31993Y0120(03)

Memorandum van het Raadgevend Comité van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal over de toekomst van het EGKS-Verdrag

Publicatieblad Nr. C 014 van 20/01/1993 blz. 0005 - 0007


MEMORANDUM VAN HET RAADGEVEND COMITÉ VAN DE EUROPESE

GEMEENSCHAP VOOR KOLEN EN STAAL

over de toekomst van het EGKS-Verdrag

(93/C 14/04)

(Met algemene stemmen goedgekeurd tijdens de 302e zitting van 20 november 1992)

Het Raadgevend Comité van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal heeft kennis genomen van de belangrijkste documenten die door de bevoegde organen over de toekomst van het EGKS-Verdrag zijn gepubliceerd, namelijk:

- de mededeling van de Commissie van 15 maart 1991;

- de verslagen van de Commissie voor institutionele zaken van het Europees Parlement (van de heer Rudolf Luster van 3 december 1991 en van de heer David Martin van 18 december 1991), alsmede de resoluties die op 16 januari 1992 door het Europees Parlement zijn goedgekeurd;

- de verslagen van de Commissie voor economische zaken en de Commissie voor energie van het Europees Parlement;

- de nieuwe versie van artikel 7 van het EGKS-Verdrag, die in februari 1992 door de ministers van Buitenlandse Zaken in het kader van de "kleine herziening" van het EGKS- en het Euratom-Verdrag is goedgekeurd;

- de resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 1992 over de budgettaire en financiële consequenties van de toekomst van het EGKS-Verdrag.

Het Raadgevend Comité van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal heeft zich over dit ontwerp meermaals uitgesproken, namelijk:

- in zijn memorandum van 12 november 1990 (1), waarin met name wordt gevraagd:

- dat het EGKS-Verdrag tot 2002 als afzonderlijk juridisch instrument gehandhaafd blijft;

- dat de Commissie het Raadgevend Comité blijft betrekken bij het kolen- en ijzer- en staalbeleid van de Gemeenschap, alsmede bij alle besprekingen over de toekomst van het EGKS-Verdrag;

- in zijn memorandum van 1 oktober 1991 (2), waarin het de algemene beginselen probeert te omschrijven die volgens het Comité de Commissie zouden moeten leiden bij de vaststelling van de EGKS-begroting;

- in zijn resolutie van 2 juni 1992 (3) betreffende een nieuw beleid voor de toekomst van de communautaire ijzer- en staalindustrie;

- in zijn resolutie van 19 november 1992 (4) betreffende een kolenbeleid op de interne markt.

Met het oog op de zitting van de Raad van ministers van Industrie van 24 november 1992 wenst het Raadgevend Comité zijn eerder ingenomen standpunten te bevestigen en deze op de volgende punten aan te vullen:

- Verantwoordelijkheden van de Commissie,

- Steunmaatregelen van de Lid-Staten,

- Essentiële activiteiten,

- Reserves en heffing.

I. Verantwoordelijkheden van de Commissie

Het Raadgevend Comité wijst erop dat de Instellingen van de Gemeenschappen door het EGKS-Verdrag specifieke verantwoordelijkheden zijn opgelegd op het gebied van kolen en staal en dat hun daarvoor speciale middelen ter beschikking zijn gesteld.

Het betreurt dat er op dit gebied sinds een aantal jaren een zekere laksheid te bespeuren valt en dat vooral de Commissie niet langer gebruik lijkt te willen maken van de middelen waarover zij beschikt.

Het is van mening dat de Commissie de verantwoordelijkheden die haar door het EGKS-Verdrag zijn opgelegd op zich moet blijven nemen en wel

binnen de Gemeenschap:

- voortdurende, diepgaande studie van de marktontwikkeling en het prijsverloop, in samenwerking met de communautaire producenten, werknemers, verbruikers en handelaren en hun verenigingen (artikel 46 van het EGKS-Verdrag);

- met regelmatige tussenpozen opstellen van programma's Vooruitzichten voor grote categorieën produkten (artikel 46);

- doorzichtigheid van statistische informatie en investeringsprojecten (artikelen 47 en 54);

- stimuleren van concentraties van ondernemingen en andere vormen van samenwerking (artikelen 66 en 65); opstellen van maatregelen om het hoofd te kunnen bieden aan de sociale consequenties hiervan;

buiten de Gemeenschap:

- versterking van de personeelssterkte en de wettelijke middelen om anti-dumping- en anti-subsidieprocedures doeltreffend toe te kunnen passen (artikel 74);

- onmiddellijke toepassing van de vrijwaringsclausules die in de associatieovereenkomsten zijn vastgesteld, zodra aan de voorwaarden hiervan is voldaan;

- invoeren van een stabiel, duurzaam systeem dat ervoor zorgt dat het evenwicht op de communautaire markt niet wordt verstoord en de prijzen niet nadelig worden beïnvloed door op deze markt verkochte goederen uit derde landen (met of zonder associatieovereenkomst met de EGKS).

II. Steunmaatregelen van de Lid-Staten

Wat de steunmaatregelen aangaat, bevestigt het Raadgevend Comité nogmaals dat het algemeen verbod zoals vastgesteld in artikel 4, onder c), van het EGKS-Verdrag voor de ijzer- en staalindustrie gehandhaafd moet blijven, met alleen die uitzonderingen die zijn vastgesteld in de van kracht zijnde steuncode. Mochten afwijkingen van deze regels nodig blijken, dan moeten niet alleen de produktiecapaciteiten dalen, maar absoluut ook de produktie, waarbij rekening moet worden gehouden met de marktsituatie.

Voor de steenkoolindustrie is het van essentieel belang dat specifieke steunmaatregelen toegestaan blijven, ten einde rekening te houden met de noodzakelijke veiligheid van de voorziening, alsmede met de sociale en regionale behoeften. Het Raadgevend Comité is bovendien van mening dat, zolang er geen gemeenschappelijk energiebeleid wordt ingevoerd, de nationale regeringen verder verantwoordelijk moeten blijven voor de veiligheid van de voorziening.

III. Essentiële activiteiten

Het Raadgevend Comité acht het van essentieel belang dat de activiteiten, als bedoeld in de artikelen 56 en 55 van het EGKS-Verdrag, worden voortgezet, namelijk

- op sociaal gebied (bijdrage in de uitkeringen bij verlies van werk, vergoedingen voor wederinschakeling en voor het scheppen van omschakelingsmogelijkheden, als bedoeld in artikel 56);

- op het gebied van technisch, economisch en sociaal onderzoek (artikel 55), alsmede onderzoek op het gebied van milieubescherming.

Het Raadgevend Comité is enerzijds van mening dat de steenkool- en staalindustrie van nu af aan in aanmerking moeten komen voor de EEG-financiering voor hun basisonderzoekprogramma's.

Het onderstreept anderzijds dat het sociale onderzoek, waardoor een dialoog tussen de sociale partners mogelijk wordt, zijn doeltreffendheid heeft bewezen, met name door de aanzienlijke vermindering van het aantal arbeidsongevallen en beroepsziekten en door de desbetreffende verbetering van de werkomstandigheden. Op grond van de bereikte resultaten blijft het een gerechtvaardigde actie, ook vanuit economisch standpunt gezien.

IV. Reserves en heffing

Het Raadgevend Comité wijst nogmaals op de algemene beginselen, waardoor de Commissie zich naar zijn mening bij de vaststelling van de EGKS-begroting moet laten leiden (zie het memorandum van 1 oktober 1991):

- geleidelijke verlaging van de heffing;

- geleidelijk toenemend gebruik van de EGKS-reserves;

- vaststelling van een aantal prioriteiten met betrekking tot de uitgaven van de EGKS-begroting, met name ten behoeve van de financiering van de nog noodzakelijke sociale maatregelen en ten gunste van het onderzoek en de ontwikkeling;

- een meer realistische raming van de voor de te verwachten uitgaven noodzakelijke middelen;

- overdracht van EGKS-activiteiten inzake opgenomen/verstrekte leningen aan de Europese Investeringsbank (EIB).

Deze beginselen zijn nog steeds van kracht en het Raadgevend Comité wenst deze als volgt nader te omschrijven:

- Het lijkt hem evident dat, gezien de huidige economische en financiële situatie van de steenkool- en staalindustrie, een geleidelijke verlaging van het heffingspercentage nog dringender noodzakelijk is.

- Wat de reserves betreft, blijft het Comité bij zijn standpunt dat deze prioritair moeten worden gebruikt ten gunste van de ondernemingen en hun werknemers, die sinds 1952 het grootste deel van de middelen voor deze reserves hebben gestort.

Het lijkt niet nodig het huidige niveau van het garantiefonds te handhaven, aangezien de leningen van de EGKS de facto, zo niet de jure, door de Lid-Staten worden gegarandeerd en aangezien een zeer aanzienlijk deel van de leningen aan ondernemingen buiten de EGKS (en het beheer van die leningen) van nu af aan aan de EIB moet kunnen worden overgedragen, namelijk:

- investeringsleningen "die bijdragen tot het vergemakkelijken van de afzet van EGKS-produkten" (artikel 54, tweede alinea, van het Verdrag);

- leningen voor "programma's die voorzien in het scheppen van nieuwe bedrijvigheid" (artikel 56, lid 1, onder b), en lid 2, onder a), van het Verdrag).

De aldus vrijgekomen middelen zouden prioritair moeten worden gebruikt om het herstructureringsproces te steunen en de maatschappelijke gevolgen hiervan te verzachten. Dat zou ofwel rechtstreeks in het kader van de EGKS-begroting ofwel via een steenkool- en staalfonds (of fondsen), dat hiervoor in het leven wordt geroepen, ofwel via elk ander instrument (zie artikel 53, onder b), van het EGKS-Verdrag) mogelijk zijn. Deze fondsen zouden ook gedeeltelijk de onderzoek- en ontwikkelingsprogramma's in deze twee sectoren kunnen financieren.

Het Raadgevend Comité wenst dat met dit alles zoveel mogelijk rekening wordt gehouden wanneer de kolen-en staalindustrie in de toekomst in het nieuwe EG-Verdrag zullen worden opgenomen, ongeacht of dit vóór 2002 geschiedt, wat thans niet al te waarschijnlijk lijkt, of in dat jaar.

Het Comité onderstreept dat het absoluut noodzakelijk is vast te houden aan de sociale maatregelen als bedoeld in artikel 56 van het EGKS-Verdrag ten behoeve van de werknemers uit de kolen- en staalindustrie, aangezien er nog steeds aanzienlijke herstructureringsproblemen in de produktiegebieden van deze twee sectoren bestaan.

Te dien einde zouden de EGKS-reserves kunnen dienen als bijdrage in de kolen- en staalfondsen met nog niet vastgelegde taken, maar die op de van kracht zijnde beschikkingen zouden stoelen en die in overeenstemming met de doelstellingen van de EGKS rekening zouden houden met nieuwe behoeften.

Het Comité wenst dat het belang van de energievoorziening en de bijdrage van steenkool hierin wordt erkend en dat te dien einde de specifieke steunmaatregelen ten behoeve van de steenkoolindustrie gehandhaafd blijven.

Het is van mening dat het Raadgevend Comité dat uit hoofde van de artikelen 7, 18 en 19 van het EGKS-Verdrag is ingesteld, alsmede de overige speciale comités, met name op het gebied van onderzoek, die doeltreffende, democratische raadgevende instanties zijn gebleken in het kolen- en staalbeleid, ook in het nieuwe EG-Verdrag moeten worden behouden, in een vorm waarin ook zij bevoegde instanties kunnen worden op energiegebied.

(1) PB nr. C 302 van 1. 12. 1990, blz. 3.

(2) PB nr. C 291 van 8. 11. 1991, blz. 2.

(3) PB nr. C 161 van 27. 6. 1992, blz. 3.

(4) Zie bladzijde 2 van dit Publikatieblad.


Beheerd door het Publicatiebureau