Deze stoffen zijn onderworpen aan de voorschriften van onderhavige klasse indien zij ziektes kunnen overdragen op mensen of dieren die er aan blootgesteld worden.

Opmerkingen: 1. Genetisch gemodificeerde micro-organismen en organismen, biologische produkten, diagnostische monsters en geïnfecteerde levende dieren moeten bij deze klasse ingedeeld worden indien zij aan de voorwaarden ervan voldoen.

2. Giftige toxinen van plantaardige, dierlijke of bacteriologische oorsprong, die geen enkel besmettelijke stof of organisme bevatten en niet in besmettelijke stoffen of organismen vervat zijn, zijn stoffen van klasse 6.1 (zie randnummer 2601, cijfer 90°, identificatienummer 3172).

(3) De stoffen van klasse 6.2 zijn als volgt onderverdeeld:

A. Besmettelijke stoffen met een hoog risicopotentieel

B. Andere besmettelijke stoffen

C. Lege verpakkingen.

Op grond van hun gevaarsgraad moeten de stoffen van de cijfers 3° en 4° van randnummer 2651 ondergebracht worden bij de met de letter b) aangeduide groep:

b) gevaarlijke stoffen.

(4) De stoffen die niet met name genoemd zijn bij de cijfers 1°, 2° en 3° van randnummer 2651 moeten ingedeeld worden op basis van de huidige stand van de wetenschap, in functie van de volgende risicogroepen ():

i) Risicogroep IV (hoog individueel risico, hoog collectief risico) omvat de micro-organismen die bij mens of dier ernstige ziektes kunnen veroorzaken, die een ernstigrisico op overbrenging kunnen inhouden en waartegen in het algemeen geen doeltreffende voorbehoeding of behandeling bestaat;

ii) Risicogroep III (hoog individueel risico, gering collectief risico) omvat de micro-organismen die bij mens of dier ernstige ziektes kunnen veroorzaken en die een ernstig risico op overbrenging kunnen inhouden, maar waartegen in het algemeen een doeltreffende voorbehoeding of behandeling bestaat;

iii) Risicogroep II (matig individueel risico, beperkt collectief risico) omvat de micro-organismen die bij mens of dier ziektes kunnen veroorzaken waarbij het risico op overbrenging onwaarschijnlijk is, en waartegen in het algemeen een doeltreffende voorbehoeding of behandeling bestaat;

iv) Risicogroep I (gering individueel risico, gering collectief risico) omvat de micro-organismen waarvan het onwaarschijnlijk is dat ze bij mens of dier ziektes veroorzaken.

Opmerkingen: 1. De micro-organismen van risicogroep I zijn geen besmettelijke stoffen in de zin van deze klasse.

2. Genetisch gemodificeerde micro-organismen en organismen () zijn micro-organismen en organismen waarin het genetisch materiaal opzettelijk veranderd werd via technische methodes of op een wijze die in de natuur niet voorkomt.

3. Genetisch gemodificeerde micro-organismen die besmettelijk zijn in de zin van onderhavige klasse, zijn stoffen van 1°, 2° of 3°. Ze kunnen echter geen stoffen van 4° zijn. Genetisch gemodificeerde micro-organismen die niet besmettelijk zijn in de zin van onderhavige klasse, kunnen stoffen zijn van klasse 9 (zie randnummer 2901, cijfer 13°, identificatienummer 3245).

4. Genetisch gemodificeerde organismen, waarvan men weet of denkt dat zij gevaarlijk zijn voor mens of dier, moeten overeenkomstig de door de bevoegde overheid van het land van herkomst vastgestelde voorwaarden vervoerd worden.

(5) Voor de verpakkingsvoorschriften van de randnummers 2654 en 2655 worden de stoffen en de mengsels van stoffen, die bij een temperatuur van minder dan 45 °C geen vrije vloeistof bevatten, als vaste stoffen beschouwd.

2650 (6) Onder "biologische produkten" verstaat men:

- hetzij biologische eindprodukten voor menselijk of veterinair gebruik, vervaardigd overeenkomstig de bepalingen van de nationale overheden voor volksgezondheid en - zo nodig - in omloop gebracht met een speciale vergunning of toelating van deze overheden;

- hetzij biologische eindprodukten die voor onderzoek of oppuntstelling vervoerd worden vooraleer ze toegelaten zijn;

- hetzij eindprodukten die bestemd zijn voor de experimentele behandeling van mens of dier en die overeenkomstig de bepalingen van de nationale overheden voor volksgezondheid vervaardigd zijn.

Deze omschrijving omvat ook de niet voor gebruik gereed zijnde biologische preparaten die overeenkomstig de door de gespecialiseerde overheidsinstituten bepaalde methodes vervaardigd zijn.

Onder "diagnostische monsters" verstaat men menselijke of dierlijke materialen (waaronder excrementen, afscheidingsprodukten, bloed en zijn bestanddelen, weefsels en weefselvloeistoffen), met uitzondering echter van besmette levende dieren, die voor diagnose of onderzoek vervoerd worden.

Opmerking: "Biologische produkten" en "diagnostische monsters" worden niet als stoffen van deze klasse aanzien indien men weet dat zij geen besmettelijke stoffen bevatten.

(7) Levende gewervelde of ongewervelde dieren mogen niet gebruikt worden om een besmettelijk agens te verzenden, tenzij het onmogelijk is om dit agens op een andere wijze te vervoeren. Dergelijke dieren moeten verpakt, aangeduid, gemerkt en vervoerd worden volgens de ter zake doende reglementeringen voor het vervoer van dieren ().

(8) Bij het vervoer van stoffen van deze klasse kan het nodig zijn om een welbepaalde temperatuur te handhaven.

A. Besmettelijke stoffen met een hoog risicopotentieel

2651 1° 2814 Besmettelijke stof, gevaarlijk voor mensen,

2900 Besmettelijke stof, alleen gevaarlijk voor dieren.

Opmerkingen: 1. De stoffen die overeenkomstig randnummer 2650 (4) bij risicogroep IV ingedeeld zijn, moeten bij dit cijfer ingedeeld worden.

2. Op deze stoffen zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing (zie randnummers 2653 en 2654).

2° 2814 Besmettelijke stof, gevaarlijk voor mensen,

2900 Besmettelijke stof, alleen gevaarlijk voor dieren.

Opmerkingen: 1. De stoffen die overeenkomstig randnummer 2650 (4) bij risicogroep III ingedeeld zijn, moeten bij dit cijfer ingedeeld worden.

2. Op deze stoffen zijn individuele verpakkingsvoorschriften van toepassing (zie randnummers 2653 en 2654).

B. Andere besmettelijke stoffen

3° b) 2814 Besmettelijke stof, gevaarlijk voor mensen,

2900 Besmettelijke stof, alleen gevaarlijk voor dieren.

Opmerking: De stoffen die overeenkomstig randnummer 2650 (4) bij risicogroep II ingedeeld zijn, moeten bij dit cijfer ingedeeld worden.

4° b) 3291 Ziekenhuisafval, niet gespecificeerd, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Niet gespecificeerd afval dat afkomstig is van een medische/veterinaire behandeling van mens of dier of van biologisch onderzoek, en waarbij de kans klein is dat het stoffen van deze klasse bevat, moet bij dit cijfer ingedeeld worden.

2. Afval dat gespecificeerd kan worden moet bij de cijfers 1°, 2° of 3° ingedeeld worden.

3. Gesteriliseerd afval van ziekenhuizen of van biologisch onderzoek, dat besmettelijke stoffen heeft bevat, is niet onderworpen aan de voorschriften van deze klasse.

C. Lege verpakkingen

11° Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's), lege tankvoertuigen, lege afneembare tanks en lege laadketels die stoffen van klasse 6.2 hebben bevat (zie randnummer 2672).

1. Voorschriften

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

2652 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.5, behalve voor die stoffen waarvoor er in de randnummers 2653 en 2656 individuele verpakkingsvoorschriften voorzien zijn.

(2) De grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC's) moeten voldoen aan de voorschriften van aanhangsel A.6.

(3) Volgens de bepalingen van randnummers 2650 (3) en 3511 (2) of 3611 (2) moeten de volgende verpakkingen gebruikt worden:

- verpakkingen van de verpakkingsgroepen II of I, resp. gemerkt met de letter "Y" of "X", of IBC's van de verpakkingsgroep II, gemerkt met de letter "Y", voor de gevaarlijke stoffen ingedeeld bij de letter b) van elk cijfer.

Opmerking: Zie aanhangsel B voor het vervoer van stoffen van klasse 6.2 in tankvoertuigen, afneembare tanks of laadketels.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

2653 (1) De verpakkingen voor de stoffen van 1° en 2° moeten de volgende essentiële elementen omvatten:

a) een binnenverpakking die bestaat uit:

- een dicht primair recipiënt;

- een dichte secundaire verpakking;

- absorberend materiaal tussen het primair recipiënt en de secundaire verpakking: indien meerdere primaire recipiënten in eenzelfde secundaire verpakking geplaatst worden, moeten deze afzonderlijk omwikkeld word