Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek
Publicatieblad Nr. L 253 van 11/10/1993 blz. 0001 - 0766
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 2 Deel 10 blz. 0001
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 2 Deel 10 blz. 0001
VERORDENING (EEG) Nr. 2454/93 VAN DE COMMISSIE van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Gelet op Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (1), hierna het Wetboek genoemd, inzonderheid op artikel 249, (1) PB nr. L 302 van 19. 10. 1992, blz. 1. Overwegende dat het communautair douanewetboek de bestaande douanewetgeving in een enkel juridisch instrument heeft samengebracht; dat dit Wetboek tegelijkertijd die wetgeving heeft gewijzigd ten einde haar meer samenhang te verlenen, haar te vereenvoudigen en bepaalde hiaten op te vullen; dat het derhalve op dit gebied de gehele communautaire regelgeving vertegenwoordigt; Overwegende dat de redenen die tot het vaststellen van het Wetboek hebben geleid eveneens geldig zijn voor de douanebepalingen ter toepassing daarvan; dat het derhalve passend is de uitvoeringsbepalingen van het thans in een veelheid van verordeningen en richtlijnen van de Gemeenschap verspreide douanerecht in één verordening bijeen te brengen; Overwegende dat het aldus vastgestelde uitvoeringswetboek van het communautair douanewetboek de thans geldende uitvoeringsbepalingen dient over te nemen; dat het in het licht van de opgedane ervaring evenwel dienstig is: - op deze bepalingen enkele wijzigingen aan te brengen ter aanpassing aan het Wetboek; - de draagwijdte van enkele bepalingen, die thans beperkt is tot enkele welbepaalde douaneregelingen, te verruimen ten einde met de algemene werkingssfeer van het Wetboek rekening te houden; - enkele voorschriften nauwkeuriger te formuleren voor een grotere rechtszekerheid bij de toepassing daarvan; dat de wijzigingen voornamelijk bepalingen betreffen met betrekking tot de douaneschuld; Overwegende dat het dienstig is de toepasbaarheid van artikel 791, lid 2, te beperken tot 1 januari 1995 en vóór het verstrijken van die termijn deze aangelegenheid in het licht van de opgedane ervaring opnieuw te onderzoeken; Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité douanewetboek, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: DEEL I ALGEMENE TOEPASSINGSBEPALINGEN TITEL I ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK 1 Definities Artikel 1 In de zin van de onderhavige verordening wordt verstaan onder: 1. "Wetboek": Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek; 2. "carnet ATA": het in het kader van de ATA-overeenkomst vastgestelde internationale douanedocument voor de tijdelijke invoer van goederen; 3. "Comité": het Comité douanewetboek, zoals ingesteld bij artikel 247 van het Wetboek; 4. "Internationale Douaneraad": de organisatie opgericht bij het Verdrag houdende instelling van een Internationale Douaneraad, gesloten te Brussel op 15 december 1950; 5. "gegevens ter identificatie van de goederen": enerzijds de in de handelspraktijk gebruikelijke gegevens ter identificatie van de goederen op grond waarvan de douaneautoriteiten deze kunnen indelen in het tarief en, anderzijds, de hoeveelheid van de goederen; 6. "goederen waaraan elk handelskarakter vreemd is": goederen die incidenteel onder een douaneregeling worden geplaatst en, gezien hun aard en hoeveelheid, kennelijk zijn voorbehouden voor persoonlijk gebruik door de geadresseerden of de vervoerders of de leden van hun gezin, dan wel kennelijk zijn bestemd om als geschenk te worden aangeboden; 7. "handelspolitieke maatregelen": de niet-tarifaire maatregelen die in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek zijn vastgesteld bij communautaire bepalingen van toepassing op in- en uitvoer van goederen, zoals maatregelen van toezicht of vrijwaringsmaatregelen, kwantitatieve beperkingen en invoer- of uitvoerverboden; 8. "douanenomenclatuur": één van de in artikel 20, lid 6, van het Wetboek bedoelde nomenclaturen; 9. "geharmoniseerd systeem": het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen; 10. "Verdrag": Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap. HOOFDSTUK 2 Beschikkingen Artikel 2 Wanneer degene die een verzoek om een beschikking indient niet in staat is alle voor het nemen van een beslissing op het verzoek benodigde bescheiden en gegevens te verstrekken, zijn de douaneautoriteiten gehouden de tot hun beschikking staande bescheiden en gegevens ambtshalve te verstrekken. Artikel 3 Een beschikking betreffende zekerheidstelling die in het voordeel is van degene die de verplichting op zich heeft genomen de gevorderde bedragen op eerste schriftelijk verzoek van de douaneautoriteiten te voldoen, wordt ingetrokken wanneer geen gevolg wordt gegeven aan genoemde verplichting. Artikel 4 De intrekking geldt niet voor goederen die, op het tijdstip waarop de intrekking van kracht wordt, reeds op grond van de ingetrokken vergunning onder de regeling zijn geplaatst. De douaneautoriteiten kunnen evenwel eisen dat deze goederen binnen een door hen vast te stellen termijn een van de toegelaten douanebestemmingen krijgen. TITEL II BINDENDE TARIEFINLICHTINGEN HOOFDSTUK 1 Definities Artikel 5 In de zin van deze titel wordt verstaan onder: 1. "bindende tariefinlichting": een tariefinlichting die de administraties van alle Lid-Staten van de Gemeenschap bindt wanneer de in de artikelen 6 en 7 bedoelde voorwaarden zijn vervuld; 2. "aanvrager": een ieder die bij de douaneautoriteiten een verzoek om een bindende tariefinlichting heeft ingediend; 3. "rechthebbende": degene op wiens naam de bindende tariefinlichting is verstrekt. HOOFDSTUK 2 Procedure voor het verkrijgen van bindende tariefinlichtingen - Kennisgeving aan de aanvrager en mededeling van de inlichtingen aan de Commissie Artikel 6 1. Het verzoek om een bindende tariefinlichting wordt schriftelijk gedaan en wordt gericht aan hetzij de bevoegde douaneautoriteiten van de Lid-Staat of Lid-Staten waar de betreffende inlichting dient te worden gebruikt, hetzij de bevoegde douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de aanvrager gevestigd is. 2. Het verzoek om een bindende tariefinlichting kan slechts op één soort goederen betrekking hebben. 3. Het verzoek dient met name de volgende gegevens te bevatten: a) de naam en het adres van de rechthebbende; b) de naam en het adres van de aanvrager, wanneer deze niet tevens de rechthebbende zal zijn; c) de douanenomenclatuur waarin de goederen dienen te worden ingedeeld. Wanneer de aanvrager de indeling van goederen in een van de in artikel 20, lid 3, onder b), en lid 6, onder b), van het Wetboek bedoelde nomenclaturen wenst, dient de betreffende nomenclatuur uitdrukkelijk in zijn verzoek om een bindende tariefinlichting te worden vermeld; d) een gedetailleerde omschrijving van de goederen, waardoor zij kunnen worden geïdentificeerd en ingedeeld in de douanenomenclatuur; e) de samenstelling van de goederen en de onderzoekmethoden die eventueel worden gebruikt om deze samenstelling te bepalen, indien de indeling hiervan afhankelijk is; f) de eventuele beschikbaarstelling in de vorm van bijlagen van monsters, fotografische afbeeldingen, blauwdrukken, catalogi of andere documentatie, die de douaneautoriteiten van nut kunnen zijn bij het vaststellen van de juiste indeling van de goederen in de douanenomenclatuur; g) de voorgestelde indeling; h) een verklaring dat de aanvrager bereid is de douaneautoriteiten desgevraagd een vertaling van de eventueel bijgevoegde documentatie in de officiële taal of in één van de officiële talen van de betrokken Lid-Staat te bezorgen; i) de vermelding van de gegevens die als vertrouwelijk dienen te worden beschouwd; j) vermelding door de aanvrager of bij zijn weten reeds een bindende tariefinlichting voor identieke of soortgelijke goederen in de Gemeenschap is aangevraagd of verstrekt; k) een verklaring dat de aanvrager ermee instemt dat de verstrekte gegevens in een databank van de Commissie worden opgeslagen. Onverminderd het bepaalde in artikel 15 van het Wetboek zijn echter de bepalingen welke in de Lid-Staten gelden ter zake van de bescherming van gegevens van toepassing. 4. Indien de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat het verzoek niet alle gegevens bevat die zij nodig hebben om zich met kennis van zaken te kunnen uitspreken, verzoeken zij de aanvrager de ontbrekende gegevens te verstrekken. 5. De lijst van de door de Lid-Staten aangewezen douaneautoriteiten waar verzoeken om bindende tariefinlichtingen moeten worden ingediend of die bevoegd zijn deze te verstrekken, wordt in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt. Artikel 7 1. De bindende tariefinlichting wordt de aanvrager zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht. Indien, drie maanden na de aanvaarding van het verzoek, de bindende tariefinlichting nog niet aan de aanvrager kon worden medegedeeld, stellen de douaneautoriteiten de aanvrager in kennis van de redenen van de vertraging alsmede van de termijn waarbinnen zij de gevraagde bindende tariefinlichting menen te kunnen verstrekken. 2. De kennisgeving wordt gedaan op een formulier waarvan het model in bijlage 1 is opgenomen. In deze kennisgeving wordt vermeld welke van de opgenomen gegevens als vertrouwelijk moeten worden beschouwd. De in artikel 243 van het Wetboek bedoelde mogelijkheid van beroep moet worden vermeld. Artikel 8 1. Een afschrift van de kennisgeving van bindende tariefinlichting (exemplaar nr. 2 van bijlage 1), evenals de gegevens (exemplaar nr. 4 van bijlage 1) worden door de douaneautoriteiten van de betrokken Lid-Staat zo spoedig mogelijk aan de Commissie toegezonden. Deze toezending zal, zodra dit mogelijk is, geschieden door middel van systemen voor geautomatiseerde gegevensverwerking. 2. De Commissie doet een Lid-Staat op daartoe strekkend verzoek zo spoedig mogelijk het afschrift van het formulier en de andere daarmee verband houdende informatie toekomen. Deze toezending zal, zodra dit mogelijk is, geschieden door middel van systemen voor geautomatiseerde gegevensverwerking. HOOFDSTUK 3 Verschillen tussen bindende tariefinlichtingen Artikel 9 Wanneer de Commissie constateert dat voor dezelfde goederen uiteenlopende bindende tariefinlichtingen zijn verstrekt, stelt zij in voorkomend geval een maatregel vast om de uniforme toepassing van de douanenomenclatuur te waarborgen. HOOFDSTUK 4 Juridische draagwijdte van bindende tariefinlichtingen Artikel 10 1. Op de bindende tariefinlichting kan uitsluitend door de rechthebbende een beroep worden gedaan, onverminderd de artikelen 5 en 64 van het Wetboek. 2. De douaneautoriteiten kunnen eisen dat de rechthebbende de douaneautoriteiten bij het vervullen van de douaneformaliteiten mededeelt dat hij in het bezit is van een bindende tariefinlichting voor de goederen die worden ingeklaard. 3. De rechthebbende van een bindende tariefinlichting kan zich daarop voor een bepaald goed slechts beroepen indien ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt vastgesteld dat dit goed in alle opzichten in overeenstemming is met het in de voorgelegde inlichting omschreven goed. 4. De douaneautoriteiten kunnen een vertaling eisen van deze inlichting in de officiële taal of in één van de officiële talen van de betrokken Lid-Staat. Artikel 11 Een bindende tariefinlichting die vanaf 1 januari 1991 door de douaneautoriteiten van een Lid-Staat is verstrekt, bindt de douaneautoriteiten van alle Lid-Staten onder dezelfde voorwaarden. Artikel 12 1. Onmiddellijk na de vaststelling van één van de in artikel 12, lid 5, van het Wetboek genoemde besluiten of maatregelen bewerkstelligen de douaneautoriteiten dat bindende tariefinlichtingen nog slechts overeenkomstig het genoemde besluit of de genoemde maatregel worden verstrekt. 2. Voor de toepassing van lid 1 is de in aanmerking te nemen datum: - voor de in artikel 12, lid 5, onder a), van het Wetboek bedoelde verordeningen tot wijziging van de douanenomenclatuur, de datum waarop zij van toepassing worden; - voor de in artikel 12, lid 5, onder a), van het Wetboek bedoelde verordeningen die de indeling van een goed in de douanenomenclatuur vaststellen of wijzigen, de datum waarop zij in de L-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt; - voor de in artikel 12, lid 5, onder b), van het Wetboek bedoelde maatregelen met betrekking tot de wijziging van de toelichting op de gecombineerde nomenclatuur, de datum waarop zij in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt; - voor de in artikel 12, lid 5, onder b), van het Wetboek bedoelde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, de datum waarop het arrest wordt gewezen; - voor de in artikel 12, lid 5, onder b), van het Wetboek bedoelde maatregelen van de Internationale Douaneraad betreffende indelingsadviezen of wijzigingen van de toelichtingen op de nomenclatuur van het geharmoniseerde systeem, de datum waarop zij in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen door de Commissie worden bekendgemaakt. 3. De Commissie deelt de douaneautoriteiten zo spoedig mogelijk de data mede waarop de in dit artikel 12 bedoelde maatregelen en besluiten zijn vastgesteld. HOOFDSTUK 5 Het vervallen van de geldigheid van bindende tariefinlichtingen Artikel 13 Indien met toepassing van artikel 12, lid 4, tweede volzin, en lid 5, van het Wetboek een bindende tariefinlichting wordt ingetrokken of haar geldigheid verliest, deelt de douaneautoriteit die haar heeft verstrekt dit zo spoedig mogelijk aan de Commissie mede. Artikel 14 1. Wanneer de rechthebbende van een bindende tariefinlichting die haar geldigheid heeft verloren om redenen als bedoeld in artikel 12, lid 5, van het Wetboek, zich gedurende een bepaalde periode overeenkomstig lid 6 van genoemd artikel wenst te beroepen op deze inlichting, geeft hij daarvan kennis aan de douaneautoriteiten. Deze kennisgeving dient zo nodig vergezeld te gaan van bewijsstukken aan de hand waarvan kan worden nagegaan of aan de ter zake gestelde voorwaarden is voldaan. 2. In de uitzonderlijke gevallen waarin de Commissie, overeenkomstig artikel 12, lid 7, laatste alinea, van het Wetboek, een van lid 6 van genoemd artikel afwijkende maatregel heeft vastgesteld en in de gevallen waarin niet is voldaan aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden om zich op een bindende tariefinlichting te kunnen beroepen, geven de douaneautoriteiten daarvan schriftelijk kennis aan de rechthebbende. HOOFDSTUK 6 Overgangsbepaling Artikel 15 De vóór 1 januari 1991 verstrekte nationale bindende tariefinlichtingen behouden hun geldigheid. De nationale bindende tariefinlichtingen waarvan de geldigheidsduur de datum van 1 januari 1997 overschrijdt, verliezen evenwel hun geldigheid met ingang van die datum. TITEL III GUNSTIGE TARIEFBEHANDELING IN VERBAND MET DE AARD VAN DE GOEDEREN HOOFDSTUK 1 Te denatureren goederen Artikel 16 De tariefindeling onder de onderverdelingen van kolom 2 van de hierna volgende tabel van de goederen in kolom 3 van deze tabel naast de genoemde onderverdelingen is onderworpen aan de voorwaarde dat deze goederen op zodanige wijze worden gedenatureerd dat zij ongeschikt zijn voor menselijke consumptie, met behulp van, onderscheidenlijk, één van de in kolom 4 van genoemde tabel aangeduide denatureringsmiddelen, gebruikt in de hoeveelheid die in kolom 5 van deze tabel voor elk van deze middelen is aangegeven. >RUIMTE VOOR DE TABEL> Artikel 17 Het denatureren dient zodanig te geschieden dat het te denatureren produkt en het denatureringsmiddel een homogeen mengsel vormen en de bestanddelen daarvan niet meer op lonende wijze kunnen worden afgescheiden. Artikel 18 In afwijking van artikel 16 kan elke Lid-Staat de voorlopige toestemming geven tot het gebruik van een denatureringsmiddel dat niet in kolom 4 van de in dat artikel bedoelde tabel is opgenomen. In een dergelijk geval deelt de betrokken Lid-Staat dit binnen 30 dagen aan de Commissie mede, met opgave van nauwkeurige gegevens omtrent samenstelling en hoeveelheid. De Commissie geeft hiervan zo spoedig mogelijk kennis aan de andere Lid-Staten. Dit vraagstuk wordt aan het Comité voorgelegd. Indien het Comité niet binnen 18 maanden na de datum van ontvangst van de mededeling door de Commissie heeft beslist dat het desbetreffende denatureringsmiddel in kolom 4 van de genoemde tabel wordt opgenomen, mag het denatureringsmiddel na afloop van deze termijn in geen enkele Lid-Staat meer worden gebruikt. Artikel 19 Dit hoofdstuk laat het bepaalde in Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2) onverlet. (2) PB nr. L 270 van 14. 2. 1970. blz. 1. HOOFDSTUK 2 Voorwaarden voor de tariefindeling van bepaalde goederen als zaaigoed Artikel 20 De in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde goederen worden onder de voorwaarden van de artikelen 21 tot en met 24 ingedeeld onder de dienovereenkomstige onderverdelingen van de tweede kolom van die tabel. >RUIMTE VOOR DE TABEL> Artikel 21 Pootaardappelen moeten voldoen aan de voorwaarden en bepalingen die op grond van artikel 15 van Richtlijn 66/403/EEG van de Raad (3) zijn vastgesteld. (3) PB nr. 125 van 11. 7. 1966, blz. 2320/66. Artikel 22 Suikermaïs, spelt, maïshybriden voor zaaidoeleinden, rijst en sorghohybriden, bestemd voor zaaidoeleinden, moeten voldoen aan de voorwaarden en bepalingen die op grond van artikel 16 van Richtlijn 66/402/EEG van de Raad (4) zijn vastgesteld. (4) PB nr. 125 van 11. 7. 1966, blz. 2309/66. Artikel 23 Oliehoudende zaden en vruchten, bestemd voor zaaidoeleinden, moeten voldoen aan de voorwaarden en bepalingen die op grond van artikel 15 van Richtlijn 69/208/EEG van de Raad (5) zijn vastgesteld. (5) PB nr. L 169 van 10. 7. 1969, blz. 3. Artikel 24 Suikermaïs, spelt, maïshybriden, rijst, sorghohybriden, oliehoudende zaden en vruchten, van de soorten die niet onder de werkingssfeer van de Richtlijnen 66/402/EEG en 69/208/EEG vallen, worden slechts onder de in artikel 20 genoemde onderverdelingen ingedeeld indien de belanghebbende ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten aantoont dat deze produkten daadwerkelijk voor zaaidoeleinden zijn bestemd. HOOFDSTUK 3 Voorwaarde voor de tariefindeling van builgaas als niet-geconfectioneerd artikel Artikel 25 Voor de tariefindeling van builgaas, niet geconfectioneerd, in onderverdeling 5911 20 00 van de gecombineerde nomenclatuur geldt de voorwaarde dat het weefsel wordt voorzien van herkenningstekens zoals hierna is aangegeven. Het herkenningsteken, dat bestaat uit een rechthoek met twee diagonalen, dient met regelmatige tussenruimten in beide randen van het weefsel - waarbij de zelfkanten worden vrijgelaten - te worden aangebracht, zodanig dat de afstand tussen twee op elkaar volgende tekens, gemeten tussen hun buitenste zijden, ten hoogste 1 m bedraagt en dat de tekens in de ene rand ten opzichte van die in de andere rand telkens met een halve afstand verspringen. (Het midden van elk teken moet even ver zijn verwijderd van het midden van de dichtstbijzijnde twee tekens die er tegenover liggen in de andere rand.) Ieder teken moet zo worden aangebracht dat de langste zijden van de rechthoek parallel lopen met de ketting van het weefsel. (Zie onderstaande schets.) De dikte van de lijnen die het herkenningsteken vormen, bedraagt voor de zijden 5 mm en voor de diagonalen 7 mm. De afmetingen van de rechthoek, gemeten aan de buitenkant van de lijnen, bedragen ten minste 8 cm voor de lengte en 5 cm voor de breedte. De tekens moeten in één kleur worden gedrukt, onuitwisbaar zijn en contrasteren met de kleur van het weefsel. HOOFDSTUK 4 Goederen waarvoor een certificaat van echtheid, een kwaliteitscertificaat of een ander certificaat dient te worden overgelegd Artikel 26 1. De tariefindeling, onder de onderverdelingen van kolom 2 van de hierna volgende tabel, van de goederen die in kolom 3 van deze tabel naast de genoemde onderverdelingen zijn vermeld en die worden ingevoerd uit de in kolom 5 van deze tabel genoemde landen, is afhankelijk van de indiening van certificaten die aan de in de artikelen 27 tot en met 34 gestelde eisen voldoen. Deze certificaten, die naast de volgnummers in kolom 4 van de hierna volgende tabel zijn vermeld, zijn in de bijlagen 2 tot en met 8 opgenomen. Het gaat om zogenaamde certificaten "van echtheid" voor druiven, whisky, wodka en tabak, "van benaming van oorsprong" voor wijn en "van kwaliteit" voor natriumnitraat. 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt voor Port-, Madeira- en Sherrywijn en voor Moscatel de Setubal, ingedeeld onder de GN-codes 2204 21 41, 2204 21 51, 2204 29 41 en 2204 29 51, het overeenkomstig artikel 9, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 986/89 van de Commissie (6) afgegeven en gewaarmerkte goedgekeurde handelsdocument overgelegd in de plaats van het certificaat van benaming van oorsprong. (6) PB nr. L 106 van 18. 4. 1989, blz. 1. 3. De tabak die op het tijdstip van het in het vrije verkeer brengen op grond van een Gemeenschapsvoorschrift in aanmerking komt voor vrijstelling van de douanerechten, dient echter zonder overlegging van een certificaat van echtheid onder de GN-codes 2401 10 10 tot en met 2401 10 49 en 2401 20 10 tot en met 2401 20 49 te worden ingedeeld. Bedoeld certificaat mag voor voornoemde tabakssoorten niet worden afgegeven noch aanvaard wanneer verschillende soorten in één onmiddellijke verpakking worden aangeboden. 4. Met betrekking tot de goederen van volgnummer 6 in de hierna volgende tabel wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan onder: a) "tabak van de soort Virginia, 'flue-cured` ": tabak die is gedroogd in kunstmatige atmosferische omstandigheden met behulp van een procédé met warmte- en ventilatieregeling en waarbij elk contact tussen de rook en de tabaksbladeren wordt vermeden; de gedroogde tabak heeft dan gewoonlijk een citroengele tot zeer donker oranje of rode kleur. Andere kleuren en combinaties van kleuren zijn dikwijls een gevolg van de rijpheidsgraad, de teeltwijze of de droogtechniek; b) "tabak van de soort Burley, Burleyhybriden daaronder begrepen, 'light-air-cured` ": tabak die met warme lucht is gedroogd in natuurlijke atmosferische omstandigheden en die geen rookgeur heeft wanneer van extra warmte of van een bijkomende luchtstroom gebruik werd gemaakt; de bladeren variëren van taankleurig tot roodachtig. Andere kleuren en combinaties van kleuren zijn dikwijls een gevolg van de rijpheidsgraad, de teeltwijze of de droogtechniek; c) "tabak van de soort Maryland, 'light-air-cured` ": tabak die met warme lucht is gedroogd in natuurlijke atmosferische omstandigheden en die geen rookgeur heeft wanneer van extra warmte of van een bijkomende luchtstroom gebruik werd gemaakt; de bladeren variëren van lichtgeel tot diep kersrood. Andere kleuren en combinaties van kleuren zijn dikwijls een gevolg van de rijpheidsgraad, de teeltwijze of de droogtechniek; d) " 'fire-cured` tabak": tabak die met warme lucht is gedroogd in kunstmatige atmosferische omstandigheden boven open houtvuren, waarbij de rook van het hout gedeeltelijk door de tabak is opgenomen. Bladeren van "fire-cured" tabak zijn dikker dan bladeren van Burley, "flue-cured", of Maryland, van het overeenkomstige deel van de plant. De kleuren variëren van geelbruin tot zeer donker bruin. Andere kleuren en combinaties van kleuren zijn dikwijls een gevolg van de rijpheidsgraad, de teeltwijze of de droogtechniek. >RUIMTE VOOR DE TABEL> Artikel 27 1. De certificaten stemmen overeen met de modellen in de bijlagen die zijn aangegeven in kolom 4 van de bij artikel 26 bedoelde tabel. Zij worden gedrukt en ingevuld in één van de officiële talen van de Europese Economische Gemeenschap, alsmede, in voorkomend geval, in de officiële taal of in één van de officiële talen van het land van uitvoer. 2. De afmetingen van het certificaat bedragen ca. 210 × 297 mm. Het te gebruiken papier moet: - voor de onder volgnummer 3 van de bij artikel 26 bedoelde tabel vermelde goederen, wit zijn en houtvrij, zodanig gelijmd dat het goed te beschrijven is en ten minste 55 en ten hoogste 65 g per m2 wegen. De voorzijde van het certificaat is voorzien van een roze, geguillocheerde onderdruk welke vervalsing met behulp van mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt; - voor de onder de volgnummers 4 en 5 van de bij artikel 26 bedoelde tabel bedoelde goederen, wit zijn, met gele randen, en ten minste 40 g per m2 wegen; - voor de overige in de tabel vermelde goederen, wit zijn en ten minste 40 g per m2 wegen. 3. Voor de onder volgnummer 3 van de bij artikel 26 bedoelde tabel vermelde goederen mogen de randen van het certificaat over een buitenstrook van ten hoogste 13 mm breed van siermotieven voorzien zijn. 4. Voor de onder de volgnummers 1 en 2 van de bij artikel 26 bedoelde tabel vermelde goederen wordt het certificaat opgesteld in één origineel en twee afschriften. Het te gebruiken papier is wit voor het origineel, roze voor het eerste afschrift en geel voor het tweede afschrift. 5. Voor de onder volgnummer 2 van de in artikel 26 bedoelde tabel vermelde goederen wordt elk certificaat van een volgnummer voorzien, dat door de met de afgifte belaste instelling wordt toegekend, gevolgd door de nationaliteitsletters van deze instelling. De afschriften dragen hetzelfde volgnummer en dezelfde nationaliteitsletters als het origineel. 6. De douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de goederen voor het vrije verkeer worden aangegeven, kunnen een vertaling van het certificaat eisen. Artikel 28 Het certificaat wordt hetzij met de schrijfmachine hetzij met de hand ingevuld. In het laatste geval dient dit met inkt en in blokletters te geschieden. Artikel 29 1. Het certificaat of, bij de voorgenomen splitsing van een zending van goederen van de volgnummers 1, 6 en 7 van de bij artikel 26 bedoelde tabel, de in artikel 34 bedoelde fotokopie wordt binnen de hierna genoemde termijnen, te rekenen vanaf de dag van afgifte van het certificaat, aan de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer overgelegd, samen met de goederen waarop dit certificaat of deze fotokopie betrekking heeft: - twee maanden voor de goederen van volgnummer 2 van de in artikel 26 bedoelde tabel; - drie maanden voor de goederen van de volgnummers 1, 3 en 4 van genoemde tabel; - zes maanden voor de goederen van de volgnummers 5 en 7 van genoemde tabel; - 24 maanden voor de goederen van volgnummer 6 van genoemde tabel. 2. Voor de goederen van volgnummer 2 van de bij artikel 26 bedoelde tabel: - wordt het eerste afschrift van het certificaat de betrokken autoriteiten samen met het origineel overgelegd; - wordt het tweede afschrift van het certificaat rechtstreeks door de met de afgifte belaste instantie aan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van invoer gezonden. Artikel 30 1. Een certificaat is slechts geldig indien het naar behoren is geviseerd door een met de afgifte belaste instantie die in kolom 6 van de bij artikel 26 bedoelde tabel voorkomt. 2. Een certificaat is naar behoren geviseerd wanneer plaats en datum van afgifte op het certificaat zijn vermeld en het stempel van de met de afgifte belaste instantie en de handtekening van de tot ondertekening bevoegde persoon of personen op het certificaat voorkomen. Artikel 31 1. Een met de afgifte belaste instantie kan slechts in de in artikel 26 bedoelde tabel voorkomen indien zij: a) als zodanig door het land van uitvoer is erkend; b) zich ertoe verplicht de in de certificaten voorkomende gegevens te verifiëren; c) zich ertoe verplicht de Commissie en de Lid-Staten, op verzoek, alle nodige inlichtingen te verstrekken om de in de certificaten voorkomende gegevens te kunnen beoordelen. 2. De in artikel 26 bedoelde tabel wordt herzien wanneer aan de in lid 1, onder a), bedoelde voorwaarde niet meer wordt voldaan of wanneer een met de afgifte belaste instantie één van de verplichtingen die zij op zich heeft genomen, niet nakomt. Artikel 32 De bij de aangifte(n) voor het vrije verkeer overgelegde facturen worden voorzien van het (de) volgnummer(s) van de desbetreffende certificaten. Artikel 33 De landen die zijn vermeld in kolom 5 van de bij artikel 26 bedoelde tabel doen de Commissie een specimen toekomen van de afdruk van de stempels die door de met de afgifte belaste instanties, alsmede, in voorkomend geval, door hun officiële agentschappen worden gebruikt. De Commissie geeft deze inlichtingen door aan de douaneautoriteiten van de Lid-Staten. Artikel 34 Voor de goederen van de volgnummers 1, 6 en 7 van de bij artikel 26 bedoelde tabel dient, bij splitsing van de zending, voor elke partij van de gesplitste zending een fotokopie te worden gemaakt van het originele certificaat. De fotokopieën en het originele certificaat dienen te worden overgelegd aan het douanekantoor waar de goederen zich bevinden. Iedere fotokopie dient de naam en het adres van de geadresseerde van de partij te bevatten en te worden voorzien van de vermelding in rood "Uittreksel geldig voor . . . kg" (in cijfers en letters), alsmede van de plaats en datum van de splitsing. Deze vermeldingen worden gewaarmerkt door de afdruk van de dienststempel van het douanekantoor en door ondertekening door de bevoegde douaneambtenaar. Het originele certificaat dient van een passende aantekening met betrekking tot de splitsing van de zending te worden voorzien en door het betrokken douanekantoor te worden bewaard. TITEL IV OORSPRONG VAN GOEDEREN HOOFDSTUK 1 Niet-preferentiële oorsprong Afdeling 1 Be- of verwerking die het karakter van produkt van oorsprong verleent Artikel 35 In dit hoofdstuk wordt bepaald welke be- of verwerkingen van, enerzijds, textielstoffen en textielwaren van afdeling XI van de gecombineerde nomenclatuur en van, anderzijds, bepaalde andere produkten dan textielstoffen en textielwaren geacht worden te beantwoorden aan de criteria van artikel 24 van het Wetboek, waardoor deze produkten het karakter verkrijgen van produkt van oorsprong uit het land waar de be- of verwerkingen hebben plaatsgevonden. Onder "land" wordt, al naar gelang van het geval, een derde land of de Gemeenschap verstaan. Onderafdeling 1 Textielstoffen en textielwaren van afdeling XI van de gecombineerde nomenclatuur Artikel 36 De volledige verwerking, als in artikel 37 beschreven, van textielstoffen en textielwaren die onder afdeling XI van de gecombineerde nomenclatuur worden ingedeeld, wordt beschouwd als een be- of verwerking waardoor het produkt het karakter van produkt van oorsprong verkrijgt in de zin van artikel 24 van het Wetboek. Artikel 37 Een be- of verwerking als gevolg waarvan de verkregen produkten onder een andere post van de gecombineerde nomenclatuur worden ingedeeld dan elk van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, wordt als een volledige verwerking beschouwd. Wat de produkten in bijlage 10 betreft, wordt evenwel slechts de be- of verwerking die in kolom 3 van deze bijlage naast elk verkregen produkt is beschreven als een volledige verwerking beschouwd, ongeacht het feit of deze al dan niet leidt tot een wijziging van post. De wijze waarop de regels in bijlage 10 worden toegepast, is omschreven in de inleidende aantekeningen in bijlage 9. Artikel 38 Voor de toepassing van het voorgaande artikel worden de volgende be- of verwerkingen steeds als ontoereikend beschouwd om de oorsprong te verlenen, ongeacht of deze al dan niet leiden tot een wijziging van post: a) behandelingen welke dienen om de produkten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren (luchten, uitleggen, drogen, verwijderen van beschadigde delen en soortgelijke behandelingen); b) eenvoudige handelingen zoals stofvrij maken, zeven, sorteren, rangschikken, samenvoegen (daaronder begrepen het samenstellen van sets), wassen en snijden; c) i) veranderen van verpakking, splitsen en samenvoegen van colli; ii) eenvoudig verpakken in zakken, omhulsels, blikken, bevestigen op plankjes enz. en alle andere eenvoudige verpakkingshandelingen; d) aanbrengen op de produkten zelf of op hun verpakking van merken, etiketten of andere herkenningstekens; e) eenvoudig samenvoegen van delen tot een volledig produkt; f) combinaties van twee of meer van de onder a) tot en met e) genoemde handelingen. Onderafdeling 2 Andere produkten dan textielstoffen en textielwaren van afdeling XI van de gecombineerde nomenclatuur Artikel 39 Van de verkregen produkten genoemd in bijlage 11, wordt de in kolom 3 van deze bijlage genoemde be- of verwerking beschouwd als een be- of verwerking waardoor de oorsprong wordt verkregen overeenkomstig artikel 24 van het Wetboek. De wijze waarop de regels in bijlage 11 worden toegepast is omschreven in de inleidende aantekeningen van bijlage 9. Onderafdeling 3 Gemeenschappelijke bepalingen voor alle produkten Artikel 40 Wanneer in de lijsten van de bijlagen 10 en 11 is bepaald dat het karakter van produkt van oorsprong wordt verkregen indien de waarde van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn een bepaald percentage van de prijs af fabriek van de verkregen produkten niet overschrijdt, wordt dit percentage als volgt berekend: - "waarde" betekent de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor deze materialen in het land van verwerking is betaald; - "prijs af fabriek" betekent de prijs af fabriek van het verkregen produkt verminderd met alle binnenlandse belastingen die zijn of kunnen worden terugbetaald wanneer dit produkt wordt uitgevoerd; - "meerwaarde verkregen door montage" betekent de meerwaarde die voortvloeit uit de montage zelf, de afwerking en de controle en uit het inbouwen van onderdelen van oorsprong uit het land waar deze montage plaatsvindt, met inbegrip van de in dit land gemaakte winst en bedrijfskosten als gevolg van vorengenoemde handelingen. Afdeling 2 Vervangingsonderdelen Artikel 41 Essentiële vervangingsonderdelen bestemd voor materieel, machines, apparaten of voertuigen die in het vrije verkeer zijn gebracht of eerder werden uitgevoerd, worden geacht dezelfde oorsprong te hebben als dit materieel of deze machines, apparaten of voertuigen, voor zover aan de in deze afdeling gestelde voorwaarden is voldaan. Artikel 42 De overeenkomstig het vorige artikel aangenomen oorsprong wordt slechts aanvaard: - indien dit noodzakelijk is voor invoer in het land van bestemming; - indien het gebruik van deze essentiële vervangingsonderdelen tijdens de vervaardiging van bedoeld materieel of de bedoelde machines, apparaten of voertuigen niet belet zou hebben dat dit materieel of deze machines, apparaten of voertuigen het karakter van produkt van oorsprong uit de Gemeenschap of uit het land van vervaardiging zou(den) bezitten. Artikel 43 Voor de toepassing van artikel 41 wordt verstaan onder: a) "materieel, machines, apparaten en voertuigen": goederen die onder de afdelingen XVI, XVII en XVIII van de gecombineerde nomenclatuur worden ingedeeld; b) onder "essentiële vervangingsonderdelen": - onderdelen zonder welke de onder a) bedoelde goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht of eerder werden uitgevoerd, niet goed kunnen functioneren, - kenmerkend zijn voor die goederen, en - voor het normale onderhoud ervan zijn bestemd en ter vervanging van onderdelen van dezelfde soort die zijn beschadigd of niet meer kunnen worden gebruikt. Artikel 44 Wanneer bij de bevoegde autoriteiten of de aangewezen instanties van de Lid-Staten een aanvraag wordt ingediend voor een certificaat van oorsprong voor de in artikel 41 bedoelde essentiële vervangingsonderdelen, wordt op dat certificaat en de daarop betrekking hebbende aanvraag in vak 6 (volgnummer; merken, nummers; aantal en soort van de colli; omschrijving van de goederen) een verklaring van de aanvrager opgenomen dat de daarin vermelde goederen bestemd zijn voor het normale onderhoud van eerder uitgevoerd materieel of van eerder uitgevoerde machines, apparaten of voertuigen alsmede een nauwkeurige omschrijving van dit materieel, deze machines, apparaten of voertuigen. Voor zover mogelijk vermeldt de aanvrager tevens de gegevens van het certificaat van oorsprong (instantie van afgifte, nummer en datum van het certificaat) onder geleide waarvan het materieel, de machines, de apparaten of voertuigen waarvoor de onderdelen zijn bestemd, zijn uitgevoerd. Artikel 45 Wanneer de oorsprong van de in artikel 41 bedoelde essentiële vervangingsonderdelen met het oog op de aangifte voor het vrije verkeer in de Gemeenschap moet worden aangetoond door middel van een certificaat van oorsprong, dient dit de in artikel 44 bedoelde gegevens te bevatten. Artikel 46 De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten kunnen met het oog op de toepassing van deze afdeling nader bewijsmateriaal eisen, waaronder: - de factuur of een afschrift van de factuur betreffende het materieel, de machines, apparaten of voertuigen welke in het vrije verkeer werden gebracht of eerder werden uitgevoerd; - het contract of een afschrift van het contract of elk ander document waaruit blijkt dat de levering in het kader van het normale onderhoud plaatsvindt. Afdeling 3 Certificaten van oorsprong Onderafdeling 1 Algemene certificaten van oorsprong Artikel 47 Wanneer de oorsprong van een produkt bij invoer wordt of moet worden aangetoond door middel van een certificaat van oorsprong, dient dit certificaat aan de volgende voorwaarden te voldoen: a) het is afgegeven door een autoriteit dan wel door een daartoe door het land van afgifte gemachtigde instantie, die de nodige waarborgen biedt; b) het bevat de nodige gegevens ten einde het produkt waarop het betrekking heeft te kunnen identificeren, onder meer: - het aantal, de aard, de merken en de nummers van de colli; - het soort produkt; - het bruto- en nettogewicht van het produkt; deze gegevens kunnen evenwel door andere worden vervangen zoals aantal of volume wanneer het gewicht van het produkt tijdens het vervoer aan veranderingen onderhevig is of wanneer het gewicht ervan niet kan worden vastgesteld of wanneer het gewoonlijk aan de hand van deze andere gegevens wordt geïdentificeerd; - de naam van de afzender; c) het vermeldt duidelijk het land van oorsprong van het produkt waarop het betrekking heeft. Artikel 48 1. Een certificaat van oorsprong afgegeven door de bevoegde autoriteiten of de daartoe gemachtigde instanties van de Lid-Staten dient te voldoen aan de in artikel 47, onder a) en b), gestelde voorwaarden. 2. De certificaten en de daarop betrekking hebbende aanvragen dienen te worden gesteld op formulieren die overeenstemmen met de modellen in bijlage 12. 3. In deze certificaten van oorsprong wordt verklaard dat de goederen van oorsprong zijn uit de Gemeenschap. Er kan evenwel verklaard worden dat de goederen van oorsprong zijn uit een bepaalde Lid-Staat indien dit ten behoeve van de handel nodig is. Wordt aan de voorwaarden van artikel 24 van het Wetboek slechts voldaan als gevolg van een reeks be- of verwerkingen in verschillende Lid-Staten, dan kan slechts worden verklaard dat de goederen van oorsprong zijn uit de Gemeenschap. Artikel 49 Een certificaat van oorsprong wordt op schriftelijk verzoek van de belanghebbende afgegeven. Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, onder andere wanneer de aanvrager regelmatig goederen uitvoert, behoeven de Lid-Staten voor elke afzonderlijke uitvoerverrichting geen aanvraag te eisen, mits naleving van de voorschriften inzake oorsprong is verzekerd. Wanneer dit ten behoeve van de handel nodig is, kunnen een of meer extra kopieën van een certificaat van oorsprong worden afgegeven. Deze kopieën worden gesteld op formulieren waarvan het model in bijlage 12 is opgenomen. Artikel 50 1. De afmetingen van het certificaat bedragen 210 × 297 mm, waarbij in de lengte een afwijking van 5 mm minder of 8 mm meer is toegestaan. Het te gebruiken papier is wit, houtvrij, zodanig gelijmd dat het goed te beschrijven is, met een gewicht van ten minste 64 g per m2 of tussen 25 en 30 g per m2 wanneer luchtpostpapier wordt gebruikt. Het is voorzien van een bisterkleurige, geguillocheerde onderdruk die elke vervalsing met behulp van mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt. 2. Het aanvraagformulier wordt gedrukt in de officiele taal of talen van de Lid-Staat van uitvoer. Het formulier van het certificaat van oorsprong wordt gedrukt in een of meer van de officiële talen van de Gemeenschap, of in een andere taal, al naar gelang van de behoeften en de gebruiken van de handel. 3. De Lid-Staten kunnen het drukken van de formulieren van de certificaten van oorsprong voorbehouden of overlaten aan drukkerijen die daartoe zijn goedgekeurd. In dit geval moet op elk formulier van het certificaat van oorsprong een verwijzing voorkomen naar die goedkeuring. Op elk certificaat van oorsprong worden naam en adres van de drukker vermeld of een teken waardoor deze geïdentificeerd kan worden. Het bevat daarenboven een volgnummer, gedrukt of door middel van een stempel aangebracht, waardoor het van andere certificaten te onderscheiden is. Artikel 51 Het aanvraagformulier voor een certificaat van oorsprong wordt op gelijke wijze met een schrijfmachine of met de hand ingevuld in één van de officiële talen van de Gemeenschap, of in een andere taal, al naar gelang van de behoeften en de gebruiken van de handel. Artikel 52 Elk in artikel 48 bedoeld certificaat van oorsprong draagt een volgnummer om het van andere certificaten te onderscheiden. Het aanvraagformulier voor het certificaat en alle kopieën van het certificaat dragen hetzelfde nummer. Bovendien mogen de bevoegde autoriteiten of de aangewezen instanties van de Lid-Staten deze documenten een afgiftenummer geven. Artikel 53 De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten kunnen voorts verlangen dat in de aanvraag nog andere gegevens worden verstrekt, die evenwel tot een strikt minimum beperkt dienen te blijven. Elke Lid-Staat deelt de Commissie mee welke bepalingen hij op grond van de voorgaande alinea heeft vastgesteld. De Commissie geeft deze mededelingen onverwijld aan de andere Lid-Staten door. Artikel 54 De bevoegde autoriteiten of de aangewezen instanties van de Lid-Staten die certificaten van oorsprong hebben afgegeven, bewaren de daarbij behorende aanvragen gedurende ten minste twee jaar. Aanvragen kunnen evenwel ook in de vorm van kopieën worden bewaard, voor zover deze volgens het nationale recht van de betrokken Lid-Staat dezelfde bewijskracht hebben als het origineel. Onderafdeling 2 Certificaten van oorsprong voor bepaalde landbouwprodukten waarvoor bijzondere invoerregelingen gelden Artikel 55 In de artikelen 56 tot en met 65 worden de voorwaarden vastgesteld voor het gebruik van certificaten van oorsprong met betrekking tot landbouwprodukten van oorsprong uit derde landen waarvoor bijzondere, niet-preferentiële invoerregelingen gelden, voor zover hierin naar de volgende bepalingen wordt verwezen. a) Certificaten van oorsprong Artikel 56 1. Certificaten van oorsprong met betrekking tot landbouwprodukten van oorsprong uit derde landen waarvoor bijzondere, niet-preferentiële invoerregelingen gelden, worden gesteld op formulieren die overeenstemmen met het model in bijlage 13. 2. Deze certificaten worden afgegeven door de bevoegde overheidsinstanties van de betrokken derde landen, hierna "instantie van afgifte" genoemd, indien de produkten waarop deze certificaten betrekking hebben, beschouwd kunnen worden als van oorsprong zijnde uit die landen in de zin van de in de Gemeenschap geldende bepalingen. 3. Deze certificaten bevatten tevens alle gegevens die volgens de communautaire wetgeving vereist zijn met betrekking tot de in artikel 55 bedoelde bijzondere invoerregelingen. 4. Onverminderd specifieke bepalingen van de in artikel 55 bedoelde speciale invoerregelingen zijn de certificaten tien maanden geldig vanaf de datum van afgifte door de instantie van afgifte. Artikel 57 1. De overeenkomstig deze onderafdeling afgegeven certificaten van oorsprong bestaan slechts uit één exemplaar waarop, naast het opschrift van het document, het woord "origineel" is vermeld. Mochten extra kopieën nodig blijken, dan wordt daarop, naast het opschrift van het document, het woord "kopie" vermeld. 2. De bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap aanvaarden uitsluitend het origineel van het certificaat van oorsprong als geldig exemplaar. Artikel 58 1. De afmetingen van het certificaat bedragen 210 × 297 mm, waarbij in de lengte een afwijking van 5 mm minder of 8 mm meer is toegestaan. Het te gebruiken papier is wit en houtvrij, met een gewicht van ten minste 40 g per m2. Het is voorzien van een gele, geguillocheerde onderdruk die elke vervalsing met behulp van mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt. 2. De certificaten worden gedrukt en ingevuld in één van de officiële talen van de Gemeenschap. Artikel 59 1. Het certificaat wordt ingevuld met de schrijfmachine of door middel van een mecanografisch of soortgelijk procédé. 2. In het certificaat mogen geen raderingen of overschrijvingen voorkomen. Wijzigingen worden aangebracht door middel van doorhaling van de onjuiste en, in voorkomend geval, toevoeging van de juiste gegevens. Elke aldus aangebrachte wijziging wordt goedgekeurd door degene die deze aanbrengt en geviseerd door de instantie van afgifte. Artikel 60 1. In vak 5 van de overeenkomstig de artikelen 56 tot en met 59 afgegeven certificaten van oorsprong worden alle aanvullende gegevens vermeld die nodig zijn voor de toepassing van de in artikel 56, lid 3, bedoelde bijzondere invoerregelingen waarop zij betrekking hebben. 2. De onbeschreven gedeelten van de vakken 5, 6 en 7 worden zo doorgekruist dat latere toevoegingen niet mogelijk zijn. Artikel 61 Elk certificaat van oorsprong is van een al dan niet gedrukt volgnummer voorzien, om het van de andere certificaten te onderscheiden, alsmede van het stempel van de instantie van afgifte en de handtekening van de persoon of de personen die gemachtigd zijn het te ondertekenen. Het certificaat wordt afgegeven bij de uitvoer van de produkten waarop het betrekking heeft. De instantie van afgifte bewaart een kopie van elk certificaat dat zij afgeeft. Artikel 62 Bij wijze van uitzondering kan het hierboven bedoelde certificaat van oorsprong afgegeven worden na uitvoer van de produkten waarop het betrekking heeft, wanneer dit ten gevolge van een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet is geschied op het tijdstip van de uitvoer. De bevoegde autoriteiten kunnen een in de artikelen 56 tot en met 61 bedoeld certificaat van oorsprong slechts achteraf afgeven na te hebben gecontroleerd of de gegevens in de aanvraag van de exporteur overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier. Op de achteraf afgegeven certificaten wordt in het vak "Opmerkingen" een van de volgende vermeldingen aangebracht: - expedido a posteriori, - udstedt efterfoelgende, - Nachtraeglich ausgestellt, - AAêaeïèÝí aaê ôùí õóôÝñùí, - Issued retrospectively, - Délivré a posteriori, - rilasciato a posteriori, - afgegeven a posteriori, - emitido a posteriori. b) Administratieve samenwerking Artikel 63 1. Indien volgens de bijzondere invoerregelingen voor bepaalde landbouwprodukten het in de artikelen 56 tot en met 62 bedoelde certificaat van oorsprong moet worden gebruikt, dan is de toepassing van deze regelingen afhankelijk van het instellen van een procedure van administratieve samenwerking, tenzij dit in de betrokken regelingen anders is bepaald. Met het oog hierop doen de betrokken derde landen de Commissie het volgende toekomen: - de namen en adressen van de instanties die de certificaten van oorsprong afgeven, alsmede afdrukken van de gebruikte stempels; - de namen en adressen van de overheidsinstanties die belast zijn met de behandeling van de in artikel 64 bedoelde verzoeken om controle achteraf van de certificaten van oorsprong. Al deze informatie wordt door de Commissie aan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten doorgegeven. 2. Wanneer de betrokken derde landen verzuimen de Commissie de in lid 1 bedoelde informatie te verstrekken, passen de bevoegde autoriteiten in de Gemeenschap de bijzondere invoerregelingen niet toe. Artikel 64 1. De controle achteraf van de in de artikelen 56 tot en met 62 bedoelde certificaten van oorsprong geschiedt bij wijze van steekproef en wanneer er redenen zijn om te twijfelen aan de echtheid van het document of de juistheid van de daarin vervatte gegevens. De controle ten aanzien van de oorsprong wordt uitgevoerd op initiatief van de douaneautoriteiten. Voor de toepassing van de landbouwregelingen kan deze controle eventueel door andere bevoegde autoriteiten worden uitgevoerd. 2. Voor de toepassing van lid 1 zenden de bevoegde autoriteiten in de Gemeenschap het certificaat van oorsprong of de kopie daarvan terug aan de door het land van uitvoer aangewezen overheidsinstantie, onder vermelding van de materiële of formele redenen van het verzoek om controle. Indien een factuur werd overgelegd, wordt deze of een kopie daarvan bij het terug te zenden certificaat gevoegd. Deze autoriteiten verstrekken voorts alle door hen verkregen inlichtingen die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het certificaat onjuist zijn of dat het certificaat niet echt is. Indien de douaneautoriteiten in de Gemeenschap besluiten de toepassing van de bijzondere invoerregelingen op te schorten in afwachting van de resultaten van de controle, verlenen zij vrijgave van de produkten onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen. Artikel 65 1. De resultaten van de controle achteraf worden zo snel mogelijk ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteiten in de Gemeenschap. Aan de hand van deze resultaten moet kunnen worden vastgesteld of de onder de in artikel 64 bedoelde omstandigheden teruggezonden certificaten van oorsprong betrekking hebben op de uitgevoerde goederen en of deze inderdaad in aanmerking komen voor toepassing van de betreffende bijzondere invoerregeling. 2. Wanneer geen gevolg is gegeven aan het verzoek tot controle achteraf binnen zes maanden, weigeren de bevoegde autoriteiten in de Gemeenschap definitief de toekenning van de bijzondere invoerregeling. HOOFDSTUK 2 Preferentiële oorsprong Afdeling 1 Algemeen Preferentiesysteem Onderafdeling 1 Definitie van het begrip "produkten van oorsprong" Artikel 66 Voor de toepassing van de bepalingen inzake algemene tariefpreferenties die door de Gemeenschap zijn toegekend ten aanzien van bepaalde produkten van oorsprong uit ontwikkelingslanden, als bedoeld in artikel 20, lid 3, onder e), van het Wetboek, worden de volgende produkten geacht van oorsprong te zijn uit een land waarvoor zulke preferenties gelden (hierna "begunstigd land" genoemd), voor zover zij in de zin van artikel 75 rechtstreeks naar de Gemeenschap zijn vervoerd: a) geheel en al in dat land verkregen produkten; b) in dat land verkregen produkten, bij de vervaardiging waarvan andere dan de onder a) bedoelde produkten zijn gebruikt, mits deze produkten een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan in de zin van artikel 68, lid 1. Artikel 67 1. Als geheel en al in een begunstigd land verkregen, in de zin van artikel 66, onder a), worden beschouwd: a) aldaar uit de bodem of zeebodem gewonnen mineralen; b) aldaar geoogste produkten van het plantenrijk; c) aldaar geboren en gefokte levende dieren; d) produkten afkomstig van aldaar levende dieren; e) voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij; f) produkten van de zeevisserij en andere door zijn schepen uit de zee gewonnen produkten; g) produkten uitsluitend uit de onder f) bedoelde produkten aan boord van zijn fabrieksschepen vervaardigd; h) aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de herwinning van grondstoffen kunnen dienen; i) afval en schroot, afkomstig van aldaar verrichte fabricagehandelingen; j) produkten gewonnen van en uit de buiten de territoriale wateren gelegen zeebodem of de ondergrond daarvan, voor zover dat land met het oog op exploitatie exclusieve rechten over deze zeebodem en de ondergrond daarvan uitoefent; k) produkten die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met j) bedoelde produkten zijn vervaardigd. 2. De term "zijn schepen" in lid 1, onder f), is slechts van toepassing op schepen: - die in het begunstigde land zijn ingeschreven of geregistreerd; - die de vlag van het begunstigde land voeren; - die voor minstens de helft toebehoren aan onderdanen van het begunstigde land of aan een vennootschap waarvan het hoofdkantoor zich in dat land bevindt en waarvan de bedrijfsvoerders, de voorzitter van de raad van beheer of de raad van toezicht en de meerderheid van de leden van deze raden onderdanen zijn van dat land, en waarvan bovendien, in geval van personenvennootschappen of vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, ten minste de helft van het kapitaal toebehoort aan dat land of aan openbare lichamen of onderdanen van dat land; - waarvan de kapitein en de officieren allen onderdanen zijn van het begunstigde land, en - waarvan de bemanning voor ten minste 75 % bestaat uit onderdanen van het begunstigde land. 3. De zinsnede "in een begunstigd land" heeft ook betrekking op de territoriale wateren van dat land. 4. Schepen waarmede op volle zee wordt gevist, met inbegrip van fabrieksschepen waarop de gevangen vis wordt be- of verwerkt, worden geacht deel uit te maken van het grondgebied van het begunstigde land waartoe zij behoren, voor zover zij voldoen aan de voorwaarden van lid 2. Artikel 68 1. Voor de toepassing van artikel 66, onder b), worden materialen die niet van oorsprong zijn, geacht een toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan wanneer het verkregen produkt onder een andere post wordt ingedeeld dan de posten waaronder de bij de vervaardiging gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, worden ingedeeld, onder voorbehoud van de leden 2 en 3. Bijlage 14 bevat de aantekeningen met betrekking tot produkten die vervaardigd zijn uit materialen die niet van oorsprong zijn. De in deze bepalingen gebruikte termen "hoofdstukken" en "posten" hebben betrekking op de hoofdstukken en de posten (viercijfercodes) van de nomenclatuur die het geharmoniseerde systeem vormt. De term "ingedeeld" verwijst naar de indeling van een produkt of een materiaal onder een bepaalde post. 2. Een produkt dat in de kolommen 1 en 2 van de lijst in bijlage 15 is genoemd, moet aan de voorwaarden voldoen die voor dit produkt in kolom 3 zijn vermeld, in plaats van aan het bepaalde in lid 1: a) Onder "waarde" in de lijst in bijlage 15 wordt verstaan de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in het betrokken land is betaald. Wanneer de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong moet worden vastgesteld, is het bepaalde onder deze letter a) van overeenkomstige toepassing. b) Onder "prijs af fabriek" in de lijst van bijlage 15 wordt verstaan de prijs die voor het verkregen produkt is betaald aan de fabrikant in wiens bedrijf de laatste be- of verwerking heeft plaatsgevonden, voor zover in die prijs de waarde is begrepen van al het gebruikte materiaal, na aftrek van alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen produkt wordt uitgevoerd. 3. Voor de toepassing van artikel 66, onder b), worden de volgende be- of verwerkingen als ontoereikend beschouwd om het karakter van produkt van oorsprong te verlenen, ongeacht of deze al dan niet leiden tot een wijziging van post: a) behandelingen welke dienen om de produkten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren (luchten, uitleggen, drogen, koelen, in water zetten waaraan zout, zwaveldioxide of andere stoffen zijn toegevoegd, verwijderen van beschadigde delen en soortgelijke behandelingen); b) eenvoudige handelingen zoals stofvrij maken, zeven, sorteren, rangschikken, samenvoegen (daaronder begrepen het samenstellen van sets), wassen, verven en snijden; c) i) veranderen van verpakkingen, splitsen en samenvoegen van colli, ii) eenvoudig bottelen, verpakken in zakken, omhulsels of blikken, bevestigen op plankjes enz., en alle andere eenvoudige verrichtingen in verband met de opmaak; d) aanbrengen op de produkten zelf of hun verpakking van merken, etiketten of andere soortgelijke onderscheidingstekens; e) eenvoudig mengen van produkten, ook van verschillende soorten, indien een of meer bestanddelen van het mengsel niet voldoen aan de voorwaarden van deze titel om als "produkten van oorsprong" te kunnen worden beschouwd; f) eenvoudig samenvoegen van delen tot een volledig produkt; g) combinaties van twee of meer van de onder a) tot en met f) genoemde behandelingen; h) slachten van dieren. Artikel 69 Om te bepalen of een produkt van oorsprong is uit een begunstigd land wordt niet nagegaan of de elektriciteit, brandstof, fabrieksuitrusting, machines en werktuigen die voor de verkrijging van dit produkt zijn gebruikt al dan niet van oorsprong zijn uit derde landen. Artikel 70 1. Om te bepalen of een produkt dat vervaardigd is in een begunstigd land dat lid is van een regionale groepering, van oorsprong is uit dat land in de zin van artikel 66, worden, in afwijking van genoemd artikel, de produkten van oorsprong uit een van de landen van die regionale groepering die gebruikt worden bij de vervaardiging van produkten in een ander land van de groepering, behandeld alsof zij van oorsprong waren uit laatstgenoemd land. 2. Het land van oorsprong van het eindprodukt wordt bepaald overeenkomstig artikel 71. 3. De regionale cumulatie is van toepassing op drie afzonderlijke regionale groeperingen van landen die voor het Algemeen Preferentiesysteem in aanmerking komen: a) de Associatie van Zuidoostaziatische Staten (Asean); b) de Centraalamerikaanse Gemeenschappelijke Markt (CACM); c) de Andes-groep. 4. Onder "regionale groepering" wordt, al naar gelang van het geval, verstaan de Asean, de CACM of de Andes-groep. Artikel 71 1. Produkten die uit hoofde van artikel 70 het karakter van produkt van oorsprong bezitten, zijn van oorsprong uit het land van de regionale groepering waar de laatste be- of verwerking heeft plaatsgevonden, voor zover: - de aldaar toegevoegde waarde, zoals in lid 3 omschreven, hoger is dan de hoogste douanewaarde van de gebruikte produkten van oorsprong uit een van de andere landen van de regionale groepering; - de aldaar uitgevoerde be- of verwerking meer omvat dan de in artikel 68, lid 3, omschreven be- of verwerkingen en, wat textielprodukten betreft, tevens meer dan de in bijlage 16 genoemde bewerkingen. 2. In alle andere gevallen verkrijgen de produkten de oorsprong van het land van de regionale groepering dat de hoogste douanewaarde van de produkten van oorsprong uit andere landen van de regionale groepering vertegenwoordigt. 3. Onder "toegevoegde waarde" wordt verstaan de prijs af fabriek, verminderd met de douanewaarde van elk van de verwerkte produkten van oorsprong uit een ander land van de regionale groepering. Artikel 72 1. De artikelen 70 en 71 zijn slechts van toepassing, indien a) de bepalingen die gelden voor het handelsverkeer in het kader van regionale cumulatie tussen de landen van de regionale groepering gelijk zijn aan die welke bij deze afdeling zijn vastgesteld; b) elk land van de regionale groepering zich ertoe heeft verbonden de voorschriften van deze afdeling in acht te nemen of in acht te doen nemen en de nodige administratieve medewerking aan de Gemeenschap en de andere landen van de regionale groepering te verlenen ten einde ervoor te zorgen dat de afgifte van de certificaten van oorsprong formulier A en de controle op de certificaten van oorsprong formulier A en de formulieren APR op regelmatige wijze plaatsvinden. Deze verbintenis wordt de Commissie door bemiddeling van het secretariaat van de regionale groepering medegedeeld. Dit secretariaat is het volgende, al naar gelang van het geval: - het Algemene Secretariaat van de Asean-landen; - het Permanente Secretariaat van de Centraalamerikaanse Gemeenschappelijke Markt, - de Junta del Acuerdo de Cartagena. 2. De Commissie deelt de Lid-Staten mede wanneer voor elk van de regionale groeperingen aan de in lid 1 bepaalde voorwaarden is voldaan. Artikel 73 Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden geleverd en deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs daarvan zijn begrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht een geheel te vormen met het materieel, de machines, de apparaten of de voertuigen in kwestie. Artikel 74 Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem worden als van oorsprong beschouwd indien de artikelen waaruit zij zijn samengesteld, van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit artikelen van oorsprong en artikelen die niet van oorsprong zijn, wordt evenwel als van oorsprong beschouwd indien de waarde van de artikelen welke niet van oorsprong zijn niet meer dan 15 % van de prijs af fabriek bedraagt. Artikel 75 1. Als rechtstreeks vervoerd van het begunstigde land van uitvoer naar de Gemeenschap worden beschouwd: a) produkten die niet worden vervoerd over het grondgebied van een ander land, met uitzondering van een land van dezelfde regionale groepering indien artikel 70 van toepassing is; b) produkten die over het grondgebied van een ander land dan het begunstigde land van uitvoer worden vervoerd of, indien artikel 70 van toepassing is, van een land van dezelfde regionale groepering, met of zonder overlading of tijdelijke opslag in deze landen, voor zover het vervoer door deze landen om geografische redenen of uitsluitend om vervoertechnische redenen plaatsvindt en de produkten: - in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douaneautoriteiten zijn gebleven, en - aldaar niet in de handel zijn gebracht of tot verbruik aangegeven, en - aldaar geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen, opnieuw laden of behandelingen ter verzekering van hun bewaring in goede staat; c) produkten die over het grondgebied van Finland, Noorwegen, Oostenrijk, Zweden of Zwitserland worden vervoerd en die vervolgens geheel of gedeeltelijk naar de Gemeenschap worden uitgevoerd, voor zover zij - in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douaneautoriteiten zijn gebleven, en - aldaar niet tot verbruik zijn aangegeven, en - aldaar geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen, opnieuw laden of behandelingen ter verzekering van hun bewaring in goede staat; d) produkten waarvan het vervoer door middel van leidingen geschiedt met gebruik van het grondgebied van andere landen dan het uitvoerende begunstigde land. 2. Het bewijs dat aan de voorwaarden van lid 1, onder b) en c), is voldaan, wordt geleverd door de overlegging aan de douaneautoriteiten van de Gemeenschap van de volgende stukken: a) één enkel in het begunstigde land van uitvoer afgegeven vervoersdocument, onder dekking waarvan het vervoer door het land van doorvoer heeft plaatsgevonden, of b) een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven verklaring, waarin: - de produkten nauwkeurig zijn omschreven, - de data zijn aangegeven waarop de produkten zijn gelost en opnieuw geladen, en is vermeld van welke schepen gebruik werd gemaakt, - is vermeld onder welke voorwaarden de produkten in het land van doorvoer verbleven; c) hetzij, bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk. Artikel 76 De in deze onderafdeling genoemde voorwaarden met betrekking tot het verkrijgen van oorsprong moeten zonder onderbreking in het begunstigde land zijn vervuld. Indien goederen van oorsprong uit het begunstigde land naar een ander land worden uitgevoerd en terugkeren, worden zij als niet van oorsprong zijnde beschouwd tenzij ten genoegen van de bevoegde autoriteiten kan worden aangetoond dat: - de teruggekeerde goederen dezelfde zijn als de eerder uitgevoerde goederen, en - zij in dat land geen andere behandelingen hebben ondergaan dan die welke nodig waren ter verzekering van hun bewaring in goede staat. Artikel 77 1. Ten behoeve van de minst ontwikkelde landen waarvoor algemene tariefpreferenties gelden, kan van deze bepalingen worden afgeweken wanneer dit op grond van de ontwikkeling van bestaande bedrijfstakken of de vestiging van nieuwe bedrijfstakken gerechtvaardigd is. De minst ontwikkelde begunstigde landen zijn vermeld in de verordeningen van de Raad en de besluiten van de EGKS betreffende de algemene tariefpreferenties. Daartoe dient het betrokken land bij de Commissie een overeenkomstig lid 3 met redenen omkleed verzoek in. 2. Bij het onderzoek van de aanvragen wordt in het bijzonder rekening gehouden met: a) gevallen waarin de toepassing van de bestaande regels van oorsprong de uitvoermogelijkheden naar de Gemeenschap van een in het betrokken land gevestigde bedrijfstak aanzienlijk zou beperken, in het bijzonder indien dit tot stopzetting van de activiteiten van deze bedrijfstak zou kunnen leiden; b) welbepaalde gevallen waarin duidelijk kan worden aangetoond dat de regels van oorsprong een belemmering vormen voor belangrijke investeringen in een bedrijfstak en waarin, door het toestaan van afwijkingen, het investeringsprogramma wel kan worden gerealiseerd en de oorsprongsregels geleidelijk aan kunnen worden nageleefd; c) de economische en sociale weerslag van het te nemen besluit, in het bijzonder ten aanzien van de werkgelegenheid. 3. Ter vergemakkelijking van de behandeling van de aanvragen om een afwijking, dient het land dat de aanvraag indient hierbij zoveel mogelijk informatie te verstrekken, onder andere ten aanzien van de volgende punten: - omschrijving van het eindprodukt; - aard en hoeveelheid van de produkten die aldaar worden be- of verwerkt; - fabricageprocédé; - toegevoegde waarde; - aantal werknemers van het betrokken bedrijf; - verwachte omvang van de uitvoer naar de Gemeenschap; - de reden voor de gevraagde duur van de afwijking; - andere opmerkingen. Op aanvragen tot verlenging van de afwijkende regeling zijn dezelfde regels van toepassing. Onderafdeling 2 Bewijs van de oorsprong a) Certificaat van oorsprong formulier A Artikel 78 1. "Produkten van oorsprong" in de zin van deze afdeling komen bij invoer in de Gemeenschap in aanmerking voor de in artikel 66 bedoelde tariefpreferenties tegen overlegging van een certificaat van oorsprong formulier A, dat overeenstemt met het model in bijlage 17, dat door de douaneautoriteiten of door een andere overheidsinstantie van het begunstigde land van uitvoer is afgegeven, voor zover dit land: - de Commissie de volgens artikel 93 vereiste inlichtingen heeft verstrekt, en - de Gemeenschap door tussenkomst van de douaneautoriteiten van de Lid-Staten bijstand verleent bij het controleren van de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens inzake de werkelijke oorsprong van de betrokken produkten. 2. Een certificaat van oorsprong formulier A wordt slechts afgegeven wanneer het als bewijsstuk kan dienen voor de toepassing van de in artikel 66 bedoelde tariefpreferenties. 3. Een certificaat van oorsprong formulier A wordt slechts afgegeven op schriftelijk verzoek van de exporteur of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger. 4. De exporteur of zijn vertegenwoordiger voegt bij zijn verzoek alle stukken waarmede kan worden aangetoond dat de uit te voeren produkten in aanmerking komen voor de afgifte van een certificaat van oorsprong formulier A. 5. Het certificaat wordt afgegeven door de ter zake bevoegde overheidsinstantie van het begunstigde land indien de uit te voeren produkten kunnen worden beschouwd als produkten van oorsprong uit dat land in de zin van onderafdeling 1. 6. Ten einde na te gaan of aan de in lid 5 genoemde voorwaarde is voldaan, kan de ter zake bevoegde overheidsinstantie alle bewijsstukken opvragen en iedere controle verrichten die zij nuttig acht. 7. De ter zake bevoegde overheidsinstantie van het begunstigde land ziet erop toe dat de certificaten en de aanvraagformulieren volledig en juist zijn ingevuld. 8. Het is niet verplicht vak 2 van het certificaat van oorsprong formulier A in te vullen. In vak 12 wordt dan "Europese Economische Gemeenschap" of de naam van een Lid-Staat vermeld. Ingeval echter de in artikel 75, lid 1, onder c), en artikel 80 bedoelde doorvoer wordt toegepast, wordt overeenkomstig de laatste alinea van artikel 83, lid 3, als land van invoer één van de in artikel 80 genoemde landen vermeld. 9. De datum van afgifte van het certificaat van oorsprong formulier A wordt in vak 11 vermeld. Dit vak, bestemd voor de instantie die het certificaat afgeeft, wordt met de hand ondertekend. 10. Een certificaat van oorsprong formulier A wordt door de bevoegde autoriteiten van het begunstigde land afgegeven wanneer de produkten waarop het betrekking heeft, worden uitgevoerd. Het wordt ter beschikking van de exporteur gesteld zodra de goederen werkelijk worden uitgevoerd of wanneer het zeker is dat zij zullen worden uitgevoerd. Artikel 79 Aangezien het certificaat van oorsprong formulier A het bewijsstuk vormt voor de toepassing van de in artikel 66 genoemde bepalingen inzake tariefpreferenties, nemen de bevoegde overheidsinstanties van het land van uitvoer de nodige maatregelen om de oorsprong van de produkten en de overige vermeldingen op het certificaat te controleren. Artikel 80 "Produkten van oorsprong" in de zin van deze afdeling komen bij invoer in de Gemeenschap in aanmerking voor de in artikel 66 genoemde tariefpreferenties tegen overlegging van een certificaat van oorsprong formulier A, dat door de douaneautoriteiten van Finland, Noorwegen, Oostenrijk, Zweden of Zwitserland is afgegeven aan de hand van een certificaat van oorsprong formulier A, dat door de ter zake bevoegde instanties van het begunstigde land van oorsprong is afgegeven, voor zover aan de in artikel 75 vastgestelde voorwaarden is voldaan en voor zover Finland, Noorwegen, Oostenrijk, Zweden of Zwitserland de Gemeenschap bijstand verlenen door haar douaneautoriteiten toe te staan de echtheid en regelmatigheid van de certificaten van oorsprong formulier A te controleren. De in artikel 95 bedoelde controleprocedure is van overeenkomstige toepassing. De in artikel 95, lid 3, genoemde termijn wordt tot acht maanden verlengd. Artikel 81 1. Een certificaat van oorsprong formulier A kan bij wijze van uitzondering worden afgegeven na uitvoer van de produkten waarop het betrekking heeft, wanneer het ten gevolge van een vergissing, onopzettelijk verzuim of andere bijzondere omstandigheden op het tijdstip van de uitvoer niet werd afgegeven en voor zover de goederen niet werden uitgevoerd voordat de volgens artikel 93 vereiste gegevens aan de Commissie werden medegedeeld. 2. De ter zake bevoegde overheidsinstantie kan eerst tot afgifte achteraf van een certificaat overgaan na te hebben vastgesteld dat de gegevens in het verzoek van de exporteur overeenstemmen met die in de desbetreffende uitvoerdocumenten en dat bij de uitvoer van de betrokken goederen geen certificaat van oorsprong formulier A is afgegeven. 3. Op de achteraf afgegeven certificaten van oorsprong formulier A wordt in vak 4 de vermelding "Délivré a posteriori" of "Issued retrospectively" aangebracht. Artikel 82 1. In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat van oorsprong formulier A kan de exporteur de overheidsinstantie die het had afgegeven, verzoeken een duplicaat op te maken aan de hand van de uitvoerdocumenten die in haar bezit zijn. In vak 4 van het aldus afgegeven certificaat wordt het woord "Duplicata" of "Duplicate" aangebracht, benevens de datum van afgifte en het volgnummer van het oorspronkelijke certificaat. 2. Voor de toepassing van artikel 85 is het duplicaat geldig vanaf de datum van het oorspronkelijke certificaat. Artikel 83 1. Vervanging van een of meer certificaten van oorsprong formulier A door een of meer andere certificaten is steeds mogelijk, voor zover dit geschiedt door de douaneautoriteiten in de Gemeenschap die belast zijn met het toezicht op de produkten. 2. Het certificaat dat met toepassing van dit artikel of artikel 80 ter vervanging wordt afgegeven wordt beschouwd als het definitieve certificaat van oorsprong voor de daarin vermelde produkten. Het vervangende certificaat wordt afgegeven op schriftelijk verzoek van degene die de produkten wederuitvoert. 3. In het vak rechts bovenaan op het vervangingscertificaat wordt de naam vermeld van het land van doorvoer waar het is afgegeven. In vak 4 wordt "certificat de remplacement" of "replacement certificate" geschreven, alsmede de datum en het volgnummer van het oorspronkelijke certificaat van oorsprong. In vak 1 wordt de naam vermeld van degene die de produkten wederuitvoert. In vak 2 wordt de naam vermeld van degene voor wie de produkten uiteindelijk zijn bestemd. In de vakken 3 tot en met 9 worden alle gegevens met betrekking tot de wederuitgevoerde produkten van het oorspronkelijke certificaat overgenomen. In vak 10 wordt een verwijzing opgenomen naar de factuur van degene die de produkten wederuitvoert. De autoriteit die het vervangende certificaat afgeeft, brengt haar visum aan in vak 11. De verantwoordelijkheid van deze autoriteit gaat niet verder dan de afgifte van het vervangende certificaat. De vermeldingen in vak 12 betreffende het land van oorsprong en het land van bestemming worden van het oorspronkelijke certificaat overgenomen. Degene die de produkten wederuitvoert, brengt in dit vak zijn handtekening aan. Wanneer hij dit te goeder trouw doet, is hij niet verantwoordelijk voor eventuele onjuistheden op het oorspronkelijke certificaat. 4. Het douanekantoor dat het vervangende certificaat afgeeft, vermeldt op het oorspronkelijke certificaat gewicht, aantal en aard van de verzonden goederen, alsmede de volgnummers van het overeenkomstige vervangende certificaat of de overeenkomstige vervangende certificaten. Het oorspronkelijke certificaat wordt ten minste twee jaar door het betrokken douanekantoor bewaard. 5. Een fotokopie van het oorspronkelijke certificaat kan bij het vervangende certificaat worden gevoegd. Artikel 84 1. Behoudens het bepaalde in lid 4, worden de bij artikel 1, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 3833/90 van de Raad (7) voorgeschreven verklaringen van echtheid aangebracht in vak 7 van het in artikel 78 bedoelde certificaat van oorsprong formulier A. (7) PB nr. L 370 van 31. 12. 1990, blz. 86. 2. De in lid 1 bedoelde verklaringen bestaan uit een omschrijving van de in lid 3 bedoelde produkten gevolgd door de stempelafdruk van de bevoegde overheidsinstantie en de handtekening van de beambte die gemachtigd is de omschrijving van de goederen in vak 7 voor echt te verklaren. 3. De omschrijving van de goederen in vak 7 van het certificaat van oorsprong luidt, al naar gelang van het betrokken produkt, als volgt: - "tabac brut ou non fabriqué du type Virginia 'flue-cured` " of "unmanufactured flue-cured tobacco Virginia type", - "eau-de-vie d'agave 'tequila` en récipients contenant deux litres ou moins" of "agave brandy 'tequila`, in containers holding two litres or less", - "eau-de-vie à base de raisins, appelée 'Pisco`, en récipients contenant deux litres ou moins" of "spirits produced from grapes, called 'Pisco`, in containers holding two litres or less", of, - "eau-de-vie à base de raisins, appelée 'Singani`, en récipients contenant deux litres ou moins" of "spirits produced from grapes, called 'Singani`, in containers holding two litres or less". 4. In afwijking van de leden 1 en 2 en onverminderd lid 3, wordt de stempelafdruk van de instantie die gemachtigd is de omschrijving van de in lid 3 bedoelde goederen voor echt te verklaren niet in vak 7 van het certificaat van oorsprong formulier A aangebracht, indien de autoriteit die gemachtigd is certificaten van oorsprong af te geven dezelfde is als de overheidsinstantie die gemachtigd is verklaringen van echtheid af te geven. Artikel 85 1. Het certificaat van oorsprong formulier A moet binnen tien maanden na afgifte door de overheidsinstantie van het begunstigde land van uitvoer worden overgelegd bij de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer waar de goederen worden aangebracht. 2. Certificaten van oorsprong formulier A die na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn bij de douaneautoriteiten worden overgelegd, kunnen worden aanvaard met het oog op de toepassing van de in lid 1 genoemde tariefpreferenties wanneer de te late indiening het gevolg is van overmacht of buitengewone omstandigheden. 3. De douaneautoriteiten kunnen zulke certificaten ook aanvaarden wanneer de produkten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangeboden.> Artikel 86 1. Op produkten die vanuit een begunstigd land naar een tentoonstelling in een ander land worden gezonden en voor invoer in de Gemeenschap worden verkocht, zijn bij invoer de in artikel 66 bedoelde tariefpreferenties van toepassing, voor zover de produkten aan de voorwaarden van deze afdeling voldoen om te worden beschouwd als produkten van oorsprong uit het begunstigde land van uitvoer en voor zover ten genoegen van de betrokken douaneautoriteiten wordt aangetoond dat: a) een exporteur deze produkten rechtstreeks heeft verzonden van het grondgebied van het begunstigde land van uitvoer naar het land waar de tentoonstelling werd gehouden; b) de exporteur de produkten heeft verkocht of overgedragen aan een geadresseerde in de Gemeenschap; c) de produkten naar de Gemeenschap zijn vervoerd in dezelfde staat als die waarin zij naar de tentoonstelling zijn verzonden; d) de produkten, vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan vertoning op de tentoonstelling. 2. Een certificaat van oorsprong formulier A wordt op de gebruikelijke wijze bij de douaneautoriteiten van de Gemeenschap overgelegd. Naam en adres van de tentoonstelling dienen erop te zijn vermeld. Zo nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden gevraagd ten aanzien van de aard van de produkten en de omstandigheden waaronder zij werden tentoongesteld. 3. Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, jaarbeurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter, welke niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse produkten worden gehouden, gedurende welke evenementen de produkten onder toezicht van de douaneautoriteiten blijven. Artikel 87 In de Lid-Staat van invoer wordt het certificaat van oorsprong formulier A bij de douaneautoriteiten overgelegd bij de indiening van de douaneaangifte. Zij kunnen eisen dat de aangifte voor het vrije verkeer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de produkten voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van de in artikel 66 bedoelde tariefpreferenties. Artikel 88 Wanneer op verzoek van de aangever een onder hoofdstuk 84 of 85 van het geharmoniseerde systeem ingedeeld gedemonteerd of niet-gemonteerd artikel in gedeelten wordt ingevoerd onder de door de douaneautoriteiten gestelde voorwaarden, wordt het als één artikel beschouwd, onverminderd artikel 68, lid 3, en kan bij de invoer van de eerste deelzending een certificaat van oorsprong formulier A worden overgelegd voor het volledige artikel. b) Formulier APR Artikel 89 1. In afwijking van artikel 78 wordt voor produkten die per post worden verzonden, postpakketten hieronder begrepen, voor zover de zending slechts produkten van oorsprong bevat en de waarde niet meer bedraagt dan 3 000 ecu per zending, het bewijs van oorsprong in de zin van deze afdeling geleverd door middel van een formulier APR, dat overeenstemt met het model in bijlage 18, mits, ten aanzien van dit formulier, de in artikel 78, lid 1, bedoelde bijstand wordt verleend. 2. Het formulier APR wordt door de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, door zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger ingevuld en met de hand in vak 6 ondertekend. 3. Voor iedere postzending wordt een formulier APR ingevuld. Na invulling en ondertekening wordt dit, bij verzending als pakket, door de exporteur bij het verzendformulier gevoegd. Bij verzending als brief wordt het formulier in de envelop gedaan. 4. Indien reeds in het land van uitvoer is gecontroleerd of de goederen waaruit de zending bestaat voldoen aan de definitie "produkten van oorsprong", kan de exporteur hiervan melding maken in vak 7 "Opmerkingen" van het formulier APR. 5. Deze bepalingen ontslaan de exporteur niet van de verplichting tot het vervullen van overige douane- of postformaliteiten. 6. De artikelen 85 en 87 zijn van overeenkomstige toepassing op de formulieren APR. c) Overige bepalingen inzake het bewijs van oorsprong Artikel 90 Produkten die als kleine zendingen van particulieren aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers worden voor de toepassing van de in artikel 66 genoemde tariefpreferenties als produkten van oorsprong toegelaten zonder dat het noodzakelijk is een certificaat van oorsprong formulier A over te leggen of een formulier APR in te vullen, voor zover deze produkten niet voor commerciële doeleinden worden ingevoerd en wordt verklaard dat zij aan de voorwaarden voor de toepassing van het onderhavige artikel voldoen en er over de juistheid van een dergelijke verklaring geen twijfel bestaat. De totale waarde van deze goederen mag niet meer bedragen dan 215 ecu voor kleine zendingen of 600 ecu voor de persoonlijke bagage van reizigers. Artikel 91 1. Bij toepassing van artikel 70 wordt het bewijs van de oorsprong van produkten die naar een ander land van dezelfde regionale groepering worden uitgevoerd, met het oog op een verdere be- of verwerking of voor wederuitvoer in ongewijzigde staat, geleverd door middel van een in het eerste land afgegeven certificaat van oorsprong formulier A of een aldaar opgesteld formulier APR. 2. De autoriteiten van het begunstigde land waarbij de afgifte van een certificaat van oorsprong formulier A wordt aangevraagd voor produkten bij de vervaardiging waarvan produkten van oorsprong uit een ander land van dezelfde regionale groepering zijn gebruikt, houden rekening met het certificaat van oorsprong formulier A dat door de bevoegde autoriteiten van het andere land is afgegeven of het formulier APR dat daar is opgesteld. In vak 12 van het certificaat van oorsprong formulier A of in vak 8 van het formulier APR wordt het overeenkomstig artikel 71 vastgestelde land van oorsprong vermeld. 3. Op zodanig afgegeven certificaten van oorsprong formulier A wordt in vak 4 de aantekening "Cumul régional" of "Regional cumulation" aangebracht. Artikel 92 Worden geringe verschillen vastgesteld tussen de gegevens op het certificaat en op de bescheiden die met het oog op het vervullen van de douaneformaliteiten bij invoer aan het douanekantoor worden overgelegd, dan is het certificaat hierdoor niet automatisch ongeldig, indien wordt vastgesteld dat het wel degelijk met de aangeboden produkten overeenstemt. Onderafdeling 3 Administratieve samenwerking Artikel 93 1. De begunstigde landen doen de Commissie de namen en adressen toekomen van de overheidsinstanties die bevoegd zijn voor de afgifte van certificaten van oorsprong formulier A evenals afdrukken van de stempels die door deze instanties worden gebruikt, alsmede de namen en adressen van de overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor de controle van de formulieren A en APR. 2. De begunstigde landen doen de Commissie voorts de namen en adressen toekomen van de overheidsinstanties die bevoegd zijn de in artikel 84 genoemde verklaringen van echtheid af te geven, alsmede de afdrukken van de stempels die zij gebruiken. 3. De Commissie zendt deze informatie door aan de douaneautoriteiten van de Lid-Staten. Artikel 94 Voor toepassing van de in artikel 66 genoemde tariefpreferenties ziet ieder begunstigd land erop toe dat de regels betreffende het invullen en de afgifte van certificaten van oorsprong formulier A in acht worden genomen en dat de bepalingen voor het gebruik van het formulier APR en voor de administratieve samenwerking in acht zijn genomen. Artikel 95 1. De controle achteraf van de certificaten van oorsprong formulier A en de formulieren APR wordt bij wijze van steekproef verricht of wanneer de douaneautoriteiten redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens inzake de werkelijke oorsprong van de betrokken produkten. 2. Voor de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten het certificaat van oorsprong formulier A of het formulier APR terug aan de bevoegde overheidsinstantie in het begunstigde land van uitvoer, onder vermelding van de formele of materiële redenen van het verzoek om een controle. Indien een factuur werd overgelegd, wordt deze of een kopie daarvan bij het formulier APR gevoegd. De douaneautoriteiten delen ook mede om welke redenen zij de indruk hebben dat de gegevens op bedoeld certificaat of formulier niet juist zijn. Indien deze autoriteiten besluiten de toekenning van de in artikel 66 bedoelde tariefpreferenties op te schorten in afwachting van de resultaten van de controle, verlenen zij de vrijgave van de produkten onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen. 3. Wanneer overeenkomstig lid 1 om controle achteraf wordt verzocht, wordt deze controle verricht en worden de resultaten ervan binnen ten hoogste zes maanden aan de douaneautoriteiten in de Gemeenschap medegedeeld. Aan de hand van deze resultaten moet kunnen worden vastgesteld of het betrokken certificaat van oorsprong formulier A of formulier APR betrekking heeft op de uitgevoerde produkten en of deze produkten inderdaad in aanmerking komen voor de in artikel 66 genoemde tariefpreferenties. 4. Indien het gaat om certificaten van oorsprong formulier A die overeenkomstig artikel 91 zijn afgegeven, wordt in het antwoord verwezen naar de certificaten van oorsprong formulier A of formulieren APR die in aanmerking werden genomen. 5. Indien bij gegronde twijfel binnen de in lid 3 bedoelde termijn van zes maanden geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de produkten vast te stellen, wordt aan de desbetreffende autoriteiten een tweede schrijven gezonden. Indien na dit tweede schrijven de resultaten van de controle niet binnen vier maanden aan de aanvragende autoriteiten zijn medegedeeld of indien aan de hand van deze resultaten de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de produkten niet kan worden vastgesteld, worden de algemene tariefpreferenties niet toegekend, behoudens overmacht of buitengewone omstandigheden. 6. Indien bij de controle of op grond van andere informatie blijkt dat inbreuk wordt gemaakt op de bepalingen van deze afdeling, stelt het begunstigde land van uitvoer op eigen initiatief of op verzoek van de Gemeenschap met de nodige spoed een onderzoek in of laat zulk een onderzoek instellen ten einde dergelijke inbreuken vast te stellen en herhaling ervan te voorkomen. Het betrokken begunstigde land kan de Gemeenschap verzoeken aan het onderzoek deel te nemen. 7. Met het oog op de controle achteraf van certificaten van oorsprong formulier A worden kopieën van deze certificaten alsmede alle daarop betrekking hebbende uitvoerdocumenten gedurende ten minste twee jaar bewaard door de bevoegde overheidsinstantie van het begunstigde land van uitvoer. Artikel 96 Artikel 75, lid 1, onder c), en artikel 80 zijn slechts van toepassing voor zover Finland, Noorwegen, Oostenrijk, Zweden en Zwitserland, in het kader van de door hen toegekende tariefpreferenties voor bepaalde produkten van oorsprong uit ontwikkelingslanden, soortgelijke voorschriften toepassen. Onderafdeling 4 Slotbepaling Artikel 97 Onverminderd artikel 87 mogen, voor een periode van zes maanden vanaf de datum waarop een land of een gebied voor het Algemeen Preferentiesysteem in aanmerking of opnieuw in aanmerking komt, certificaten van oorsprong formulier A en bewijsstukken inzake het rechtstreekse vervoer worden overgelegd met betrekking tot de produkten die zijn genoemd in de verordeningen van de Raad en de besluiten van de EGKS ter zake die elk jaar worden bekendgemaakt, en die onderweg zijn of in de Gemeenschap in tijdelijke opslag of onder de regeling douane-entrepots of in een vrije zone of vrij entrepot zijn geplaatst. Afdeling 2 Bezette Gebieden Onderafdeling 1 Definitie van het begrip "produkten van oorsprong" Artikel 98 1. Voor de toepassing van de bepalingen inzake tariefpreferenties die door de Gemeenschap zijn toegekend ten aanzien van bepaalde produkten van oorsprong uit de Bezette Gebieden, worden de volgende produkten, voor zover zij in de zin van artikel 103 rechtstreeks zijn vervoerd, beschouwd als: a) produkten van oorsprong uit de Bezette Gebieden: i) geheel en al in deze gebieden verkregen produkten; ii) in deze gebieden verkregen produkten, bij de vervaardiging waarvan andere dan geheel en al in deze gebieden verkregen produkten zijn gebruikt, mits deze produkten een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan in de zin van artikel 100. Deze voorwaarde geldt echter niet voor produkten die, in de zin van deze onderafdeling, van oorsprong zijn uit de Gemeenschap; b) produkten van oorsprong uit de Gemeenschap: i) geheel en al in de Gemeenschap verkregen produkten; ii) in de Gemeenschap verkregen produkten, bij de vervaardiging waarvan andere dan geheel en al in de Gemeenschap verkregen produkten zijn gebruikt, mits deze produkten een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan in de zin van artikel 100. Deze voorwaarde geldt echter niet voor produkten die, in de zin van deze onderafdeling, van oorsprong zijn uit de Bezette Gebieden. 2. Onder "Bezette Gebieden" wordt verstaan de door Israël bezette Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook. Artikel 99 Als geheel en al in de Bezette Gebieden verkregen worden beschouwd: a) aldaar uit de bodem of zeebodem gewonnen mineralen; b) aldaar geoogste produkten van het plantenrijk; c) aldaar geboren en gefokte levende dieren; d) produkten afkomstig van aldaar levende dieren; e) voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij; f) aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de herwinning van grondstoffen kunnen dienen; g) afval en schroot, afkomstig van aldaar verrichte fabricagehandelingen; h) produkten gewonnen van en uit de buiten de territoriale wateren gelegen zeebodem of de ondergrond daarvan, voor zover het betrokken grondgebied met het oog op exploitatie exclusieve rechten over deze zeebodem of de ondergrond daarvan uitoefent; i) produkten die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met h) bedoelde produkten zijn vervaardigd. Artikel 100 1. Voor de toepassing van artikel 98, lid 1, onder a), punt ii), en onder b), punt ii), worden materialen die niet van oorsprong zijn geacht een toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan, wanneer het verkregen produkt onder een andere post wordt ingedeeld dan de posten waaronder de bij de vervaardiging gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, worden ingedeeld, onder voorbehoud van de leden 2 en 3. Artikel 68, lid 1, tweede, derde en vierde alinea, is van toepassing. 2. Een produkt dat in de kolommen 1 en 2 van de lijst in bijlage 19 is genoemd, moet aan de voorwaarden voldoen die voor dit produkt in kolom 3 zijn vermeld, in plaats van aan het bepaalde in lid 1: a) Onder "waarde" in de lijst in bijlage 19 wordt verstaan de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in het betrokken gebied is betaald. Wanneer de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong moet worden vastgesteld, is het bepaalde onder deze letter a) van overeenkomstige toepassing. b) Onder "prijs af fabriek" in de lijst van bijlage 19 wordt verstaan de prijs die voor het verkregen produkt is betaald aan de fabrikant in wiens bedrijf de laatste be- of verwerking heeft plaatsgevonden, voor zover in die prijs de waarde is begrepen van al het gebruikte materiaal, na aftrek van alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen produkt wordt uitgevoerd. 3. Voor de toepassing van artikel 98, lid 1, onder a), punt ii), en onder b), punt ii), worden de in artikel 68, lid 3, onder a) tot en met h), bedoelde be- of verwerkingen als ontoereikend beschouwd om de oorsprong te verlenen, ongeacht of deze al dan niet leiden tot een wijziging van post. Artikel 101 Om te bepalen of een produkt van oorsprong is uit de Bezette Gebieden wordt niet nagegaan of de elektriciteit, brandstof, fabrieksuitrusting, machines en werktuigen die voor de verkrijging van dit produkt en de materialen en produkten, die tijdens de produktie werden gebruikt maar die geen deel uitmaken en niet bedoeld waren om deel uit te maken van het eindprodukt, al dan niet van oorsprong zijn uit derde landen. Artikel 102 De artikelen 73 en 74 zijn van toepassing op deze afdeling. Artikel 103 1. Als rechtstreeks vervoerd van de Bezette Gebieden naar de Gemeenschap en van de Gemeenschap naar de Bezette Gebieden worden beschouwd: a) produkten die niet over het grondgebied van een ander land of gebied worden vervoerd; b) produkten die over het grondgebied van andere landen of gebieden dan de Bezette Gebieden of de Gemeenschap worden vervoerd, met of zonder overlading of tijdelijke opslag in deze landen of gebieden, voor zover het vervoer door deze landen of gebieden om geografische redenen of uitsluitend om vervoertechnische redenen plaatsvindt, en de produkten: - aldaar niet tot verbruik zijn aangegeven, en - aldaar geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen, opnieuw laden of behandelingen ter verzekering van hun bewaring in goede staat; c) produkten waarvan het vervoer geschiedt door middel van leidingen met gebruikmaking van andere grondgebieden dan de Bezette Gebieden. 2. Het bewijs dat aan de voorwaarden in lid 1, onder b), is voldaan, wordt geleverd door de overlegging aan de douaneautoriteiten van de Gemeenschap of de Kamers van Koophandel van de Bezette Gebieden van de volgende stukken: a) één enkel in de Bezette Gebieden of in de Gemeenschap afgegeven vervoersdocument, onder dekking waarvan het vervoer door het land van doorvoer heeft plaatsgevonden, of b) een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven verklaring, waarin: - de goederen nauwkeurig zijn omschreven; - de data zijn aangegeven waarop de goederen zijn gelost en opnieuw geladen, en is vermeld van welke schepen eventueel gebruik werd gemaakt; - is vermeld onder welke voorwaarden de goederen in het land van doorvoer verbleven; c) hetzij, bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk. Artikel 104 De in deze onderafdeling genoemde voorwaarden met betrekking tot het verkrijgen van oorsprong moeten zonder onderbreking in de Bezette Gebieden of de Gemeenschap zijn vervuld. Indien goederen van oorsprong uit de Gemeenschap of de Bezette Gebieden naar een ander land worden uitgevoerd en terugkeren, worden zij als niet van oorsprong zijnde beschouwd, tenzij ten genoegen van de bevoegde autoriteiten kan worden aangetoond dat: - de teruggekeerde goederen dezelfde zijn als de eerder uitgevoerde goederen, en - zij in dat land geen andere behandelingen hebben ondergaan dan die welke nodig waren ter verzekering van hun bewaring in goede staat. Onderafdeling 2 Bewijs van de oorsprong a) Certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 Artikel 105 Het karakter van produkt van oorsprong, in de zin van deze afdeling, wordt aangetoond door middel van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, dat overeenstemt met het model in bijlage 21. Artikel 106 1. Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven op schriftelijk verzoek van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger. Dit verzoek wordt gesteld op een formulier dat overeenstemt met het model dat in bijlage 21 is opgenomen en dat overeenkomstig de bepalingen van deze onderafdeling wordt ingevuld. Verzoeken om certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden door de Kamers van Koophandel van de Bezette Gebieden gedurende ten minste twee jaar bewaard. 2. De exporteur of zijn vertegenwoordiger voegt bij zijn verzoek alle stukken waarmede kan worden aangetoond dat de uit te voeren produkten in aanmerking komen voor de afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1. Hij verbindt zich ertoe op verzoek van de bevoegde autoriteiten alle nadere bewijsstukken over te leggen die deze nodig achten om te kunnen vaststellen dat de voor de preferentiële behandeling in aanmerking komende produkten inderdaad van oorsprong zijn, en verbindt zich er tevens toe in te stemmen met iedere controle door voornoemde autoriteiten van zijn boekhouding en de wijze waarop de produkten zijn verkregen. 3. Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt slechts afgegeven wanneer het als bewijsstuk kan dienen voor de toepassing van de in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties. 4. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de Kamers van Koophandel van de Bezette Gebieden of de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer, indien de uit te voeren goederen kunnen worden beschouwd als produkten van oorsprong in de zin van deze afdeling. 5. Aangezien het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 het bewijsstuk vormt voor de toepassing van de vastgestelde preferentiële behandeling, nemen de Kamers van Koophandel van de Bezette Gebieden of de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer de nodige maatregelen om de oorsprong van de goederen en de overige vermeldingen op het certificaat te controleren. 6. Ten einde na te gaan of aan de in de lid 4 genoemde voorwaarden is voldaan, kunnen de Kamers van Koophandel van de Bezette Gebieden of de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer alle bewijsstukken opvragen en iedere controle verrichten die zij nuttig achten. 7. De Kamers van Koophandel van de Bezette Gebieden of de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer zien erop toe dat het in lid 1 bedoelde formulier volledig en juist is ingevuld. Zij gaan in het bijzonder na of het vak voor de omschrijving van de goederen zodanig is ingevuld dat het niet mogelijk is hieraan op frauduleuze wijze iets toe te voegen. Derhalve mogen bij de omschrijving van de goederen geen regels worden opengelaten. Wanneer het vak niet geheel is ingevuld, wordt onder de laatste regel een horizontale streep getrokken en het niet ingevulde gedeelte doorgekruist. 8. De datum van afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt vermeld in dat deel van het certificaat dat bestemd is voor de douaneautoriteiten. 9. Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de Kamers van Koophandel van de Bezette Gebieden of de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer afgegeven wanneer de goederen waarop het betrekking heeft, worden uitgevoerd. Het wordt ter beschikking van de exporteur gesteld zodra de goederen werkelijk worden uitgevoerd of wanneer het zeker is dat zij zullen worden uitgevoerd. Artikel 107 1. Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 kan bij wijze van uitzondering worden afgegeven na uitvoer van de goederen waarop het betrekking heeft, wanneer het ten gevolge van een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden op het tijdstip van de uitvoer niet werd afgegeven. 2. Met het oog op de toepassing van lid 1 dient de importeur in zijn aanvraag: - plaats en datum van verzending te vermelden van de produkten waarop het certificaat betrekking heeft, - te verklaren dat bij de uitvoer van de betrokken goederen geen certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 is afgegeven en de reden hiervan vermelden. 3. De Kamers van Koophandel van de Bezette Gebieden of de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer kunnen pas tot afgifte achteraf van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 overgaan na te hebben vastgesteld dat de in de aanvraag van de exporteur voorkomende gegevens overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier. Op de achteraf afgegeven certificaten wordt een van de volgende aantekeningen aangebracht: - expedido a posteriori, - udstedt efterfoelgende, - Nachtraeglich ausgestellt, - AAêaeïèÝí aaê ôùí õóôÝñùí, - Issued retrospectively, - Délivré a posteriori, - rilasciato a posteriori, - afgegeven a posteriori, - emitido a posteriori. 4. De in lid 3 bedoelde aantekening wordt aangebracht in het vak "Opmerkingen" van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1. Artikel 108 1. In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 kan de exporteur de Kamers van Koophandel van de Bezette Gebieden of de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer die het certificaat hadden afgegeven, verzoeken een duplicaat op te maken aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn. 2. Op het aldus afgegeven certificaat wordt een van de volgende aantekeningen aangebracht: - DUPLICADO, - DUPLIKAT, - DUPLIKAT, - ÁÍÔÉÃÑÁOEÏ, - DUPLICATE, - DUPLICATA, - DUPLICATO, - DUPLICAAT, - SEGUNDA VIA. 3. De in lid 2 bedoelde aantekening wordt aangebracht in het vak "Opmerkingen" van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1. 4. Het duplicaat, dat dezelfde datum van afgifte draagt als het oorspronkelijke certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, is vanaf die datum geldig. Artikel 109 Vervanging van een of meer certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 door een of meer andere certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 is steeds mogelijk, voor zover dit geschiedt door het douanekantoor in de Gemeenschap waar de goederen zich bevinden. Artikel 110 1. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 moet binnen vijf maanden na afgifte door de Kamers van Koophandel van de Bezette Gebieden worden overgelegd bij de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de goederen worden aangebracht. 2. Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 die na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn bij de douaneautoriteiten van de Lid-Staat worden overgelegd, kunnen worden aanvaard met het oog op de toepassing van de preferentiële regeling, wanneer de te late indiening het gevolg is van overmacht of buitengewone omstandigheden. 3. In andere gevallen van te late indiening kunnen de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer het certificaat aanvaarden wanneer de produkten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangeboden. Artikel 111 1. Op produkten die vanuit de Bezette Gebieden naar een tentoonstelling in een ander land worden gezonden en die na de tentoonstelling voor invoer in de Gemeenschap worden verkocht, zijn bij invoer de in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties van toepassing, voor zover de produkten aan de voorwaarden van deze onderafdeling voldoen om te worden beschouwd als produkten van oorsprong uit de Bezette Gebieden en voor zover ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat: a) een exporteur deze produkten vanuit de Bezette Gebieden naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en deze daar heeft tentoongesteld; b) de exporteur de produkten heeft verkocht of overgedragen aan een geadresseerde in de Gemeenschap; c) de produkten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan naar de Gemeenschap zijn verzonden; d) de produkten, vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan vertoning op de tentoonstelling. 2. Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt op de gebruikelijke wijze bij de douaneautoriteiten overgelegd. Naam en adres van de tentoonstelling dienen erop te zijn vermeld. Zo nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden gevraagd ten aanzien van de aard van de produkten en de omstandigheden waaronder zij werden tentoongesteld. 3. Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, jaarbeurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter, andere dan die welke voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten worden gehouden met het oog op de verkoop van buitenlandse produkten, gedurende welke evenementen de produkten onder douanetoezicht blijven. Artikel 112 Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden overgelegd bij de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer overeenkomstig de in deze afdeling opgenomen voorschriften. Deze autoriteiten kunnen een vertaling van dit certificaat verlangen. Zij kunnen voorts eisen dat de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de produkten voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van de in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties. Artikel 113 Wanneer op verzoek van de aangever een onder hoofdstuk 84 of 85 van het geharmoniseerde systeem ingedeeld gedemonteerd of niet-gemonteerd artikel in gedeelten wordt ingevoerd onder de door de douaneautoriteiten gestelde voorwaarden, wordt het als één artikel beschouwd en kan bij de invoer van de eerste deelzending een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 worden overgelegd voor het volledige artikel. Artikel 114 De certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of het gebied van invoer overeenkomstig de in die Staat of dat gebied geldende voorschriften bewaard. b) Formulier EUR.2 Artikel 115 1. In afwijking van artikel 106 wordt voor zendingen die slechts produkten van oorsprong bevatten en waarvan de waarde niet meer bedraagt dan 2 820 ecu per zending, het bewijs van de oorsprong in de zin van deze afdeling geleverd door middel van een formulier EUR.2, dat overeenstemt met het model in bijlage 22. 2. Het formulier EUR.2 wordt door de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, door zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger ingevuld en ondertekend. 3. Voor elke zending wordt een formulier EUR.2 ingevuld. 4. Deze bepalingen ontslaan de exporteur niet van de verplichting tot het vervullen van overige douane- of postformaliteiten. 5. Wanneer de Kamers van Koophandel van de Bezette Gebieden hierom verzoeken, legt de exporteur die het formulier EUR.2 heeft opgesteld, alle bewijsstukken over betreffende het gebruik van dit formulier. Artikel 116 Worden geringe verschillen vastgesteld tussen de gegevens op het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of op het formulier EUR.2 en op de bescheiden die met het oog op het vervullen van de douaneformaliteiten bij invoer aan het douanekantoor worden overgelegd, dan is het certificaat of formulier hierdoor niet automatisch ongeldig, indien wordt vastgesteld dat het wel degelijk met de aangeboden produkten overeenstemt. Artikel 117 1. De volgende produkten worden bij invoer in de Gemeenschap toegelaten als produkten van oorsprong in de zin van deze afdeling, zonder dat het noodzakelijk is de in artikel 105 of in artikel 115 bedoelde bescheiden over te leggen: a) produkten die in kleine zendingen door particulieren aan particulieren worden verzonden, mits de waarde daarvan niet meer bedraagt dan 200 ecu; b) produkten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, mits de waarde daarvan niet meer bedraagt dan 565 ecu. 2. Deze bepalingen zijn slechts van toepassing voor zover het goederen betreft waaraan elk handelskarakter vreemd is en wordt verklaard dat zij aan de voorwaarden voor de toepassing van de vastgestelde tariefpreferenties voldoen en er over de juistheid van een dergelijke veklaring geen twijfel bestaat. Onderafdeling 3 Administratieve samenwerking Artikel 118 De Bezette Gebieden doen de Commissie afdrukken toekomen van de door de Kamers van Koophandel gebruikte stempels, alsmede de adressen van de autoriteiten die bevoegd zijn certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 af te geven en deze certificaten en de formulieren EUR.2 achteraf te controleren. De Commissie zendt deze informatie door aan de douaneautoriteiten van de Lid-Staten. Artikel 119 1. De controle achteraf van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de formulieren EUR.2 wordt bij wijze van steekproef verricht of wanneer de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer of de Kamers van Koophandel van de Bezette Gebieden redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens inzake de werkelijke oorsprong van de betrokken goederen. 2. Met het oog op de juiste toepassing van onderafdeling 1 verlenen de Bezette Gebieden bijstand aan de Gemeenschap waarbij de douaneautoriteiten van de Lid-Staten in staat worden gesteld de echtheid van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de formulieren EUR.2 en de juistheid van de daarin vermelde gegevens inzake de werkelijke oorsprong van de betrokken produkten te controleren. 3. Voor de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of het gebied van invoer het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of het formulier EUR.2, of een fotokopie daarvan, terug aan de Kamers van Koophandel van de Bezette Gebieden of de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer, onder vermelding van de formele of materiële redenen van het verzoek om een controle. De desbetreffende handelsdocumenten of kopieën daarvan worden bij het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of het formulier EUR.2 gevoegd. Tevens zenden de autoriteiten die de controle achteraf aanvragen, ter ondersteuning van hun verzoek, alle door hen verkregen documenten en informatie waardoor zij de indruk hebben gekregen dat de gegevens op het certificaat of formulier niet juist zijn, toe. Indien de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer besluiten de preferentiële behandeling op te schorten in afwachting van de resultaten van de controle, verlenen zij vrijgave van de produkten onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen. 4. De douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer of de Kamers van Koophandel van de Bezette Gebieden worden binnen een termijn van zes maanden van de resultaten van de controle in kennis gesteld. Aan de hand van deze resultaten moet kunnen worden vastgesteld of de krachtens lid 3 teruggezonden documenten betrekking hebben op de uitgevoerde goederen en of deze goederen inderdaad voor de preferentiële regeling in aanmerking komen. Artikel 95, lid 5, is op dit lid van overeenkomstige toepassing. 5. Met het oog op de controle achteraf van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden kopieën van deze certificaten alsmede alle daarop betrekking hebbende uitvoerdocumenten gedurende ten minste twee jaar door de Kamers van Koophandel van de Bezette Gebieden of de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer bewaard. Afdeling 3 De Republieken Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Slovenië en het grondgebied van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië Onderafdeling 1 Definitie van het begrip "produkten van oorsprong" Artikel 120 Voor de toepassing van de bepalingen inzake tariefpreferenties die door de Gemeenschap zijn toegekend ten aanzien van bepaalde produkten van oorsprong uit de Republieken Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Slovenië en het grondgebied van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, hierna "begunstigde republieken" genoemd, worden de volgende produkten, voor zover zij in de zin van artikel 125 rechtstreeks zijn vervoerd, beschouwd als: 1. produkten van oorsprong uit een begunstigde republiek: a) geheel en al in een begunstigde republiek verkregen produkten; b) in een begunstigde republiek verkregen produkten, bij de vervaardiging waarvan andere dan geheel en al in deze republiek verkregen produkten zijn gebruikt, mits deze produkten een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan in de zin van artikel 122. Deze voorwaarde geldt echter niet voor produkten die, in de zin van deze onderafdeling, van oorsprong zijn uit de Gemeenschap, mits zij in de desbetreffende begunstigde republiek een be- of verwerking hebben ondergaan die meer omvat dan de in artikel 122, lid 3, genoemde ontoereikende be- of verwerkingen; 2. produkten van oorsprong uit de Gemeenschap: a) geheel en al in de Gemeenschap verkregen produkten; b) in de Gemeenschap verkregen produkten, bij de vervaardiging waarvan andere dan geheel en al in de Gemeenschap verkregen produkten zijn gebruikt, mits deze produkten een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan in de zin van artikel 122. Deze voorwaarde geldt echter niet voor produkten die, in de zin van deze onderafdeling, van oorsprong zijn uit een begunstigde republiek, mits zij in de Gemeenschap een be- of verwerking hebben ondergaan die meer omvat dan de in artikel 122, lid 3, genoemde ontoereikende be- of verwerkingen. Artikel 121 1. De in artikel 67, lid 1, onder a) tot en met k), bedoelde produkten worden beschouwd als geheel en al in een begunstigde republiek of in de Gemeenschap te zijn verkregen. 2. De term "zijn schepen" in artikel 67, lid 1, onder f), is slechts van toepassing op schepen: - die in een Lid-Staat of in een begunstigde republiek zijn ingeschreven of geregistreerd; - die de vlag van een Lid-Staat of van een begunstigde republiek voeren; - die voor minstens de helft toebehoren aan onderdanen van de Lid-Staten of van een begunstigde republiek of aan een vennootschap waarvan het hoofdkantoor zich in een Lid-Staat of in een begunstigde republiek bevindt en waarvan de bedrijfsvoerder(s), de voorzitter van de raad van beheer of raad van toezicht en de meerderheid van de leden van deze raden onderdanen zijn van de Lid-Staten of van een begunstigde republiek, en waarvan bovendien, in geval van personenvennootschappen of vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, ten minste de helft van het kapitaal toebehoort aan de Lid-Staten of een begunstigde republiek of aan de openbare lichamen of onderdanen van de Lid-Staten of een begunstigde republiek; - waarvan de kapitein en de officieren allen onderdanen zijn van de Lid-Staten of van een begunstigde republiek, en - waarvan de bemanning voor ten minste 75 % bestaat uit onderdanen van de Lid-Staten of van een begunstigde republiek. 3. De termen "de Gemeenschap" en "een begunstigde republiek" hebben ook betrekking op hun territoriale wateren. Schepen waarmede op volle zee wordt gevist, met inbegrip van fabrieksschepen waarop de gevangen vis wordt be- of verwerkt, worden geacht deel uit te maken van het grondgebied van de Staat waartoe zij behoren, voor zover zij voldoen aan de voorwaarden van lid 2. Artikel 122 1. Voor de toepassing van artikel 120 worden materialen die niet van oorsprong zijn, geacht een toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan wanneer het verkregen produkt onder een andere post wordt ingedeeld dan de posten waaronder de bij de vervaardiging gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, worden ingedeeld, onder voorbehoud van de leden 2 en 3. Artikel 68, lid 1, tweede, derde en vierde alinea, is van toepassing. 2. Een produkt dat in de kolommen 1 en 2 van de lijst in bijlage 20 is genoemd, moet aan de voorwaarden voldoen die voor dit produkt in kolom 3 zijn vermeld, in plaats van aan het bepaalde in lid 1: a) Wanneer in de lijst van bijlage 20 een percentageregel wordt gegeven om de oorsprong te bepalen van een in een begunstigde republiek verkregen produkt, is de door de be- of verwerking toegevoegde waarde gelijk aan de prijs af fabriek van het verkregen produkt, verminderd met de douanewaarde van de in de Gemeenschap of een begunstigde republiek uit derde landen ingevoerde materialen. b) Onder "waarde" in de lijst in bijlage 20 wordt verstaan de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in het betrokken gebied is betaald. Wanneer de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong moet worden vastgesteld, is het bepaalde onder deze letter b) van overeenkomstige toepassing. c) Onder "prijs af fabriek" in de lijst van bijlage 20 wordt verstaan de prijs die voor het verkregen produkt is betaald aan de fabrikant in wiens bedrijf de laatste be- of verwerking heeft plaatsgevonden, voor zover in die prijs de waarde is begrepen van al het gebruikte materiaal, na aftrek van alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen produkt wordt uitgevoerd. 3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden de in artikel 68, lid 3, onder a) tot en met h), bedoelde be- of verwerkingen als ontoereikend beschouwd om de oorsprong te verlenen, ongeacht of deze al dan niet leiden tot wijziging van post. Artikel 123 Om te bepalen of een produkt van oorsprong is uit een begunstigde republiek of de Gemeenschap wordt niet nagegaan of de elektriciteit, brandstof, fabrieksuitrusting, machines en werktuigen die voor de verkrijging van dit produkt en de materialen en produkten die tijdens de produktie werden gebruikt maar die geen deel uitmaken en niet bedoeld waren om deel uit te maken van het eindprodukt, al dan niet van oorsprong zijn uit derde landen. Artikel 124 De artikelen 73 en 74 zijn van toepassing op deze afdeling. Artikel 125 1. De in artikel 120 bedoelde preferentiële behandeling is slechts van toepassing op produkten of materialen die tussen het grondgebied van de begunstigde republiek en dat van de Gemeenschap zijn vervoerd zonder gebruikmaking van een ander grondgebied. Produkten van oorsprong uit een begunstigde republiek of uit de Gemeenschap die een enkele zending vormen kunnen evenwel over een ander grondgebied dan dat van een begunstigde republiek of van de Gemeenschap worden vervoerd, met, eventueel, overlading of tijdelijke opslag op dit andere grondgebied, voor zover de goederen in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douaneautoriteiten zijn gebleven en zij aldaar geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen, opnieuw laden of behandelingen ter verzekering van hun bewaring in goede staat. Produkten van oorsprong uit de begunstigde republiek of uit de Gemeenschap kunnen via een pijpleiding worden vervoerd over andere grondgebieden dan dat van de Gemeenschap of van de begunstigde republiek. 2. Het bewijs dat aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, wordt geleverd door de overlegging aan de bevoegde douaneautoriteiten van de volgende stukken: a) één enkel in het land of gebied van uitvoer afgegeven vervoersdocument onder dekking waarvan het vervoer door het land van doorvoer heeft plaatsgevonden, of b) een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven verklaring, waarin: - de goederen nauwkeurig zijn omschreven, - de data zijn aangegeven waarop de goederen zijn gelost en opnieuw geladen, en is vermeld van welke schepen eventueel gebruik werd gemaakt, - is vermeld onder welke voorwaarden de goederen in het land van doorvoer verbleven; c) hetzij, bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk. Artikel 126 De in deze onderafdeling genoemde voorwaarden met betrekking tot het verkrijgen van oorsprong moeten zonder onderbreking in de Gemeenschap of een begunstigde republiek zijn vervuld. Indien goederen van oorsprong uit de Gemeenschap of een begunstigde republiek naar een ander land worden uitgevoerd en terugkeren, worden zij als niet van oorsprong zijnde beschouwd, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat: - de teruggekeerde goederen dezelfde zijn als de eerder uitgevoerde goederen, en - zij in dat land geen andere behandelingen hebben ondergaan dan die welke nodig waren ter verzekering van hun bewaring in goede staat. Onderafdeling 2 Bewijs van de oorsprong a) Certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 Artikel 127 Het karakter van produkten van oorsprong, in de zin van deze afdeling, wordt aangetoond door middel van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, dat overeenstemt met het model in bijlage 21. Artikel 128 1. Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven op schriftelijk verzoek van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger. Dit verzoek wordt gesteld op een formulier dat overeenstemt met het model in bijlage 21 en dat overeenkomstig de bepalingen van deze onderafdeling wordt ingevuld. Verzoeken om certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of begunstigde republiek van uitvoer gedurende ten minste twee jaar bewaard. 2. Artikel 106, lid 2, is van toepassing. 3. Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt slechts afgegeven wanneer het als bewijsstuk kan dienen voor de toepassing van de in artikel 120 bedoelde tariefpreferenties. 4. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of begunstigde republiek van uitvoer, indien de uit te voeren goederen kunnen worden beschouwd als produkten van oorsprong in de zin van deze afdeling. 5. Wanneer de goederen als "produkten van oorsprong" kunnen worden beschouwd in de zin van artikel 120, punt 1, onder b), laatste zin, of punt 2, onder b), laatste zin, wordt het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 afgegeven na overlegging van bewijsstukken ten aanzien van de oorsprong die eerder werden afgegeven of opgesteld. Dit bewijs van de oorsprong wordt gedurende ten minste twee jaar door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of begunstigde republiek van uitvoer bewaard. 6. Aangezien het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 het bewijsstuk vormt voor de toepassing van de in artikel 120 bedoelde tariefpreferenties, nemen de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of begunstigde republiek van uitvoer de nodige maatregelen om de oorsprong van de goederen en de overige vermeldingen op het certificaat te controleren. 7. Ten einde na te gaan of aan de in de leden 4 en 5 genoemde voorwaarden is voldaan, kunnen de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of begunstigde republiek van uitvoer alle bewijsstukken opvragen en iedere controle verrichten die zij nuttig achten. 8. De douaneautoriteiten van de Lid-Staat of begunstigde republiek van uitvoer zien erop toe dat het in artikel 127 bedoelde formulier volledig en juist is ingevuld. Zij gaan in het bijzonder na of het vak voor de omschrijving van de produkten zodanig is ingevuld dat het niet mogelijk is hieraan op frauduleuze wijze iets toe te voegen. Derhalve mogen bij de omschrijving van de goederen geen regels worden opengelaten. Wanneer het vak niet geheel is ingevuld, wordt onder de laatste regel een horizontale streep getrokken en het niet ingevulde gedeelte doorgekruist. 9. De datum van afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt vermeld in dat deel van het certificaat dat bestemd is voor de douaneautoriteiten. 10. Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of begunstigde republiek van uitvoer afgegeven wanneer de produkten waarop het betrekking heeft, worden uitgevoerd. Het wordt ter beschikking van de exporteur gesteld zodra de goederen werkelijk worden uitgevoerd of wanneer het zeker is dat deze zullen worden uitgevoerd. 11. In het geval van de Republiek Bosnië-Herzegovina en het grondgebied van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië wordt onder "douaneautoriteiten" in dit artikel en hierna verstaan de Economiekamers, zolang de Economiekamers in deze republieken de desbetreffende functie vervullen. Artikel 129 De artikelen 107 tot en met 109 zijn van toepassing op deze afdeling. Artikel 130 1. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 moet binnen vijf maanden na afgifte door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of begunstigde republiek van uitvoer worden overgelegd bij de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of van de begunstigde republiek van invoer waar de goederen worden aangebracht. 2. Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 die na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn bij de Lid-Staat of begunstigde republiek van invoer worden overgelegd, kunnen worden aanvaard met het oog op de toepassing van de preferentiële regeling, wanneer de te late indiening het gevolg is van overmacht of buitengewone omstandigheden. 3. In andere gevallen van te late indiening kunnen de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of van de begunstigde republiek van invoer het certificaat aanvaarden wanneer de produkten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangeboden. Artikel 131 1. Op produkten die vanuit de Gemeenschap of een begunstigde republiek naar een tentoonstelling in een ander land worden gezonden en die na de tentoonstelling voor invoer in de Gemeenschap worden verkocht, zijn bij invoer de in artikel 120 bedoelde tariefpreferenties van toepassing, voor zover de produkten aan de voorwaarden van onderafdeling 1 voldoen om te worden beschouwd als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap of een begunstigde republiek en voor zover ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat: a) een exporteur deze produkten vanuit de Gemeenschap of een begunstigde republiek naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en deze daar heeft tentoongesteld; b) de exporteur de produkten heeft verkocht of overgedragen aan een geadresseerde in de Gemeenschap of een begunstigde republiek; c) de produkten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan, naar de Gemeenschap of een begunstigde republiek zijn verzonden; d) de produkten, vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan vertoning op de tentoonstelling. 2. Artikel 111, leden 2 en 3, is van toepassing. Artikel 132 Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden overgelegd bij de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of begunstigde republiek van invoer overeenkomstig de in die Lid-Staat of die republiek geldende voorschriften. Deze autoriteiten kunnen een vertaling van dit certificaat verlangen. Zij kunnen voorts eisen dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de produkten voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van de in artikel 120 bedoelde tariefpreferenties. Artikel 133 Onverminderd artikel 122, lid 3, wordt een onder hoofdstuk 84 of 85 van het geharmoniseerde systeem ingedeeld gedemonteerd of niet-gemonteerd artikel dat op verzoek van de aangever van de goederen, op de door de douaneautoriteiten gestelde voorwaarden, in gedeelten wordt ingevoerd, als één artikel beschouwd en kan bij de invoer van de eerste deelzending een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 worden overgelegd voor het volledige artikel. Artikel 134 De certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of begunstigde republiek van invoer overeenkomstig de in de Gemeenschap of die begunstigde republiek geldende voorschriften bewaard. b) Formulier EUR.2 Artikel 135 1. In afwijking van artikel 127 wordt voor zendingen die slechts produkten van oorsprong bevatten en waarvan de waarde niet meer bedraagt dan 3 000 ecu per zending, het bewijs van de oorsprong, in de zin van onderafdeling 1, geleverd door middel van een formulier EUR.2, dat overeenstemt met het model in bijlage 22. 2. Het formulier EUR.2 wordt door de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, door zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger ingevuld en ondertekend. Indien reeds in de Gemeenschap of in het land van uitvoer is gecontroleerd of de goederen waaruit de zending bestaat aan de omschrijving van "produkt van oorsprong" voldoen, kan de exporteur dit vermelden in het vak "Opmerkingen" van het formulier EUR.2. 3. Voor elke zending wordt een formulier EUR.2 ingevuld. 4. Deze bepalingen ontslaan de exporteur niet van de verplichting tot het vervullen van overige douane- of postformaliteiten. 5. Wanneer de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of begunstigde republiek van uitvoer hierom verzoeken, legt de exporteur die het formulier EUR.2 heeft opgesteld, alle bewijsstukken over betreffende het gebruik van dit formulier. Artikel 136 Op de volgende produkten van oorsprong in de zin van onderafdeling 1 zijn, bij invoer in de Gemeenschap of in een begunstigde republiek, de in artikel 120 bedoelde tariefpreferenties van toepassing, zonder dat het noodzakelijk is de in artikel 127 of in artikel 135 bedoelde bescheiden over te leggen: a) produkten die in kleine zendingen door particulieren aan particulieren worden verzonden, mits de waarde daarvan niet meer bedraagt dan 215 ecu; b) produkten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, mits de waarde daarvan niet meer bedraagt dan 600 ecu. Artikel 117, lid 2, is van toepassing op deze afdeling. Onderafdeling 3 Administratieve samenwerking Artikel 137 De begunstigde republieken doen de Commissie de afdrukken van de gebruikte stempels alsmede de adressen toekomen van de douaneautoriteiten die bevoegd zijn certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 af te geven en deze certificaten en de formulieren EUR.2 achteraf te controleren. De Commissie zendt deze informatie door aan de douaneautoriteiten van de Lid-Staten. Artikel 138 1. De controle achteraf van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de formulieren EUR.2 wordt bij wijze van steekproef verricht of wanneer de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of begunstigde republiek van invoer redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens inzake de werkelijke oorsprong van de betrokken goederen. 2. Met het oog op de juiste toepassing van deze bepalingen verlenen de Lid-Staten van de Gemeenschap en de begunstigde republieken elkaar via hun respectieve douaneautoriteiten bijstand bij de controle op de echtheid van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de formulieren EUR.2 en de juistheid van de daarin vermelde gegevens inzake de werkelijke oorsprong van de betrokken produkten. 3. Voor de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of begunstigde republiek van invoer het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of het formulier EUR.2, of een fotokopie daarvan, terug aan de douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer, onder vermelding van de formele of materiële redenen van het verzoek om een controle. De desbetreffende handelsdocumenten of kopieën daarvan worden bij het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of het formulier EUR.2 gevoegd. Tevens zenden de autoriteiten die de controle achteraf aanvragen, ter ondersteuning van hun verzoek, alle door hen verkregen documenten en informatie waardoor zij de indruk hebben gekregen dat de gegevens op het certificaat of formulier niet juist zijn, toe. Indien de douaneautoriteiten besluiten de toekenning van de in artikel 120 bedoelde tariefpreferenties op te schorten, in afwachting van de resultaten van de controle, verlenen zij vrijgave van de produkten onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen. 4. De douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer of van de begunstigde republiek worden binnen een termijn van maximaal zes maanden van de resultaten van de controle in kennis gesteld. Aan de hand van deze resultaten moet kunnen worden vastgesteld of de krachtens lid 3 teruggezonden documenten betrekking hebben op de uitgevoerde goederen en of deze goederen inderdaad voor de in artikel 120 bedoelde tariefpreferentie in aanmerking komen. Indien bij gegronde twijfel binnen zes maanden na de datum van het verzoek om controle geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de produkten vast te stellen, wordt de tariefpreferentie niet toegekend, behoudens overmacht of buitengewone omstandigheden. 5. Met het oog op de controle achteraf van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden kopieën van deze certificaten alsmede daarop betrekking hebbende uitvoerdocumenten gedurende ten minste twee jaar door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer bewaard. Onderafdeling 4 Ceuta en Melilla Artikel 139 1. De in deze afdeling gebruikte term "Gemeenschap" heeft geen betrekking op Ceuta en Melilla. De term "produkten van oorsprong uit de Gemeenschap" heeft geen betrekking op produkten van oorsprong uit deze gebieden. 2. De onderafdelingen 1 tot en met 3 van deze afdeling zijn van overeenkomstige toepassing op produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla, met inachtneming van de bij artikel 140 vastgestelde bijzondere bepalingen. Artikel 140 1. De volgende bepalingen zijn van toepassing in plaats van artikel 120 en verwijzingen naar dat artikel zijn van overeenkomstige toepassing op onderhavig artikel. 2. Mits zij rechtstreeks zijn vervoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 125, worden beschouwd als: a) produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla: i) geheel en al in Ceuta en Melilla verkregen produkten; ii) in Ceuta en Melilla verkregen produkten bij de vervaardiging waarvan andere dan de onder i) bedoelde produkten zijn gebruikt, mits deze produkten be- of verwerkingen hebben ondergaan die toereikend zijn in de zin van artikel 122. Deze voorwaarde is echter niet van toepassing op produkten die in de zin van onderafdeling 1 van oorsprong zijn uit de Gemeenschap of uit een begunstigde republiek, voor zover zij in Ceuta of Melilla een be- of verwerking hebben ondergaan die meer omvat dan de in artikel 122, lid 3, genoemde ontoereikende be- of verwerkingen; b) produkten van oorsprong uit een begunstigde republiek: i) geheel en al in een begunstigde republiek verkregen produkten; ii) in een begunstigde republiek verkregen produkten bij de vervaardiging waarvan andere dan de onder i) bedoelde produkten zijn gebruikt, mits deze produkten be- of verwerkingen hebben ondergaan die toereikend zijn in de zin van artikel 122. Deze voorwaarde is echter niet van toepassing op produkten die, in de zin van onderafdeling 1, van oorsprong zijn uit Ceuta, Melilla of de Gemeenschap, mits zij een be- of verwerking hebben ondergaan die meer omvat dan de in artikel 122, lid 3, genoemde ontoereikende be- of verwerkingen. 3. Ceuta en Melilla worden als één enkel grondgebied beschouwd. 4. De exporteur of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger vermeldt de naam van de desbetreffende begunstigde republiek en "Ceuta en Melilla" in vak 2 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1. Indien het om produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla gaat, wordt dit bovendien in vak 4 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 vermeld. 5. De Spaanse douaneautoriteiten zijn belast met de toepassing van deze bepalingen in Ceuta en Melilla. TITEL V DOUANEWAARDE HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen Artikel 141 1. Voor de toepassing van de artikelen 28 tot en met 36 van het Wetboek en van deze titel houden de Lid-Staten rekening met de in bijlage 23 opgenomen bepalingen. De vorengenoemde bepalingen, die in de eerste kolom van bijlage 23 zijn vermeld, dienen te worden toegepast overeenkomstig de noten voor de interpretatie die in de tweede kolom voorkomen. 2. Indien voor het bepalen van de douanewaarde de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen dienen te worden toegepast, zijn de bepalingen van bijlage 24 van toepassing. Artikel 142 1. In de zin van deze titel wordt verstaan onder: a) "overeenkomst": de overeenkomst betreffende de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, gesloten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen die van 1973 tot 1979 hebben plaatsgehad, en die in artikel 31, lid 1, eerste streepje, van het Wetboek is vermeld; b) "voortgebrachte goederen": goederen die zijn geteeld, vervaardigd of gewonnen; c) "identieke goederen": in hetzelfde land voortgebrachte goederen die in alle opzichten eender zijn, met inbegrip van de materiële kenmerken, kwaliteit en reputatie, waarbij geringe verschillen in uiterlijk echter geen beletsel zijn om goederen die voor het overige aan de definitie beantwoorden, aan te merken als identiek; d) "soortgelijke goederen": in hetzelfde land voortgebrachte goederen die, ofschoon zij niet in alle opzichten eender zijn, gelijke kenmerken vertonen en gelijksoortige bestanddelen bevatten waardoor zij dezelfde functies kunnen vervullen en in de handel uitwisselbaar kunnen zijn; de kwaliteit van de goederen, hun reputatie en de aanwezigheid van een fabrieks- of handelsmerk zijn factoren die onder meer in aanmerking moeten worden genomen om vast te stellen of goederen soortgelijk zijn; e) "goederen van dezelfde aard of hetzelfde karakter": goederen van een groep of reeks van goederen, de identieke of soortgelijke goederen hieronder begrepen, die worden voortgebracht door een bepaalde industrie of industriesector. 2. De termen "identieke goederen" en "soortgelijke goederen" omvatten, al naar gelang van het geval, geen goederen waarin engineering, ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen, tekeningen en schetsen zijn begrepen of tot uitdrukking gebracht, waarvoor in verband met het feit dat deze zijn verricht of gemaakt in de Gemeenschap, geen aanpassing uit hoofde van artikel 32, lid 1, onder b), punt iv), van het Wetboek heeft plaatsgevonden. Artikel 143 1. Voor de toepassing van artikel 29, lid 1, onder d), en van artikel 30, lid 2, onder c), van het Wetboek worden personen slechts geacht te zijn verbonden indien: a) zij functionaris of directeur zijn van elkaars zaken; b) zij door de wettelijke bepalingen worden erkend als in zaken verbonden; c) zij werkgever en werknemer zijn; d) enig persoon, hetzij rechtstreeks of zijdelings, 5 % of meer van het stemgerechtigde uitstaande kapitaal of aandelen van beiden bezit, controleert of houdt; e) één van hen de ander, rechtstreeks of zijdelings, controleert; f) beiden, rechtstreeks of zijdelings, worden gecontroleerd door een derde persoon; g) zij samen, rechtstreeks of zijdelings, een derde persoon controleren, of h) zij behoren tot dezelfde familie. Personen worden slechts geacht leden te zijn van dezelfde familie indien zij op een van de volgende wijzen met elkaar bloed- of aanverwant zijn: - echtgenoot en echtgenote, - ouder en kind, - broers en zusters (of halfbroers en halfzusters), - grootouder en kleinkind, - oom of tante en neef of nicht (oomzeggers), - schoonouder en schoondochter of schoonzoon, - zwagers en schoonzusters. 2. Voor de toepassing van deze titel worden personen die in zaken zijn verbonden doordat de één exclusief agent, exclusief distributeur of exclusief concessiehouder, hoedanig ook aangeduid, van de ander is, enkel geacht te zijn verbonden indien zij aan een van de criteria van lid 1 beantwoorden. Artikel 144 1. Bij de vaststelling, overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek, van de douanewaarde van goederen waarvan de prijs niet daadwerkelijk is betaald op het tijdstip waarop de douanewaarde wordt bepaald, wordt de bij vereffening op genoemd tijdstip te betalen prijs in het algemeen als basis voor de douanewaarde genomen. 2. De Commissie en de Lid-Staten plegen in het Comité overleg over de toepassing van lid 1. Artikel 145 Wanneer goederen die voor het vrije verkeer worden aangegeven, deel uitmaken van een grotere in een enkele transactie aangekochte hoeveelheid van dezelfde goederen, is de werkelijk betaalde of te betalen prijs, voor de toepassing van artikel 29, lid 1, van het Wetboek, een prijs die in dezelfde verhouding staat tot de totale prijs als de aangegeven hoeveelheid staat tot de totale aangekochte hoeveelheid. Een verhoudingsgewijze verdeling van de werkelijk betaalde of te betalen prijs wordt ook toegepast in geval van gedeeltelijk verlies of in geval van beschadiging, vóór het in het vrije verkeer brengen, van de goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald. Artikel 146 Wanneer de werkelijk betaalde of te betalen prijs bedoeld in artikel 29, lid 1, van het Wetboek een bedrag aan binnenlandse belastingen omvat waaraan de betrokken goederen in het land van oorsprong of van uitvoer onderworpen zijn, wordt het genoemde bedrag niet in de douanewaarde begrepen op voorwaarde dat ten genoegen van de betrokken douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat de betreffende goederen daarvan ten voordele van de koper werden of zullen worden vrijgesteld. Artikel 147 1. Voor de toepassing van artikel 29 van het Wetboek is het feit dat de goederen die het voorwerp van een verkoop uitmaken, voor het vrije verkeer worden aangegeven, een voldoende aanduiding om de goederen als verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap aan te merken. Een dergelijke aanduiding bestaat ook in de gevallen van opeenvolgende verkopen vóór de bepaling van de douanewaarde, waarbij iedere prijs die deze verkopen tot resultaat hebben, onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 178 tot en met 181, als basis voor de douanewaarde kan worden genomen. 2. Indien de goederen, tussen het tijdstip van de verkoop en het tijdstip van het in het vrije verkeer brengen, in een derde land zijn gebruikt, is toepassing van de transactiewaarde evenwel niet verplicht. 3. De koper dient aan geen enkele andere voorwaarde te voldoen dan partij te zijn bij het koopcontract. Artikel 148 Wanneer met toepassing van artikel 29, lid 1, onder b), van het Wetboek blijkt dat de verkoop of de prijs van ingevoerde goederen is beïnvloed door een voorwaarde of prestatie waarvan de waarde met betrekking tot de goederen waarvan de waarde wordt bepaald kan worden vastgesteld, wordt die waarde aangemerkt als een niet rechtstreekse betaling door de koper aan de verkoper en als een deel van de werkelijk betaalde of te betalen prijs, mits die voorwaarde of prestatie geen betrekking heeft op a) een activiteit bedoeld in artikel 29, lid 3, onder b), van het Wetboek, of b) waarvoor overeenkomstig artikel 32 van het Wetboek een verhoging van de werkelijk betaalde of te betalen prijs dient plaats te vinden. Artikel 149 1. Voor de toepassing van artikel 29, lid 3, onder b), van het Wetboek betekent de uitdrukking "activiteiten die verband houden met het verhandelen van de goederen" alle activiteiten die verband houden met marktonderzoek, reclame voor en promotie van de verkoop van de betrokken goederen, alsmede alle activiteiten die verband houden met de voor de goederen verstrekte garanties. 2. Dergelijke door de koper verrichte activiteiten worden aangemerkt als voor eigen rekening te zijn verricht, zelfs indien de koper daartoe verplicht is ingevolge een overeenkomst met de verkoper. Artikel 150 1. Voor de toepassing van artikel 30, lid 2, onder a), van het Wetboek (de transactiewaarde van identieke goederen) wordt de douanewaarde vastgesteld op basis van de transactiewaarde van identieke goederen die zijn verkocht op hetzelfde handelsniveau en in nagenoeg dezelfde hoeveelheid als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald. Indien een dergelijke verkoop niet wordt vastgesteld, wordt gebruik gemaakt van de transactiewaarde van identieke goederen die zijn verkocht op een verschillend handelsniveau en/of in verschillende hoeveelheden, aangepast ten einde rekening te houden met verschillen in handelsniveau en/of hoeveelheid, mits dergelijke aanpassingen kunnen worden gegrond op bewijzen waaruit duidelijk blijkt dat zij redelijk en exact zijn en daargelaten of daaruit een verhoging of een verlaging van de waarde voortvloeit. 2. Wanneer de in artikel 32, lid 1, onder e), van het Wetboek bedoelde kosten zijn begrepen in de transactiewaarde, wordt deze waarde aangepast ten einde rekening te houden met belangrijke verschillen die, als gevolg van verschillende afstanden en wijzen van vervoer, tussen kosten voor de ingevoerde goederen en de in aanmerking genomen identieke goederen kunnen bestaan. 3. Indien met toepassing van dit artikel meer dan één transactiewaarde van identieke goederen wordt gevonden, wordt de laagste van die waarden gebruikt voor de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen. 4. Bij de toepassing van dit artikel wordt een transactiewaarde voor goederen die zijn voortgebracht door een andere persoon, slechts in aanmerking genomen indien met toepassing van lid 1 geen transactiewaarde kan worden gevonden voor identieke goederen die zijn voortgebracht door dezelfde persoon als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald. 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder transactiewaarde van ingevoerde identieke goederen verstaan een overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek eerder vastgestelde douanewaarde, aangepast overeenkomstig lid 1, onder b), en lid 2 van het onderhavige artikel. Artikel 151 1. Voor de toepassing van artikel 30, lid 2, onder b), van het Wetboek (de transactiewaarde van soortgelijke goederen) wordt de douanewaarde vastgesteld op basis van de transactiewaarde van soortgelijke goederen die zijn verkocht op hetzelfde handelsniveau en in nagenoeg dezelfde hoeveelheid als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald. Indien een dergelijke verkoop niet bekend is, wordt gebruik gemaakt van de transactiewaarde van soortgelijke goederen die zijn verkocht op een verschillend handelsniveau en/of in verschillende hoeveelheden, aangepast ten einde rekening te houden met verschillen in handelsniveau en/of hoeveelheid, mits dergelijke aanpassingen kunnen worden gestaafd met bewijzen waaruit duidelijk blijkt dat zij redelijk en exact zijn en daargelaten of daaruit een verhoging of een verlaging van de waarde voortvloeit. 2. Wanneer de in artikel 32, lid 1, onder e), van het Wetboek bedoelde kosten zijn begrepen in de transactiewaarde, wordt deze waarde aangepast ten einde rekening te houden met belangrijke verschillen die, als gevolg van de verschillende afstanden en wijzen van vervoer, tussen de kosten voor de ingevoerde goederen en de in aanmerking genomen soortgelijke goederen kunnen bestaan. 3. Indien met toepassing van dit artikel meer dan één transactiewaarde van soortgelijke goederen wordt gevonden, wordt de laagste van die waarden gebruikt voor de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen. 4. Bij de toepassing van dit artikel wordt een transactiewaarde voor goederen die zijn voortgebracht door een andere persoon slechts in aanmerking genomen indien met toepassing van lid 1 geen transactiewaarde kan worden gevonden voor soortgelijke goederen die door dezelfde persoon zijn voortgebracht als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald. 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder transactiewaarde van ingevoerde soortgelijke goederen verstaan een overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek eerder vastgestelde douanewaarde, aangepast overeenkomstig lid 1, onder b), en lid 2 van het onderhavige artikel. Artikel 152 1. a) Indien de ingevoerde goederen dan wel ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in de Gemeenschap worden verkocht in de staat waarin zij zijn ingevoerd, wordt de douanewaarde van de ingevoerde goederen, vastgesteld met toepassing van artikel 30, lid 2, onder c), van het Wetboek, gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen, op of omstreeks het tijdstip van invoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, de ingevoerde goederen dan wel ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in de grootste totale hoeveelheid worden verkocht aan personen die niet zijn verbonden met de personen van wie zij deze goederen kopen, onder voorbehoud van aftrek van de volgende elementen : i) hetzij de commissies die gewoonlijk worden betaald of overeengekomen, hetzij de gebruikelijke opslagen voor winst en algemene kosten (directe en indirecte kosten in verband met het verhandelen van de betrokken goederen daaronder begrepen) bij verkopen in de Gemeenschap van ingevoerde goederen van dezelfde aard of met hetzelfde karakter; ii) de gebruikelijke kosten van vervoer en verzekering en daarmede verbonden kosten, ontstaan in de Gemeenschap, en iii) de rechten bij invoer en andere heffingen die in de Gemeenschap zijn verschuldigd bij de invoer of de verkoop van de goederen. b) Indien noch de ingevoerde goederen noch ingevoerde identieke of soortgelijke goederen worden verkocht op of omstreeks het tijdstip van de invoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, wordt de douanewaarde van de ingevoerde goederen, vastgesteld met toepassing van de bepalingen van dit artikel, behoudens het bepaalde onder a), gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen dan wel ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in dezelfde staat in de Gemeenschap worden verkocht op de vroegste datum na de invoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, doch in ieder geval binnen 90 dagen na die invoer. 2. Wanneer noch de ingevoerde goederen noch ingevoerde identieke of soortgelijke goederen, in dezelfde staat, in de Gemeenschap worden verkocht, wordt op verzoek van de importeur de douanewaarde gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen, na bewerking of verwerking, in de grootste totale hoeveelheid worden verkocht aan in de Gemeenschap gevestigde personen die niet zijn verbonden met de personen van wie zij deze goederen kopen, onder aftrek van de waarde die door de be- of verwerking is toegevoegd en de aftrekposten als bedoeld in lid 1, onder a). 3. Voor de toepassing van dit artikel is de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen in de grootste totale hoeveelheid worden verkocht, de prijs waartegen het grootste aantal eenheden, op het eerste handelsniveau na de invoer, wordt verkocht aan personen die niet zijn verbonden. 4. Een verkoop in de Gemeenschap aan een persoon die gratis of tegen verminderde prijs rechtstreeks of zijdelings een of meer van de in artikel 32, lid 1, onder b), van het Wetboek bedoelde elementen levert voor gebruik in verband met de voortbrenging en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen, dient voor de toepassing van dit artikel niet in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van de prijs per eenheid. 5. Voor de toepassing van lid 1, onder b), is de "vroegste datum" de datum waarop verkopen van de ingevoerde goederen dan wel ingevoerde identieke of soortgelijke goederen tot stand komen in een hoeveelheid die voldoende is om de prijs per eenheid vast te stellen. Artikel 153 1. Voor de toepassing van artikel 30, lid 2, onder d), van het Wetboek (een berekende waarde) kunnen de douaneautoriteiten, ten behoeve van de vaststelling van een berekende waarde, geen enkele persoon die niet in de Gemeenschap is gevestigd, oproepen of dwingen tot het overleggen voor onderzoek van enige boekhoudkundige rekening of ander document. Evenwel kunnen de autoriteiten van een Lid-Staat, met toestemming van degene die de goederen heeft voortgebracht, de inlichtingen die door deze met het oog op de vaststelling van de douanewaarde krachtens dit artikel werden verstrekt, in een land dat geen deel uitmaakt van de Gemeenschap controleren, op voorwaarde dat genoemde douaneautoriteiten de douaneautoriteiten van het betrokken land tijdig genoeg inlichten en deze laatste instemmen met het onderzoek. 2. Onder de kosten of de waarde van de materialen en van de vervaardiging bedoeld in artikel 30, lid 2, onder d), eerste streepje, van het Wetboek zijn begrepen de kosten van de elementen bedoeld in artikel 32, lid 1, onder a), punten ii) en iii), van het Wetboek. Daaronder is mede begrepen de waarde, op passende wijze toegedeeld, van ieder in artikel 32, lid 1, onder b), van het Wetboek omschreven produkt dat of dienst die door de koper - rechtstreeks of zijdelings - is geleverd voor gebruik in verband met de voortbrenging van de ingevoerde goederen. De waarde van de in artikel 32, lid 1, onder b), punt iv), van het Wetboek genoemde zaken die in de Gemeenschap worden verricht, wordt slechts in de kosten of de waarde begrepen voor zover zij in rekening worden gebracht aan degene die de goederen voortbrengt. 3. Indien voor de vaststelling van een berekende waarde andere inlichtingen worden gebruikt dan die welke door of namens de producent van de goederen zijn verstrekt, doen de douaneautoriteiten aan de aangever, indien deze daarom verzoekt, mededeling van de herkomst van deze inlichtingen, de gebruikte gegevens en de op die gegevens gebaseerde berekeningen, een en ander behoudens artikel 15 van het Wetboek. 4. De in artikel 30, lid 2, onder d), tweede streepje, van het Wetboek genoemde "algemene kosten" omvatten de directe en indirecte kosten van de voortbrenging en de verkoop voor uitvoer van de goederen, voor zover deze kosten niet worden begrepen krachtens artikel 30, lid 2, onder d), eerste streepje. Artikel 154 Wanneer verpakkingsmiddelen, bedoeld in artikel 32, lid 1, onder a), punt ii), van het Wetboek, bij meer dan één invoer zullen worden gebruikt, worden de kosten daarvan, op verzoek van de aangever, overeenkomstig algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen, naar verhouding toegedeeld. Artikel 155 Voor de toepassing van artikel 32, lid 1, onder b), punt iv), van het Wetboek worden de kosten van wetenschappelijk onderzoek en voorlopige schetsontwerpen niet in de douanewaarde begrepen. Artikel 156 Artikel 33, onder c), van het Wetboek is van overeenkomstige toepassing wanneer de douanewaarde wordt bepaald met toepassing van een andere methode dan die gebaseerd op de transactiewaarde. HOOFDSTUK 2 Royalty's en licentierechten Artikel 157 1. Voor de toepassing van artikel 32, lid 1, onder c), van het Wetboek wordt onder royalty's en licentierechten onder andere verstaan de betaling voor het gebruik van rechten nopens: - de vervaardiging van ingevoerde goederen (met name octrooien, tekeningen, modellen en know-how), of - de verkoop voor uitvoer van ingevoerde goederen (met name fabrieks- of handelsmerken, gedeponeerde modellen), of - het gebruik of de wederverkoop van ingevoerde goederen (met name auteursrechten, fabricageprocédés die onafscheidelijk in het ingevoerde goed zijn belichaamd). 2. Onverminderd artikel 32, lid 5, van het Wetboek worden bij de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen met toepassing van artikel 29 van het Wetboek, de royalty of het licentierecht slechts aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs toegevoegd, indien de betaling ervan: - op de goederen waarvan de waarde wordt bepaald betrekking heeft, en - voor die goederen een verkoopvoorwaarde vormt. Artikel 158 1. Wanneer de ingevoerde goederen louter een ingrediënt of bestanddeel van in de Gemeenschap vervaardigde goederen zijn, mag aanpassing van de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs slechts geschieden indien de royalty of het licentierecht op die goederen betrekking heeft. 2. Wanneer goederen in niet-gemonteerde staat worden ingevoerd of wanneer zij voor hun doorverkoop slechts een eenvoudige behandeling, zoals verdunning of verpakking, moeten ondergaan, sluit dat niet uit dat de royalty of het licentierecht mag worden aangemerkt als op de ingevoerde goederen betrekking te hebben. 3. Indien de royalty's of licentierechten gedeeltelijk op de ingevoerde goederen en gedeeltelijk op andere ingrediënten of bestanddelen die aan de goederen na hun invoer worden toegevoegd of op verrichtingen of diensten na invoer betrekking hebben, worden deze slechts aan de hand van objectieve en meetbare gegevens, overeenkomstig de in bijlage 23 opgenomen noot voor de interpretatie op artikel 32, lid 2, van het Wetboek, toegedeeld. Artikel 159 De royalty of het licentierecht betreffende het recht om van een fabrieks- of handelsmerk gebruik te maken wordt slechts aan de voor het ingevoerde goed werkelijk betaalde of te betalen prijs toegevoegd, indien: - de royalty of het licentierecht betrekking heeft op goederen die in ongewijzigde staat zijn doorverkocht of die na de invoer slechts een eenvoudige behandeling hebben ondergaan; - deze goederen onder de vóór of na de invoer aangebrachte merknaam, waarvoor de royalty of het licentierecht wordt betaald, in de handel worden gebracht, en - het de koper niet vrijstaat dergelijke goederen bij andere, niet met de verkoper verbonden leveranciers aan te kopen. Artikel 160 Wanneer de koper een royalty of een licentierecht aan een derde betaalt, worden de in artikel 157, lid 2, bedoelde voorwaarden geacht slechts vervuld te zijn indien de verkoper of een met deze verbonden persoon die betaling van de koper verlangt. Artikel 161 Wanneer de wijze waarop het bedrag van een royalty of licentierecht wordt berekend, verband houdt met de prijs van het ingevoerde goed, wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, verondersteld dat de betaling van die royalty of dat licentierecht op het goed waarvan de waarde wordt bepaald betrekking heeft. Wanneer echter het bedrag van een royalty of licentierecht onafhankelijk van de prijs van het ingevoerde goed wordt berekend, kan de betaling van die royalty of dat licentierecht niettemin op het goed waarvan de waarde wordt bepaald betrekking hebben. Artikel 162 Voor de toepassing van artikel 32, lid 1, onder c), van het Wetboek wordt geen rekening gehouden met het land van vestiging van de ontvanger van de royalty's of van het licentierecht. HOOFDSTUK 3 Plaats van binnenkomst in de Gemeenschap Artikel 163 1. Voor de toepassing van artikel 32, lid 1, onder e), en artikel 33, onder a), van het Wetboek wordt onder plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap verstaan: a) voor goederen aangevoerd over zee: de haven van lossing, dan wel de haven van overlading indien de overlading is bevestigd door de douaneautoriteiten van die haven; b) voor goederen welke zonder overlading, eerst over zee en daarna via binnenwateren zijn aangevoerd: de eerste haven die voor de lossing in aanmerking komt, gelegen hetzij aan de monding van de rivier of het kanaal, hetzij verder landinwaarts, voor zover ten genoegen van de douane wordt aangetoond dat de vrachtprijs tot aan de haven van lossing hoger is dan de vrachtprijs tot aan eerder bedoelde eerste haven; c) voor goederen welke per spoor, via binnenwateren of over de weg zijn aangevoerd: de plaats waar het eerste douanekantoor is gevestigd; d) voor op andere wijze aangevoerde goederen: de plaats waar de grens van het douanegebied van de Gemeenschap wordt overschreden. 2. Voor goederen welke het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen en naar een plaats van bestemming in een ander gedeelte van dit gebied worden vervoerd over het grondgebied van Oostenrijk, Zwitserland, Hongarije, Tsjechië en Slowakije of Joegoslavië in haar samenstelling op 1 januari 1991, wordt bij de bepaling van de douanewaarde de eerste plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap in aanmerking genomen, voor zover de goederen rechtstreeks over het grondgebied van Oostenrijk, Zwitserland, Hongarije, Tsjechië en Slowakije of Joegoslavië in de zin zoals hiervoor aangegeven, worden vervoerd en het vervoer over deze grondgebieden een normale weg naar de plaats van bestemming vormt. 3. Voor goederen welke het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen en over zee naar de plaats van bestemming in een ander gedeelte van dit gebied worden vervoerd, wordt bij de bepaling van de douanewaarde de eerste plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap in aanmerking genomen, voor zover de goederen rechtstreeks en langs een normale weg naar de plaats van bestemming worden vervoerd. 4. De leden 2 en 3 blijven eveneens van toepassing indien de goederen om vervoertechnische redenen in Oostenrijk, Zwitserland, Hongarije, Tsjechië en Slowakije of Joegoslavië in de zin van lid 2, werden gelost, overgeladen of tijdelijk opgehouden. 5. Voor goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen en rechtstreeks worden vervoerd tussen één van de Franse overzeese departementen en een ander deel van het douanegebied van de Gemeenschap, is de plaats van binnenkomst de in de leden 1 en 2 bedoelde plaats, gelegen in het deel van het douanegebied van de Gemeenschap waaruit de goederen herkomstig zijn, mits door de douaneautoriteiten is bevestigd dat de goederen daar gelost of overgeladen zijn. 6. Ingeval de in de leden 2, 3 en 5 gestelde voorwaarden niet zijn vervuld, is de plaats van binnenkomst de in lid 1 bedoelde plaats, gelegen in het deel van het douanegebied van de Gemeenschap waarvoor de goederen bestemd zijn. HOOFDSTUK 4 Vrachtkosten Artikel 164 Voor de toepassing van artikel 32, lid 1, onder e), en artikel 33, onder a), van het Wetboek geldt het volgende: a) Indien goederen met een zelfde soort vervoermiddel worden vervoerd tot een plaats die verder binnenwaarts is gelegen dan de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap, worden de vrachtkosten gesplitst naar evenredigheid van de buiten en binnen het douanegebied van de Gemeenschap afgelegde afstanden, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond welke de vrachtkosten zijn die, volgens een algemeen en verplicht tarief, verschuldigd zouden zijn voor het vervoer van de goederen tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap. b) Indien goederen worden gefactureerd tegen een uniforme prijs franco plaats van bestemming, welke prijs overeenkomt met die op de plaats van binnenkomst, dienen de vrachtkosten voor het traject binnen de Gemeenschap daarop niet in vermindering te worden gebracht. Aftrek is evenwel toegestaan indien ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat de prijs franco grens lager zou zijn dan de uniforme prijs voor levering franco plaats van bestemming. c) Indien het vervoer kosteloos of met een vervoermiddel van de koper plaatsvindt, dienen de vrachtkosten tot de plaats van binnenkomst, berekend volgens de gebruikelijke tarieven voor vervoer met een zelfde soort vervoermiddel, in de douanewaarde te worden begrepen. Artikel 165 1. De portokosten tot de plaats van bestemming op met de post verzonden goederen dienen in hun geheel in de douanewaarde van deze goederen te worden begrepen, met uitzondering van de bijkomende postale kosten, die eventueel in het land van invoer worden geheven. 2. Deze kosten geven evenwel geen aanleiding tot een aanpassing van de aangegeven waarde bij het bepalen van de douanewaarde van goederen die vervat zijn in zendingen waaraan elk handelskarakter vreemd is. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op goederen die worden vervoerd door de expresse-postdiensten genoemd EMS-Datapost (in Denemarken EMS-Jetpost, in Duitsland EMS-Kurierpostsendungen en in Italië CAI-Post). Artikel 166 De in de douanewaarde van de goederen te begrijpen luchtvrachtkosten worden vastgesteld volgens de regels en percentages in bijlage 25. HOOFDSTUK 5 Vaststelling van de douanewaarde van bepaalde informatiedragers bestemd voor gebruik in gegevensverwerkende apparatuur Artikel 167 1. Onverminderd de artikelen 29 tot en met 33 van het Wetboek wordt voor de bepaling van de douanewaarde van ingevoerde informatiedragers die gegevens of instructies bevatten, bestemd voor gebruik in gegevensverwerkende apparatuur, slechts rekening gehouden met de kosten of de waarde van de informatiedrager zelf. In de douanewaarde van ingevoerde informatiedragers die gegevens of instructies bevatten, zijn derhalve de kosten of de waarde van de gegevens of instructies niet begrepen, mits deze kosten of deze waarde onderscheiden zijn van de kosten of de waarde van de betreffende informatiedrager. 2. Voor de toepassing van dit artikel zijn: a) onder de term "informatiedragers" niet begrepen geïntegreerde schakelingen, halfgeleiders en soortgelijke componenten of artikelen die dergelijke schakelingen of componenten bevatten; b) onder de termen "gegevens of instructies" niet begrepen geluids-, cinematografische of video-opnamen. HOOFDSTUK 6 Wisselkoersen Artikel 168 Voor de toepassing van de artikelen 169 tot en met 171 wordt verstaan onder: a) "genoteerde koers": - de laatste verkoopkoers die voor handelstransacties op de meest representatieve valutamarkt of valutamarkten van de betrokken Lid-Staat wordt genoteerd, of - enigerlei andere omschrijving van een aldus genoteerde wisselkoers die door de Lid-Staat als de "genoteerde koers" wordt aangemerkt, op voorwaarde dat deze een zo werkelijk mogelijke weergave van de gangbare waarde van de betrokken munteenheid bij handelstransacties is; b) "gepubliceerd": algemeen bekendgemaakt op door de betrokken Lid-Staat aangeduide wijze; c) "munteenheid": elke munteenheid die ter vereffening tussen monetaire autoriteiten of op de internationale markt wordt gebruikt. Artikel 169 1. Wanneer de gegevens voor de bepaling van de douanewaarde op het ogenblik van die bepaling in een andere munteenheid zijn uitgedrukt dan in die van de Lid-Staat waar de waardebepaling geschiedt, is de voor het bepalen van die waarde in de munteenheid van de betrokken Lid-Staat te gebruiken wisselkoers de op de voorlaatste woensdag van de maand genoteerde wisselkoers welke op die dag of op de daaropvolgende dag wordt gepubliceerd. 2. De op de voorlaatste woensdag van de maand genoteerde wisselkoers geldt gedurende de volgende kalendermaand, tenzij hij door een overeenkomstig artikel 171 vastgestelde koers wordt vervangen. 3. Indien een wisselkoers niet op de in lid 1 bedoelde voorlaatste woensdag wordt genoteerd of, indien hij wordt genoteerd, niet op die dag noch op de daaropvolgende dag wordt gepubliceerd, wordt de voor de betrokken munteenheid laatst genoteerde en in de voorafgaande 14 dagen gepubliceerde wisselkoers geacht de op die woensdag genoteerde wisselkoers te zijn. Artikel 170 Indien een wisselkoers niet overeenkomstig artikel 169 kan worden vastgesteld, wordt de voor de toepassing van artikel 35 van het Wetboek te gebruiken wisselkoers door de betrokken Lid-Staat aangewezen. Deze dient een zo getrouw mogelijke weergave, in de munteenheid van die Lid-Staat, van de gangbare waarde van de betrokken munteenheid bij handelstransacties te zijn. Artikel 171 1. Wanneer een op de laatste woensdag van een maand genoteerde koers welke op die dag of op de daaropvolgende dag wordt gepubliceerd, 5 % of meer van de overeenkomstig artikel 169 vastgestelde en vanaf de volgende maand te gebruiken koers afwijkt, treedt deze in de plaats van de laatstgenoemde koers en geldt vanaf de eerste woensdag van die maand als de koers die voor de toepassing van artikel 35 van het Wetboek dient te worden gebruikt. 2. Wanneer een op een woensdag van de in bovenstaande bepalingen genoemde toepassingsperiode genoteerde koers, welke op die dag of op de daaropvolgende dag wordt gepubliceerd, met 5 % of meer van de overeenkomstig de bepalingen van de onderhavige bepalingen gebruikte koers afwijkt, dan treedt deze in de plaats van laatstgenoemde koers en geldt met ingang van de volgende woensdag als de koers die voor de toepassing van artikel 35 van het Wetboek dient te worden gebruikt. Deze vervangende koers geldt voor de rest van de lopende maand, tenzij hij op grond van de eerste volzin van dit lid wordt vervangen door een andere koers. 3. Wanneer in een Lid-Staat een wisselkoers niet op een woensdag wordt genoteerd of, indien hij wordt genoteerd, niet op die dag noch op de daaropvolgende dag wordt gepubliceerd, wordt voor de toepassing van de leden 1 en 2 in die Lid-Staat als genoteerde koers aangemerkt de koers die voorafgaande aan die woensdag het laatst is genoteerd en gepubliceerd. Artikel 172 Wanneer de douaneautoriteiten van een Lid-Staat een aangever toestaan bepaalde gegevens van de aangifte voor het vrije verkeer in de vorm van een periodieke aangifte te verstrekken, kan op verzoek van de aangever worden toegestaan dat één enkele wisselkoers wordt toegepast voor de omrekening in de nationale munteenheid van de betreffende Lid-Staat van de elementen ter bepaling van de douanewaarde die in een bepaalde munteenheid zijn uitgedrukt. In dat geval is de toe te passen koers de overeenkomstig de onderhavige bepalingen vastgestelde wisselkoers, die geldt op de eerste dag van de periode waarop de aangifte betrekking heeft. HOOFDSTUK 7 Vereenvoudigde procedure voor bepaalde aan bederf onderhevige goederen Artikel 173 1. Voor het bepalen van de douanewaarde van de in bijlage 26 genoemde produkten, stelt de Commissie voor elke rubriek van de klasse-indeling een eenheidswaarde per 100 kg nettogewicht vast, uitgedrukt in de munteenheden van de Lid-Staten. De eenheidswaarden worden toegepast gedurende tijdvakken van telkens 14 dagen, beginnende op een vrijdag. 2. De eenheidswaarden worden vastgesteld op de grondslag van de volgende gegevens die door de Lid-Staten per rubriek van de klasse-indeling aan de Commissie worden verstrekt: a) de gemiddelde eenheidsprijs franco grens, vóór vrijmaking, uitgedrukt in de munteenheid van de betrokken Lid-Staat, per 100 kg nettogewicht, en berekend uitgaande van de prijzen die gedurende het referentietijdvak bedoeld in artikel 174, lid 1, voor niet-beschadigde partijen in de in bijlage 27 vermelde handelscentra zijn opgenomen; b) de per kalenderjaar in het vrije verkeer gebrachte hoeveelheden welke zijn onderworpen aan de heffing van rechten bij invoer. 3. De gemiddelde eenheidsprijs franco grens, vóór vrijmaking, wordt berekend uitgaande van de tussen importeurs en grossiers tot stand gekomen bruto verkoopprijzen. Voor de in de handelscentra Londen, Milaan en Rungis genoteerde bruto verkoopprijzen wordt echter het handelsniveau van de in die centra meest gebruikelijke verkopen in aanmerking genomen. De aldus verkregen cijfers worden verminderd: - met een handelsmarge van 15 % voor de handelscentra Londen, Milaan en Rungis en met 8 % voor de andere handelscentra; - met de kosten van vervoer en verzekering binnen het douanegebied; - met een forfaitair bedrag van 5 ecu voor alle overige kosten die niet in de douanewaarde moeten worden begrepen. Dit bedrag wordt omgerekend in de munteenheden van de Lid-Staten op basis van de laatst geldende koersen vastgesteld overeenkomstig artikel 18 van het Wetboek; - met de rechten bij invoer en andere heffingen die niet in de douanewaarde moeten worden begrepen. 4. Voor de overeenkomstig lid 3 in mindering te brengen kosten van vervoer en verzekering kunnen de Lid-Staten forfaitaire bedragen vaststellen. Deze bedragen, alsmede de wijze waarop zij zijn berekend, worden onverwijld ter kennis van de Commissie gebracht. Artikel 174 1. Het voor de berekening van de in artikel 173, lid 2, onder a), bedoelde gemiddelde eenheidsprijzen in aanmerking te nemen referentietijdvak is het tijdvak van 14 dagen dat eindigt op de donderdag vóór de week waarin de nieuwe eenheidswaarden worden vastgesteld. 2. De gemiddelde eenheidsprijzen worden door de Lid-Staten medegedeeld uiterlijk om 12.00 uur op de maandag van de week in de loop waarvan de eenheidswaarden overeenkomstig artikel 173 worden vastgesteld. Is die dag een feestdag, dan geschiedt de mededeling op de voorafgaande werkdag. 3. De in de loop van een kalenderjaar voor elke rubriek van de klasse-indeling in het vrije verkeer gebrachte hoeveelheden worden door alle Lid-Staten aan de Commissie medegedeeld vóór 15 juni van het daaropvolgende jaar. Artikel 175 1. De eenheidswaarden bedoeld in artikel 173, lid 1, worden op elke tweede dinsdag door de Commissie vastgesteld naar het gewogen gemiddelde van de gemiddelde eenheidsprijzen bedoeld in artikel 173, lid 2, onder a), al naar gelang van de hoeveelheden bedoeld in artikel 173, lid 2, onder b). 2. Om het gewogen gemiddelde te bepalen wordt iedere gemiddelde eenheidsprijs als bedoeld in artikel 173, lid 2, onder a), omgerekend in ecu met behulp van de laatste omrekeningskoersen die door de Commissie zijn vastgesteld en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen zijn bekendgemaakt vóór de week waarin de eenheidswaarden worden vastgesteld. Dezelfde omrekeningskoersen worden toegepast bij de omrekening van de aldus verkregen eenheidswaarden in de munteenheden van de Lid-Staten. 3. Zolang geen nieuwe eenheidswaarden zijn bekendgemaakt, blijven de laatst bekendgemaakte eenheidswaarden van toepassing. Bij sterke prijsschommelingen in een of meer Lid-Staten, bij voorbeeld ten gevolge van een onderbreking in de continuïteit van de invoer van een bepaald produkt, kunnen evenwel nieuwe eenheidswaarden worden vastgesteld op grond van de prijzen die gehanteerd worden op het tijdstip waarop de genoemde eenheidswaarden worden bepaald. Artikel 176 1. Als beschadigde partijen worden beschouwd partijen die op het tijdstip voor de bepaling van de douanewaarde ten minste 5 % voor menselijke consumptie in die staat ongeschikte produkten bevatten alsmede partijen waarvan de waarde vergeleken met het gemiddelde van de marktprijzen voor het gezonde produkt met ten minste 20 % is verminderd. 2. De douanewaarde van beschadigde partijen kan worden bepaald: - hetzij, na sortering, door toepassing van de eenheidswaarden op het gezonde gedeelte, waarbij het beschadigde gedeelte onder douanetoezicht wordt vernietigd; - hetzij door toepassing van de voor het gezonde produkt vastgestelde eenheidswaarden, nadat het gewicht van de betrokken partij is verminderd met een percentage gelijk aan het schadepercentage dat door een beëdigde deskundige is vastgesteld en dat door de douaneautoriteiten is aanvaard; - hetzij door toepassing van de voor het gezonde produkt vastgestelde eenheidswaarden verminderd met een percentage gelijk aan het schadepercentage dat door een beëdigde deskundige is vastgesteld en dat door de douaneautoriteiten is aanvaard. Artikel 177 1. Degene die de overeenkomstig dit hoofdstuk vastgestelde eenheidswaarden aangeeft of doet aangeven als douanewaarde van een of meer van de produkten die hij invoert, treedt hierdoor, wat het produkt of de betrokken produkten aangaat, voor het lopende kalenderjaar toe tot het systeem van de vereenvoudigde procedures. 2. Indien de betrokkene vervolgens gebruik maakt van andere methoden dan de vereenvoudigde procedures voor de bepaling van de douanewaarde van een of meer produkten die hij invoert, zijn de douaneautoriteiten van de betrokken Lid-Staat gemachtigd hem mede te delen dat hij voor het betrokken produkt of de betrokken produkten van de voordelen van de vereenvoudigde procedures uitgesloten is tot het einde van het lopende kalenderjaar; deze uitsluiting kan worden verlengd tot het einde van het volgende kalenderjaar. De door de Lid-Staten genomen uitsluitingsmaatregel wordt onverwijld ter kennis gebracht van de Commissie die de andere Lid-Staten daarvan onmiddellijk op de hoogte stelt. HOOFDSTUK 8 Aangifte van te verstrekken gegevens en overlegging van de desbetreffende stukken Artikel 178 1. Wanneer de douanewaarde dient te worden vastgesteld, wordt, voor de toepassing van de artikelen 28 tot en met 36 van het Wetboek, een aangifte van gegevens inzake de douanewaarde gevoegd bij de aangifte die voor de ingevoerde goederen wordt gedaan. De aangifte van de gegevens inzake de douanewaarde wordt gedaan op een formulier D.V. 1 dat overeenstemt met het model in bijlage 28, in voorkomend geval vergezeld van een of meer formulieren D.V. 1 BIS die overeenstemmen met het model in bijlage 29. 2. De in lid 1 bedoelde aangifte van de waarde mag uitsluitend worden gedaan door een persoon die zijn verblijfplaats of handelsvestiging in het douanegebied van de Gemeenschap heeft en die beschikt over alle desbetreffende feitelijke gegevens. 3. Wanneer de douanewaarde van de betrokken goederen niet kan worden vastgesteld met toepassing van artikel 29 van het Wetboek, kunnen de douaneautoriteiten afzien van de eis dat de aangifte wordt gedaan op een formulier dat overeenstemt met het in lid 1 genoemde model. In die gevallen dient de in lid 2 bedoelde persoon de betrokken douaneautoriteiten alle overige inlichtingen te verstrekken of te laten verstrekken die nodig zijn ten einde de douanewaarde vast te stellen krachtens een ander artikel van het Wetboek; deze inlichtingen worden verstrekt in de vorm en onder de voorwaarden als voorgeschreven door de betrokken douaneautoriteiten. 4. Het indienen bij een douanekantoor van een krachtens lid 1 vereiste aangifte geldt, onverminderd de eventuele toepassing van strafbepalingen, als het op zich nemen door de in lid 2 bedoelde persoon van de aansprakelijkheid voor: - de juistheid en volledigheid van de in de aangifte verstrekte gegevens, - de echtheid van de tot staving van die gegevens overgelegde stukken, en - het verstrekken van alle bijkomende inlichtingen of documenten die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de douanewaarde van de goederen. 5. Dit artikel is niet van toepassing op goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald volgens het systeem van vereenvoudigde procedures vastgesteld overeenkomstig de artikelen 173 tot en met 177. Artikel 179 71. Behoudens wanneer dit onmisbaar is voor een juiste heffing van de rechten bij invoer, kunnen de douaneautoriteiten geheel of gedeeltelijk afzien van de in artikel 178, lid 1, bedoelde aangifte: a) wanneer de douanewaarde van de ingevoerde goederen per zending niet hoger is dan 5 000 ecu, voor zover het geen deelzendingen of meervoudige zendingen betreft welke door een zelfde afzender aan een zelfde geadresseerde worden verzonden, of b) wanneer het invoerbewegingen betreft waaraan elk handelskarakter vreemd is, of c) wanneer het verstrekken van die gegevens niet noodzakelijk is voor de toepassing van het douanetarief van de Europese Gemeenschappen of indien de in het tarief vastgelegde douanerechten niet dienen te worden geheven omdat bijzondere douanevoorschriften van toepassing zijn. 2. Het in lid 1, onder a), vermelde bedrag in ecu wordt omgerekend overeenkomstig artikel 18 van het Wetboek. Het na bedoelde omrekening verkregen bedrag kan door de douaneautoriteiten naar boven of naar beneden worden afgerond. De douaneautoriteiten hebben eveneens de mogelijkheid om de tegenwaarde in nationale valuta van het in ecu vastgestelde bedrag ongewijzigd te handhaven indien, bij de jaarlijkse aanpassing als bedoeld in artikel 18 van het Wetboek, de omrekening van dat bedrag vóór de in dit lid bedoelde afronding leidt tot een wijziging van de in nationale valuta uitgedrukte tegenwaarde van minder dan 5 % of tot een verlaging van deze tegenwaarde. 3. Ten aanzien van de regelmatige invoer van goederen die het voorwerp uitmaken van transacties gesloten onder dezelfde handelsvoorwaarden tussen dezelfde verkoper en dezelfde koper, kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat niet alle in artikel 178, lid 1, bedoelde gegevens bij iedere aangifte worden verstrekt; zij eisen deze gegevens evenwel telkens wanneer de omstandigheden een wijziging ondergaan en ten minste eenmaal elke drie jaar. 4. Een op grond van dit artikel toegestane ontheffing kan worden ingetrokken en de overlegging van een formulier D.V. 1 kan worden geëist ingeval wordt vastgesteld dat aan een voor het verlenen van die ontheffing noodzakelijke voorwaarde niet is voldaan of deze voorwaarde niet meer geldt. Artikel 180 Wanneer systemen voor geautomatiseerde gegevensverwerking worden gebruikt of wanneer de betrokken goederen het voorwerp uitmaken van een algemene, periodieke of samenvattende aangifte, kunnen de Lid-Staten afwijkingen toestaan in de vorm waarin de voor de vaststelling van de douanewaarde vereiste inlichtingen worden verstrekt. Artikel 181 1. De in artikel 178, lid 2, bedoelde persoon is gehouden een exemplaar van de factuur op grond waarvan de douanewaarde van de in te voeren goederen wordt aangegeven, aan de douanedienst over te leggen. Wordt de aangifte van de douanewaarde schriftelijk gedaan, dan behouden de douaneautoriteiten dit exemplaar. 2. In gevallen waarin de aangifte van de douanewaarde schriftelijk wordt gedaan en de op de ingevoerde goederen betrekking hebbende factuur is opgemaakt ten name van een persoon die gevestigd is in een andere Lid-Staat dan die waar de douanewaarde wordt aangegeven, dient de aangever aan de douaneautoriteiten twee exemplaren van genoemde factuur over te leggen. Eén van die exemplaren moet door de douaneautoriteiten worden bewaard, het andere, voorzien van een afdruk van de douanestempel en het volgnummer waaronder de aangifte door het douanekantoor is ingeschreven, moet aan de aangever worden teruggegeven ten einde te worden toegezonden aan degene ten name van wie de factuur is opgemaakt. 3. De Lid-Staten kunnen voorschrijven dat het bepaalde in lid 2 eveneens van toepassing is in gevallen waarin degene ten name van wie de factuur is opgemaakt, is gevestigd in de Lid-Staat waar de douanewaarde wordt aangegeven. TITEL VI BINNENBRENGEN VAN GOEDEREN IN HET DOUANEGEBIED HOOFDSTUK 1 Onderzoek van de goederen en monsterneming door belanghebbende Artikel 182 1. Het onderzoek van de goederen bedoeld in artikel 42 van het Wetboek wordt op mondeling verzoek toegestaan aan de persoon die bevoegd is de goederen een douanebestemming te geven, tenzij de douaneautoriteiten, rekening houdende met de omstandigheden, het nodig achten dat een schriftelijk verzoek wordt ingediend. Het nemen van monsters kan slechts worden toegestaan op schriftelijk verzoek van belanghebbende. 2. De in lid 1 bedoelde schriftelijke verzoeken dienen door belanghebbende te worden ondertekend en bij de betrokken douaneautoriteiten te worden ingediend. Zij dienen de volgende gegevens te bevatten: - naam en adres van de aanvrager, - plaats waar de goederen zich bevinden, - nummer van de summiere aangifte wanneer deze al is ingediend, behoudens in de gevallen dat dit gegeven door de douanedienst zelf wordt vermeld, of verwijzing naar de voorafgaande douaneregeling, of wel gegevens die noodzakelijk zijn voor de identificatie van het vervoermiddel waarop de goederen zich bevinden, - alle andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de identificatie van de goederen. De douaneautoriteiten geven de toestemming op het door belanghebbende ingediende verzoek. Wanneer dit verzoek betrekking heeft op een monsterneming, geven genoemde autoriteiten de hoeveelheid goederen aan die mag worden weggenomen. 3. Het voorafgaand onderzoek van de goederen en de monsterneming vinden plaats onder toezicht van de douaneautoriteiten op de door hen voorgeschreven wijze, rekening houdend met het concrete geval. Het uitpakken, wegen, opnieuw verpakken en alle andere handelingen met de goederen vinden plaats op risico en voor rekening van belanghebbende. De eventuele kosten van analyse zijn eveneens voor rekening van laatstgenoemde. 4. Voor de genomen monsters moeten de formaliteiten voor een douanebestemming worden verricht. Wanneer het onderzoek van de monsters leidt tot hun vernietiging of onherstelbaar verlies, wordt de douaneschuld geacht niet te zijn ontstaan. Artikel 182, lid 5, van het Wetboek is van toepassing op de resten en afvallen. HOOFDSTUK 2 Summiere aangifte Artikel 183 1. De summiere aangifte dient te worden ondertekend door degene die deze indient. 2. De summiere aangifte wordt geviseerd door de douaneautoriteiten en bewaard, zodat kan worden gecontroleerd dat de goederen waarop zij betrekking heeft binnen de in artikel 49 van het Wetboek bedoelde termijnen een douanebestemming krijgen. 3. Voor goederen die, voorafgaand aan de aanbieding bij de douane, met toepassing van een procedure voor communautair douanevervoer werden vervoerd, vormt het voor het douanekantoor van bestemming bestemde exemplaar van het document voor douanevervoer de summiere aangifte. 4. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat de summiere aangifte wordt ingediend met gebruikmaking van systemen voor geautomatiseerde gegevensverwerking. In dat geval worden de in lid 2 vastgestelde voorschriften dienovereenkomstig aangepast. Artikel 184 1. De in artikel 183, lid 1, bedoelde persoon is verplicht om de goederen waarvoor een summiere aangifte is ingediend, op elke vordering van de douaneautoriteiten opnieuw volledig aan te bieden, zolang zij niet zijn gelost van het vervoermiddel waarop zij zich bevinden, tot op het moment dat de goederen een douanebestemming krijgen. 2. Alle personen die de goederen, na het lossen, achtereenvolgens onder zich hebben om deze te verplaatsen of op te slaan, zijn gehouden tot het nakomen van de verplichting om de goederen op elke vordering van de douaneautoriteiten opnieuw volledig aan te bieden. HOOFDSTUK 3 Tijdelijke opslag Artikel 185 1. Wanneer de in artikel 51, lid 1, van het Wetboek bedoelde plaatsen permanent zijn goedgekeurd voor de tijdelijke opslag van goederen, worden deze plaatsen "ruimten voor tijdelijke opslag" genoemd. 2. Ten einde de toepassing van de douanevoorschriften te verzekeren, kunnen de douaneautoriteiten, wanneer zij niet zelf de ruimte voor tijdelijke opslag beheren, eisen dat: a) de ruimte voor tijdelijke opslag met twee sleutels wordt afgesloten, waarvan één in het bezit van de douaneautoriteiten blijft; b) de persoon die de ruimte voor tijdelijke opslag beheert, een voorraadadministratie voert aan de hand waarvan de goederenbewegingen kunnen worden gevolgd. Artikel 186 Het plaatsen van goederen in een ruimte voor tijdelijke opslag geschiedt op basis van de summiere aangifte. De douaneautoriteiten kunnen evenwel eisen dat een nadere aangifte wordt ingediend die gesteld is op een door hen voorgeschreven formulier. Artikel 187 Onverminderd artikel 56 van het Wetboek en de bepalingen inzake de verkoop van goederen onder douaneverband, is degene die de summiere aangifte heeft ingediend of, wanneer een dergelijke aangifte nog niet is ingediend, zijn de in artikel 44, lid 2, van het Wetboek bedoelde personen gehouden gevolg te geven aan de maatregelen die door de douaneautoriteiten met toepassing van artikel 53, lid 1, van het Wetboek worden genomen en de hieruit voortvloeiende kosten te dragen. Artikel 188 Wanneer de douaneautoriteiten overgaan tot de verkoop van de goederen, overeenkomstig artikel 53 van het Wetboek, vindt deze plaats volgens de in de Lid-Staten geldende procedures. HOOFDSTUK 4 Bijzondere bepalingen voor goederen die over zee of door de lucht worden vervoerd Afdeling 1 Algemene bepaling Artikel 189 Wanneer goederen over zee of door de lucht vanuit een derde land het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht en onder geleide van een enkel transportdocument met gebruikmaking van dezelfde vervoerswijze en zonder overlading naar een andere haven of luchthaven van de Gemeenschap worden overgebracht, worden zij eerst in de haven of op de luchthaven waar zij worden uit- of overgeladen bij de douane aangebracht in de zin van artikel 40 van het Wetboek. Afdeling 2 Bijzondere bepalingen van toepassing op handbagage en ruimbagage in het reizigersverkeer Artikel 190 Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder: a) "communautaire luchthaven": elke op het douanegebied van de Gemeenschap gelegen luchthaven; b) "communautaire luchthaven met een internationaal karakter": elke communautaire luchthaven waar, na toestemming van de bevoegde autoriteiten, het luchtvaartverkeer met derde landen afgewikkeld mag worden; c) "intracommunautaire vlucht": de verplaatsing van een luchtvaartuig tussen twee communautaire luchthavens, zonder tussenstop tussen deze beide luchthavens, voor zover deze verplaatsing noch begonnen is noch eindigt op een niet-communautaire luchthaven; d) "communautaire haven": iedere op het douanegrondgebied van de Gemeenschap gelegen zeehaven; e) "intracommunautaire zeereis": de verplaatsing tussen twee communautaire havens, zonder tussenstop tussen deze havens, van een vaartuig dat geregelde diensten tussen twee of meer bepaalde communautaire havens onderhoudt; f) "pleziervaartuigen": particuliere vaartuigen die bestemd zijn voor reizen waarvan het traject naar believen door de gebruikers wordt vastgesteld; g) "sport- of zakenvliegtuigen": particuliere luchtvaartuigen die bestemd zijn voor reizen waarvan het traject naar believen door de gebruikers wordt vastgesteld; h) "bagage": alle voorwerpen die op welke wijze dan ook door een persoon tijdens zijn reis worden vervoerd. Artikel 191 Voor de toepassing van deze afdeling wat betreft het luchtvervoer wordt bagage beschouwd als: - ruimbagage, wanneer zij, na in de luchthaven van vertrek geregistreerd te zijn, tijdens de vlucht niet meer voor de betrokken persoon bereikbaar is noch, in voorkomend geval, tijdens de in artikel 192, punten 1 en 2, en in artikel 194, leden 1 en 2, van dit hoofdstuk bedoelde tussenstop; - handbagage, wanneer de persoon deze aan boord van het luchtvaartuig meeneemt. Artikel 192 De controle en de formaliteiten die van toepassing zijn op: 1. de handbagage en de ruimbagage van de personen aan boord van een luchtvaartuig dat, van een niet-communautaire luchthaven komend, na een tussenstop in een communautaire luchthaven, deze vlucht moet voortzetten naar een andere communautaire luchthaven, vinden plaats op laatstgenoemde luchthaven voor zover deze een communautaire luchthaven met een internationaal karakter is; in die gevallen wordt de bagage onderworpen aan de voorschriften die gelden voor de bagage van personen die uit derde landen aankomen, wanneer de betrokken persoon niet in staat is om, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, het communautaire karakter van de goederen die hij vervoert, aan te tonen. 2. de handbagage en de ruimbagage van personen aan boord van een luchtvaartuig dat een tussenstop maakt in een communautaire luchthaven alvorens zijn vlucht naar een niet-communautaire luchthaven voort te zetten, vinden plaats op de luchthaven van vertrek, voor zover deze een communautaire luchthaven met een internationaal karakter is; in die gevallen kan een controle van de handbagage worden uitgevoerd op de communautaire luchthaven waar de tussenstop wordt gemaakt, ten einde vast te kunnen stellen dat de goederen die deze handbagage bevat voldoen aan de voorwaarden die verbonden zijn aan het vrije verkeer binnen de Gemeenschap. 3. de bagage van personen die gebruik maken van een door één enkel vaartuig uitgevoerde scheepvaartdienst die een aantal opeenvolgende trajecten omvat en die is begonnen of eindigt of die een tussenstop maakt in een niet-communautaire haven, vinden plaats in de haven waar deze bagage, al naar gelang van het geval, wordt in- of uitgeladen. Artikel 193 De controle en de formaliteiten die van toepassing zijn op de bagage van personen die gebruik maken van: 1. pleziervaartuigen, worden verricht in elke communautaire haven, ongeacht de plaats van herkomst of van bestemming van deze vaartuigen; 2. sport- of zakenvliegtuigen, worden verricht: - op de eerste luchthaven van aankomst, die een communautaire luchthaven met een internationaal karakter moet zijn, voor wat betreft de vluchten vanaf een niet-communautaire luchthaven, wanneer het luchtvaartuig na de tussenstop een vlucht moet uitvoeren naar een andere communautaire luchthaven; - op de laatste communautaire luchthaven met een internationaal karakter, voor wat betreft de vluchten vanaf een communautaire luchthaven, wanneer het luchtvaartuig na de tussenstop een vlucht moet uitvoeren naar een niet-communautaire luchthaven. Artikel 194 1. Wanneer de bagage die op een communautaire luchthaven aankomt aan boord van een luchtvaartuig dat van een niet-communautaire luchthaven komt, op deze communautaire luchthaven wordt overgeladen in een ander luchtvaartuig dat een intracommunautaire vlucht uitvoert: - worden iedere controle en de formaliteiten die van toepassing zijn op de ruimbagage verricht op de luchthaven van aankomst van de intracommunautaire vlucht, voor zover deze een communautaire luchthaven met een internationaal karakter is; - wordt iedere controle van de handbagage op de eerste communautaire luchthaven met een internationaal karakter verricht; een extra controle van deze bagage kan alleen bij wijze van uitzondering op de luchthaven van aankomst van de intracommunautaire vlucht worden uitgevoerd, wanneer een dergelijke extra controle na controle van de ruimbagage nodig blijkt te zijn; - kan een controle van de ruimbagage alleen bij wijze van uitzondering op de eerste communautaire luchthaven worden uitgevoerd, wanneer een dergelijke extra controle na controle van de handbagage nodig blijkt te zijn. 2. Wanneer de bagage die op een communautaire luchthaven aan boord wordt gebracht van een luchtvaartuig dat een intracommunautaire vlucht uitvoert, waarbij deze bagage op een andere communautaire luchthaven wordt overgeladen in een luchtvaartuig dat een niet-communautaire luchthaven als bestemming heeft: - worden de controle en de formaliteiten die van toepassing zijn op de ruimbagage verricht op de luchthaven van vertrek van de intracommunautaire vlucht, voor zover deze een communautaire luchthaven met een internationaal karakter is; - wordt iedere controle van de handbagage op de laatste communautaire luchthaven met een internationaal karakter verricht. Een eerdere controle van deze bagage kan alleen bij wijze van uitzondering worden uitgevoerd op de luchthaven van vertrek van de intra-communautaire vlucht, wanneer een dergelijke controle na de controle van de ruimbagage nodig blijkt te zijn; - kan een controle van de ruimbagage alleen bij wijze van uitzondering op de laatste communautaire luchthaven worden uitgevoerd, wanneer een dergelijke extra controle na controle van de handbagage nodig blijkt te zijn. 3. De controle en formaliteiten die van toepassing zijn op de bagage die op een communautaire luchthaven aankomt aan boord van een uit een niet-communautaire luchthaven afkomstig lijn- of chartertoestel en die op deze communautaire luchthaven wordt overgeladen in een sport- of zakenvliegtuig dat een intracommunautaire vlucht uitvoert, worden verricht op de luchthaven van aankomst van het lijn- of chartertoestel. 4. De controle en formaliteiten die van toepassing zijn op de bagage die op een communautaire luchthaven aan boord wordt gebracht van een sport- of zakenvliegtuig, dat een intracommunautaire vlucht uitvoert, waarbij deze bagage op een andere communautaire luchthaven wordt overgeladen in een lijn- of chartertoestel met als bestemming een niet-communautaire luchthaven, worden verricht op de luchthaven van vertrek van het lijn- of chartertoestel. 5. De Lid-Staten kunnen op de communautaire luchthaven met een internationaal karakter waar de ruimbagage wordt overgeladen, de bagage controleren die: - van een niet-communautaire luchthaven komt en op een communautaire luchthaven met een internationaal karakter wordt overgeladen in een luchtvaartuig dat een luchthaven met een internationaal karakter die op hetzelfde nationale grondgebied is gelegen, tot bestemming heeft; - op een luchthaven met een internationaal karakter aan boord van een luchtvaartuig wordt gebracht om, op een andere luchthaven met een internationaal karakter die op hetzelfde nationale grondgebied is gelegen, te worden overgeladen op een luchtvaartuig dat een niet-communautaire luchthaven tot bestemming heeft. Artikel 195 De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat: - er bij de aankomst van personen, voor de controle van de niet in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 3925/91 van de Raad (8) bedoelde handbagage, geen enkele omwisseling van goederen kan plaatshebben; (8) PB nr. L 374 van 31. 12. 1991, blz. 4. - er bij het vertrek van personen, na de controle van de niet in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 3925/91 bedoelde handbagage, geen enkele omwisseling van goederen kan plaatshebben; - er bij de aankomst van personen voorzieningen zijn getroffen om te verhinderen dat, vóór de controle van de niet in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 3925/91 bedoelde ruimbagage, een omwisseling van goederen kan plaatshebben; - er bij het vertrek van personen voorzieningen zijn getroffen om te verhinderen dat, na de controle van de niet in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 3925/91 bedoelde ruimbagage, een omwisseling van goederen kan plaatshebben. Artikel 196 De in een communautaire luchthaven geregistreerde ruimbagage wordt als zodanig gekenmerkt door een label dat op die luchthaven wordt aangebracht. Het voorbeeld van dit label alsook de technische kenmerken ervan zijn in bijlage 30 opgenomen. Artikel 197 De Lid-Staten zenden de Commissie de lijst toe van de luchthavens die aan de definitie "communautaire luchthaven met een internationaal karakter" in de zin van artikel 190, onder b), beantwoorden. De Commissie maakt deze lijst bekend in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, reeks C. TITEL VII DOUANEAANGIFTE - NORMALE PROCEDURE HOOFDSTUK 1 Schriftelijke douaneaangifte Afdeling 1 Algemene bepalingen Artikel 198 1. Wanneer een douaneaangifte verscheidene artikelen omvat, worden de op elk artikel betrekking hebbende vermeldingen beschouwd als een afzonderlijke aangifte. 2. De onderdelen van fabrieksinstallaties die onder één enkele code van de gecombineerde nomenclatuur worden ingedeeld, worden als één enkel goed beschouwd. Artikel 199 Onverminderd de eventuele toepassing van strafbepalingen geldt de indiening door de aangever of diens vertegenwoordiger van een door hem ondertekende aangifte bij een douanekantoor als het aanvaarden van de aansprakelijkheid overeenkomstig de in de Lid-Staten geldende bepalingen voor: - de juistheid van de in de aangifte verstrekte gegevens, - de echtheid van de bijgevoegde stukken, en - het nakomen van alle verplichtingen die samenhangen met het plaatsen van de betrokken goederen onder de desbetreffende regeling. Artikel 200 Behoudens andersluidende bepalingen worden de bij de aangifte gevoegde documenten door de douaneautoriteiten bewaard, tenzij zij door de aangever voor andere verrichtingen kunnen worden gebruikt. In dit laatste geval verzekeren de douaneautoriteiten zich ervan dat de betrokken documenten naderhand slechts gebruikt kunnen worden voor de hoeveelheid of de waarde waarvoor zij geldig blijven. Artikel 201 1. De aangifte wordt ingediend bij het douanekantoor waar de goederen zijn aangebracht. Dit kan geschieden zodra de goederen zijn aangebracht. 2. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat de aangifte wordt ingediend voordat de aangever in staat is de goederen aan te brengen. In dat geval kunnen de douaneautoriteiten, al naar gelang van de omstandigheden, een termijn vaststellen waarbinnen de goederen moeten worden aangebracht. Indien de goederen niet binnen die termijn zijn aangebracht, wordt de aangifte geacht niet te zijn ingediend. 3. Wanneer echter op grond van lid 1 aangifte is gedaan voordat de goederen waarop zij betrekking heeft bij het douanekantoor of op een andere door de douaneautoriteiten aangewezen plaats zijn aangekomen, kan deze aangifte slechts worden aanvaard nadat de goederen bij de douane zijn aangebracht. Artikel 202 1. De aangifte wordt bij het bevoegde douanekantoor ingediend op de dagen en uren waarop dit kantoor geopend is. Op verzoek en op kosten van de aangever kunnen de douaneautoriteiten evenwel toestaan dat de aangifte buiten deze dagen en uren wordt ingediend. 2. Met het indienen van een aangifte bij een douanekantoor wordt gelijkgesteld de overhandiging van de aangifte aan de ambtenaren van dit kantoor op een andere daartoe aangewezen plaats in het kader van een overeenkomst tussen de douaneautoriteiten en de betrokkene. Artikel 203 De datum van aanvaarding wordt op de aangifte vermeld. Artikel 204 De douaneautoriteiten kunnen toestaan of eisen dat de in artikel 65 van het Wetboek bedoelde wijzigingen worden aangebracht door middel van een nieuwe aangifte ter vervanging van de oorspronkelijke. In dat geval moet de datum waarop de oorspronkelijke aangifte is aanvaard, in aanmerking worden genomen als datum voor het bepalen van de eventueel verschuldigde rechten en voor de toepassing van de andere bepalingen van de desbetreffende douaneregeling. Afdeling 2 Te gebruiken formulieren Artikel 205 1. Het officiële model voor de schriftelijke douaneaangifte van goederen in het kader van de normale procedure met het oog op hun plaatsing onder een douaneregeling of wederuitvoer overeenkomstig artikel 182, lid 3, tweede zin, van het Wetboek, is het enig document. 2. Andere formulieren kunnen worden gebruikt op voorwaarde dat de bepalingen van de desbetreffende douaneregeling dit toestaan. 3. Het bepaalde in de leden 1 en 2 doet geen afbreuk aan: - de in de artikelen 225 tot en met 236 bedoelde ontheffing van de verplichting een schriftelijke aangifte in te dienen voor het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer of de tijdelijke invoer, - de mogelijkheid voor de Lid-Staten om ontheffing te verlenen van het gebruik van het in lid 1 bedoelde formulier, in geval van toepassing van de in de artikelen 237 en 238 bedoelde bijzondere bepalingen met betrekking tot briefpostzendingen en postpakketten, - het gebruik van speciale formulieren om de aangifte in bijzondere gevallen te vergemakkelijken, wanneer de douaneautoriteiten daartoe toestemming verlenen, - de mogelijkheid voor de Lid-Staten om ontheffing te verlenen van het gebruik van het in lid 1 bedoelde formulier, in geval van tussen de administraties van twee of meer Lid-Staten gesloten of te sluiten overeenkomsten of regelingen die een verdere vereenvoudiging van de formaliteiten voor het gehele verkeer of een deel daarvan tussen deze Lid-Staten ten doel hebben, - de mogelijkheid voor belanghebbenden om voor zendingen die verschillende soorten goederen bevatten gebruik te maken van ladingslijsten bij het vervullen van de formaliteiten voor communautair douanevervoer, - de vervaardiging door middel van openbare of particuliere systemen voor automatische gegevensverwerking van uitvoer-, doorvoer- of invoeraangiften alsmede documenten waarmee het communautaire karakter van niet onder de regeling intern communautair douanevervoer vervoerde goederen kan worden aangetoond, onder door de Lid-Staten te stellen voorwaarden, in voorkomend geval op blanco papier, - de mogelijkheid voor de Lid-Staten om, ingeval bij de behandeling van aangiften gebruik wordt gemaakt van een systeem voor automatische gegevensverwerking, te bepalen dat de in lid 1 bedoelde aangifte bestaat uit een door het systeem vervaardigd enig document. 4. Wanneer de formaliteiten worden vervuld met behulp van openbare of particuliere systemen voor automatische gegevensverwerking, waarmee tevens de aangifte wordt vervaardigd, kunnen de douaneautoriteiten bepalen dat: - de handtekening wordt vervangen door een andere identificatietechniek die eventueel berust op het gebruik van codes en dezelfde rechtsgevolgen heeft als een handtekening; deze vereenvoudiging wordt slechts toegekend wanneer de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde technische en administratieve voorwaarden zijn vervuld; - deze systemen de vervaardigde aangiften rechtstreeks waarmerken, in plaats van de handmatige of mechanische plaatsing van het stempel van het douanekantoor en van de handtekening van de bevoegde ambtenaar. 5. Indien in een communautaire reglementering wordt verwezen naar een aangifte ten uitvoer, wederuitvoer, invoer of tot plaatsing onder ongeacht welke douaneregeling, mogen de Lid-Staten geen andere administratieve documenten eisen dan die welke - uitdrukkelijk door communautaire besluiten in het leven zijn geroepen of daarin zijn voorgeschreven; - worden verlangd krachtens internationale overeenkomsten die met het Verdrag verenigbaar zijn; - van ondernemers worden verlangd ten einde hen op hun verzoek in het genot van een bepaald voordeel of van een bepaalde faciliteit te stellen; - met inachtneming van het bepaalde in het Verdrag, worden verlangd voor de tenuitvoerlegging van specifieke voorschriften die niet kunnen worden toegepast door gebruik van het in lid 1 bedoelde enig document. Artikel 206 In de gevallen waarin dat nodig is, wordt het formulier van het enig document ook gebruikt tijdens de overgangsperiode waarin de Akte van Toetreding voorziet voor het verkeer tussen de Gemeenschap in haar samenstelling op 31 december 1985 en Spanje of Portugal, alsmede voor het verkeer tussen beide laatstgenoemde Lid-Staten van goederen die nog niet voor volledige vrijstelling van douanerechten en heffingen van gelijke werking in aanmerking komen of die onderworpen blijven aan andere in de Akte van Toetreding opgenomen maatregelen. Voor de toepassing van de eerste alinea wordt exemplaar nr. 2 of, al naar gelang van het geval, exemplaar nr. 7 vernietigd van de formulieren die worden gebruikt in het handelsverkeer met Spanje en Portugal of in het handelsverkeer tussen deze twee Lid-Staten. Het wordt eveneens gebruikt in het kader van het handelsverkeer van communautaire goederen tussen gedeelten van het douanegebied van de Gemeenschap waar de bepalingen van Richtlijn 77/388/EEG van de Raad (9) van toepassing zijn en gedeelten van dit douanegebied waar deze bepalingen niet van toepassing zijn, of in het kader van het handelsverkeer tussen gedeelten van dit douanegebied waar deze bepalingen niet van toepassing zijn. (9) PB nr. L 145 van 13. 6. 1977, blz. 1. Artikel 207 Onverminderd artikel 205, lid 3, kunnen de douaneautoriteiten van de Lid-Staten voor het vervullen van in- en uitvoerformaliteiten in het algemeen afzien van de eis dat bepaalde voor de betrokken Lid-Staat bestemde exemplaren van het enig document worden overgelegd, mits zij over de betreffende gegevens kunnen beschikken door middel van andere informatiedragers. Artikel 208 1. Het enig document wordt aangeboden in sets die het aantal exemplaren bevatten dat nodig is voor het vervullen van de formaliteiten voor de douaneregeling waaronder de goederen worden geplaatst. 2. Wanneer de regeling van het communautair of gemeenschappelijk douanevervoer wordt voorafgegaan of gevolgd door een andere douaneregeling, kan een set worden aangeboden met het aantal exemplaren dat nodig is voor het vervullen van de formaliteiten voor de regeling van het douanevervoer en de voorafgaande of volgende douaneregeling. 3. De in de leden 1 en 2 bedoelde sets worden samengesteld uit: - hetzij een reeks van acht exemplaren, overeenkomstig het model in bijlage 31; - hetzij, in het bijzonder in geval van vervaardiging door een geautomatiseerd systeem voor de verwerking van aangiften, uit twee opeenvolgende reeksen van vier exemplaren, overeenkomstig het model in bijlage 32. 4. Onverminderd artikel 205, lid 3, de artikelen 222 tot en met 224, alsmede de artikelen 254 tot en met 289, kunnen de aangifteformulieren in voorkomend geval worden aangevuld met een of meer aanvullende formulieren die worden aangeboden in sets die de aangifte-exemplaren bevatten welke nodig zijn voor het vervullen van de formaliteiten voor de douaneregeling waaronder de goederen worden geplaatst, eventueel onder bijvoeging van de exemplaren die voor het vervullen van de formaliteiten voor de voorafgaande of volgende douaneregelingen nodig zijn. Deze sets worden samengesteld uit: - hetzij een reeks van acht exemplaren, overeenkomstig het model in bijlage 33; - hetzij uit twee reeksen van vier exemplaren, overeenkomstig het model in bijlage 34. De aanvullende formulieren maken onlosmakelijk deel uit van het enig document waarop zij betrekking hebben. 5. In afwijking van lid 4 kunnen de douaneautoriteiten bepalen dat het gebruik van de aanvullende formulieren niet is toegestaan bij gebruik van een geautomatiseerd systeem voor de verwerking van aangiften, dat deze aangiften vervaardigd. Artikel 209 1. Bij toepassing van artikel 208, lid 2, verbindt elke belanghebbende zich slechts voor de gegevens die verband houden met de regeling die hij heeft gevraagd in zijn hoedanigheid van aangever of diens vertegenwoordiger. 2. Voor de toepassing van lid 1 moet de aangever, die gebruik maakt van een enig document dat tijdens de vorige douaneregeling is afgegeven, vóór het indienen van zijn aangifte ten aanzien van de hem betreffende vakken nagaan of de bestaande gegevens juist zijn en of zij toepasbaar zijn op de betrokken goederen en de gevraagde regeling, en moet hij deze gegevens zo nodig aanvullen. In de gevallen zoals bedoeld in de eerste alinea moet elk verschil dat door de aangever wordt vastgesteld tussen de betrokken goederen en de bestaande gegevens, onmiddellijk door hem aan het douanekantoor waar de aangifte is ingediend, worden medegedeeld. In dergelijk geval moet de aangever zijn aangifte op nieuwe exemplaren van het formulier van het enig document stellen. Artikel 210 Wanneer het enig document wordt gebruikt voor verschillende opeenvolgende douaneregelingen, vergewissen de douaneautoriteiten zich ervan dat de vermeldingen op de aangiften met betrekking tot deze regelingen met elkaar overeenstemmen. Artikel 211 De aangifte moet worden gesteld in een van de officiële talen van de Gemeenschap die wordt aanvaard door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de formaliteiten worden vervuld. Zo nodig kunnen de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van bestemming de aangever of diens vertegenwoordiger in deze Lid-Staat verzoeken om een vertaling van de aangifte in de officiële taal of in een van de officiële talen van deze Lid-Staat. Deze vertaling komt in de plaats van de overeenkomstige vermeldingen van de desbetreffende aangifte. In afwijking van de eerste alinea moet de aangifte worden gesteld in de officiële taal of één van de officiële talen van de Lid-Staat van bestemming in alle gevallen waarin de aangifte in deze laatste Lid-Staat geschiedt op andere aangifte-exemplaren dan die welke oorspronkelijk bij het douanekantoor van de Lid-Staat van verzending zijn ingediend. Artikel 212 1. Het enig document dient te worden ingevuld overeenkomstig de toelichting in bijlage 37 en eventueel met inachtneming van aanvullende aanwijzingen, voorzien in het kader van andere communautaire wetgeving. 2. De douaneautoriteiten zien erop toe dat de gebruikers de in lid 1 bedoelde toelichting op eenvoudige wijze kunnen verkrijgen. 3. De douaneadministratie van elke Lid-Staat vult zo nodig deze toelichting aan. Artikel 213 De te gebruiken codes voor het invullen van het in artikel 205, lid 1, bedoelde formulier zijn in bijlage 38 vermeld. Artikel 214 In de gevallen waarin het opmaken van aanvullende kopieën van het formulier als bedoeld in artikel 205, lid 1, is voorgeschreven, mag de aangever te dien einde en voor zover nodig bijkomende exemplaren of fotokopieën van genoemd formulier gebruiken. Deze bijkomende exemplaren of deze fotokopieën moeten door de aangever worden ondertekend, aan de bevoegde douaneautoriteiten worden overgelegd en door deze autoriteiten worden geviseerd onder dezelfde voorwaarden als het enig document zelf. Zij worden door de douaneautoriteiten op dezelfde voet als de originele documenten aanvaard, mits hun kwaliteit en leesbaarheid door genoemde autoriteiten bevredigend worden geacht. Artikel 215 1. Het formulier bedoeld in artikel 205, lid 1, wordt gedrukt op zelfkopiërend papier dat zodanig is gelijmd dat het goed te beschrijven is, en dat ten minste 40 g per m2 weegt. Het papier moet zo ondoorzichtig zijn dat de gegevens die op de ene zijde voorkomen de leesbaarheid van de gegevens die op de andere zijde voorkomen niet aantasten en het moet zo stevig zijn dat het bij normaal gebruik niet scheurt of kreukt. Dit papier is wit voor alle exemplaren. In de exemplaren voor het communautair douanevervoer (1, 4, 5 en 7) hebben de vakken 1 (eerste en derde deelvak), 2, 3, 4, 5, 6, 8, 15, 17, 18, 19, 21, 25, 27, 31, 32, 33 (eerste deelvak links), 35, 38, 40, 44, 50, 51, 52, 53, 55 en 56 echter een groene onderdruk. De formulieren worden in het groen bedrukt. 2. De afmetingen van de vakken zijn horizontaal op 1/10 duim (inch) en verticaal op 1/6 duim (inch) gebaseerd. De afmetingen van de onderverdelingen van de vakken zijn horizontaal op 1/10 duim (inch) gebaseerd. 3. De verschillende exemplaren van de formulieren worden met de volgende kleuren gemerkt: a) op de formulieren overeenkomstig de modellen van de bijlagen 31 en 33: - hebben de exemplaren nrs. 1, 2, 3 en 5 aan de rechterzijde een doorlopende kantlijn waarvan de kleur respectievelijk rood, groen, geel en blauw is, - hebben de exemplaren nrs. 4, 6, 7 en 8 aan de rechterzijde een niet doorlopende kantlijn waarvan de kleur respectievelijk blauw, rood, groen en geel is; b) van de formulieren overeenkomstig de modellen in de bijlagen 32 en 34 hebben de exemplaren nrs. 1/6, 2/7, 3/8 en 4/5 aan de rechterzijde een doorlopende kantlijn en rechts daarvan een niet doorlopende kantlijn waarvan de kleur respectievelijk rood, groen, geel en blauw is. Deze kantlijnen zijn ongeveer 3 mm breed. De niet doorlopende kantlijn bestaat uit op elkaar volgende vierkantjes met een zijde van 3 mm, die ieder door een tussenruimte van 3 mm zijn gescheiden. 4. In bijlage 35 zijn de exemplaren vermeld waarop de gegevens die voorkomen op de in de bijlagen 31 en 33 opgenomen formulieren, door middel van een zelfkopiërend procédé moeten worden doorgeschreven. In bijlage 36 zijn de exemplaren vermeld waarop de gegevens die voorkomen op de in de bijlagen 32 en 34 opgenomen formulieren, door middel van een zelfkopiërend procédé moeten worden doorgeschreven. 5. De afmetingen van de formulieren zijn 210 × 297 mm, waarbij in de lengte een afwijking van ten hoogste 5 mm minder of 8 mm meer is toegestaan. 6. De douaneadministraties van de Lid-Staten kunnen eisen dat de naam en het adres van de drukker op de formulieren zijn vermeld of dat deze van een teken zijn voorzien aan de hand waarvan de drukker geïdentificeerd kan worden. Zij kunnen het drukken van de formulieren bovendien van een voorafgaande technische goedkeuring afhankelijk stellen. Afdeling 3 Voor de toepassing van de onderscheiden douaneregelingen te vermelden gegevens Artikel 216 1. De maximumlijst van de vakken die kunnen worden ingevuld op de aangifte tot plaatsing onder een douaneregeling waarbij van het enig document gebruik wordt gemaakt, is in bijlage 37 opgenomen. 2. In bijlage 37 is ook de minimumlijst opgenomen van de vakken die voor de aangifte tot plaatsing onder een douaneregeling moeten worden gebruikt. Artikel 217 De gegevens welke dienen te worden vermeld wanneer gebruik wordt gemaakt van één van de in artikel 205, lid 2, bedoelde formulieren, vloeien voort uit het formulier zelf, alsmede, in voorkomend geval, uit de bepalingen met betrekking tot de betrokken douaneregeling. Afdeling 4 Bij de douaneaangifte te voegen stukken Artikel 218 1. Bij de aangifte voor het vrije verkeer dienen de volgende stukken te worden gevoegd: a) de factuur die ten grondslag ligt aan de aangifte van de douanewaarde, zoals deze overeenkomstig artikel 181 dient te worden overgelegd; b) wanneer artikel 178 daarin voorziet, de opgave van de voor de vaststelling van de douanewaarde van de aangegeven goederen vereiste gegevens overeenkomstig het genoemde artikel; c) de documenten die vereist zijn voor de toepassing van een preferentiële tariefregeling of van iedere andere van de normale voorschriften afwijkende regeling die op de aangegeven goederen van toepassing is; d) alle andere bescheiden die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen betreffende het in het vrije verkeer brengen van de aangegeven goederen. 2. De douaneautoriteiten kunnen eisen dat bij de aangifte de vervoersdocumenten of, in voorkomend geval, de op de voorafgaande douaneregeling betrekking hebbende documenten worden overgelegd. Wanneer een zelfde soort goederen in verscheidene colli wordt aangeboden, kunnen zij tevens de overlegging eisen van een paklijst of een gelijkwaardig bescheid waarin de inhoud van ieder collo is vermeld. 3. Wanneer het goederen betreft die voor het in artikel 81 van het Wetboek bedoelde recht in aanmerking komen, kan evenwel worden afgezien van de eis dat de in lid 1, onder b) en c), bedoelde bescheiden worden overgelegd. Wanneer het goederen betreft die voor vrijstelling van de rechten bij invoer in aanmerking komen, kan bovendien worden afgezien van de eis dat de in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde bescheiden worden overgelegd, tenzij de douaneautoriteiten dit noodzakelijk achten voor de toepassing van de bepalingen betreffende het in het vrije verkeer brengen van de genoemde goederen. Artikel 219 1. De aangifte voor douanevervoer gaat vergezeld van het vervoersdocument. Het kantoor van vertrek kan ontheffing verlenen van de verplichting tot overlegging van dit document bij het vervullen van de formaliteiten. Het vervoersdocument moet echter tijdens het vervoer te allen tijde op verzoek van de douaneautoriteiten of van enige andere bevoegde autoriteit worden overgelegd. 2. Onverminderd de vereenvoudigingsmaatregelen die eventueel van toepassing zijn, wordt het douanedocument voor de uitvoer, de verzending of de wederuitvoer van de goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap of ieder gelijkwaardig document bij het kantoor van vertrek overgelegd, te zamen met de aangifte voor douanevervoer waarop het betrekking heeft. 3. De douaneautoriteiten kunnen in voorkomend geval eisen dat het op de voorafgaande douaneregeling betrekking hebbende document wordt overgelegd. Artikel 220 1. Bij de aangifte tot plaatsing onder een economische douaneregeling, met uitzondering van de aangifte voor passieve veredeling, worden de volgende stukken gevoegd: a) de in artikel 218 bedoelde bescheiden, behalve in geval van plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots in een entrepot van het type D; b) de vergunning tot gebruikmaking van de betrokken douaneregeling of, wanneer artikel 556, lid 1, tweede alinea, wordt toegepast, een kopie van de vergunningaanvraag, behalve wanneer de goederen onder het stelsel van douane-entrepots worden gebracht of artikel 568, lid 3, artikel 656, lid 3, of artikel 695, lid 3, van toepassing zijn. 2. Bij de aangifte tot plaatsing onder de regeling passieve veredeling dienen de volgende stukken te worden gevoegd: a) de in artikel 221 bedoelde bescheiden; b) de vergunning tot gebruikmaking van de regeling of, wanneer artikel 751, lid 1, tweede alinea, wordt toegepast, een kopie van de vergunningaanvraag, behoudens in geval van toepassing van artikel 760, lid 2. 3. Artikel 218, lid 2, is van toepassing op de aangifte tot plaatsing onder elke economische douaneregeling. 4. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat de in lid 1, onder b), en lid 2, onder b), bedoelde bescheiden niet worden bijgevoegd doch dat deze ter beschikking worden gehouden. Artikel 221 1. Bij de aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer dienen alle bescheiden te worden gevoegd die nodig zijn voor de juiste toepassing van de rechten bij uitvoer en van de bepalingen betreffende de uitvoer van de betrokken goederen. 2. Artikel 218, lid 2, is van toepassing op de aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer. HOOFDSTUK 2 Aangiften met behulp van systemen voor geautomatiseerde gegevensverwerking Artikel 222 1. Met het oog op de verwerking door een computer kunnen de douaneautoriteiten de aangever toestemming verlenen om de in bijlage 37 bedoelde gegevens van de schriftelijke aangifte geheel of gedeeltelijk te vervangen door toezending aan het hiertoe aangewezen douanekantoor van de voor de schriftelijke aangifte vereiste gegevens in gecodeerde vorm dan wel in een andere door de douaneautoriteiten vastgestelde vorm. 2. De voorwaarden voor de toezending van de in lid 1 bedoelde gegevens worden vastgesteld door de douaneautoriteiten. Artikel 223 De douaneautoriteiten van de Lid-Staten kunnen het gebruik van systemen voor geautomatiseerde gegevensverwerking meer in het bijzonder toestaan voor de volgende toepassingen: - het invoeren in hun geautomatiseerde systeem voor de behandeling van aangiften, van de gegevens die voor het vervullen van de betrokken formaliteiten noodzakelijk zijn, waarbij de betrokken douaneautoriteiten in voorkomend geval geen schriftelijke aangifte eisen; - het vervangen van de aangifte in de zin van artikel 205, lid 1, door het invoeren van gegevens in de computer, indien er geen aan een aangifte gelijk te stellen document wordt vervaardigd. Artikel 224 1. Wanneer de formaliteiten met behulp van openbare of particuliere systemen voor geautomatiseerde gegevensverwerking worden vervuld, staan de douaneautoriteiten de betrokkenen op hun verzoek toe de handmatige ondertekening door een ander identificatiemiddel te vervangen, waarbij eventueel van codes gebruik wordt gemaakt en waaraan dezelfde rechtsgevolgen zijn verbonden als aan een handmatige ondertekening. 2. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat de in de artikelen 218 tot en met 221 bedoelde documenten geheel of gedeeltelijk met behulp van geautomatiseerde systemen worden opgesteld en toegezonden. 3. De in de leden 1 en 2 bedoelde vereenvoudigingen worden slechts toegestaan indien de door de douaneautoriteiten vastgestelde technische en administratieve voorwaarden zijn vervuld. HOOFDSTUK 3 Mondelinge aangifte of aangifte door enige andere handeling Afdeling 1 Mondelinge aangifte Artikel 225 Een mondelinge douaneaangifte voor het vrije verkeer kan worden gedaan voor: a) goederen waaraan elk handelskarakter vreemd is: - hetzij vervat in de persoonlijke bagage van reizigers, - hetzij vervat in aan particulieren gerichte zendingen, - hetzij in andere, onbelangrijke gevallen, wanneer de douaneautoriteiten dit toestaan; b) commerciële goederen, voor zover: - de totale waarde van de genoemde goederen, per zending en per aangever, niet meer bedraagt dan de statistische drempel die in de ter zake geldende communautaire bepalingen is vastgesteld, - de zending geen deel uitmaakt van een regelmatige reeks van soortgelijke zendingen en - de goederen niet door onafhankelijke vervoersondernemingen worden vervoerd als onderdeel van een grotere vrachtvervoerstransactie; c) de in artikel 229 genoemde goederen, voor zover deze als terugkerende goederen voor de vrijstelling in aanmerking komen; d) de in artikel 230, onder b) en c), bedoelde goederen. Artikel 226 Een mondelinge douaneaangifte ten uitvoer kan worden gedaan voor: a) goederen waaraan ieder handelskarakter vreemd is: - hetzij vervat in de persoonlijke bagage van reizigers, - hetzij verzonden door particulieren; b) de in artikel 225, onder b), bedoelde goederen; c) de in artikel 231, onder b) en c), bedoelde goederen; d) andere goederen, in uit economisch oogpunt onbelangrijke gevallen, wanneer de douaneautoriteiten dit toestaan. Artikel 227 1. De douaneautoriteiten kunnen bepalen dat de artikelen 225 en 226 geen toepassing vinden wanneer de persoon die de goederen in- of uitklaart dit beroepshalve en voor rekening van derden doet. 2. Wanneer de douaneautoriteiten twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van de aangegeven elementen kunnen zij een schriftelijke aangifte eisen. Artikel 228 Wanneer de goederen die overeenkomstig de artikelen 225 en 226 mondeling bij de douane worden aangegeven, aan rechten bij invoer of bij uitvoer zijn onderworpen, geeft de douanedienst de belanghebbende een kwitantie tegen betaling van de verschuldigde rechten. Artikel 229 1. Een mondelinge douaneaangifte voor tijdelijke invoer kan overeenkomstig artikel 696 worden gedaan voor: a) - dieren en materiaal bedoeld in artikel 685, - verpakkingsmiddelen bedoeld in artikel 679, - materiaal voor radio- of televisieprodukties of -reportages en de voertuigen die speciaal zijn ingericht voor radio- of televisieprodukties of -reportages en hun uitrusting, die worden ingevoerd door een buiten de Gemeenschap gevestigd openbaar of privaatrechtelijk lichaam, dat door de vergunningverlenende douaneautoriteiten is erkend voor de invoer van dit materiaal of deze voertuigen, - door artsen benodigde instrumenten en apparaten voor het verlenen van zorg aan zieken die in afwachting zijn van een orgaantransplantatie, met toepassing van artikel 671, lid 2, onder c); b) de in artikel 232 bedoelde goederen; c) andere goederen, wanneer de douaneautoriteiten dit toestaan. 2. Voor de in lid 1 bedoelde goederen kan mondeling aangifte ten uitvoer worden gedaan ter aanzuivering van de regeling tijdelijke invoer. Afdeling 2 Douaneaangifte door enige andere handeling Artikel 230 Wanneer zij niet uitdrukkelijk bij de douane worden aangegeven, worden de hierna volgende goederen geacht voor het vrije verkeer te zijn aangegeven door de handeling bedoeld in artikel 233: a) goederen waaraan ieder handelskarakter vreemd is, die in de persoonlijke bagage van reizigers zijn vervat en voor vrijstelling in aanmerking komen, hetzij ingevolge hoofdstuk I, titel XI, van Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad (10) hetzij als terugkerende goederen; (10) PB nr. L 105 van 23. 4. 1983, blz. 1. b) goederen die in aanmerking komen voor de vrijstellingen bedoeld bij hoofdstuk I, titels IX en X, van Verordening (EEG) nr. 918/83; c) vervoermiddelen die als terugkerende goederen voor vrijstelling in aanmerking komen; d) goederen die worden ingevoerd in het kader van onbelangrijk handelsverkeer en zijn vrijgesteld van de verplichting om te worden aangebracht bij een douanekantoor overeenkomstig artikel 38, lid 4, van het Wetboek, op voorwaarde dat zij niet zijn onderworpen aan rechten bij invoer. Artikel 231 Wanneer zij niet uitdrukkelijk bij de douane worden aangegeven, worden de hierna volgende goederen geacht ten uitvoer te zijn aangegeven door de handeling bedoeld in artikel 233, onder b): a) goederen waarop geen rechten bij uitvoer van toepassing zijn, waaraan ieder handelskarakter vreemd is en die in de bagage van reizigers zijn vervat; b) in het douanegebied van de Gemeenschap geregistreerde voertuigen die zijn bestemd om weder te worden ingevoerd; c) de in hoofdstuk 2 van Verordening (EEG) nr. 918/83 bedoelde goederen; d) andere goederen, in uit economisch oogpunt onbelangrijke gevallen, wanneer de douaneautoriteiten dit toestaan. Artikel 232 1. Wanneer zij niet uitdrukkelijk worden aangegeven, worden de hierna volgende goederen geacht voor tijdelijke invoer te zijn aangegeven door de handeling bedoeld in artikel 233 en overeenkomstig de artikelen 698 en 735: a) de persoonlijke bezittingen en goederen die worden ingevoerd voor sportdoeleinden, zoals genoemd in artikel 684, b) de vervoermiddelen genoemd in de artikelen 718 tot en met 725. 2. Wanneer zij niet uitdrukkelijk worden aangegeven, worden de in lid 1 bedoelde goederen geacht door de in artikel 233 bedoelde handeling te zijn aangegeven ten uitvoer ter aanzuivering van de regeling tijdelijke invoer. Artikel 233 Voor de toepassing van de artikelen 230 tot en met 232 kan de handeling die wordt aangemerkt als douaneaangifte bestaan uit: a) wanneer de goederen bij een douanekantoor of op enige andere overeenkomstig artikel 38, lid 1, onder a), van het Wetboek aangewezen of goedgekeurde plaats worden aangebracht: - het gebruik van het groene kanaal, "niets aan te geven", bij de douanekantoren waar een dubbel controlekanaal aanwezig is; - het passeren van een douanekantoor waar geen dubbel controlekanaal aanwezig is, zonder aldaar uit eigen beweging douaneaangifte te doen; - het aanbrengen van een schijf voor douaneaangifte of een zelfklevend vignet "Niets aan te geven" op de voorruit van personenwagens wanneer de nationale bepalingen in deze mogelijkheid voorzien; b) wanneer de goederen niet bij de douane behoeven te worden aangebracht overeenkomstig de bepalingen die met toepassing van artikel 38, lid 4, van het Wetboek zijn vastgesteld, in geval van uitvoer overeenkomstig artikel 231 en in geval van wederuitvoer overeenkomstig artikel 232, lid 2: de enkele overschrijding van de grens van het douanegebied van de Gemeenschap. Artikel 234 1. Wanneer aan de in de artikelen 230 tot en met 232 bedoelde voorwaarden is voldaan, worden de betrokken goederen geacht bij de douane te zijn aangebracht in de zin van artikel 63 van het Wetboek en wordt de aangifte geacht te zijn aanvaard en de vrijgave geacht te zijn verleend op het tijdstip waarop de in artikel 233 bedoelde handeling wordt verricht. 2. Indien bij een controle blijkt dat de in artikel 233 bedoelde handeling wordt verricht zonder dat de binnenkomende of uitgaande goederen voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 230 tot en met 232, worden deze goederen geacht op onregelmatige wijze te zijn binnengebracht of uitgevoerd. Afdeling 3 Gemeenschappelijke bepalingen voor de afdelingen 1 en 2 Artikel 235 De artikelen 225 tot en met 232 zijn niet van toepassing op goederen waarvoor de toekenning van restituties of andere bedragen dan wel de teruggave van rechten vereist is of gevraagd wordt of die aan verboden of beperkingen of enige andere bijzondere formaliteit zijn onderworpen. Artikel 236 Voor de toepassing van de afdelingen 1 en 2 wordt onder "reiziger" verstaan: A. bij invoer: 1. een ieder die het douanegebied van de Gemeenschap, waar hij niet zijn normale verblijfplaats heeft, tijdelijk binnenkomt, alsmede 2. een ieder die naar het douanegebied van de Gemeenschap, waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, terugkeert na tijdelijk op het grondgebied van een derde land te hebben verbleven; B. bij uitvoer: 1. een ieder die het douanegebied van de Gemeenschap, waar hij zijn normale verblijfplaats heeft, tijdelijk verlaat, alsmede 2. een ieder die het douanegebied van de Gemeenschap, waar hij niet zijn normale verblijfplaats heeft, na een tijdelijk verblijf verlaat. Afdeling 4 Postverkeer Artikel 237 1. De hierna genoemde postzendingen worden geacht bij de douane te zijn aangegeven: A. voor het vrije verkeer: a) op het tijdstip waarop zij in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht: - briefkaarten en brieven die uitsluitend persoonlijke boodschappen bevatten, - braillestukken, - van invoerrechten vrijgesteld drukwerk, en - alle andere briefpostzendingen en pakketpostzendingen die niet bij de douane behoeven te worden aangebracht overeenkomstig de bepalingen die met toepassing van artikel 38, lid 4, van het Wetboek zijn vastgesteld; b) op het tijdstip waarop zij bij de douane worden aangebracht: briefpostzendingen en pakketpostzendingen andere dan die bedoeld onder a), mits zij vergezeld gaan van de aangiften C 1 en/of C 2/CP 3; B. ten uitvoer: a) op het tijdstip waarop de posterijen de verantwoordelijkheid op zich nemen voor de briefpostzendingen en pakketpostzendingen welke niet aan rechten bij uitvoer zijn onderworpen; b) op het tijdstip waarop zij bij de douane worden aangebracht, de briefpostzendingen en pakketpostzendingen welke aan rechten bij uitvoer zijn onderworpen, mits zij vergezeld gaan van de aangiften C 2 en/of C 2/CP 3. 2. In de in lid 1, punt A, bedoelde gevallen wordt de geadresseerde en in de in lid 1, punt B, bedoelde gevallen wordt de afzender geacht aangever en, in voorkomend geval, schuldenaar te zijn. De douaneautoriteiten kunnen bepalen dat de posterijen worden aangemerkt als aangever en, in voorkomend geval, als schuldenaar. 3. Voor de toepassing van lid 1 worden niet aan rechten onderworpen goederen die geacht worden bij de douane te zijn aangebracht in de zin van artikel 63 van het Wetboek en wordt de douaneaangifte geacht te zijn aanvaard en de vrijgave te zijn verleend: a) bij invoer, op het tijdstip waarop de goederen aan de geadresseerde ter beschikking worden gesteld; b) bij uitvoer, op het tijdstip waarop de posterijen de verantwoordelijkheid voor de goederen op zich nemen. 4. Wanneer een briefpostzending of pakketpostzending waarvoor geen ontheffing is verleend van de verplichting tot het aanbrengen bij de douane overeenkomstig de bepalingen die met toepassing van artikel 38, lid 4, van het Wetboek zijn vastgesteld, zonder aangiften C 1 en/of C 2/CP 3 wordt aangeboden of wanneer de genoemde aangifte onvolledig is, stellen de douaneautoriteiten de vorm vast waarin de douaneaangifte dient te worden gedaan of aangevuld. Artikel 238 Artikel 237 is niet van toepassing: - op zendingen of colli welke voor commerciële doeleinden bestemde goederen bevatten waarvan de totale waarde de bij de geldende communautaire bepalingen vastgestelde statistische drempel overschrijdt; de douaneautoriteiten kunnen hogere drempels vaststellen; - op zendingen of colli welke voor commerciële doeleinden bestemde goederen bevatten die deel uitmaken van een regelmatige reeks van soortgelijke transacties; - wanneer de douaneaangifte schriftelijk, mondeling of met een systeem van geautomatiseerde gegevensverwerking wordt gedaan; - op zendingen of colli welke goederen als bedoeld in artikel 235 bevatten. TITEL VIII ONDERZOEK VAN DE GOEDEREN, BEVINDINGEN VAN HET DOUANEKANTOOR EN ANDERE DOOR HET DOUANEKANTOOR TE NEMEN MAATREGELEN Artikel 239 1. Het onderzoek van de goederen vindt plaats op de daartoe aangewezen plaatsen en op de daartoe vastgestelde tijden. 2. Op verzoek van de aangever kunnen de douaneautoriteiten echter toestaan dat de goederen op andere dan de in lid 1 bedoelde plaatsen en tijden worden onderzocht. De kosten die hieruit kunnen voortvloeien komen ten laste van de aangever. Artikel 240 1. Wanneer de douaneautoriteiten besluiten de goederen aan een onderzoek te onderwerpen, stellen zij de aangever of diens vertegenwoordiger hiervan in kennis. 2. Wanneer de douaneautoriteiten besluiten de aangegeven goederen slechts gedeeltelijk te onderzoeken, delen zij de aangever of diens vertegenwoordiger mede welke goederen onderzocht zullen worden; de aangever of diens vertegenwoordiger kan zich tegen deze keuze niet verzetten. Artikel 241 1. De aangever of degene die hij heeft aangewezen om bij het onderzoek van de goederen aanwezig te zijn, verleent de douaneautoriteiten de nodige bijstand om hun taak te vergemakkelijken. Indien de verleende bijstand door de douaneautoriteiten niet toereikend wordt geacht, kunnen zij van de aangever eisen dat deze een persoon aanwijst die in staat is de vereiste bijstand te verlenen. 2. Wanneer de aangever weigert bij het onderzoek van de goederen aanwezig te zijn of een persoon aan te wijzen die in staat is de door de douaneautoriteiten noodzakelijk geachte bijstand te verlenen, stellen deze autoriteiten een termijn vast waarbinnen de aangever aan deze eis dient te voldoen, tenzij zij menen van het onderzoek af te kunnen zien. Indien na het verstrijken van de gestelde termijn de aangever geen gevolg heeft gegeven aan de eis van de douaneautoriteiten, gaan deze, met het oog op de toepassing van artikel 75, onder a), van het Wetboek, ambtshalve over tot het onderzoek van de goederen voor risico en op kosten van de aangever, waarbij zij, wanneer zij zulks nodig achten, een beroep doen op de diensten van een deskundige of van iedere andere volgens de geldende bepalingen aangewezen persoon. 3. De bevindingen van de douaneautoriteiten bij een onderzoek als bedoeld in lid 2, hebben dezelfde rechtskracht als wanneer het onderzoek in het bijzijn van de aangever zou zijn uitgevoerd. 4. De douaneautoriteiten kunnen, in plaats van over te gaan tot de in de leden 2 en 3 bedoelde maatregelen, de aangifte buiten werking stellen, mits er geen vermoeden bestaat dat de weigering van de aangever bij het onderzoek aanwezig te zijn of een persoon aan te wijzen die de nodige bijstand kan verlenen ten doel of tot gevolg heeft dat de vaststelling wordt verhinderd van een inbreuk op de voorschriften betreffende de plaatsing van de goederen onder de betrokken douaneregeling of dat artikel 66, lid 1, of artikel 80, lid 2, van het Wetboek kan worden toegepast. Artikel 242 1. Wanneer de douaneautoriteiten besluiten monsters te nemen, stellen zij de aangever of diens vertegenwoordiger hiervan in kennis. 2. Het nemen van monsters geschiedt door de douaneautoriteiten zelf. Zij kunnen echter verzoeken dat de monsterneming onder hun toezicht door de aangever of door een door hem aangewezen persoon wordt verricht. De monsterneming geschiedt volgens de methoden die ter zake zijn voorgeschreven. 3. De bij de monsterneming te nemen hoeveelheden zijn niet groter dan noodzakelijk is om de analyse of het grondige onderzoek, met inbegrip van een eventuele tegenanalyse, te kunnen verrichten. Artikel 243 1. De aangever of de persoon die hij aanwijst om bij de monsterneming aanwezig te zijn, is gehouden de douaneautoriteiten alle nodige bijstand te verlenen om hun taak te vergemakkelijken. 2. Wanneer de aangever weigert bij de monsterneming aanwezig te zijn of hiertoe een persoon aan te wijzen of indien hij de douaneautoriteiten niet alle nodige bijstand verleent om hun taak te vergemakkelijken, is artikel 241, leden 1, 2 en 3, van toepassing. Artikel 244 Wanneer de douaneautoriteiten monsters hebben genomen met het oog op een analyse of een grondig onderzoek, verlenen zij vrijgave van de betrokken goederen zonder de resultaten van deze analyse of van dit onderzoek af te wachten, indien geen andere overwegingen zich hiertegen verzetten en mits, ingeval een douaneschuld is ontstaan of kan ontstaan, eerst het bedrag van de overeenkomstige rechten is geboekt en betaald of daarvoor zekerheid is gesteld. Artikel 245 1. De bij de monsterneming door het douanekantoor genomen hoeveelheden kunnen niet op de aangegeven hoeveelheid in mindering worden gebracht. 2. Wanneer het een aangifte ten uitvoer of een aangifte voor passieve veredeling betreft, wordt het de aangever toegestaan, indien de omstandigheden dit toelaten, om de als monsters genomen hoeveelheden goederen te vervangen door identieke goederen ten einde de zending aan te vullen. Artikel 246 1. Behoudens wanneer de genomen monsters door de analyse of het grondige onderzoek zijn vernietigd, worden zij aan de aangever op diens verzoek en op diens kosten teruggegeven wanneer het geen zin meer heeft dat de douaneautoriteiten deze monsters nog langer bewaren, met name wanneer de aangever alle mogelijkheden van beroep tegen de beschikking van de douaneautoriteiten op grond van deze analyse of dit grondige onderzoek heeft uitgeput. 2. De douaneautoriteiten kunnen de monsters die door de aangever niet zijn teruggevraagd of wel vernietigen of wel bewaren. In bepaalde gevallen kunnen de douaneautoriteiten evenwel eisen dat de betrokkene de overgebleven monsters terugneemt. Artikel 247 1. Wanneer de douaneautoriteiten overgaan tot verificatie van de aangifte en de daarbij gevoegde bescheiden of tot onderzoek van de goederen, geven zij in ieder geval op het voor deze autoriteiten bestemde exemplaar van de aangifte of op een daarbij gevoegd bescheid aan waarop deze verificatie of dit onderzoek betrekking had, alsmede de resultaten hiervan. Bij een gedeeltelijk onderzoek van de goederen wordt eveneens aangegeven welk gedeelte werd onderzocht. In voorkomend geval maken de douaneautoriteiten op de aangifte ook melding van de afwezigheid van de aangever of diens vertegenwoordiger. 2. Indien het resultaat van de verificatie van de aangifte en de daarbij gevoegde bescheiden of van het onderzoek van de goederen niet in overeenstemming is met de aangifte, vermelden de douaneautoriteiten in ieder geval op het voor deze autoriteiten bestemde exemplaar van de aangifte of op een daarbij gevoegd bescheid de grondslagen welke in aanmerking moeten worden genomen voor het vaststellen van de heffing op de betrokken goederen en, in voorkomend geval, de grondslagen voor de berekening van de restituties en de andere bedragen bij uitvoer en voor de toepassing van de andere bepalingen van de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst. 3. Uit de bevindingen van de douaneautoriteiten dient in voorkomend geval te blijken welke identificatiemiddelen zijn gebruikt. Voorts dienen de bevindingen te zijn gedagtekend en de nodige gegevens te bevatten aan de hand waarvan de ambtenaar die de bevindingen heeft gedaan, kan worden geïdentificeerd. 4. De douaneautoriteiten kunnen zich onthouden van het aanbrengen van enige vermelding op de aangifte en op een bijgevoegd document indien zij in het geheel niet tot verificatie van de aangifte of tot onderzoek van de goederen zijn overgegaan. Artikel 248 1. Vrijgave van de goederen leidt tot boeking van de op grond van de vermeldingen van de aangifte vastgestelde rechten bij invoer. Wanneer de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat de door hen ingestelde controles kunnen leiden tot de vaststelling van een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat voortvloeit uit de vermeldingen in de aangifte, eisen deze autoriteiten bovendien dat voldoende zekerheid wordt gesteld om het verschil te dekken tussen het laatstgenoemde bedrag en het bedrag dat uiteindelijk op de goederen van toepassing kan zijn. De aangever heeft evenwel de mogelijkheid om, in plaats van het stellen van die zekerheid, de directe boeking te verzoeken van het bedrag aan rechten dat uiteindelijk op de betrokken goederen van toepassing kan zijn. 2. Wanneer de douaneautoriteiten op grond van de door hen verrichte controles een bedrag aan rechten vaststellen dat afwijkt van het bedrag dat voortvloeit uit de vermeldingen in de aangifte, kunnen de goederen slechts worden vrijgegeven indien dat bedrag direct wordt geboekt. 3. Wanneer de douaneautoriteiten twijfelen of verboden of beperkingen van toepassing zijn en die twijfel slechts kan worden opgeheven na het verkrijgen van de resultaten van de door hen verrichte controles, kunnen de betreffende goederen niet worden vrijgegeven. Artikel 249 1. De wijze waarop de vrijgave wordt verleend, wordt bepaald door de douaneautoriteiten, rekening houdend met de plaats waar de goederen zich bevinden en de specifieke wijze waarop toezicht op die goederen wordt gehouden. 2. In het geval van een schriftelijke aangifte worden de vrijgave en de datum waarop deze wordt verleend, vermeld op de aangifte, waarvan een kopie aan de aangever wordt teruggeven, of in voorkomend geval op een bijgevoegd document. Artikel 250 1. Indien de goederen om een van de in artikel 75, onder a), tweede of derde streepje, van het Wetboek bedoelde redenen niet kunnen worden vrijgegeven, stellen de douaneautoriteiten een termijn vast waarbinnen de aangever de situatie van deze goederen dient te regelen. 2. Indien in de in artikel 74, onder a), tweede streepje, van het Wetboek bedoelde gevallen de aangever, na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn, de betrokken bescheiden niet heeft overgelegd, blijft de betrokken aangifte zonder gevolg en wordt zij door de douanedienst buiten werking gesteld. Artikel 66, lid 3, van het Wetboek is van toepassing. 3. Onverminderd de eventuele toepassing van artikel 66, lid 1, eerste alinea, of van artikel 182 van het Wetboek, kunnen de douaneautoriteiten in de in artikel 75, onder a), derde streepje, van het Wetboek bedoelde gevallen, wanneer de aangever vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn het bedrag van de verschuldigde rechten niet heeft betaald en er evenmin zekerheid voor heeft gesteld, overgaan tot de nodige formaliteiten die aan de verkoop van de goederen voorafgaan. In dat geval wordt die verkoop verricht, indien de situatie inmiddels, eventueel met dwangmiddelen, wanneer de wetgeving van de Lid-Staat waaronder genoemde douaneautoriteiten ressorteren zulks toestaat, niet is geregeld. De douaneautoriteiten stellen de aangever hiervan in kennis. De douaneautoriteiten kunnen, voor risico en op kosten van de aangever, de betrokken goederen overbrengen naar een speciale, onder hun toezicht staande plaats. Artikel 251 In afwijking van artikel 66, lid 2, van het Wetboek kan de douaneaangifte ongeldig worden gemaakt nadat vrijgave is verleend, onder de hierna volgende voorwaarden: 1. Wanneer is vastgesteld dat de goederen, in plaats van onder een andere douaneregeling te zijn gebracht, bij vergissing zijn aangegeven voor een douaneregeling die de verplichting tot betaling van de rechten bij invoer inhoudt, maken de douaneautoriteiten de aangifte ongeldig indien het verzoek daartoe wordt ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte, voor zover: - de goederen niet zijn gebruikt onder andere voorwaarden dan die welke gelden voor de douaneregeling waarvoor zij bestemd waren, - de goederen op het ogenblik van aangifte waren bestemd om te worden geplaatst onder een andere douaneregeling en zij aan alle voorwaarden daarvoor voldeden, en - de goederen onmiddellijk worden aangegeven voor de douaneregeling waarvoor zij in werkelijkheid waren bestemd. De aangifte tot plaatsing van de goederen onder deze laatste douaneregeling wordt van kracht op de datum van aanvaarding van de ongeldig gemaakte aangifte. De douaneautoriteiten kunnen in naar behoren gerechtvaardigde uitzonderlijke gevallen toestaan dat de vorengenoemde termijn wordt overschreden. 2. Wanneer de goederen ten uitvoer of voor de regeling passieve veredeling zijn aangegeven, wordt de aangifte ongeldig gemaakt, voor zover: a) indien het goederen betreft waarop rechten bij uitvoer van toepassing zijn of waarvoor een verzoek om terugbetaling van de rechten bij invoer, restituties of andere bedragen bij uitvoer is ingediend of waarop een andere bijzondere maatregel bij uitvoer van toepassing is, - de aangever ten genoegen van het douanekantoor van uitvoer aantoont dat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap niet hebben verlaten, - de aangever op het genoemde kantoor opnieuw alle exemplaren van de douaneaangifte alsmede alle andere bescheiden welke aan hem zijn teruggegeven bij aanvaarding van de aangifte overlegt, - de aangever ten genoegen van het douanekantoor van uitvoer aantoont dat de restituties en andere in verband met de aangifte ten uitvoer van de betrokken goederen toegekende bedragen zijn terugbetaald of dat door de betrokken diensten de nodige maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat deze worden uitbetaald, - de aangever in voorkomend geval en overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen voldoet aan de andere verplichtingen die door het douanekantoor van uitvoer kunnen worden opgelegd met het oog op de regularisatie van de situatie van deze goederen. De ongeldigmaking van de aangifte leidt in voorkomend geval tot annulering van de afboekingen op de uitvoer- of voorfixatiecertificaten die bij deze aangifte werden overgelegd. Wanneer de ten uitvoer aangegeven goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnen een bepaalde termijn moeten verlaten, heeft het niet in acht nemen van deze termijn de ongeldigmaking van de betreffende aangifte tot gevolg; b) indien het andere goederen betreft, het douanekantoor van uitvoer overeenkomstig artikel 796 in kennis wordt gesteld van het feit dat de aangegeven goederen het douanegebied van de Gemeenschap niet hebben verlaten. 3. Voor zover voor de wederuitvoer een aangifte moet worden ingediend, is punt 2 van overeenkomstige toepassing. 4. Wanneer communautaire goederen onder het stelsel van douane-entrepots zijn geplaatst in de zin van artikel 98, lid 1, onder b), van het Wetboek, kan het ongeldig maken van de aangifte tot plaatsing onder het stelsel worden aangevraagd en kan deze ongeldigmaking geschieden zodra de maatregelen zijn genomen welke in de betreffende specifieke voorschriften zijn vastgesteld voor het geval dat de goederen een andere dan de beoogde bestemming krijgen. Indien bij het verstrijken van de termijn die is vastgesteld voor de duur van het verblijf van de bovengenoemde goederen onder het stelsel van douane-entrepots geen verzoek is ingediend dat ertoe strekt deze goederen één van de in de desbetreffende specifieke voorschriften vastgestelde bestemmingen te geven, nemen de douaneautoriteiten de uit hoofde van deze voorschriften vastgestelde maatregelen. Artikel 252 Wanneer de douaneautoriteiten overgaan tot de verkoop van de goederen, overeenkomstig artikel 75 van het Wetboek, is artikel 188 van toepassing. TITEL IX VEREENVOUDIGDE PROCEDURES HOOFDSTUK 1 Definities Artikel 253 1. De procedure van de onvolledige aangifte houdt in dat de douaneautoriteiten, in naar behoren gerechtvaardigde gevallen, een aangifte aanvaarden die niet alle vereiste vermeldingen bevat of waarbij niet alle, voor de desbetreffende douaneregeling benodigde bescheiden zijn gevoegd. 2. De procedure van de vereenvoudigde aangifte houdt in dat goederen onder de desbetreffende douaneregeling worden geplaatst onder overlegging van een vereenvoudigde aangifte, waarna een aanvullende aangifte wordt ingediend, die in voorkomend geval een algemeen, periodiek of samenvattend karakter kan hebben. 3. De domiciliëringsprocedure houdt in dat goederen in de bedrijfsruimten van de belanghebbende of in andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaatsen onder de desbetreffende douaneregeling worden geplaatst. HOOFDSTUK 2 Aangifte voor het vrije verkeer Afdeling 1 Onvolledige aangifte Artikel 254 De aangiften voor het vrije verkeer die de douaneautoriteiten op verzoek van de aangever kunnen aanvaarden hoewel hierin sommige van de in bijlage 37 bedoelde gegevens ontbreken, dienen in ieder geval de gegevens als bedoeld in de vakken 1 (eerste en tweede deelvak), 14, 21, 31, 37, 40 en 54 van het enig document te bevatten, alsmede: - de omschrijving van de goederen in voldoende duidelijke termen om de onmiddellijke en eenduidige indeling in de tariefpost of de onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur van de goederen mogelijk te maken; - indien het goederen betreft waarop ad valorem-rechten van toepassing zijn, de douanewaarde of, wanneer blijkt dat de aangever niet in staat is die waarde van genoemde goederen aan te geven, een voorlopige vermelding van de waarde die de douaneautoriteiten, met name gelet op de gegevens waarover de aangever beschikt, aanvaardbaar achten; - alle andere gegevens die noodzakelijk worden geacht voor het vaststellen van de identiteit van de goederen en voor de toepassing van de bepalingen met betrekking tot het brengen in het vrije verkeer, alsmede voor het vaststellen van de zekerheid die voorwaarde kan zijn voor de vrijgave van deze goederen. Artikel 255 1. De aangiften voor het vrije verkeer die de douaneautoriteiten op verzoek van de aangever kunnen aanvaarden hoewel daarbij bepaalde bescheiden die moeten worden overgelegd ter staving van de aangifte niet zijn gevoegd, dienen ten minste vergezeld te gaan van die documenten waarvan de overlegging noodzakelijk is voor het in het vrije verkeer brengen van de goederen. 2. In afwijking van lid 1 kan een aangifte waaraan één van de voor het in het vrije verkeer brengen noodzakelijke bescheiden ontbreekt, worden aanvaard indien ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond: a) dat het betrokken document bestaat en dat de geldigheidsduur hiervan niet is verstreken; b) dat het feit dat dit bescheid niet bij de aangifte kon worden gevoegd, te wijten is aan omstandigheden buiten de wil van de aangever; c) dat iedere vertraging bij de aanvaarding van de aangifte ertoe zou leiden dat de goederen niet in het vrije verkeer zouden kunnen worden gebracht of ten gevolge zou hebben dat deze goederen aan hogere rechten zouden worden onderworpen. De gegevens met betrekking tot de ontbrekende bescheiden dienen in ieder geval op de aangifte te worden vermeld. Artikel 256 1. De door de douaneautoriteiten gestelde termijn voor het mededelen, respectievelijk overleggen, van de bij de aanvaarding van de aangifte ontbrekende gegevens of bescheiden mag niet meer bedragen dan een maand te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte. Betreft het een voor de toepassing van een lager invoerrecht of nulrecht noodzakelijk bescheid, dan kan, indien de aangever hierom verzoekt en voor zover de douaneautoriteiten gegronde redenen hebben om aan te nemen dat de goederen waarop de onvolledige aangifte betrekking heeft daadwerkelijk voor een lager invoerrecht of nulrecht in aanmerking komen, een bijkomende termijn worden toegestaan voor het overleggen van dit bescheid. Deze bijkomende termijn mag niet meer dan drie maanden bedragen. Indien gegevens of bescheiden met betrekking tot de douanewaarde ontbreken, kunnen de douaneautoriteiten voor zover nodig een aanvankelijk vastgestelde termijn verlengen. Voor de totaal toegestane periode dient rekening te worden gehouden met de geldende verjaringstermijnen. 2. Wanneer een lager invoerrecht of nulrecht slechts binnen bepaalde tariefcontingenten of tariefplafonds van toepassing is op goederen die in het vrije verkeer worden gebracht, kan de toerekening binnen die toegestane grenzen eerst plaatsvinden op het moment dat het voor de toepassing van het lagere recht of het nulrecht noodzakelijke bescheid daadwerkelijk wordt overgelegd. Deze overlegging dient in ieder geval plaats te vinden: - indien het een tariefplafond betreft, vóór de datum waarop het normale invoerrecht door een communautaire maatregel weder wordt ingesteld; - indien het een tariefcontingent betreft, voordat het contingent is uitgeput. 3. Onverminderd de leden 1 en 2 mag het voor de toepassing van het lagere recht of het nulrecht bij invoer noodzakelijke bescheid, na de datum van afloop van de periode waarvoor in een lager recht of een nulrecht bij invoer was voorzien, worden overgelegd, mits de aangifte met betrekking tot die goederen vóór die datum is aanvaard. Artikel 257 1. Het aanvaarden door de douaneautoriteiten van een onvolledige aangifte kan, wanneer zich daar verder niets tegen verzet, niet tot gevolg hebben dat de vrijgave van de goederen, waarop deze aangifte betrekking heeft, wordt verhinderd of vertraagd. Onverminderd artikel 248 is de vrijgave onderworpen aan de in de leden 2 tot en met 5 hierna genoemde voorwaarden. 2. Wanneer het later mededelen, respectievelijk overleggen, van op het tijdstip van aanvaarding ontbrekende gegevens in de aangifte of bescheiden geen enkele invloed kan hebben op het bedrag aan rechten bij invoer die van toepassing zijn op de goederen waarop deze aangifte betrekking heeft, wordt het op de gebruikelijke wijze berekende bedrag aan rechten onmiddellijk door de douaneautoriteiten geboekt. 3. Wanneer de aangifte met toepassing van artikel 254 een voorlopige opgave van de waarde inhoudt, gaan de douaneautoriteiten over tot: - de onmiddellijke boeking van het bedrag aan rechten, berekend op basis van deze voorlopige opgave; - in voorkomend geval, het eisen van een voldoende zekerheid om het verschil tussen dit bedrag en het bedrag dat uiteindelijk op de goederen van toepassing kan zijn, te dekken. 4. Wanneer, in andere dan de in lid 3 bedoelde gevallen, het later mededelen, respectievelijk overleggen, van op het tijdstip van aanvaarding ontbrekende gegevens in de aangifte of bescheiden van invloed kan zijn op het bedrag aan rechten bij invoer die van toepassing zijn op de goederen waarop deze aangifte betrekking heeft: a) indien het later mededelen, respectievelijk overleggen, van de ontbrekende gegevens of bescheiden de toepassing van een lager invoerrecht tot gevolg kan hebben, gaan de douaneautoriteiten over tot: - de onmiddellijke boeking van het bedrag aan rechten berekend volgens dit lagere tarief; - het eisen van zekerheid voor het verschil tussen dit bedrag en het bedrag dat zou voortvloeien uit de toepassing op genoemde goederen van de volgens het gewone tarief berekende rechten; b) indien het later mededelen, respectievelijk overleggen, van de ontbrekende gegevens of bescheiden ertoe kan leiden dat de goederen geheel en definitief van rechten worden vrijgesteld, eisen de douaneautoriteiten dat een zekerheid wordt gesteld ter dekking van het eventueel te heffen bedrag aan rechten berekend volgens het gewone tarief. 5. Onverminderd mogelijke latere wijzigingen, bij voorbeeld veroorzaakt door de definitieve vaststelling van de waarde, heeft de aangever in plaats van het stellen van zekerheid de mogelijkheid om de directe boeking te verzoeken: - in geval van toepassing van lid 3, tweede streepje, of van lid 4, onder a), tweede streepje, van het bedrag aan rechten dat uiteindelijk op de goederen van toepassing kan zijn; - in geval van toepassing van lid 4, onder b), van het volgens het normale tarief berekende bedrag aan rechten. Artikel 258 Indien de aangever na het verstrijken van de in artikel 256 bedoelde termijn de noodzakelijke gegevens voor de definitieve vaststelling van de douanewaarde van de goederen niet heeft verstrekt of de ontbrekende gegevens of bescheiden niet heeft medegedeeld, respectievelijk overgelegd, boeken de douaneautoriteiten onmiddellijk het bedrag van de overeenkomstig artikel 257, lid 3, tweede streepje, of lid 4, onder a), tweede streepje, en onder b), gestelde zekerheid, als de op de betrokken goederen van toepassing zijnde rechten. Artikel 259 Een onder de voorwaarden van de artikelen 254 tot en met 257 aanvaarde onvolledige aangifte mag door de aangever worden aangevuld of, met toestemming van de douaneautoriteiten, worden vervangen door een andere aangifte die voldoet aan de voorwaarden van artikel 62 van het Wetboek. In het laatstgenoemde geval moet de datum waarop de onvolledige aangifte is aanvaard, worden aangehouden als datum voor het bepalen van de eventueel verschuldigde rechten en voor de toepassing van de andere bepalingen die gelden voor het in het vrije verkeer brengen van de goederen. Afdeling 2 Vereenvoudigde aangifteprocedure Artikel 260 1. Aan de aangever wordt, op schriftelijk verzoek onder vermelding van alle noodzakelijke gegevens, overeenkomstig de voorwaarden en nadere bepalingen van de artikelen 261 en 262 toegestaan de aangifte voor het vrije verkeer in vereenvoudigde vorm in te dienen wanneer de goederen bij de douane worden aangebracht. 2. De vereenvoudigde aangifte kan de vorm hebben: - hetzij van een onvolledige aangifte gesteld op een formulier enig document, - hetzij van een ander handels- of administratief document vergezeld van een verzoek tot het brengen in het vrije verkeer. Zij dient ten minste de voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens te bevatten. 3. Indien de omstandigheden dit toelaten, kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat het in lid 2, tweede streepje, bedoelde verzoek tot het brengen in het vrije verkeer wordt vervangen door een algemene aanvraag die betrekking heeft op het in het vrije verkeer brengen gedurende een bepaalde periode. In het overeenkomstig lid 1 overgelegde handels- of administratieve document dient verwezen te worden naar de op deze algemene aanvraag verleende vergunning. 4. Bij de vereenvoudigde aangifte moeten alle bescheiden worden gevoegd die in voorkomend geval moeten worden overgelegd voor het brengen in het vrije verkeer. Artikel 255, lid 2, is van toepassing. 5. Dit artikel is van toepassing onverminderd artikel 278. Artikel 261 1. De in artikel 260 bedoelde vergunning wordt verleend aan de persoon op of uit wiens naam de aangifte voor het plaatsen onder de regeling wordt gedaan, voor zover een doeltreffende controle op invoerverboden of -beperkingen of op de naleving van andere voor het in het vrije verkeer brengen geldende bepalingen is verzekerd. 2. De vergunning wordt in beginsel geweigerd wanneer de aanvrager: - een zware overtreding of herhaalde overtredingen van de douanevoorschriften heeft begaan; - slechts incidenteel goederen in het vrije verkeer brengt. Zij kan worden geweigerd wanneer de bovenbedoelde persoon voor rekening handelt van een andere persoon die slechts incidenteel goederen in het vrije verkeer brengt. 3. Onverminderd artikel 9 van het Wetboek kan de vergunning worden ingetrokken wanneer de in lid 2 bedoelde gevallen zich voordoen. Artikel 262 1. In de in artikel 260 bedoelde vergunning: - wordt het douanekantoor of worden de douanekantoren aangewezen waar de vereenvoudigde aangiften aanvaard kunnen worden; - worden de vorm en de inhoud van de vereenvoudigde aangiften bepaald; - worden de goederen bepaald waarop zij van toepassing is alsmede de gegevens die ter identificatie van de goederen op de vereenvoudigde aangifte moeten voorkomen; - wordt een verwijzing opgenomen naar de door de belanghebbende te stellen zekerheid ter dekking van een douaneschuld die kan ontstaan. In de vergunning worden tevens de vorm en de inhoud vermeld van de aanvullende aangiften, alsmede de termijnen waarbinnen deze bij de aan te wijzen douaneautoriteiten moeten worden ingediend. 2. De douaneautoriteiten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting tot het indienen van een aanvullende aangifte, wanneer de vereenvoudigde aangifte betrekking heeft op goederen waarvan de waarde de bij geldende communautaire bepalingen vastgestelde statistische drempel niet overschrijdt en wanneer de vereenvoudigde aangifte reeds alle voor het brengen in het vrije verkeer benodigde gegevens bevat. Afdeling 3 Domiciliëringsprocedure Artikel 263 Een vergunning om gebruik te maken van de domiciliëringsprocedure wordt onder de voorwaarden en volgens de bepalingen van de artikelen 264, 265 en 266 verleend aan een ieder die in zijn onderneming of op andere in artikel 253 bedoelde plaatsen goederen in het vrije verkeer wil brengen en die daartoe bij de douaneautoriteiten een schriftelijke aanvraag indient, welke alle voor het verlenen van de vergunning benodigde gegevens bevat met betrekking tot: - goederen die onder de regeling voor communautair of gemeenschappelijk douanevervoer vallen en waarvoor bovenbedoelde persoon gebruik kan maken van een vereenvoudiging van de aan het kantoor van bestemming te verrichten formaliteiten, overeenkomstig de artikelen 406 tot en met 409; - onder economische douaneregeling geplaatste goederen, onverminderd artikel 278; - goederen die na hun aanbieding bij de douane, overeenkomstig artikel 40 van het Wetboek, naar de bovengenoemde onderneming of plaatsen worden vervoerd onder een andere dan de in het eerste streepje bedoelde vervoerregeling; - goederen die het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht zonder bij een douanekantoor te zijn aangebracht overeenkomstig artikel 41, onder b), van het Wetboek. Artikel 264 1. De in artikel 263 bedoelde vergunning wordt verleend: - voor zover de douaneautoriteiten aan de hand van de administratie van de aanvrager een doeltreffende controle kunnen verrichten, met name een controle achteraf; - voor zover een doeltreffende controle op invoerverboden of -beperkingen of op naleving van andere voor het in het vrije verkeer brengen geldende bepalingen is verzekerd. 2. De vergunning wordt in beginsel geweigerd wanneer de aanvrager: - een zware overtreding of herhaalde overtredingen van de douanevoorschriften heeft begaan; - slechts incidenteel goederen in het vrije verkeer brengt. Artikel 265 1. Onverminderd artikel 9 van het Wetboek kunnen de douaneautoriteiten afzien van intrekking van de vergunning indien: - de vergunninghouder binnen een eventueel door de douaneautoriteiten vastgestelde termijn aan zijn verplichtingen voldoet, of indien - het niet voldoen aan een voorwaarde of verplichting geen daadwerkelijk gevolg heeft gehad voor de juiste werking van de regeling. 2. De vergunning wordt in beginsel ingetrokken wanneer het in artikel 264, lid 2, eerste streepje, bedoelde geval zich voordoet. 3. De vergunning kan worden ingetrokken wanneer het in artikel 264, lid 2, tweede streepje, bedoelde geval zich voordoet. Artikel 266 1. Ten einde de douaneautoriteiten in staat te stellen de regelmatigheid van de verrichtingen te controleren, dient de houder van de in artikel 263 bedoelde vergunning, zodra de goederen in de daartoe aangewezen plaatsen zijn aangekomen, a) de douaneautoriteiten in de vorm en op de wijze die door hen zijn vastgesteld, van deze aankomst kennis te geven ten einde de vrijgave van de goederen te verkrijgen; b) de goederen in zijn administratie in te schrijven. Deze inschrijving kan worden vervangen door iedere andere door de douaneautoriteiten vastgestelde formaliteit die overeenkomstige waarborgen biedt. De inschrijving moet de datum waarop zij plaatsvindt, alsmede de voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens bevatten; c) alle documenten die in voorkomend geval moeten worden overgelegd als voorwaarde voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor het in het vrije verkeer brengen van goederen, ter beschikking van de douaneautoriteiten te houden. 2. Voor zover dit geen gevolgen heeft voor de controle op de regelmatigheid van de handelingen, kunnen de douaneautoriteiten: a) toestaan dat de in lid 1, onder a), bedoelde kennisgeving wordt gedaan zodra de aankomst van de goederen wordt verwacht; b) in bepaalde, door de aard van de betrokken goederen en de snelle opeenvolging van de verrichtingen gerechtvaardigde bijzondere omstandigheden, de vergunninghouder ontslaan van de verplichting iedere aankomst van goederen ter kennis te brengen van de bevoegde douanedienst, mits hij aan deze dienst alle inlichtingen verstrekt die deze noodzakelijk acht om in voorkomend geval zijn recht om de goederen aan een onderzoek te onderwerpen, te kunnen uitoefenen. In dat geval worden de goederen geacht te zijn vrijgegeven zodra zij in de administratie van de belanghebbende zijn ingeschreven. Artikel 267 In de in artikel 263 bedoelde vergunning wordt de wijze van afwikkeling van de procedure vastgesteld en wordt onder meer aangegeven: - de goederen waarop de procedure van toepassing is; - de wijze waarop aan de in artikel 266 bedoelde verplichtingen wordt voldaan alsmede de gegevens omtrent de door de belanghebbende te stellen zekerheid; - het tijdstip waarop de goederen worden vrijgegeven; - de termijn waarbinnen de aanvullende aangifte moet worden ingediend bij het daartoe aangewezen bevoegde douanekantoor; - de voorwaarden waaronder in voorkomend geval algemene, periodieke of samenvattende aangiften met betrekking tot de goederen moeten worden ingediend. HOOFDSTUK 3 Aangifte voor een economische douaneregeling Afdeling 1 Plaatsing onder een economische douaneregeling Onderafdeling 1 Plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots a) Onvolledige aangifte Artikel 268 1. De aangiften tot plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots die op verzoek van de aangever door het kantoor van plaatsing kunnen worden aanvaard, hoewel hierin sommige van de in bijlage 37 bedoelde gegevens ontbreken, dienen ten minste die gegevens te bevatten die nodig zijn voor de identificatie van de desbetreffende goederen, hun hoeveelheid daaronder begrepen. 2. De artikelen 255, 256 en 259 zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Dit artikel is niet van toepassing op aangiften tot plaatsing onder het stelsel van de in de artikelen 529 tot en met 534 bedoelde communautaire landbouwgoederen. b) Procedure van de vereenvoudigde aangifte Artikel 269 1. Op verzoek mag de belanghebbende, onder de in artikel 270 gestelde voorwaarden en op de daarin bepaalde wijze, aangifte doen tot plaatsing onder het stelsel door overlegging van een vereenvoudigde aangifte, voor zover de goederen bij de douane worden aangebracht. De vereenvoudigde aangifte kan de vorm hebben van: - een onvolledige aangifte zoals bedoeld in artikel 268, of van - een handels- of administratief document waarbij een verzoek tot plaatsing onder het stelsel is gevoegd. Zij dient ten minste de in artikel 268, lid 1, bedoelde gegevens te bevatten. 2. Wordt deze procedure in een entrepot van het type D toegepast, dan wordt in de vereenvoudigde aangifte eveneens het soort goederen voldoende nauwkeurig omschreven om deze onmiddellijk en met zekerheid te kunnen indelen, en wordt tevens de douanewaarde vermeld. 3. De procedure van lid 1 is niet van toepassing op entrepots van de typen B en F en bij plaatsing onder het stelsel van de in de artikelen 529 tot en met 534 bedoelde communautaire landbouwgoederen in alle soorten entrepots. Artikel 270 1. Het in artikel 269, lid 1, bedoelde verzoek dient schriftelijk te worden ingediend en alle gegevens te bevatten die nodig zijn om de vergunning te kunnen verlenen. Wanneer de omstandigheden dit toelaten, kan het in artikel 269, lid 1, bedoelde verzoek worden vervangen door een globale aanvraag met betrekking tot de in een bepaalde periode te verrichten handelingen. In dat geval dient die aanvraag te worden gedaan overeenkomstig de in de artikelen 497 tot en met 502 vastgestelde voorwaarden en te worden ingediend, samen met de aanvraag voor een vergunning tot het beheren van een douane-entrepot of in de vorm van een wijziging van de oorspronkelijke vergunning, bij de douaneautoriteit die de vergunning voor het stelsel heeft verleend. 2. De in artikel 269, lid 1, bedoelde vergunning wordt de belanghebbende verleend voor zover dit geen invloed heeft op de regelmatigheid van de verrichtingen. 3. De vergunning wordt in beginsel geweigerd wanneer: - niet alle nodige garanties worden geboden voor een goed verloop van de verrichtingen; - de belanghebbende niet veelvuldig goederen onder het stelsel plaatst; - de belanghebbende een ernstige inbreuk heeft gepleegd of herhaaldelijk inbreuken heeft gepleegd op de douanewetgeving. 4. Onverminderd artikel 9 van het Wetboek kan de vergunning worden ingetrokken wanneer de in lid 3 bedoelde gevallen zich voordoen. Artikel 271 In de in artikel 269, lid 1, bedoelde vergunning worden de wijze van afwikkeling van de procedure en - het kantoor of de kantoren van plaatsing, - vorm en inhoud van de vereenvoudigde aangifte, vastgesteld. Een aanvullende aangifte behoeft niet te worden ingediend. c) Domiciliëringsprocedure Artikel 272 1. De vergunning voor de domiciliëringsprocedure wordt verleend onder de voorwaarden en volgens de bepalingen vastgesteld bij lid 2 en bij de artikelen 273 en 274. 2. De artikelen 269, lid 2, en 270 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 273 1. Ten einde de douaneautoriteiten in staat te stellen de regelmatigheid van de verrichtingen te controleren, dient de vergunninghouder, zodra de goederen in de daartoe aangewezen ruimten zijn aangekomen: a) deze aankomst bij het controlekantoor te melden binnen de termijn en op de wijze als door dit kantoor bepaald; b) de goederen in te schrijven in de voorraadadministratie; c) alle documenten met betrekking tot de plaatsing van de goederen onder het stelsel ter beschikking te houden van het controlekantoor. De onder b) bedoelde inschrijving dient ten minste enkele gegevens te bevatten die in de handelspraktijk gebruikt worden ter identificatie van de goederen, hun hoeveelheid daaronder begrepen. 2. Artikel 266, lid 2, is van toepassing. Artikel 274 In de in artikel 272, lid 1, bedoelde vergunning wordt de wijze van afwikkeling van de procedure vastgesteld, waaronder: - de goederen waarop zij kan worden toegepast, - de vorm van de in artikel 273 bedoelde verplichtingen, - het ogenblik van vrijgave van de goederen. Een aanvullende aangifte behoeft niet te worden ingediend. Onderafdeling 2 Plaatsing onder de regeling actieve veredeling, behandeling onder douanetoezicht of tijdelijke invoer a) Onvolledige aangifte Artikel 275 1. De aangiften tot plaatsing onder een economische douaneregeling met uitzondering van de regeling passieve veredeling en het stelsel van douane-entrepots die op verzoek van de aangever door het kantoor kunnen worden aanvaard, hoewel hierin sommige van de in bijlage 37 bedoelde gegevens ontbreken of sommige van de in artikel 220 bedoelde documenten niet zijn bijgevoegd, dienen ten minste de in de vakken 14, 21, 31, 37, 40 en 54 van het enig document bedoelde gegevens te bevatten, alsmede in vak 44 de verwijzing naar de vergunning of: - de verwijzing naar de aanvraag, wanneer artikel 556, lid 1, tweede alinea, van toepassing is, of - de gegevens bedoeld in artikel 568, lid 3, artikel 656, lid 3, of artikel 695, lid 3, wanneer zij in dit vak kunnen worden vermeld in gevallen waarin de vereenvoudigde procedures voor de afgifte van een vergunning toepassing vinden. 2. De artikelen 255, 256 en 259 zijn van overeenkomstige toepassing. 3. De artikelen 257 en 258 zijn eveneens van overeenkomstige toepassing bij plaatsing van goederen onder de regeling actieve verdeling (terugbetalingssysteem). b) Procedure van de vereenvoudigde aangifte en domiciliëringsprocedure Artikel 276 De artikelen 260 tot en met 267 en 270 zijn van overeenkomstige toepassing op de aangifte tot plaatsing onder de bij deze onderafdeling bedoelde economische douaneregelingen. Onderafdeling 3 Aangifte voor de passieve veredeling Artikel 277 De artikelen 279 tot en met 289 betreffende de aangifte ten uitvoer zijn van overeenkomstige toepassing op de aangifte ten uitvoer onder de regeling passieve veredeling. Afdeling 2 Aanzuivering van een economische douaneregeling Artikel 278 1. Bij aanzuivering van een economische douaneregeling, met uitzondering van de regeling passieve veredeling en het stelsel van douane-entrepots, kunnen de voor het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer en de wederuitvoer geldende vereenvoudigde procedures worden gebruikt. Ingeval van wederuitvoer zijn de artikelen 279 tot en met 289 van overeenkomstige toepassing. 2. Bij de aangifte voor het vrije verkeer met toepassing van de regeling passieve veredeling kunnen de bij de artikelen 254 tot en met 267 bedoelde vereenvoudigde procedures worden gebruikt. 3. Bij aanzuivering van het stelsel van douane-entrepots kunnen de voor het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer en de wederuitvoer geldende vereenvoudigde procedures worden gebruikt. Echter: a) voor goederen die in een entrepot van het type F onder het stelsel zijn geplaatst, kan geen vereenvoudigde procedure worden toegestaan; b) voor goederen die in een entrepot van het type B onder het stelsel zijn geplaatst, kan alleen de onvolledige aangifte of de procedure van de vereenvoudigde aangifte worden toegestaan; c) de afgifte van een vergunning voor een entrepot van het type D houdt automatisch in dat de domiciliëringsprocedure voor het brengen in het vrije verkeer wordt toegepast. Indien echter de belanghebbende vraagt dat heffingsgrondslagen in aanmerking worden genomen die zonder daadwerkelijk onderzoek van de goederen niet kunnen worden gecontroleerd, kan deze procedure niet worden toegepast. In dat geval kunnen andere procedures worden toegepast, waarbij de goederen wel bij de douane worden aangebracht; d) vereenvoudigde procedures kunnen niet worden toegepast voor communautaire landbouwgoederen die overeenkomstig de artikelen 529 tot en met 534 onder het stelsel van douane-entrepots zijn geplaatst. HOOFDSTUK 4 Aangifte ten uitvoer Artikel 279 De overeenkomstig artikel 792 aan het douanekantoor van uitvoer te verrichten formaliteiten kunnen overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk worden vereenvoudigd. De artikelen 793 en 796 zijn op dit hoofdstuk van toepassing. Afdeling 1 Onvolledige aangifte Artikel 280 1. De aangiften ten uitvoer die de douaneautoriteiten op verzoek van de aangever kunnen aanvaarden hoewel daarin sommige van de in bijlage 37 genoemde gegevens ontbreken, moeten ten minste de in de vakken 1 (eerste deelvak), 2, 14, 17, 31, 33, 38, 44 en 54 van het enig document bedoelde gegevens bevatten, alsmede: - wanneer het goederen betreft waarop rechten bij uitvoer van toepassing zijn, of enige andere maatregel in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, alle gegevens die vereist zijn voor de juiste toepassing van deze rechten of deze maatregelen, - alle andere gegevens welke nodig worden geacht voor de identificatie van de goederen en de toepassing van de bepalingen die gelden bij de uitvoer, alsmede voor de vaststelling van de zekerheid die kan worden geëist voor de uitvoer van de goederen. 2. De douaneautoriteiten kunnen de aangever ontheffen van de verplichting de vakken 17 en 33 in te vullen, mits deze verklaart dat de uitvoer van de betreffende goederen niet onderworpen is aan verboden of beperkingen, er bij de douaneautoriteiten geen twijfel heerst en de omschrijving van de goederen het mogelijk maakt deze goederen onmiddellijk en eenduidig in te delen in het tarief. 3. In vak 44 van exemplaar nr. 3 wordt een van de volgende aantekeningen aangebracht: - Exportación simplificada, - Forenklet udfoersel, - Vereinfachte Ausfuhr, - ÁðëïõóôaaõìÝíç aaîáãùãÞ, - Simplified exportation, - Exportation simplifiée, - Esportazione semplificata, - Vereenvoudigde uitvoer, - Exportação simplificada. 4. De artikelen 255 tot en met 259 zijn van overeenkomstige toepassing op de aangifte ten uitvoer. Artikel 281 Indien artikel 789 wordt toegepast, kan de aanvullende of vervangende aangifte worden ingediend bij het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de exporteur is gevestigd. Wanneer de onderaannemer in een andere Lid-Staat is gevestigd dan die waar de exporteur is gevestigd, kan van deze mogelijkheid slechts gebruik worden gemaakt indien de administraties van de betrokken Lid-Staten hierover een overeenkomst hebben gesloten. Op de onvolledige aangifte wordt het douanekantoor vermeld waarbij de aanvullende of vervangende aangifte zal worden ingediend. Het douanekantoor waar de onvolledige aangifte is ingediend, zendt de exemplaren nrs. 1 en 2 naar het douanekantoor waar de aanvullende of vervangende aangifte wordt ingediend. Afdeling 2 Procedure van de vereenvoudigde aangifte Artikel 282 1. De vergunning om een vereenvoudigde aangifte ten uitvoer in te dienen wanneer de goederen bij de douane worden aangebracht, wordt verleend op schriftelijk verzoek van de aangever, dat alle voor de verlening van de vergunning benodigde gegevens bevat, en volgens de in de artikelen 261 en 262 genoemde voorwaarden en bepalingen, die overeenkomstig worden toegepast. 2. Overminderd artikel 288 bestaat de vereenvoudigde aangifte uit het onvolledige enig document dat ten minste de voor de identificatie van de goederen benodigde gegevens bevat. Artikel 280, leden 3 en 4, is van overeenkomstige toepassing. Afdeling 3 Domiciliëringsprocedure Artikel 283 De vergunning voor de domiciliëringsprocedure wordt, op schriftelijk verzoek, volgens de in artikel 284 bedoelde voorwaarden, verleend aan een ieder, hierna "toegelaten exporteur" genoemd, die in zijn bedrijfsruimten of in andere door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaatsen uitvoerformaliteiten wenst te vervullen. Artikel 284 De artikelen 264 en 265 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 285 1. Ten einde de douaneautoriteiten in staat te stellen de regelmatigheid van de verrichtingen te controleren, is de toegelaten exporteur gehouden, vóór het vertrek van de goederen van de in artikel 283 bedoelde plaatsen: a) dit vertrek aan de douaneautoriteiten te melden, op de door hen vastgestelde wijze, om de vrijgave van de betrokken goederen te verkrijgen; b) de goederen in zijn administratie in te schrijven. Deze inschrijving kan worden vervangen door andere, door de douaneautoriteiten vastgestelde formaliteiten die overeenkomstige waarborgen bieden. De datum moet worden vermeld evenals de voor de identificatie van de goederen benodigde gegevens; c) alle documenten waarvan de overlegging voor de toepassing van de voorschriften inzake uitvoer is vereist, ter beschikking van de douaneautoriteiten te houden. 2. In bepaalde bijzondere omstandigheden die voortvloeien uit de aard van de goederen en de snelle opeenvolging van de uitvoerverrichtingen kunnen de douaneautoriteiten de toegelaten exporteur ontheffen van de verplichting hun elk vertrek van goederen te melden, op voorwaarde dat hij deze alle inlichtingen verstrekt die zij noodzakelijk achten om eventueel hun recht om de goederen te onderzoeken te kunnen uitoefenen. In dat geval geldt de inschrijving van de goederen in de administratie van de toegelaten exporteur als vrijgave. Artikel 286 1. Voor het controleren of de goederen daadwerkelijk het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten, wordt exemplaar nr. 3 van het enig document als bewijsstuk gebruikt. In de vergunning wordt bepaald dat exemplaar nr. 3 van het enig document vooraf dient te worden gewaarmerkt. 2. De waarmerking vooraf kan plaatsvinden: a) hetzij door het vooraf aanbrengen, in vak A, van de stempelafdruk van het bevoegde douanekantoor en de handtekening van een ambtenaar van dit kantoor; b) hetzij door het aanbrengen, door de toegelaten exporteur, van een speciale stempelafdruk die overeenstemt met het model in bijlage 62. De stempelafdruk kan op de formulieren worden voorgedrukt wanneer deze door een daartoe gemachtigde drukkerij worden gedrukt. 3. De toegelaten exporteur dient vóór het vertrek van de goederen: - de in artikel 285 bedoelde formaliteiten te vervullen; - op exemplaar nr. 3 van het enig document een verwijzing naar de inschrijving in de administratie en de datum van deze inschrijving te vermelden. 4. In vak 44 van het overeenkomstig lid 2 ingevulde exemplaar nr. 3 wordt: - het nummer van de vergunning vermeld en de naam van het douanekantoor dat deze vergunning heeft afgegeven; - een van de in artikel 280, lid 3, genoemde aantekeningen aangebracht. Artikel 287 1. In de in artikel 283 bedoelde vergunning wordt de wijze van afwikkeling van de procedure vastgesteld en wordt onder meer aangegeven: - de goederen waarop de procedure van toepassing is; - de wijze waarop aan de in artikel 285 bedoelde verplichtingen wordt voldaan; - het tijdstip waarop de goederen worden vrijgegeven; - de inhoud van exemplaar nr. 3 en de wijze van geldigmaking; - de wijze waarop de aanvullende aangifte wordt opgemaakt en de termijn waarbinnen deze moet worden ingediend. 2. De vergunning bevat de verbintenis van de toegelaten exporteur om alle nodige maatregelen te treffen om de speciale stempel of de formulieren die van de stempelafdruk van het kantoor van uitvoer of van de afdruk van de speciale stempel zijn voorzien, veilig te bewaren. Afdeling 4 Gemeenschappelijke bepalingen voor de afdelingen 2 en 3 Artikel 288 1. De Lid-Staten kunnen bepalen dat een handels- of administratief document of enige andere informatiedrager wordt gebruikt in plaats van het enig document, wanneer de uitvoer in zijn geheel op het grondgebied van een zelfde Lid-Staat wordt afgewikkeld of wanneer in deze mogelijkheid is voorzien in een overeenkomst die de administraties van de betrokken Lid-Staten hebben gesloten. 2. De in lid 1 bedoelde documenten of informatiedragers dienen ten minste de voor de identificatie van de goederen benodigde gegevens te bevatten alsmede een van de in artikel 280, lid 3, genoemde aantekeningen en dienen vergezeld te gaan van een verzoek tot uitvoer. Wanneer de omstandigheden dit toelaten kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat dit verzoek wordt vervangen door een algemene aanvraag die betrekking heeft op de uitvoerverrichtingen gedurende een bepaalde periode. Op de betreffende documenten of informatiedrager dient te worden verwezen naar de op deze algemene aanvraag verleende vergunning. 3. Met het handels- of administratief document kan op dezelfde wijze als met exemplaar nr. 3 van het enig document worden aangetoond dat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten. Worden andere informatiedragers gebruikt, dan wordt de wijze van visering voor uitgaan in voorkomend geval vastgesteld in het kader van de overeenkomst tussen de administraties van de betrokken Lid-Staten. Artikel 289 Indien de uitvoerverrichting in zijn geheel op het grondgebied van één enkele Lid-Staat wordt afgewikkeld, kan deze Lid-Staat andere vereenvoudigingen vaststellen dan de in de afdelingen 2 en 3 omschreven procedures, zulks met inachtneming van het gemeenschappelijk beleid. DEEL II DE DOUANEBESTEMMINGEN TITEL I IN HET VRIJE VERKEER BRENGEN HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen Artikel 290 1. Wanneer communautaire goederen zijn uitgevoerd onder dekking van een carnet ATA met toepassing van artikel 797 kunnen deze goederen voor het vrije verkeer worden aangegeven met gebruikmaking van het carnet ATA. 2. In dit geval vervult het kantoor waar de goederen in het vrije verkeer worden gebracht de volgende formaliteiten: a) het verifieert de gegevens die in de vakken A tot en met G van het deel "Wederinvoer" voorkomen; b) het vult de strook en vak H van het deel "Wederinvoer" in; c) het houdt het deel "wederinvoer" achter. 3. Wanneer de formaliteiten voor de aanzuivering van de tijdelijke uitvoer van communautaire goederen bij een ander kantoor dan het kantoor van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap worden vervuld, vindt het overbrengen van deze goederen van dit laatste kantoor naar het kantoor waar genoemde formaliteiten worden verricht, plaats zonder verdere formaliteiten. HOOFDSTUK 2 Toepassing ten aanzien van bepaalde goederen van een gunstige tariefregeling uit hoofde van hun bijzondere bestemming Afdeling 1 Andere goederen dan slachtpaarden Artikel 291 1. Het in het vrije verkeer brengen van goederen met toepassing van een schriftelijke gunstige tariefregeling uit hoofde van hun bijzondere bestemming is afhankelijk van de verlening van een schriftelijke vergunning aan degene die de goederen voor het vrije verkeer invoert of doet invoeren. 2. Deze vergunning wordt op schriftelijk verzoek van de belanghebbende verleend door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de goederen voor het vrije verkeer worden aangegeven. 3. Voor de in bijlage 39 bedoelde goederen dient het verzoek ten minste de volgende gegevens te bevatten: a) een beknopte omschrijving van de installaties die voor de voorgenomen behandeling zullen worden gebruikt; b) de aard van de voorgenomen behandeling; c) de soort en de hoeveelheid van de te behandelen goederen; d) bij toepassing van de aanvullende aantekeningen 4, onder n), en 5 op hoofdstuk 27 van de gecombineerde nomenclatuur, de soort en de hoeveelheid van de verkregen produkten, alsmede de omschrijving daarvan volgens de gecombineerde nomenclatuur. 4. De belanghebbende dient de douaneautoriteiten in de gelegenheid te stellen om, ten genoegen van deze autoriteiten, de goederen tijdens het technische verwerkingsproces, in de vestiging of vestigingen van het bedrijf, te volgen. Artikel 292 1. De douaneautoriteiten kunnen de geldigheidsduur van de in artikel 291 bedoelde vergunning beperken. 2. Bij intrekking van de vergunning dient de vergunninghouder onmiddellijk het overeenkomstig artikel 208 van het Wetboek vastgestelde bedrag aan rechten bij invoer ten aanzien van goederen die de voorgeschreven bijzondere bestemming nog niet hebben gevolgd, te voldoen. Artikel 293 De vergunninghouder is verplicht: a) de goederen de voorgeschreven bijzondere bestemming te doen volgen; b) een administratie te voeren aan de hand waarvan de douaneautoriteiten de noodzakelijk geachte controles over het daadwerkelijke gebruik van de betrokken goederen voor de voorgeschreven bijzondere bestemming kunnen verrichten, alsmede deze administratie te bewaren. Artikel 294 1. De goederen moeten binnen een jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de aangifte voor het vrije verkeer door de douaneautoriteiten is aanvaard, de voorgeschreven bijzondere bestemming volledig hebben gevolgd. 2. Met betrekking tot de in bijlage 40, deel II, bedoelde goederen wordt de in lid 1 bedoelde termijn gesteld op vijf jaar. 3. De in de leden 1 en 2 bedoelde termijnen kunnen door de douaneautoriteiten worden verlengd indien de goederen de bijzondere bestemming niet hebben gevolgd wegens toeval of overmacht of als gevolg van het bij de bewerking of verwerking toegepaste technische procédé. 4. Waar het in bijlage 39 bedoelde goederen betreft, zijn de leden 1 en 3 van toepassing, behoudens andersluidende bepalingen in de aanvullende aantekeningen 4, onder n), en 5 op hoofdstuk 27 van de gecombineerde nomenclatuur. Artikel 295 1. De goederen worden geacht de bijzondere bestemming in kwestie te hebben gevolgd : 1. wanneer het gaat om goederen geschikt voor eenmalig gebruik: op het ogenblik waarop aan deze goederen, binnen de voorgeschreven termijnen, volledig de voorgeschreven bijzondere bestemming is gegeven; 2. wanneer het gaat om goederen geschikt voor herhaald gebruik: twee jaar na de datum waarop aan deze goederen voor het eerst de voorgeschreven bestemming is gegeven; deze datum dient in de in artikel 293, onder b), bedoelde administratie te worden vermeld, echter: a) wanneer het gaat om in bijlage 40, deel I, bedoeld materiaal dat wordt gebruikt door luchtvaartmaatschappijen voor het onderhoud of de herstelling van hun luchtvaartuigen, hetzij in het kader van uitwisselingsakkoorden betreffende deze materialen, hetzij voor hun eigen behoeften: op het ogenblik waarop aan deze goederen voor het eerst de voorgeschreven bestemming wordt gegeven; b) wanneer het gaat om onderdelen van motorvoertuigen bestemd voor assemblage: op het ogenblik waarop deze voertuigen aan anderen worden overgedragen; c) wanneer het gaat om in bijlage 40, deel I, bedoelde goederen bestemd voor de bouw, het onderhoud, de verbouwing of de uitrusting van bepaalde categorieën luchtvaartuigen: op het ogenblik van overdracht van het luchtvaartuig aan een ander dan de vergunninghouder of op het ogenblik dat het ter beschikking van de eigenaar wordt gesteld, in het bijzonder na onderhoud, reparatie of verbouwing; d) wanneer het gaat om in bijlage 40, deel II, bedoelde goederen, onderscheidenlijk bestemd voor de bouw, de herstelling, het onderhoud, de verbouwing en de uitrusting, van bepaalde categorieën schepen of boor- en werkeilanden: op het ogenblik van overdracht van het desbetreffende schip of boor- of werkeiland op het moment van de ter beschikkingstelling van het schip of boor- of werkeiland aan de belanghebbende, in het bijzonder na onderhoud, reparatie of verbouwing; e) wanneer het gaat om in bijlage 40, deel II, bedoelde goederen die rechtstreeks aan boord geleverd worden ten behoeve van de uitrusting: op het ogenblik van die levering; f) wanneer het gaat om luchtvaartuigen voor de burgerluchtvaart: op het ogenblik van hun inschrijving in het daartoe bestemde openbare register. 2. Resten en afvallen die zijn ontstaan tijdens het be- of verwerkingsproces van de goederen alsmede verliezen als gevolg van natuurlijke oorzaken worden geacht de bijzondere bestemming te hebben gevolgd. Artikel 296 1. In gevallen waarin de noodzaak daartoe door de vergunninghouder wordt aangetoond, kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat de in dit hoofdstuk bedoelde goederen samen met goederen van dezelfde soort en hoedanigheid en met dezelfde technische en fysieke kenmerken als eerstgenoemde goederen worden opgeslagen. Bij een dergelijke opslag is deze afdeling van toepassing op een hoeveelheid goederen die overeenstemt met de hoeveelheid van die goederen die overeenkomstig dit hoofdstuk in het vrije verkeer zijn gebracht. 2. In afwijking van lid 1 kunnen de douaneautoriteiten de gezamenlijke opslag toestaan van de in bijlage 39 bedoelde goederen die overeenkomstig deze afdeling in het vrije verkeer zijn gebracht, met andere goederen van dezelfde bijlage of met ruwe aardolie van onderverdeling 2709 00 00 van de gecombineerde nomenclatuur. 3. De gezamenlijke opslag van de goederen als bedoeld in lid 2 die niet van dezelfde soort of hoedanigheid zijn en niet dezelfde technische en fysieke kenmerken hebben, mag slechts worden toegestaan indien de gezamenlijke goederen een van de in de aanvullende aantekeningen 4 en 5 op hoofdstuk 27 van de gecombineerde nomenclatuur bedoelde behandelingen zullen ondergaan. Artikel 297 1. In geval van overdracht van de goederen binnen de Gemeenschap dient de cessionaris in het bezit te zijn van een overeenkomstig artikel 291 afgegeven vergunning. 2. In afwijking van artikel 294 dienen de goederen binnen een jaar te rekenen vanaf de datum van de overdracht de voorgeschreven bijzondere bestemming volledig te hebben gevolgd; deze termijn kan echter onder de in artikel 294, lid 3, genoemde voorwaarden worden verlengd. Artikel 298 1. Bij verzending van de in artikel 297 bedoelde goederen naar een andere Lid-Staat wordt gebruik gemaakt van het in de artikelen 471 tot en met 495 bedoelde controle-exemplaar T 5, met inachtneming van de procedure in de leden 2 tot en met 8. 2. De overdrager/afzender maakt een origineel en vijf kopieën op van controle-exemplaar T 5. Deze kopieën moeten op passende wijze worden genummerd. Op dit exemplaar worden de volgende gegevens vermeld: - in vak A "Kantoor van vertrek" het bevoegde douanekantoor van de Lid-Staat van vertrek; - in vak 2 de volledige naam en het volledige adres van de overdrager/afzender; - in vak 8 de volledige naam of firmanaam en het volledige adres van de cessionaris/geadresseerde; - in het vak "Belangrijke opmerking" (onder vak 14 "aangever/vertegenwoordiger") wordt tussen de twee streepjes een streepje aangebracht met de volgende tekst: "- in geval van verzending van goederen in het kader van de bijzondere bestemmingen, bij de hierboven vermelde cessionaris/geadresseerde"; - in de vakken 31 en 33 respectievelijk de omschrijving van de goederen in de staat waarin zij zich op het tijdstip van verzending bevinden (met inbegrip van het aantal) en de desbetreffende GN-code; - in vak 38 de nettomassa van de goederen; - in vak 103 de nettohoeveelheid goederen, voluit; - in vak 104, na het vak "Andere (nauwkeurige vermelding)" te hebben aangekruist, een van de volgende aantekeningen in hoofdletters: - DESTINO ESPECIAL: MERCANCÍAS QUE DEBEN PONERSE A DISPOSICIÓN DEL CESIONARIO [REGLAMENTO (CEE) N° 2454/93, ARTÍCULO 298], - SAERLIGT ANVENDELSESFORMAAL: SKAL STILLES TIL RAADIGHED FOR ERHVERVEREN (FORORDNING (EOEF) Nr. 2454/93, ARTIKEL 298), - BESONDERE VERWENDUNG: WAREN SIND DEM UEBERNEHMER ZUR VERFUEGUNG ZU STELLEN (ARTIKEL 298 DER VERORDNUNG (EWG) Nr. 2454/93), - AAÉAEÉÊÏÓ ÐÑÏÏÑÉÓÌÏÓ: AAÌÐÏÑAAÕÌÁÔÁ ÐÏÕ ÐÑAAÐAAÉ ÍÁ ÔAAÈÏÕÍ ÓÔÇ AEÉÁÈAAÓÇ ÔÏÕ AAÊAEÏ×AAÁ [ÊÁÍÏÍÉÓÌÏÓ (AAÏÊ) áñéè. 2454/93, ÁÑÈÑÏ 298], - END-USE: GOODS TO BE PLACED AT THE DISPOSAL OF THE TRANSFEREE (REGULATION (EEC) No 2454/93, ARTICLE 298), - DESTINATION PARTICULIÈRE: MARCHANDISES À METTRE À LA DISPOSITION DU CESSIONNAIRE [RÈGLEMENT (CEE) N° 2454/93, ARTICLE 298], - DESTINAZIONE PARTICOLARE: MERCI DA METTERE A DISPOSIZIONE DEL CESSIONARIO [REGOLAMENTO (CEE) N. 2454/93, ARTICOLO 298], - BIJZONDERE BESTEMMING: GOEDEREN TER BESCHIKKING TE STELLEN VAN DE CESSIONARIS (VERORDENING (EEG) Nr. 2454/93, ARTIKEL 298), - DESTINO ESPECIAL: MERCADORIAS A PÔR À DISPOSIÇÃO DO CESSIONÁRIO [REGULAMENTO (CEE) N° 2454/93, ARTIGO 298°]; - in vak 106, a) indien de goederen, nadat zij in het vrije verkeer zijn gebracht, een of meer be- of verwerkingen hebben ondergaan, de omschrijving van de goederen in de staat waarin zij zich bevonden op het tijdstip waarop zij in het vrije verkeer werden gebracht, en de desbetreffende GN-code; b) de datum van geldigmaking en het nummer van de aangifte voor het vrije verkeer, alsmede de naam en het adres van het desbetreffende douanekantoor; - in vak E aan de achterzijde ("Bestemd voor de Lid-Staat van vertrek"): - het douanekantoor van de Lid-Staat van bestemming; - de datum van verzending van de goederen. 3. De overdrager/afzender voegt de eerste kopie bij zijn in artikel 293, onder b), bedoelde administratie en doet de tweede en de derde kopie, vóór verzending van de goederen, toekomen aan het bevoegde douanekantoor van de Lid-Staat van vertrek, op de door dit kantoor bepaalde wijze. Voorts zendt hij de vierde en de vijfde kopie en het origineel met de goederen naar de cessionaris/geadresseerde. Het genoemde douanekantoor houdt de tweede kopie achter en zendt de derde kopie aan het bevoegde douanekantoor van de Lid-Staat van bestemming. 4. Zodra de cessionaris/geadresseerde de goederen ontvangt, neemt hij deze in de in artikel 293, onder b), be doelde administratie op. Hij voegt daarbij het origineel en zendt de vierde kopie onverwijld aan het bevoegde douanekantoor van de Lid-Staat van bestemming, op de door dit kantoor bepaalde wijze en onder vermelding van de datum van aankomst. In geval van meerbevindingen, minderbevindingen, verwisselingen of andere onregelmatigheden, stelt hij dit kantoor hiervan onmiddellijk in kennis. Voorts zendt hij de vijfde kopie naar de overdrager/afzender. 5. Met ingang van de in lid 4 bedoelde datum gaan de verplichtingen die uit deze afdeling voortvloeien over van de overdrager/afzender op de cessionaris/geadresseerde. Tot op dat ogenblik berusten deze verplichtingen bij de overdrager/afzender. 6. De goederen die volgens de procedure in dit artikel worden vervoerd, behoeven noch aan het kantoor van vertrek noch aan het kantoor van bestemming te worden aangebracht. 7. Dit artikel is eveneens van toepassing op goederen die tussen twee plaatsen in de Gemeenschap worden vervoerd over het grondgebied van een of meer landen van de EVA en die in één van deze landen opnieuw worden verzonden. 8. De douaneautoriteiten van de Lid-Staat van vertrek en de Lid-Staat van bestemming verrichten respectievelijk bij de overdrager/afzender en bij de cessionaris/geadresseerde periodieke controles. Deze dienen ter zake hun medewerking te verlenen en de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Artikel 299 1. In afwijking van artikel 298 is de afgifte van een controle-exemplaar T 5 niet vereist voor het vervoer van materiaal dat met het oog op het onderhoud of de herstelling van luchtvaartuigen door luchtvaartmaatschappijen in het internationaal verkeer hetzij in het kader van uitwisselingsakkoorden met betrekking tot dit materiaal hetzij voor eigen behoefte wordt verzonden. In dit geval geschiedt het vervoer op basis van de luchtvrachtbrief of het gelijkwaardige document, overeenkomstig de bepalingen van artikel 298, lid 6. 2. De luchtvrachtbrief of het gelijkwaardige document dient ten minste de volgende gegevens te bevatten: a) de naam van de verzendende luchtvaartmaatschappij, b) de naam van de luchthaven van vertrek, c) de naam van de ontvangende luchtvaartmaatschappij, d) de naam van de luchthaven van bestemming, e) de omschrijving van het materiaal, f) het aantal stuks. De in de voorgaande alinea bedoelde gegevens mogen eveneens in gecodeerde vorm of door verwijzing naar een bijgevoegd document worden verstrekt. 3. Op de luchtvrachtbrief of het gelijkwaardige document dient op de voorzijde, in drukletters, een van de volgende vermeldingen voor te komen: - DESTINO ESPECIAL, - SAERLIGT ANVENDELSESFORMAAL, - BESONDERE VERWENDUNG, - AAÉAEÉÊÏÓ ÐÑÏÏÑÉÓÌÏÓ, - END-USE, - DESTINATION PARTICULIÈRE, - DESTINAZIONE PARTICOLARE, - BIJZONDERE BESTEMMING, - DESTINO ESPECIAL. 4. In elke Lid-Staat houdt elke luchtvaartmaatschappij die materiaal als bedoeld in lid 1 verzendt of ontvangt, de in artikel 293, onder b), bedoelde administratie voor controledoeleinden ter beschikking van de bevoegde douaneautoriteiten. 5. De verzendende luchtvaartmaatschappij bewaart een exemplaar van de luchtvrachtbrief of van het gelijkwaardige document als bewijsstuk bij de administratie en houdt op de door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de verzendende luchtvaartmaatschappij is gevestigd, bepaalde wijze een ander exemplaar ter beschikking van de bevoegde douanedienst. De ontvangende luchtvaartmaatschappij bewaart een exemplaar van de luchtvrachtbrief of van het gelijkwaardige document als bewijsstuk bij de administratie en legt op de door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van bestemming bepaalde wijze een ander exemplaar over bij de bevoegde douanedienst. 6. Het materiaal in ongewijzigde staat alsmede de exemplaren van de luchtvrachtbrief of van het gelijkwaardige document dienen aan de ontvangende luchtvaartmaatschappij te worden overgedragen op de plaatsen die zijn goedgekeurd door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar deze maatschappij gevestigd is. Voorts dient dit materiaal te worden ingeschreven in de in artikel 293, onder b), bedoelde administratie. De overhandiging van het materiaal en de exemplaren van de luchtvrachtbrief of van het gelijkwaardige document en het opnemen in de administratie als bedoeld in de voorgaande alinea, moeten uiterlijk geschieden binnen een termijn van vijf dagen, te rekenen vanaf de datum van vertrek van het vliegtuig dat het betrokken materiaal vervoert. 7. De uit onderhavig artikel voortvloeiende verplichtingen gaan van de verzendende luchtvaartmaatschappij over op de ontvangende luchtvaartmaatschappij op het tijdstip waarop het materiaal in ongewijzigde staat alsmede de exemplaren van de luchtvrachtbrief of het gelijkwaardige document aan laatstgenoemde worden overhandigd. Artikel 300 Van iedere overdracht binnen een zelfde Lid-Staat dient aan de douaneautoriteiten kennis te worden gegeven. De bepalingen betreffende deze kennisgeving, waaronder de vorm en de termijn waarbinnen deze moet worden gedaan, worden door de douaneautoriteiten vastgesteld. In de kennisgeving dient de datum van overdracht van de goederen duidelijk te worden vermeld. Met ingang van deze datum rusten de verplichtingen die voor de overgedragen goederen uit deze afdeling voortvloeien, op de cessionaris. Artikel 301 1. Op verzoek van de houder van een overeenkomstig artikel 291 verleende vergunning stellen de douaneautoriteiten de plaats - hierna genoemd de operationele basis - vast waar de in bijlage 40, deel II, afdeling B, genoemde goederen onder door haar vast te stellen voorwaarden kunnen worden opgeslagen en elke behandeling kunnen ondergaan. 2. Onverminderd de bepalingen in artikel 298 is de overbrenging van de in lid 1 bedoelde goederen: a) van de operationele basis naar een al dan niet binnen de territoriale wateren gelegen boor- of werkeiland en omgekeerd, b) in voorkomend geval, van de operationele basis naar de plaats van inlading van de voor de eilanden bestemde produkten, alsmede van de plaats van lossing van de van de eilanden afkomstige produkten naar de operationele basis, c) van de plaats van inlading naar een al dan niet binnen de territoriale wateren gelegen boor- of werkeiland en van het eiland naar de plaats van lossing, wanneer de goederen naar of van het eiland worden verscheept zonder via de operationele basis te gaan; d) van het ene eiland naar het andere, ongeacht of deze al dan niet binnen de territoriale wateren zijn gelegen, aan geen andere formaliteit onderworpen dan de dienovereenkomstige inschrijving in de in artikel 293, onder b), bedoelde administratie. Artikel 302 1. Het gebruik van de goederen voor een andere bestemming dan die voorgeschreven bij de in artikel 291 bedoelde gunstige tariefregeling wordt door de douaneautoriteiten slechts toegestaan indien de vergunninghouder, ten genoegen van deze autoriteiten, aantoont dat de goederen de voorgeschreven bijzondere bestemming niet hebben kunnen volgen door omstandigheden die hetzij met de vergunninghouder hetzij met de goederen zelf verband houden. 2. Voor de in bijlage 40, deel I en deel II, bedoelde produkten wordt, in afwijking van lid 1, het gebruik van de goederen voor een andere bestemming dan die waarin de gunstige tariefregeling voorziet, door de douaneautoriteiten toegestaan wanneer economische omstandigheden dit naar hun mening rechtvaardigen. 3. Het verlenen van de in de leden 1 en 2 bedoelde toestemming is afhankelijk van het voldoen door de vergunninghouder van het overeenkomstig artikel 208 van het Wetboek vastgestelde bedrag van de rechten bij invoer. Artikel 303 1. De uitvoer van de goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap of hun vernietiging onder douanetoezicht wordt door de douaneautoriteiten slechts toegestaan indien de vergunninghouder, ten genoegen van de douaneautoriteiten, aantoont dat de goederen de voorgeschreven bijzondere bestemming niet hebben kunnen volgen door omstandigheden die hetzij met de vergunninghouder hetzij met de goederen zelf verband houden. Indien de uitvoer van de goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap is toegestaan, worden deze goederen, vanaf de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer als niet-communautaire goederen beschouwd. Indien het landbouwprodukten betreft, dient vak 44 van het enig document een van de volgende vermeldingen te bevatten: - DESTINO ESPECIAL: MERCANCÍAS PREVISTAS PARA LA EXPORTACIÓN [REGLAMENTO (CEE) N° 2454/93, ARTÍCULO 303]: APLICACIÓN DE LOS MONTANTES COMPENSATORIOS MONETARIOS Y RESTITUCIONES AGRARIAS EXCLUIDA. - SAERLIGT ANVENDELSESFORMAAL: VARER BESTEMT TIL UDFOERSEL I (FORORDNING (EOEF) Nr. 2454/93, ARTIKEL 303): ANVENDELSE AF MONETAERE UDLIGNINGSBELOEB OG LANDBRUGSRESTITUTIONER ER UDELUKKET. - BESONDERE VERWENDUNG: ZUR AUSFUHR VORGESEHENE WAREN (ARTIKEL 303 DER VERORDNUNG (EWG) Nr. 2454/93): ANWENDUNG DER WAEHRUNGSAUSGLEICHSBETRAEGE UND LANDWIRTSCHAFTLICHEN AUSFUHRERSTATTUNGEN AUSGESCHLOSSEN. - AAÉAEÉÊÏÓ ÐÑÏÏÑÉÓÌÏÓ : AAÌÐÏÑAAÕÌÁÔÁ ÐÏÕ ÐÑÏÏÑÉAEÏÍÔÁÉ ÃÉÁ AAÎÁÃÙÃÇ [ÊÁÍÏÍÉÓÌÏÓ (AAÏÊ) áñéè. 2454/93, ÁÑÈÑÏ 303]: ÁÐÏÊËAAÉAAÔÁÉ Ç AAOEÁÑÌÏÃÇ ÔÙÍ ÍÏÌÉÓÌÁÔÉÊÙÍ AAÎÉÓÙÔÉÊÙÍ ÐÏÓÙÍ ÊÁÉ ÔÙÍ ÃAAÙÑÃÉÊÙÍ AAÐÉÓÔÑÏOEÙÍ. - END-USE: GOODS DESTINED FOR EXPORTATION (REGULATION (EEC) No 2454/93, ARTICLE 303). MONETARY COMPENSATORY AMOUNTS AND AGRICULTURAL REFUNDS NOT APPLICABLE. - DESTINATION PARTICULIÈRE: MARCHANDISES PRÉVUES POUR L'EXPORTATION [RÈGLEMENT (CEE) N° 2454/93, ARTICLE 303]: APPLICATION DES MONTANTS COMPENSATOIRES MONÉTAIRES ET RESTITUTIONS AGRICOLES EXCLUE. - DESTINAZIONE PARTICOLARE: MERCI PREVISTE PER L'ESPORTAZIONE [REGOLAMENTO (CEE) N. 2454/93, ARTICOLO 303]: APPLICAZIONE DEI MONTANTI COMPENSATORI MONETARI E RESTITUZIONI AGRICOLE ESCLUSA. - BIJZONDERE BESTEMMING: VOOR UITVOER BESTEMDE GOEDEREN (VERORDENING (EEG) Nr. 2454/93, ARTIKEL 303): TOEKENNING VAN MONETAIRE COMPENSERENDE BEDRAGEN EN LANDBOUWRESTITUTIES UITGESLOTEN. - DESTINO ESPECIAL: MERCADORIAS PREVISTAS PARA A EXPORTAÇÃO [REGULAMENTO (CEE) N° 2454/93, ARTIGO 303°]: APLICAÇÃO DOS MONTANTES COMPENSATÓRIOS MONETÁRIOS E RESTITUIÇÕES AGRÍCOLAS EXCLUÍDA. 2. In afwijking van lid 1, wordt de uitvoer van de in bijlage 40, deel I en deel II, bedoelde goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap door de douaneautoriteiten toegestaan wanneer de economische omstandigheden dit rechtvaardigen. 3. Lid 1 is niet van toepassing op de gezamenlijk opgeslagen goederen bedoeld in artikel 296, lid 3, tenzij alle gezamenlijk opgeslagen goederen worden uitgevoerd of vernietigd. Artikel 304 1. Goederen met een bijzondere bestemming, waarvoor de op grond van deze bestemming bij invoer te heffen rechten niet lager zijn dan die welke zouden gelden indien met de bijzondere bestemming geen rekening werd gehouden, moeten worden ingedeeld onder de post of onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur waarin de bijzondere bestemming is voorzien, zonder dat de voorwaarden en bepalingen van deze afdeling worden toegepast. 2. Deze afdeling is niet van toepassing op de in bijlage 41 genoemde goederen. Afdeling 2 Slachtpaarden Artikel 305 1. Slachtpaarden van GN-code 0101 19 10 kunnen in het vrije verkeer worden gebracht op voorwaarde dat: a) zekerheid wordt gesteld ten belope van de eventueel overeenkomstig artikel 208 van het Wetboek ontstane douaneschuld, en dat b) elk paard op het tijdstip waarop het in het vrije verkeer wordt gebracht ten genoegen van het douanekantoor wordt geïdentificeerd met een duidelijk leesbaar merkteken, door wegneming van haar op de linkerschoft met de schaar of op andere wijze, welk merkteken bestaat uit het teken "X" dat aangeeft dat het paard voor de slacht is bestemd, en een nummer dat het mogelijk maakt het paard te individualiseren vanaf het tijdstip van het in het vrije verkeer brengen tot op het moment van het slachten. 2. De gegevens betreffende de merktekens worden in de aangifte voor het vrije verkeer van de betreffende paarden opgenomen. Een kopie van deze aangifte dient de paarden te vergezellen en bij de in artikel 308, lid 1, bedoelde autoriteit te worden ingediend. 3. Op de aangever rusten de in artikel 293 bedoelde verplichtingen. Artikel 306 1. Na de vrijgave voor het vrije verkeer moeten de paarden rechtstreeks met behulp van door de bevoegde autoriteiten naar behoren verzegelde vervoermiddelen, onverminderd de nationale bepalingen inzake verbreking of vervanging van de verzegeling wanneer dat noodzakelijk is, naar een door de bevoegde autoriteiten erkend slachthuis worden overgebracht en aldaar worden geslacht. 2. Bij aankomst in het slachthuis dienen het verbreken van de verzegeling en het lossen van de paarden in aanwezigheid van de bevoegde autoriteit te geschieden. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de douanedienst die de vrijgave heeft verleend zich in het slachthuis bevindt en de paarden onmiddellijk onder verantwoordelijkheid van de in artikel 308, lid 1, bedoelde autoriteit worden geplaatst. Wanneer overigens de douanedienst die vrijgave heeft verleend, zich in de onmiddellijke nabijheid van het slachthuis bevindt, kunnen de douaneautoriteiten de verzegeling vervangen door daartoe geëigende maatregelen van toezicht waarmee het rechtstreekse vervoer van de paarden naar het slachthuis en de plaatsing onder de verantwoordelijkheid van de in artikel 308, lid 1, bedoelde autoriteit worden gewaarborgd. Artikel 307 Indien het paard bij aankomst in het slachthuis niet kan worden geïdentificeerd of indien artikel 306 niet in acht is genomen, geeft de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld kennis aan de bevoegde douanedienst, die de nodige maatregelen treft. Artikel 308 1. Het bewijs dat de paarden zijn geslacht, moet worden geleverd door middel van hetzij een door de daartoe aangewezen autoriteit afgegeven certificaat hetzij een door bedoelde autoriteit op de in artikel 305, lid 2, bedoelde kopie van de aangifte gestelde verklaring, inhoudende dat de identiteit van de geslachte paarden overeenstemt met die van de paarden welke op de aangifte voor het vrije verkeer zijn vermeld. 2. Het bewijs dat de paarden zijn geslacht, dient binnen 30 dagen vanaf de datum waarop de aangifte voor het vrije verkeer werd aanvaard, te worden geleverd aan de douanedienst waar bedoelde aangifte werd ingediend, hetzij rechtstreeks door de in lid 1 vermelde autoriteit hetzij door tussenkomst van de aangever, zulks ter keuze van de onderscheidene Lid-Staten. TITEL II DOUANEVERVOER HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen Artikel 309 In deze titel wordt verstaan onder: a) "vervoermiddel", onder andere: - elk voertuig voor wegverkeer, aanhangwagen, oplegger, - elke spoorwagon, - elk schip of elke boot, - elk luchtvaartuig, - elke container in de zin van artikel 670, onder g); b) "kantoor van vertrek": het douanekantoor waar het communautair douanevervoer begint; c) "kantoor van doorgang": - het douanekantoor van uitgang uit het douanegebied van de Gemeenschap, wanneer tijdens het communautair douanevervoer de zending dit grondgebied via een grens tussen een Lid-Staat en een derde land verlaat; - het douanekantoor van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap, wanneer de goederen tijdens het communautair douanevervoer over het grondgebied van een derde land worden vervoerd; d) "kantoor van bestemming": het douanekantoor waar de onder de regeling communautair douanevervoer geplaatste goederen ter beëindiging van het communautair douanevervoer moeten worden aangebracht; e) "kantoor van zekerheidstelling": het douanekantoor waar een doorlopende of een forfaitaire zekerheid wordt gesteld. HOOFDSTUK 2 Toepassingsgebied Artikel 310 1. De regeling extern communautair douanevervoer, overeenkomstig artikel 91, lid 1, onder b), van het Wetboek, is van toepassing op communautaire goederen: - waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld met het oog op de toekenning van restituties bij de uitvoer naar derde landen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; of - waarvoor de terugbetaling of de kwijtschelding van de rechten bij invoer afhankelijk is gesteld van de voorwaarde dat zij uit het douanegebied van de Gemeenschap worden wederuitgevoerd, in een douane-entrepot worden opgeslagen, onder een andere douaneregeling dan het vrije verkeer worden geplaatst of in een vrije zone of een vrij entrepot worden opgeslagen; of - die in het vrije verkeer worden gebracht in het kader van de regeling actieve veredeling - terugbetalingssysteem - met het oog op latere uitvoer in de vorm van veredelingsprodukten en waarvoor belanghebbende voornemens is overeenkomstig artikel 128 van het Wetboek een verzoek tot terugbetaling in te dienen; of - waarop rechten of heffingen bij uitvoer van toepassing zijn en waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer naar derde landen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn vervuld; of - die afkomstig zijn uit interventievoorraden en waarvan het gebruik en/of de bestemming moeten worden gecontroleerd en waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer naar derde landen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn vervuld. 2. De in lid 1 bedoelde goederen die het douanegebied van de Gemeenschap niet hebben verlaten, worden als communautaire goederen behandeld, voor zover wordt aangetoond dat de aangifte ten uitvoer is geannuleerd en dat de volgens de communautaire bepalingen bij het vertrek uit genoemd douanegebied vereiste douaneformaliteiten, alsmede, in voorkomend geval, de gevolgen van deze formaliteiten ongedaan zijn gemaakt. Artikel 311 Onverminderd artikel 310, lid 1, geldt de regeling intern communautair douanevervoer voor communautaire goederen: a) die over het grondgebied van een of meer landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) van de ene naar de andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd; b) die worden vervoerd in het kader van de methoden van administratieve samenwerking die ten doel hebben gedurende de overgangsperiode in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar samenstelling per 31 december 1985, enerzijds, en Spanje en Portugal, anderzijds, alsmede in het handelsverkeer tussen deze beide Lid-Staten onderling het vrije verkeer te waarborgen van goederen waarvoor de douanerechten of andere in de Akte van Toetreding bedoelde maatregelen nog niet volledig zijn afgeschaft; c) die worden vervoerd: - van een gedeelte van het douanegebied van de Gemeenschap waar de bepalingen van Richtlijn 77/388/EEG van toepassing zijn, naar een ander gedeelte van het douanegebied van de Gemeenschap waar voornoemde bepalingen niet van toepassing zijn, - van een gedeelte van het douanegebied van de Gemeenschap waar de bepalingen van Richtlijn 77/388/EEG niet van toepassing zijn, naar een ander gedeelte van het douanegebied van de Gemeenschap waar de voornoemde bepalingen wel van toepassing zijn, - van een gedeelte van het douanegebied van de Gemeenschap waar de bepalingen van Richtlijn 77/388/EEG niet van toepassing zijn, naar een ander gedeelte van het douanegebied van de Gemeenschap waar voornoemde bepalingen evenmin van toepassing zijn. Artikel 312 Goederen waarop de regeling communautair douanevervoer van toepassing is, kunnen over het grondgebied van een derde land dat geen EVA-land is, worden vervoerd van de ene naar de andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap, voor zover de doorvoer door dat derde land geschiedt onder geleide van één enkel in een Lid-Staat opgesteld transportbescheid; in dat geval wordt de werking van die regeling op het grondgebied van het derde land opgeschort. HOOFDSTUK 3 Communautair karakter van goederen Artikel 313 1. Met uitzondering van de in lid 2 genoemde goederen, worden alle van een plaats binnen het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere plaats binnen dat gebied vervoerde goederen geacht communautaire goederen te zijn, tenzij wordt vastgesteld dat zij het communautaire karakter niet bezitten. 2. De navolgende goederen worden niet geacht communautaire goederen te zijn, tenzij het communautaire karakter, overeenkomstig de artikelen 314 tot en met 323, wordt aangetoond: a) goederen die onder geleide van één van de in artikel 163, lid 2, onder b) tot en met e), van het Wetboek bedoelde documenten worden vervoerd; b) goederen die over het grondgebied van een derde land van de ene naar de andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd; c) goederen die - door de lucht worden vervoerd vanaf een luchthaven in een derde land naar een luchthaven binnen het douanegebied van de Gemeenschap; - over zee worden vervoerd vanaf een haven in een derde land naar een haven binnen het douanegebied van de Gemeenschap, of - over zee worden vervoerd vanuit een vrije zone gelegen in een haven binnen het douanegebied van de Gemeenschap waar zij zijn geladen of overgeladen met als bestemming een andere haven gelegen in het genoemde douanegebied, tenzij uit een aantekening van de douaneautoriteiten op de scheepsdocumenten blijkt dat het schip uit een plaats in die haven komt die geen deel uitmaakt van de vrije zone; d) goederen die deel uitmaken van een zending die vanuit een postkantoor in het douanegebied van de Gemeenschap is verzonden, wanneer op de verpakking of op de begeleidende documenten het etiket is aangebracht dat overeenstemt met het model in bijlage 42. De douaneautoriteiten in de Lid-Staat van verzending moeten een dergelijk etiket op de verpakking en de begeleidende documenten aanbrengen of doen aanbrengen wanneer de te verzenden goederen niet-communautaire goederen zijn; e) goederen die over zee van de ene naar de andere haven in het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd, aan boord van een vaartuig: - dat uit een derde land komt en dat goederen vervoert die in een derde land zijn geladen, en dat een of meer havens in de Gemeenschap heeft aangedaan, of - dat naar een derde land gaat en dat goederen vervoert die in een haven van de Gemeenschap zijn geladen en die voor een derde land zijn bestemd, en dat een of meer havens in de Gemeenschap heeft aangedaan, of - dat tussen de haven van vertrek in de Gemeenschap en de haven van bestemming in de Gemeenschap een of meer havens in derde landen heeft aangedaan, of - dat rechtstreeks aankomt in een vrije zone, of - dat een haven heeft aangedaan waarin een vrije zone is gelegen, tenzij uit een aantekening van de douaneautoriteiten op de scheepsdocumenten blijkt dat het schip uit een plaats in deze haven komt die geen deel uitmaakt van de vrije zone. 3. a) Onverminderd artikel 170 van het Wetboek brengt de kapitein van het schip of zijn vertegenwoordiger de douaneautoriteiten van de haven waar de goederen worden gelost op de hoogte van de aankomst van het schip en deelt hij mede uit welke haven het schip met zijn oorspronkelijke lading is vertrokken en welke havens het heeft aangedaan of had moeten aandoen alvorens de haven van bestemming in de Gemeenschap te bereiken. Op verzoek staaft de kapitein de verstrekte inlichtingen, bij voorbeeld door overlegging van het logboek. Indien de verstrekte inlichtingen niet voldoen aan de eisen van de douaneautoriteiten van de haven van bestemming, worden alle goederen die zich op het schip bevinden geacht niet-communautaire goederen te zijn, tenzij het communautaire karakter van deze goederen overeenkomstig de artikelen 314 tot en met 323 kan worden aangetoond. b) Ter voldoening aan de onder a) genoemde verplichtingen kan de kapitein van het schip of zijn vertegenwoordiger de douaneautoriteiten van de havens in de Gemeenschap waar de goederen worden gelost een kopie van een door de douaneautoriteiten van de haven van vertrek in het douanegebied van de Gemeenschap gewaarmerkt inlichtingenblad overleggen, waarin de uiteindelijke haven van bestemming en alle andere havens die het schip vermoedelijk zal aandoen, zijn vermeld. De overlegging van een inlichtingenblad is verplicht indien het schip goederen vervoert waarop artikel 91, lid 1, van het Wetboek van toepassing is. c) De douaneautoriteiten van de haven van bestemming kunnen afzien van de toepassing van het bepaalde onder a) en b) ten aanzien van schepen: - waarvan, met name vanwege de aard en het geografische gebied van de zeeverbindingen die zij onderhouden, vaststaat dat zij uitsluitend tussen havens in de Gemeenschap varen en geen havens in derde landen aandoen, - die worden gebruikt door scheepvaartmaatschappijen waaraan vergunning is verleend om de in artikel 448, lid 11, omschreven vereenvoudigde procedure toe te passen. Artikel 314 1. In de in artikel 313, lid 2, onder a) tot en met c) en onder e), bedoelde gevallen wordt het communautaire karakter van goederen aangetoond door middel van een van de in de artikelen 315 tot en met 318 bedoelde documenten of overeenkomstig de artikelen 319 tot en met 323. 2. Lid 1 wordt niet toegepast op goederen: a) die bestemd zijn om te worden uitgevoerd; b) als bedoeld in artikel 310, lid 1, eerste streepje; c) die zijn voorzien van verpakkingen welke geen communautair karakter bezitten; d) die niet rechtstreeks van een Lid-Staat naar een andere Lid-Staat worden vervoerd. Als "rechtstreeks vervoerd" van een Lid-Staat naar een andere Lid-Staat worden aangemerkt: - goederen die niet over het grondgebied van een derde land worden vervoerd; - goederen die wel over het grondgebied van een of meer derde landen worden vervoerd, mits het vervoer door deze landen geschiedt onder geleide van één enkel, in een Lid-Staat opgemaakt, transportbescheid. Artikel 315 1. Het communautaire karakter van goederen wordt, onder de hierna genoemde voorwaarden, aangetoond door middel van een document T 2 L. 2. Het document T 2 L wordt gesteld op een formulier dat overeenstemt met exemplaar nr. 4 of met exemplaar nr. 4/5 van het model in de bijlagen 31 en 32. Dit formulier wordt zo nodig aangevuld met een of meer aanvullende formulieren die overeenstemmen met exemplaar nr. 4 of met exemplaar nr. 4/5 van het model in de bijlagen 33 en 34. Wanneer de Lid-Staten het gebruik van aanvullende formulieren niet toestaan bij de behandeling van aangiften door een geautomatiseerd systeem dat deze aangiften ook vervaardigt, wordt dit formulier aangevuld met een of meer formulieren die overeenstemmen met exemplaar nr. 4 of met exemplaar nr. 4/5 van het model in de bijlagen 31 en 32. 3. De belanghebbende brengt het teken "T 2 L" aan in het rechter deelvak van vak 1 van het formulier en het teken "T 2 L bis" in het rechter deelvak van vak 1 van het (de) aanvullende formulier(en). 4. Bij gebruik van een document T 2 L voor een zending die meer dan één soort goederen omvat, kunnen de gegevens in verband met die goederen op een of meer ladingslijsten in de zin van de artikelen 341, lid 2, tot en met 344, lid 2, worden verstrekt in plaats van te worden vermeld in de vakken 31 "Colli en omschrijving van de goederen", 32 "Artikel nr.", 35 "Brutomassa (kg)" en, in voorkomend geval, 33 "Goederencode", 38 "Nettomassa (kg)" en 44 "Bijzondere vermeldingen/voorgelegde stukken/certificaten en vergunningen" van het formulier dat voor het opstellen van het document T 2 L wordt gebruikt. Bij gebruik van ladingslijsten worden de genoemde rubrieken van het formulier dat voor het opstellen van het document T 2 L wordt gebruikt, voor invulling ongeschikt gemaakt. 5. Het bovenste gedeelte van het in artikel 342, onder b), bedoelde kader is bestemd voor het teken "T 2 L". Het onderste gedeelte van dit kader is bestemd voor het visum van de douaneautoriteiten als bedoeld in artikel 316, lid 2. De kolom "Land van verzending/uitvoer" van de ladingslijst wordt niet ingevuld. 6. De ladingslijst wordt in evenveel exemplaren overgelegd als het document T 2 L waarop zij betrekking heeft. 7. Indien verscheidene ladingslijsten bij een zelfde document T 2 L worden gevoegd, dienen zij door de belanghebbende van volgnummers te worden voorzien; het aantal bijgevoegde ladingslijsten wordt vermeld in vak 4 "Ladingslijsten" van het formulier dat voor het opmaken van het document T 2 L wordt gebruikt. Artikel 316 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 394, wordt het document T 2 L in één exemplaar opgemaakt. 2. Het document T 2 L en, in voorkomend geval, het (de) document(en), T 2 L bis worden op verzoek van de belanghebbende door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van vertrek afgetekend. De aftekening dient de hierna volgende gegevens te bevatten die, voor zover mogelijk, in vak C (Kantoor van vertrek) van deze documenten worden vermeld: a) op het document T 2 L: de naam en het stempel van het kantoor van vertrek, de handtekening van de bevoegde ambtenaar, de datum van de aftekening en hetzij een registratienummer hetzij het nummer van de aangifte tot verzending indien een dergelijke aangifte noodzakelijk is; b) op het document T 2 L bis: het nummer dat voorkomt op het document T 2 L. Dit nummer wordt aangebracht hetzij met een stempel waarin de naam van het kantoor van de Lid-Staat van vertrek voorkomt, hetzij met de hand. In dit laatste geval wordt bij het nummer het officiële stempel van dit kantoor geplaatst. Deze documenten worden aan de belanghebbende teruggegeven zodra de formaliteiten in verband met de verzending van de goederen naar de Lid-Staat van bestemming zijn vervuld. Artikel 317 1. Onverminderd de artikelen 315 en 316 wordt het communautaire karakter van de goederen overeenkomstig de hierna volgende bepalingen aangetoond door de overlegging van een factuur of van een transportbescheid die of dat op deze goederen betrekking heeft. 2. Op de in lid 1 bedoelde factuur of op het in lid 1 bedoelde transportbescheid komen ten minste de naam en het volledige adres voor van de afzender of van de aangever, indien deze laatste niet de afzender is, alsmede het aantal, de soort, de merken en nummers van de colli, de omschrijving van de goederen, de brutomassa in kilogram en, in voorkomend geval, de nummers van de containers. De aangever brengt op de factuur of op het transportbescheid op duidelijk zichtbare wijze het teken "T 2 L" en zijn handtekening aan. 3. De factuur of het transportbescheid die of dat door de aangever is ingevuld en ondertekend, wordt op diens verzoek door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van vertrek afgetekend. Deze aftekening omvat de naam en het stempel van het kantoor van vertrek, de handtekening van de bevoegde ambtenaar, de datum van aftekening en hetzij een registratienummer hetzij het nummer van de aangifte tot verzending of ten uitvoer indien een dergelijke aangifte noodzakelijk is. 4. Indien de totale waarde van de communautaire goederen als vermeld op de factuur of het transportbescheid die of dat overeenkomstig lid 2 of artikel 224, lid 1, is ingevuld en ondertekend, niet meer dan 10 000 ecu bedraagt, behoeft de belanghebbende dit document niet ter aftekening aan de douane van de Lid-Staat van vertrek over te leggen. In het in de voorgaande alinea bedoelde geval dient de factuur of het transportbescheid naast de in lid 2 genoemde gegevens de naam van het kantoor van de Lid-Staat van vertrek te bevatten. 5. Dit artikel is slechts van toepassing indien de factuur of het transportbescheid uitsluitend betrekking heeft op communautaire goederen. Artikel 318 Wanneer het document waarmee het communautaire karakter van de goederen wordt aangetoond, achteraf wordt afgegeven, wordt daarop in rood één van de volgende vermeldingen aangebracht: - Expedido a posteriori, - Udstedt efterfoelgende, - Nachtraeglich ausgestellt, - AAêaeïèÝí aaê ôùí õóôÝñùí, - Issued retroactively, - Délivré a posteriori, - Rilasciato a posteriori, - Achteraf afgegeven, - Emitido a posteriori. Artikel 319 1. Wanneer goederen onder geleide van een carnet TIR of een carnet ATA worden vervoerd, kan de aangever, ten einde het communautaire karakter van deze goederen aan te tonen en onder voorbehoud van artikel 314, lid 2, op alle daarvoor in aanmerking komende stroken van het gebruikte carnet, in het voor de omschrijving van de goederen bestemde vak, op duidelijk zichtbare wijze het teken "T 2 L" en zijn handtekening aanbrengen alvorens dit carnet ter visering aan het kantoor van vertrek over te leggen. Het teken "T 2 L" wordt op alle stroken waarop het is aangebracht, gewaarmerkt door het stempel van het kantoor van vertrek en de handtekening van de bevoegde ambtenaar. 2. Wanneer het carnet TIR of het carnet ATA zowel betrekking heeft op communautaire als op niet-communautaire goederen, worden deze twee categorieën goederen afzonderlijk vermeld en wordt het teken "T 2 L" zo aangebracht dat het duidelijk uitsluitend betrekking heeft op de communautaire goederen. Artikel 320 Wanneer het communautaire karakter van een motorvoertuig voor vervoer over de weg, dat in een Lid-Staat van de Gemeenschap is geregistreerd, moet worden aangetoond, wordt dit voertuig geacht communautair te zijn: a) voor zover kentekenplaat en registratiebewijs zich bij het voertuig bevinden en uit het registratiebewijs en eventueel de kentekenplaat duidelijk blijkt dat dit voertuig het communautaire karakter bezit; b) in de overige gevallen, overeenkomstig de artikelen 315 tot en met 323. Artikel 321 Indien het communautaire karakter van een goederenwagon die aan een spoorwegmaatschappij van een Lid-Staat toebehoort, moet worden aangetoond, wordt deze goederenwagon geacht communautair te zijn: a) voor zover uit het codenummer en het eigendomsmerk (teken) op de wagon duidelijk blijkt dat de wagon het communautaire karakter bezit; b) in de overige gevallen, indien één van de in de artikelen 315 tot en met 318 bedoelde documenten wordt overgelegd. Artikel 322 1. Indien het communautaire karakter moet worden aangetoond van verpakkingen die kennelijk toebehoren aan een in een Lid-Staat gevestigde persoon, die in het intracommunautaire goederenverkeer worden gebruikt en die na gebruik leeg uit een andere Lid-Staat terugkeren, worden deze verpakkingen geacht communautair te zijn: a) voor zover zij worden aangegeven als communautaire goederen en er geen enkele twijfel bestaat omtrent de juistheid van deze aangifte; b) in de overige gevallen, overeenkomstig de artikelen 315 tot en met 323. 2. De in lid 1 bedoelde vereenvoudiging wordt toegestaan voor houders, verpakkingen, laadborden en ander soortgelijk materieel, met uitzondering van containers in de zin van artikel 670. Artikel 323 Indien het communautaire karakter moet worden aangetoond van goederen die door reizigers worden medegevoerd of die zich in hun bagage bevinden, worden deze goederen, mits zij niet voor commerciële doeleinden zijn bestemd, als communautaire goederen beschouwd: a) voor zover zij als communautaire goederen worden aangegeven en er geen enkele twijfel bestaat omtrent de juistheid van deze aangifte; b) in de overige gevallen, overeenkomstig de artikelen 315 tot en met 322. Artikel 324 De douaneadministraties van de Lid-Staten verlenen elkaar bijstand met het oog op de controle van de echtheid en de juistheid van de documenten en de regelmatigheid van de middelen waarmee overeenkomstig dit hoofdstuk het communautaire karakter van goederen wordt aangetoond. Artikel 325 In het kader van de in artikel 10, lid 2, eerste alinea, van het Verdrag bedoelde methoden voor administratieve samenwerking, wordt een document T 2 M ingesteld, waarmee kan worden aangetoond dat door vaartuigen van de Lid-Staten gevangen produkten, die in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, hetzij in ongewijzigde staat hetzij na aan boord van de schepen een bewerking te hebben ondergaan ten gevolge waarvan de daarbij verkregen produkten niet van hoofdstuk 3 of van GN-code 1504 of 2301 worden uitgesloten, voldoen aan de in artikel 9, lid 2, van het Verdrag genoemde voorwaarden. Artikel 326 De gevangen produkten en de aan boord verkregen produkten als bedoeld in artikel 325 dienen vergezeld te gaan van een document T 2 M dat overeenkomstig de artikelen 329 tot en met 333 is opgemaakt, wanneer: a) het vaartuig dat de produkten heeft gevangen en eventueel heeft bewerkt, deze rechtstreeks vervoert naar een andere Lid-Staat dan die waartoe dit vaartuig behoort; b) een vaartuig van een Lid-Staat waarop de gevangen produkten werden overgeladen van het onder a) bedoelde vaartuig, deze produkten aan boord bewerkt en de daarbij verkregen produkten rechtstreeks naar het douanegebied van de Gemeenschap vervoert; c) een ander dan het onder a) of b) bedoelde vaartuig van een Lid-Staat waarop de gevangen of de verkregen produkten werden overgeladen, deze rechtstreeks naar het douanegebied van de Gemeenschap vervoert; d) een van de onder a), b) of c) bedoelde vaartuigen de gevangen of verkregen produkten rechtstreeks naar een land of gebied buiten de Gemeenschap vervoert, vanwaar zij rechtstreeks naar het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd. Artikel 327 1. Het formulier waarop het document T 2 M wordt opgemaakt dient overeen te stemmen met het model in bijlage 43. 2. Het voor het origineel te gebruiken papier is houtvrij, zodanig gelijmd dat het goed te beschrijven is en met een gewicht van ten minste 55 g per m2. Beide zijden zijn voorzien van een groene, geguillocheerde onderdruk die elke vervalsing met behulp van mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt. 3. De afmetingen van de formulieren T 2 M zijn 210 × 297 mm, waarbij in de lengte een afwijking van ten hoogste 5 mm minder of 8 mm meer is toegestaan. 4. Het formulier wordt gedrukt in één van de officiële talen van de Gemeenschap, aangewezen door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waartoe het vissersvaartuig behoort. 5. De formulieren T 2 M worden samengevoegd tot boekjes van tien formulieren, waarbij elk formulier bestaat uit een origineel dat uit het boekje kan worden gescheurd en een niet uitscheurbare kopie die door doordruk wordt verkregen. Op bladzijde 2 van de omslag van de boekjes komt de toelichting voor die in bijlage 44 is opgenomen. 6. De formulieren T 2 M worden van volgnummers voorzien om ze van elkaar te kunnen onderscheiden. Het origineel en de kopie dragen hetzelfde nummer. 7. De Lid-Staten kunnen de boekjes met formulieren T 2 M zelf drukken en samenvoegen of dit overlaten aan daartoe goedgekeurde drukkerijen. In het laatste geval wordt op bladzijde 1 van de omslag van elk boekje en op het origineel van elk formulier van deze goedkeuring melding gemaakt. Op genoemde bladzijde 1 en het origineel van elk formulier worden bovendien de naam en het adres van de drukker vermeld of wordt een teken aangebracht aan de hand waarvan de drukker kan worden geïdentificeerd. 8. Het formulier T 2 M wordt in een van de officiële talen van de Gemeenschap, hetzij met de schrijfmachine hetzij duidelijk leesbaar met de hand met inkt en in blokletters, ingevuld. In het formulier mogen geen doorhalingen of overschrijvingen voorkomen. Wijzigingen worden aangebracht door doorhaling van de onjuiste en, zo nodig, toevoeging van de gewenste gegevens. Elke aldus aangebrachte wijziging wordt goedgekeurd door de persoon die de verklaring heeft ondertekend waarin de wijziging voorkomt. Artikel 328 Een boekje met formulieren T 2 M wordt op verzoek van de reder of diens vertegenwoordiger afgegeven door de douaneautoriteiten van de thuishaven of van de haven waar de rederij van het vissersvaartuig is gevestigd. Deze afgifte vindt slechts plaats indien de reder of zijn vertegenwoordiger de vakken 1 en 2 van alle originelen en kopieën van de formulieren die zich in het boekje bevinden in de taal van het formulier heeft ingevuld. Bij de afgifte van dit boekje vullen de voornoemde autoriteiten vak 3 in van alle originelen en kopieën van de formulieren die het bevat. Artikel 329 De kapitein van het schip dat de visserijprodukten heeft gevangen, vult de vakken 4, 5 en 8 van het origineel en de kopie in van een van de formulieren waaruit het boekje bestaat: a) wanneer de gevangen produkten worden gelost in een andere Lid-Staat dan die waartoe zijn vaartuig behoort; b) wanneer de gevangen produkten op een ander vaartuig van een Lid-Staat worden overgeladen; c) wanneer de gevangen produkten in een land of gebied buiten het douanegebied van de Gemeenschap worden gelost. Artikel 330 Wanneer de visserijprodukten aan boord van het vaartuig waarmee zij werden gevangen een bewerking hebben ondergaan die tot gevolg heeft dat de verkregen produkten onder GN-code 1504 of 2301 vallen, vult de kapitein van dit vaartuig de vakken 4 tot en met 8 van het origineel en de kopie van het betrokken document T 2 M in en vermeldt hij de bewerking in het logboek. Artikel 331 Bij het overladen van de in artikel 329, onder b), bedoelde gevangen produkten of van de in artikel 330 bedoelde verkregen produkten wordt vak 9 op het origineel en de kopie van het document T 2 M eveneens ingevuld en wordt de verklaring van overlading door de twee betrokken kapiteins ondertekend. Het origineel van document T 2 M wordt overhandigd aan de kapitein van het vaartuig waarop de gevangen of verkregen produkten zijn overgeladen, terwijl de overlading in het logboek van beide vaartuigen wordt vermeld. Artikel 332 Wanneer de in artikel 330 bedoelde bewerking plaatsvindt aan boord van een ander vaartuig van een Lid-Staat, waarop de gevangen produkten zijn overgeladen, vult de kapitein van dit vaartuig de vakken 6, 7 en 10 van het origineel van het document T 2 M in dat hem bij overlading werd gegeven, terwijl hij de bewerking in zijn logboek vermeldt. Artikel 333 Bij een tweede overlading van de in artikel 329, onder b), bedoelde gevangen produkten of van de in artikel 330 bedoelde verkregen produkten of bij overlading van de in artikel 332 bedoelde verkregen produkten wordt vak 11 op het origineel van het document T 2 M eveneens ingevuld en wordt de verklaring van overlading door beide betrokken kapiteins ondertekend. Het origineel van het document T 2 M wordt overhandigd aan de kapitein van het vaartuig waarop de gevangen of verkregen produkten worden overgeladen, terwijl deze overlading in het logboek van beide vaartuigen wordt vermeld. Artikel 334 1. Het origineel van het document T 2 M dat overeenkomstig artikel 329 en, eventueel, de artikelen 330 tot en met 333 is opgesteld, wordt overgelegd aan het douanekantoor waar de in artikel 325 bedoelde verkregen produkten waarop het document betrekking heeft, worden aangegeven om onder een douaneregeling te worden geplaatst. Dit douanekantoor kan een vertaling van dit document eisen. Het kan bovendien, met het oog op de controle van de juistheid van de op het document T 2 M vermelde gegevens, eisen dat de nodige documenten worden overgelegd en met name de scheepsdocumenten van de in artikel 326, onder a), b) en c), bedoelde vaartuigen. 2. Wanneer de in artikel 325 bedoelde gevangen of verkregen produkten waarop het document T 2 M betrekking heeft, in een land of gebied buiten de Gemeenschap zijn geweest, is dit document slechts geldig indien het vergezeld gaat van een verklaring van de douaneautoriteiten van dit land of gebied. In deze verklaring wordt: a) bevestigd dat de gevangen of verkregen produkten waarop het document betrekking heeft, tijdens de gehele duur van hun verblijf in het betrokken land of gebied onder douanetoezicht hebben gestaan en dat zij aldaar geen andere behandelingen hebben ondergaan dan die ter verzekering van hun bewaring in goede staat; b) de datum van aankomst en van vertrek van de gevangen of verkregen produkten vermeld, alsmede een nauwkeurige omschrijving van het vervoermiddel waarmee zij naar de Gemeenschap zijn vervoerd. Indien een dergelijke verklaring ontbreekt, kunnen de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de gevangen of verkregen produkten binnenkomen, elk ander document aanvaarden dat als gelijkwaardig wordt beschouwd. Artikel 335 1. Wanneer de in artikel 325 bedoelde gevangen of verkregen produkten naar een land of gebied buiten de Gemeenschap zijn vervoerd en bestemd zijn om in deelzendingen naar het douanegebied van de Gemeenschap te worden vervoerd, wordt het origineel van document T 2 M, dat overeenkomstig artikel 329 en, eventueel, de artikelen 330 tot en met 333 is opgemaakt, in genoemd land of gebied door de kapitein of zijn vertegenwoordiger bewaard. Een kopie van dit document wordt onverwijld toegezonden aan het douanekantoor van de thuishaven of van de haven waar de rederij van het vissersvaartuig is gevestigd. 2. Voor elke deelzending stelt de kapitein of zijn vertegenwoordiger een uittreksel van het document T 2 M op. Hiertoe gebruikt hij een formulier uit het boekje met formulieren T 2 M dat overeenkomstig artikel 328 is afgegeven. In elk uittreksel wordt naar het oorspronkelijke document verwezen en worden in vak 4 de aard en de hoeveelheid vermeld van de produkten die tot de deelzending behoren. Op ieder uittreksel wordt duidelijk een van de volgende aantekeningen aangebracht: - Extracto, - Udskrift, - Auszug, - Áðueóðáóìá, - Extract, - Extrait, - Estratto, - Uittreksel, - Extracto. 3. Voor elke deelzending wordt het origineel van het uittreksel van het document T 2 M, samen met de in artikel 334, lid 2, bedoelde verklaring, overgelegd aan het douanekantoor van de Lid-Staat waar de tot de deelzending behorende produkten worden aangegeven ten einde onder een douaneregeling te worden geplaatst. 4. Het in lid 3 bedoelde douanekantoor zendt het douanekantoor van de thuishaven of van de haven waar de rederij van het vissersvaartuig is gevestigd onverwijld een geviseerde kopie van het uittreksel van het document T 2 M. Bovendien wordt in deze kopie verwezen naar de aangifte waarmee de produkten onder een douaneregeling zijn geplaatst. 5. Het oorspronkelijke document T 2 M wordt bewaard totdat alle goederen waarop het betrekking heeft een bestemming hebben gekregen. De kapitein of zijn vertegenwoordiger vermeldt in het vak "Opmerkingen" van het oorspronkelijke document T 2 M voor iedere bestemming het aantal en de soort der colli, het brutogewicht (in kg) en de aan de goederen gegeven bestemming. Indien deze bestemming bestaat uit een deelzending binnen de Gemeenschap, overeenkomstig lid 2, worden eveneens het nummer en de datum van het desbetreffende uittreksel vermeld. Nadat alle goederen waarop het oorspronkelijke document T 2 M betrekking heeft een bestemming hebben gekregen, wordt het origineel van het document onverwijld naar het douanekantoor van de thuishaven of van de haven waar de rederij van het vissersvaartuig is gevestigd, gezonden. 6. Ten einde de inning te waarborgen van eventueel verschuldigde rechten en heffingen, staan de douaneautoriteiten van het in lid 3 bedoelde douanekantoor de inklaring van de gevangen produkten als communautaire produkten slechts toe indien zekerheid wordt gesteld. Deze zekerheid wordt vrijgegeven na toestemming van het douanekantoor van de thuishaven of van de haven waar de rederij van het vissersvaartuig is gevestigd. Deze toestemming moet uiterlijk één maand na ontvangst van het in lid 5 bedoelde origineel van het document T 2 M worden gegeven. Artikel 336 Op verpakkingsmiddelen die eventueel samen met de in artikel 325 bedoelde gevangen of verkregen produkten waarop het document T 2 M betrekking heeft, worden aangeboden, is de intracommunautaire regeling slechts van toepassing indien bij de douaneautoriteiten een document wordt overgelegd waaruit het communautaire karakter van die verpakkingsmiddelen blijkt. Artikel 337 Bij elke terugkeer van het vissersvaartuig in zijn thuishaven of in de haven waar de rederij is gevestigd, biedt de reder of zijn vertegenwoordiger het boekje met formulieren T 2 M - voor zover dit sedert het vertrek van het vaartuig is gebruikt - aan bij het douanekantoor dat het boekje heeft afgegeven ter controle van de door doordruk verkregen kopieën. Hij legt dit boekje tevens over op ieder verzoek van de douaneautoriteiten. Na elke controle wordt het boekje aan de houder teruggegeven totdat alle formulieren die het bevat zijn gebruikt. Artikel 338 Wanneer het vaartuig waarop het in artikel 327 bedoelde boekje betrekking heeft niet meer aan de voorwaarden voldoet om de visserijprodukten onder de intracommunautaire regeling in de andere Lid-Staten te plaatsen, voordat alle formulieren T 2 M zijn gebruikt, dient het boekje onverwijld te worden teruggegeven aan het douanekantoor dat het heeft afgegeven. Artikel 339 Met het oog op een juiste toepassing van het bepaalde in de artikelen 325 tot en met 340 verlenen de administraties van de Lid-Staten elkaar bijstand met het oog op de controle van de echtheid van de documenten T 2 M en de juistheid van de daarin vervatte gegevens. Artikel 340 1. Voor de toepassing van de artikelen 325 en 326 worden de permanent in de registers van de plaatselijk bevoegde autoriteiten ("registros de base") ingeschreven vaartuigen van Ceuta en Melilla niet als vaartuigen van de Lid-Staten beschouwd. 2. De douaneautoriteiten van de thuishaven of van de haven waar de rederij van een permanent in de registers van de plaatselijk bevoegde autoriteiten ("registros de base") van Ceuta en Melilla ingeschreven vissersvaartuig is gevestigd, mogen voor dat vaartuig geen boekjes met formulieren T 2 M afgeven. 3. Artikel 334, lid 2, is van toepassing wanneer de in artikel 326 bedoelde gevangen of verkregen produkten waarop het formulier T 2 M betrekking heeft in een haven van Ceuta of Melilla worden gelost en overgeladen om naar het douanegebied van de Gemeenschap te worden vervoerd. De lossing, opslag of overslag van deze produkten dient bovendien plaats te vinden op plaatsen die gescheiden zijn van die voor goederen met een andere bestemming. HOOFDSTUK 4 Extern communautair douanevervoer Afdeling 1 Procedure Artikel 341 1. Voor het vervoer van goederen onder de regeling extern communautair douanevervoer wordt overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling een aangifte T 1 gedaan. Onder aangifte T 1 wordt verstaan een aangifte gesteld op een formulier dat overeenstemt met de modellen in de bijlagen 31 tot en met 34 en dat overeenkomstig de in de bijlagen 37 en 38 bedoelde toelichting wordt gebruikt. 2. Ladingslijsten die gebaseerd zijn op het model in bijlage 45 mogen, onder de in de artikelen 343, 344, 345 en 383 gestelde voorwaarden, als beschrijvend gedeelte van de aangiften voor communautair douanevervoer worden gebruikt. Dit gebruik laat verplichtingen inzake het vervullen van formaliteiten in verband met regelingen voor verzending/uitvoer of regelingen die in de Lid-Staat van bestemming van toepassing zijn en inzake de daarbij te gebruiken formulieren onverlet. Onder ladingslijst wordt verstaan elk handelsdocument dat aan de voorwaarden van de artikelen 342 tot en met 345, van artikel 383 en van de artikelen 386, 387 en 388 voldoet. Artikel 342 Op de ladingslijsten komen voor: a) het opschrift "ladingslijst"; b) een vak van 70 × 55 mm, verdeeld in een bovenste deelvak van 70 × 15 mm waarin het teken "T" wordt aangebracht, gevolgd door een van de in artikel 346, lid 1, bedoelde vermeldingen, en een onderste deelvak van 70 × 40 mm waarin de in artikel 345, lid 3, bedoelde gegevens worden vermeld; c) een aantal kolommen, in de hierna vermelde volgorde, waarvan het opschrift als volgt luidt: - Volgnummer, - Merken, nummers, aantal en soort der colli, omschrijving van de goederen, - Land van verzending/uitvoer, - Brutomassa (kg), - Bestemd voor de administratie. De belanghebbenden mogen de breedte van deze kolommen naar behoefte aanpassen. De kolom met het opschrift "Bestemd voor de administratie" dient echter een breedte van ten minste 30 mm te hebben. De belanghebbenden kunnen voorts vrij beschikken over de andere dan de onder a), b) en c) bedoelde ruimten. Artikel 343 1. Als ladingslijst wordt uitsluitend de voorzijde van het formulier gebruikt. 2. Elke post op de ladingslijst wordt voorafgegaan door een volgnummer. 3. Elke post wordt in voorkomend geval gevolgd door de bijzondere vermeldingen die volgens de communautaire wetgeving, met name die op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zijn vereist, en door de vermelding van de overgelegde stukken, certificaten en vergunningen. 4. Onmiddellijk onder de laatste vermelding wordt een horizontale lijn getrokken en wordt het onbeschreven gedeelte onbruikbaar gemaakt. Artikel 344 1. De douaneautoriteiten van elke Lid-Staat kunnen toestaan dat als ladingslijsten in de zin van artikel 341, lid 2, lijsten worden gebruikt die niet aan alle voorwaarden van de artikelen 341, lid 2, tweede alinea, en 342 voldoen. Het gebruik van dergelijke lijsten kan slechts worden toegestaan wanneer: a) zij worden opgesteld door ondernemingen waarvan de administratie op een geïntegreerd systeem voor elektronische of geautomatiseerde gegevensverwerking berust; b) zij zo zijn ontworpen en ingevuld dat zij zonder moeilijkheden door de douaneautoriteiten kunnen worden gebruikt, en c) hierop, voor elke post, het aantal, de soort, de merken en nummers van de colli, de omschrijving der goederen, het land van verzending/uitvoer alsmede de brutomassa in kilogram zijn vermeld. 2. Als ladingslijsten bedoeld in lid 1 kunnen eveneens worden gebruikt lijsten waarin de goederen zijn beschreven en die met het oog op het vervullen van de verzendings/uitvoerformaliteiten zijn opgesteld, ook indien deze lijsten zijn opgesteld door ondernemingen waarvan de administratie niet op een geïntegreerd systeem voor elektronische of geautomatiseerde gegevensverwerking berust. 3. De douaneautoriteiten van elke Lid-Staat kunnen toestaan dat de ondernemingen waarvan de administratie op een geïntegreerd systeem voor elektronische of geautomatiseerde gegevensverwerking berust en die op grond van de leden 1 en 2 reeds van lijsten van een speciaal model gebruik mogen maken, deze lijsten eveneens gebruiken voor communautair douanevervoer dat slechts op een enkele soort goederen betrekking heeft, voor zover zulks met het oog op de automatiseringsprogramma's van de betrokken ondernemingen noodzakelijk is. Artikel 345 1. Wanneer de aangever de mogelijkheid benut ladingslijsten te gebruiken voor een zending die verschillende soorten goederen omvat, worden de vakken 15 "Land van verzending/uitvoer", 33 "Goederencode", 35 "Brutomassa (kg)", 38 "Nettomassa (kg)" en, in voorkomend geval, 44 "Bijzondere vermeldingen/Voorgelegde stukken/Certificaten en vergunningen" van het voor communautair douanevervoer gebruikte formulier onbruikbaar gemaakt en mag vak 31 "Colli en omschrijving van de goederen" van dit formulier niet worden ingevuld wat de merken, nummers, aantal en soort van de colli en de omschrijving van de goederen betreft. Bij dit formulier kunnen geen aanvullende formulieren worden gebruikt. 2. De ladingslijst wordt in evenveel exemplaren overgelegd als het formulier voor communautair douanevervoer waarop de lijst betrekking heeft. 3. Bij geldigmaking van de aangifte wordt de ladingslijst van hetzelfde nummer van geldigmaking voorzien als het formulier voor communautair douanevervoer waarop de lijst betrekking heeft. Dit nummer wordt hetzij door middel van met een stempel waarin de naam van het kantoor van vertrek voorkomt, hetzij met de hand aangebracht. In dit laatste geval wordt bij het nummer het officiële stempel van het kantoor van vertrek geplaatst. De handtekening van een ambtenaar van het kantoor van vertrek is facultatief. 4. Indien verscheidene ladingslijsten bij een zelfde formulier voor communautair douanevervoer worden gevoegd, worden daarop door de aangever volgnummers vermeld; het aantal bijgevoegde ladingslijsten wordt in vak 4 "Ladingslijsten" van genoemd formulier vermeld. 5. Een aangifte gesteld op een formulier van het enig document waarop in het rechter deelvak van vak 1 het teken "T 1" of "T 2" is aangebracht, waarbij een of meer ladingslijsten zijn gevoegd, geldt als aangifte voor extern communautair douanevervoer respectievelijk aangifte voor intern communautair douanevervoer als bedoeld in artikel 341, lid 1, respectievelijk artikel 381. Artikel 346 1. Bij gebruikmaking van de regeling extern communautair douanevervoer brengt de aangever het teken "T 1" aan in het rechter deelvak van vak 1 van het gebruikte formulier. Bij gebruik van aanvullende formulieren brengt de aangever het teken "T 1 bis" aan in het rechter deelvak van vak 1 van het (de) gebruikte aanvullende formulier(en). Wanneer de Lid-Staten het gebruik van aanvullende formulieren niet toestaan voor de behandeling van aangiften door een geautomatiseerd systeem, wordt het formulier voor de aangifte voor communautair douanevervoer aangevuld met een of meer formulieren die overeenstemmen met de modellen in de bijlagen 31 en 32. In dit geval wordt in het rechter deelvak van vak 1 van deze formulieren "T 1 bis" vermeld. 2. De aangifte T 1 wordt door de aangever ondertekend en in ten minste drie exemplaren bij het kantoor van vertrek ingediend. 3. Wanneer de regeling communautair douanevervoer in de Lid-Staat van vertrek aansluit op een andere douaneregeling, bevat de aangifte T 1 een verwijzing naar deze voorafgaande regeling of naar de daarop betrekking hebbende douanedocumenten. Artikel 347 1. Voor het laden van goederen bij verschillende kantoren van vertrek en voor het lossen van goederen bij verschillende kantoren van bestemming kan een zelfde vervoermiddel worden gebruikt. 2. In een zelfde aangifte T 1 mogen slechts goederen voorkomen die in of op één enkel vervoermiddel zijn of worden geladen en die van een zelfde kantoor van vertrek naar een zelfde kantoor van bestemming zullen worden vervoerd. Voor de toepassing van de eerste alinea worden de onderstaande vervoermiddelen als één enkel vervoermiddel beschouwd, mits zij met goederen zijn of worden beladen die samen moeten worden vervoerd: a) een voertuig voor wegverkeer met een of meer aanhangwagens of opleggers; b) twee of meer aan elkaar gekoppelde spoorwagons; c) twee of meer schepen die één geheel vormen; d) containers geladen op een vervoermiddel in de zin van dit artikel. Artikel 348 1. Het kantoor van vertrek aanvaardt de aangifte T 1 en maakt haar geldig, stelt de termijn vast waarbinnen de goederen aan het kantoor van bestemming moeten worden aangebracht en treft de identificatiemaatregelen die het nodig acht. 2. Het kantoor van vertrek tekent een en ander aan op het document T 1, behoudt het voor dit kantoor bestemde exemplaar en overhandigt de overige exemplaren aan de aangever of zijn vertegenwoordiger. Artikel 349 1. De identificatie van de goederen wordt in het algemeen verzekerd door middel van verzegeling. 2. Verzegeling geschiedt: a) per laadruimte, wanneer het vervoermiddel overeenkomstig andere voorschriften is goedgekeurd of door het kantoor van vertrek geschikt is bevonden; b) per collo, in de overige gevallen. 3. Als geschikt voor verzegeling per laadruimte kunnen worden aangemerkt vervoermiddelen: a) die op eenvoudige en doeltreffende wijze kunnen worden verzegeld; b) die zodanig zijn gebouwd dat geen goederen kunnen worden onttrokken of toegevoegd zonder braak die zichtbare sporen achterlaat of zonder verbreking van de verzegeling; c) die geen geheime ruimten bevatten waarin goederen kunnen worden verborgen, en d) waarvan de laadruimten gemakkelijk toegankelijk zijn voor de controle door de douaneautoriteiten. 4. Het kantoor van vertrek kan van verzegeling afzien wanneer het, rekening houdend met eventuele andere identificatiemaatregelen, mogelijk is aan de hand van de omschrijving van de goederen in het document T 1 of de bijgevoegde stukken, de goederen te identificeren. Artikel 350 1. Het vervoer van de goederen vindt plaats onder geleide van de exemplaren van het document T 1 die het kantoor van vertrek aan de aangever of zijn vertegenwoordiger heeft afgegeven. 2. De exemplaren van het document T 1 worden op ieder verzoek van de douaneautoriteiten overgelegd. Artikel 351 Elke Lid-Staat doet de Commissie de lijst toekomen van de kantoren die bevoegd zijn inzake communautair douanevervoer, onder vermelding van de openingstijden van deze kantoren. De Commissie deelt deze inlichtingen mede aan de overige Lid-Staten. Artikel 352 1. De zending wordt onder overlegging van de exemplaren van het document T 1 aan elk kantoor van doorgang aangebracht. 2. Bij elk kantoor van doorgang levert de vervoerder een kennisgeving van doorgang in die is gesteld op een formulier dat overeenstemt met het model in bijlage 46. 3. De kantoren van doorgang gaan niet tot onderzoek van de goederen over behalve bij vermoeden van onregelmatigheden die tot misbruik kunnen leiden. 4. Wanneer het vervoer plaatsvindt via een ander kantoor van doorgang dan het in het document T 1 vermelde kantoor, zendt eerstbedoeld kantoor de kennisgeving van doorgang onverwijld toe aan het in dit document vermelde kantoor. Artikel 353 Bij lading of lossing bij tussengelegen douaneautoriteiten worden de exemplaren van het document T 1 die door het (de) kantoor (kantoren) van vertrek zijn afgegeven, aan deze autoriteiten overgelegd. Artikel 354 1. De in een document T 1 vermelde goederen kunnen, zonder dat opnieuw aangifte behoeft te worden gedaan, in of op een ander vervoermiddel worden overgeladen onder toezicht van de douaneautoriteiten van de Lid-Staat op welks grondgebied de overlading plaatsvindt. In dat geval tekenen de bevoegde autoriteiten een en ander aan op het document T 1. 2. De douaneautoriteiten kunnen, onder door hen vast te stellen voorwaarden, overlading zonder hun toezicht toestaan. In een dergelijk geval tekent de vervoerder een en ander aan op het document T 1 en stelt hij de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waar de overlading heeft plaatsgevonden daarvan in kennis met het oog op de waarmerking. Artikel 355 1. Wanneer de verzegeling tijdens het vervoer buiten de wil van de vervoerder wordt verbroken, verzoekt deze zo spoedig mogelijk de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar het vervoermiddel zich bevindt een proces-verbaal van bevinding op te maken. De handelende douaneautoriteit brengt zo mogelijk een nieuwe verzegeling aan. 2. Wanneer de goederen ten gevolge van een ongeval op een ander vervoermiddel moeten worden overgeladen, is artikel 354 van toepassing. 3. Wanneer bij dreigend gevaar alle goederen of een deel ervan onmiddellijk moeten worden gelost, kan de vervoerder eigenmachtig maatregelen nemen. Hij maakt hiervan melding op het document T 1. Lid 1 is in dat geval van toepassing. 4. Wanneer de vervoerder, wegens een ongeval of ten gevolge van een ander voorval tijdens het vervoer, niet in staat is de in artikel 348 bedoelde termijn in acht te nemen, stelt hij de in lid 1 bedoelde douaneautoriteit hiervan zo spoedig mogelijk in kennis. Deze tekent een en ander aan op het document T 1. Artikel 356 1. De goederen worden, onder overlegging van het document T 1, aan het kantoor van bestemming aangebracht. 2. Het kantoor van bestemming vermeldt op de exemplaren van het document T 1 de resultaten van de verrichte controle, zendt onverwijld een exemplaar terug naar het kantoor van vertrek en behoudt het andere exemplaar. 3. Het communautair douanevervoer kan bij een ander dan het in het document T 1 genoemde kantoor eindigen. Dit kantoor wordt dan kantoor van bestemming. 4. De door het kantoor van vertrek vastgestelde termijn waarbinnen de goederen aan het kantoor van bestemming moeten worden aangebracht, is bindend voor de douaneautoriteiten van de landen over het grondgebied waarvan het communautair douanevervoer geschiedt en mag door deze niet worden gewijzigd. 5. Wanneer de goederen na het verstrijken van de door het kantoor van vertrek voorgeschreven termijn aan het kantoor van bestemming worden aangebracht en het niet naleven van deze termijn te wijten is aan omstandigheden welke ten genoegen van het kantoor van bestemming kunnen worden aangetoond en die niet zijn toe te schrijven aan de vervoerder of de aangever, wordt deze laatste geacht de voorgeschreven termijn in acht te hebben genomen. Artikel 357 1. Aan degene die aan het kantoor van bestemming een document voor communautair douanevervoer en de bijbehorende zending aanbiedt, wordt op verzoek een ontvangstbewijs afgegeven. 2. Het formulier van het ontvangstbewijs waarin wordt verklaard dat een document voor communautair douanevervoer en de bijbehorende zending bij het kantoor van bestemming zijn aangeboden, stemt overeen met het model in bijlage 47. Het ontvangstbewijs van het document voor communautair douanevervoer kan echter worden gesteld op het model dat onderaan op de achterzijde van het terugzendingsexemplaar van dit document voorkomt. 3. Het ontvangstbewijs wordt vooraf door de belanghebbende ingevuld. Het mag, naast het voor het kantoor van bestemming bestemde vak, andere vermeldingen met betrekking tot de zending bevatten. De aftekening van het kantoor van bestemming geldt evenwel slechts voor de in genoemd vak voorkomende vermeldingen. Artikel 358 Elke Lid-Staat kan een of meer centrale instanties aanwijzen waaraan de bevoegde kantoren van de Lid-Staat van bestemming de documenten moeten terugzenden. De Lid-Staten die dergelijke instanties hebben aangewezen, delen dit aan de Commissie mede onder opgave van de soort documenten die worden teruggezonden. De Commissie geeft hiervan kennis aan de overige Lid-Staten. Afdeling 2 Zekerheidstelling Onderafdeling 1 Algemene bepalingen Artikel 359 1. De in artikel 94, lid 1, van het Wetboek bedoelde zekerheid is geldig in de gehele Gemeenschap. 2. De zekerheid kan of wel doorlopend voor verscheidene aangiften voor communautair douanevervoer of wel per aangifte worden gesteld. 3. Behoudens artikel 373, lid 2, bestaat de zekerheidstelling in de hoofdelijke verbintenis van elke derde natuurlijke of rechtspersoon die aan de voorwaarden van artikel 195 van het Wetboek voldoet. 4. De in lid 3 bedoelde zekerheidstelling moet worden aangegaan bij een akte van borgtocht die overeenstemt met het model in: - bijlage 48, indien het een doorlopende zekerheid betreft; - bijlage 49, indien het een zekerheid per aangifte betreft; - bijlage 50, indien het een forfaitaire zekerheid betreft. 5. Wanneer dit volgens de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of de gebruiken is vereist, kan elke Lid-Staat de akten van borgtocht in een andere vorm doen opstellen, mits deze dezelfde gevolgen hebben als de als model gegeven akten. Onderafdeling 2 Doorlopende zekerheid Artikel 360 Wanneer goederen, ingevoerd in de Gemeenschap vanuit derde landen, vervoerd worden onder dekking van de regeling extern communautair douanevervoer en het voorwerp vormen van een bijzondere inlichting betreffende een buitengewoon risico tot fraude, met name in het kader van de toepassing van de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1468/81 van de Raad (11), dienen de douaneadministraties van de Lid-Staten in overeenstemming met de Commissie bijzondere maatregelen te nemen ten einde de toepassing van de doorlopende zekerheid tijdelijk te verbieden. (11) PB nr. L 144 van 2. 6. 1981, blz. 1. De beslissing om gebruikmaking van een doorlopende zekerheid te verbieden, welke genomen is door de douaneadministratie van een Lid-Staat, is ook van toepassing ten aanzien van de douaneadministraties van de overige Lid-Staten. De douaneadministraties van de Lid-Staten houden elkaar op de hoogte van beslissingen welke genomen zijn met toepassing van dit artikel en stellen tevens de Commissie in kennis. Na verloop van zes maanden bepaalt de Commissie of de genomen maatregelen al dan niet dienen te worden verlengd. Artikel 361 Onverminderd artikel 360 wordt het bedrag van de doorlopende zekerheid op de volgende wijze vastgesteld: 1. Het bedrag van de doorlopende zekerheid is gelijk aan ten minste 30 % van het bedrag van de verschuldigde rechten, heffingen en belastingen, overeenkomstig punt 4. 2. Het bedrag van de doorlopende zekerheid is gelijk aan het totale bedrag van de verschuldigde rechten, heffingen en belastingen, overeenkomstig punt 4, wanneer deze dient ter dekking van de regeling extern communautair douanevervoer van goederen: - die in de Gemeenschap zijn ingevoerd, - die voorkomen op de lijst in bijlage 53, - en die het voorwerp vormen van een bijzondere inlichting van de Commissie betreffende douanevervoer met een verhoogd risico tot fraude, met name in het kader van de toepassing van de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1468/81. De douaneautoriteiten van de Lid-Staten kunnen echter toestaan dat de doorlopende zekerheid slechts 50 % bedraagt van het bedrag van de verschuldigde rechten, heffingen en belastingen voor personen: - die gevestigd zijn in de Lid-Staat waar de zekerheid wordt gesteld; - die niet slechts incidenteel van de regeling communautair douanevervoer gebruik maken; - die, gezien hun financiële situatie, hun verbintenissen kunnen nakomen, en - die geen ernstige inbreuk op de douane- of belastingwetgeving hebben gepleegd. Bij toepassing van deze alinea, brengt het kantoor van zekerheidstelling in vak 7 van het in artikel 359, lid 3, bedoelde certificaat van borgtocht een van de volgende aantekeningen aan: - aplicación del punto 2 del artículo 361 del Reglamento (CEE) n° 2454/93, - anvendelse af artikel 361, nr. 2, i forordning (EOEF) nr. 2454/93, - Anwendung von Artikel 361 Nummer 2 der Verordnung (EWG) Nr. 2454/93, - AAoeáñìïãÞ ôïõ UEñèñïõ 361 óçìaassï 2 aeaaýôaañï aaaeUEoeéï ôïõ êáíïíéóìïý (AAÏÊ) áñéè. 2454/93, - application of Article 361 (2) of Regulation (EEC) No 2454/93, - application de l'article 361 point 2 du règlement (CEE) n° 2454/93, - applicazione dell'articolo 361, punto 2 del regolamento (CEE) n. 2454/93, - toepassing van artikel 361, punt 2, van Verordening (EEG) nr. 2454/93, - aplicação do ponto 2 do artigo 361° do Regulamento (CEE) n° 2454/93. 3. Wanneer de aangifte voor communautair douanevervoer ook op andere dan de in punt 2 bedoelde goederen betrekking heeft, is het bepaalde ten aanzien van het bedrag van de doorlopende zekerheid van toepassing alsof voor iedere categorie goederen afzonderlijk aangifte is gedaan. Er wordt echter geen rekening gehouden met de aanwezigheid van goederen van een van beide categorieën indien de hoeveelheid of de waarde ervan relatief gering is. 4. Met het oog op de toepassing van dit artikel gaat het kantoor van zekerheidstelling over tot een raming, die betrekking heeft op een periode van één week, van: - de zendingen die hebben plaatsgevonden, - de verschuldigde rechten, heffingen en belastingen waarbij rekening wordt gehouden met het hoogste bedrag dat in een van de betrokken landen verschuldigd kan worden. Deze raming wordt gemaakt op grond van de handels- en boekhoudkundige documentatie van de belanghebbende met betrekking tot de tijdens het afgelopen jaar vervoerde goederen; het verkregen bedrag wordt vervolgens gedeeld door 52. In het geval van een in het beroep beginnende ondernemer maakt het kantoor van zekerheidstelling, in samenwerking met de belanghebbende, een raming van de hoeveelheden, de waarde en de heffingen welke van toepassing zijn op de goederen die tijdens een bepaalde periode vervoerd zullen worden, op basis van de reeds beschikbare gegevens. Het kantoor van zekerheidstelling stelt, door middel van extrapolatie, de te verwachten waarde en de verschuldigde belastingen vast van de goederen die gedurende een periode van één week vervoerd zullen worden. Het bureau waar de zekerheid is gesteld, moet overgaan tot een jaarlijks onderzoek van het bedrag van de doorlopende zekerheid, waarbij vooral rekening dient te worden gehouden met de inlichtingen die verkregen zijn van de kantoren van vertrek, en zo nodig het bedrag aanpassen. Artikel 362 1. De doorlopende zekerheid wordt gesteld bij een kantoor van zekerheidstelling. 2. Het kantoor van zekerheidstelling stelt het bedrag van de borgtocht vast, aanvaardt de verbintenis van de borg en verleent een voorafgaande toestemming op grond waarvan de aangever, binnen de grenzen van de borgtocht, elk communautair douanevervoer kan verrichten, ongeacht het kantoor van vertrek. 3. Aan een ieder die voorafgaande toestemming heeft verkregen, wordt, onder de bij de artikelen 363 tot en met 366 vastgestelde voorwaarden, in een of meer exemplaren, een certificaat van borgtocht afgegeven. Dit certificaat wordt gesteld op een formulier dat overeenstemt met het model in bijlage 51. 4. Elk document T 1 bevat een verwijzing naar dit certificaat van borgtocht. 5. Het kantoor van zekerheidstelling kan de voorafgaande toestemming intrekken wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die golden op het tijdstip waarop zij werd verleend. Artikel 363 1. Bij de afgifte van het certificaat van borgtocht of op enig ander ogenblik tijdens de geldigheidsduur van dit certificaat vermeldt de aangever, onder zijn verantwoordelijkheid, op de achterzijde van het certificaat welke personen hij heeft gemachtigd in zijn naam aangiften voor communautair douanevervoer te ondertekenen. Elke vermelding omvat de naam en de voornaam van de gevolmachtigde en een voorbeeld van diens handtekening. Elke vermelding van een gevolmachtigde wordt door de aangever ondertekend. Het staat de aangever vrij de vakken die hij niet wenst te gebruiken, onbruikbaar te maken. 2. De aangever kan de vermelding van de naam van een gevolmachtigde op de achterzijde van het certificaat te allen tijde ongedaan maken. Artikel 364 Elke persoon die op de achterzijde van een aan een kantoor van vertrek overgelegd certificaat van borgtocht is vermeld, wordt geacht gevolmachtigd vertegenwoordiger van de aangever te zijn. Artikel 365 De geldigheidsduur van het certificaat van borgtocht bedraagt ten hoogste twee jaar. Deze geldigheidsduur kan echter door het kantoor van zekerheidstelling eenmaal met een nieuwe termijn van niet meer dan twee jaar worden verlengd. Artikel 366 Bij opzegging van de overeenkomst van borgtocht is de aangever gehouden alle nog geldige certificaten van borgtocht die aan hem zijn afgegeven onverwijld in te leveren bij het kantoor van zekerheidstelling. De Lid-Staten delen de Commissie de gegevens mede van de geldige, niet ingeleverde certificaten. De Commissie geeft hiervan kennis aan de andere Lid-Staten. Onderafdeling 3 Forfaitaire zekerheidstelling Artikel 367 1. Iedere Lid-Staat kan toestaan dat de borg per aangifte, bij één enkele akte en voor een vast bedrag van 7 000 ecu, de betaling waarborgt van de rechten en andere heffingen die eventueel verschuldigd worden naar aanleiding van communautair douanevervoer dat onder zijn aansprakelijkheid plaatsvindt, ongeacht de persoon van de aangever. Deze bepaling is van toepassing onverminderd artikel 368. 2. De forfaitaire zekerheid wordt gesteld bij een kantoor van zekerheidstelling. Artikel 368 1. Afgezien van de in de leden 2 en 3 bedoelde gevallen mag het kantoor van vertrek geen hogere zekerheid eisen dan het forfaitaire bedrag van 7 000 ecu per aangifte voor communautair douanevervoer, ongeacht het bedrag van de rechten en andere heffingen die van toepassing zijn op de goederen waarop een bepaalde aangifte betrekking heeft. 2. Wanneer het vervoer van goederen wegens bijzondere omstandigheden een verhoogd risico met zich brengt waardoor de zekerheid van 7 000 ecu onvoldoende is, eist het kantoor van vertrek een hogere zekerheid die het veelvoud van 7 000 ecu bedraagt dat nodig is als zekerheid voor de hoeveelheid te verzenden goederen. 3. Het vervoer van de in bijlage 52 genoemde goederen geeft aanleiding tot een verhoging van het forfaitaire bedrag, indien de hoeveelheid te vervoeren goederen groter is dan de hoeveelheid die overeenkomt met het forfaitaire bedrag van 7 000 ecu. In dat geval wordt het forfaitaire bedrag gebracht op het veelvoud van 7 000 ecu dat nodig is als zekerheid voor de hoeveelheid te verzenden goederen. 4. In de in de leden 2 en 3 bedoelde gevallen moet de aangever bij het kantoor van vertrek het met het geëiste veelvoud van 7 000 ecu overeenkomende aantal bewijzen van forfaitaire zekerheidstelling inleveren. Artikel 369 1. Wanneer de aangifte voor communautair douanevervoer ook op andere goederen dan die welke in de in bijlage 52 vermelde lijst zijn opgenomen, betrekking heeft, worden de bepalingen inzake de forfaitaire zekerheidstelling toegepast alsof voor beide categorieën goederen afzonderlijk aangifte wordt gedaan. 2. Wanneer de waarde of de hoeveelheid van een van beide categorieën goederen betrekkelijk gering is, wordt, in afwijking van lid 1, met deze categorie geen rekening gehouden. Artikel 370 1. De aanvaarding van de verbintenis van de borg door het kantoor van zekerheidstelling betekent dat de borg gemachtigd is, onder de in de akte van borgtocht vastgestelde voorwaarden, het vereiste bewijs of de vereiste bewijzen van forfaitaire zekerheidstelling af te geven aan personen die vanuit het kantoor van vertrek van hun keuze als aangever communautair douanevervoer willen verrichten. 2. Het formulier waarop het bewijs van forfaitaire zekerheidstelling wordt gesteld, stemt overeen met het model in bijlage 54. De vermeldingen op de achterzijde van dit model mogen echter ook op de voorzijde voorkomen, in het bovenste deel vóór de vermelding "Afgegeven door"; de overige daarna volgende vermeldingen blijven ongewijzigd. 3. Per bewijs van forfaitaire zekerheidstelling verbindt de borg zich tot een bedrag van 7 000 ecu. 4. Onverminderd de artikelen 368 en 371 mag de aangever per bewijs van forfaitaire zekerheidstelling eenmaal communautair douanevervoer verrichten. Het bij het kantoor van vertrek ingeleverde bewijs wordt aldaar bewaard. Artikel 371 De borg kan bewijzen van forfaitaire zekerheidstelling afgeven: - die niet geldig zijn voor het communautair douanevervoer van de in bijlage 52 genoemde goederen, en - die tot maximaal zeven bewijzen per vervoermiddel in de zin van artikel 347, lid 2, kunnen worden gebruikt voor andere dan de bij het eerste streepje bedoelde goederen. Daartoe brengt de borg op het bewijs of de bewijzen van forfaitaire zekerheidstelling die hij afgeeft, diagonaal en in hoofdletters, een van de volgende aantekeningen aan: - VALIDEZ LIMITADA; APLICACIÓN DEL ARTÍCULO 371 DEL REGLAMENTO (CEE) N° 2454/93, - BEGRAENSET GYLDIGHED - ARTIKEL 371, I FORORDNING (EOEF) Nr. 2454/93, - BESCHRAENKTE GELTUNG - ARTIKEL 371 DER VERORDNUNG (EWG) Nr. 2454/93, - ÐAAÑÉÏÑÉÓÌAAÍÇ ÉÓ×ÕÓ: AAOEÁÑÌÏÃÇ ÔÏÕ ÁÑÈÑÏÕ 371 ÔÏÕ ÊÁÍÏÍÉÓÌÏÕ (AAÏÊ) áñéè. 2454/93, - LIMITED VALIDITY - APPLICATION OF ARTICLE 371 OF REGULATION (EEC) No 2454/93, - VALIDITÉ LIMITÉE - APPLICATION DE L'ARTICLE 371 DU RÈGLEMENT (CEE) N° 2454/93, - VALIDITÀ LIMITATA - APPLICAZIONE DELL'ARTICOLO 371 DEL REGOLAMENTO (CEE) N. 2454/93, - BEPERKTE GELDIGHEID - TOEPASSING VAN ARTIKEL 371 VAN VERORDENING (EEG) Nr. 2454/93, - VALIDADE LIMITADA; APLICAÇÃO DO ARTIGO 371° DO REGULAMENTO (CEE) N° 2454/93. Artikel 372 De opzegging van een overeenkomst van borgtocht wordt door de Lid-Staat waaronder het kantoor van zekerheidstelling ressorteert, onverwijld aan de overige Lid-Staten medegedeeld. Onderafdeling 4 Zekerheid per aangifte Artikel 373 1. Wanneer per aangifte voor communautair douanevervoer zekerheid wordt gesteld, geschiedt dit bij het kantoor van vertrek. Dit kantoor stelt het bedrag van de zekerheid vast. 2. De in lid 1 bedoelde zekerheid kan in geld worden gesteld bij het kantoor van vertrek. In dat geval wordt zij terugbetaald wanneer het document T 1 bij het kantoor van vertrek wordt aangezuiverd. Onderafdeling 5 Gemeenschappelijke bepaling voor de onderafdelingen 1 tot en met 4 Artikel 374 In aanvulling op het in artikel 199, lid 1, van het Wetboek bedoelde geval is de borg eveneens van zijn verplichtingen ontslagen na het verstrijken van een termijn van twaalf maanden na de datum van geldigmaking van de aangifte T 1, indien hij niet door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van vertrek in kennis is gesteld van de niet-zuivering van het document T 1. Wanneer de borg, binnen de in de eerste alinea bedoelde termijn, door de douaneautoriteiten in kennis wordt gesteld van de niet-zuivering van het document T 1, wordt hem bovendien medegedeeld dat hij verplicht is of verplicht kan worden de bedragen te voldoen waarvoor hij ten aanzien van het betrokken communautair douanevervoer aansprakelijk is. Deze kennisgeving dient binnen een termijn van drie jaar na geldigmaking van de aangifte T 1 aan de borg te worden gedaan. Indien hij deze kennisgeving niet binnen bovengenoemde termijn ontvangt, is de borg eveneens van zijn verplichtingen ontslagen. Onderafdeling 6 Vrijstelling van zekerheidstelling Artikel 375 1. Ten einde vrijstelling te verkrijgen van de verplichting tot zekerheidstelling bij communautair douanevervoer, gaat de belanghebbende een verbintenis aan overeenkomstig artikel 95, lid 2, onder e), van het Wetboek en het model in de bijlage 55. 2. Wanneer de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of gebruiken zulks vereisen, kan elke Lid-Staat toestaan dat de verbintenis van de belanghebbende in een andere vorm wordt aangegaan, mits deze dezelfde gevolgen heeft als de als model opgenomen verbintenis. Artikel 376 1. De vrijstelling van de verplichting tot zekerheidstelling geldt overeenkomstig artikel 95, lid 3, van het Wetboek, niet voor goederen: a) waarvan de totale waarde meer dan 100 000 ecu per zending bedraagt, of b) die als goederen welke een verhoogd risico met zich brengen, op de in bijlage 56 opgenomen lijst voorkomen. 2. De ontheffing van de verplichting tot zekerheidstelling wordt niet toegepast in het geval dat, overeenkomstig de bepalingen van artikel 360, het aanspreken van het doorlopende krediet verboden is. Artikel 377 1. Bij vrijstelling van de verplichting tot zekerheidstelling wordt op de desbetreffende aangifte voor communautair douanevervoer T 1 verwezen naar het in artikel 95, lid 4, van het Wetboek bedoelde certificaat. 2. Het certificaat inzake vrijstelling wordt gesteld op een formulier dat overeenstemt met het model in bijlage 57. 3. Bij de afgifte van het certificaat inzake vrijstelling van zekerheidstelling of op enig ander ogenblik tijdens de geldigheidsduur van dit certificaat vermeldt de aangever, onder zijn verantwoordelijkheid, op de achterzijde van het certificaat welke personen hij heeft gemachtigd in zijn naam aangiften voor communautair douanevervoer te ondertekenen. Elke vermelding omvat de naam en de voornaam van de gevolmachtigde en een voorbeeld van diens handtekening. Elke vermelding van een gevolmachtigde wordt door de aangever ondertekend. Het staat de aangever vrij de vakken die hij niet wenst te gebruiken, onbruikbaar te maken. De aangever kan de vermelding van de naam van een gevolmachtigde op de achterzijde van het certificaat te allen tijde ongedaan maken. 4. Elke persoon die is vermeld op de achterzijde van een aan een kantoor van vertrek overgelegd certificaat inzake vrijstelling van zekerheidstelling wordt geacht de gevolmachtigde vertegenwoordiger van de aangever te zijn. 5. De geldigheidsduur van het certificaat inzake vrijstelling van zekerheidstelling bedraagt ten hoogste twee jaar. Deze geldigheidsduur kan echter door de autoriteiten die de vrijstelling hebben verleend, eenmaal met een nieuwe termijn van niet meer dan twee jaar worden verlengd. 6. Bij intrekking van de vrijstelling van zekerheidstelling is de aangever gehouden alle nog geldige certificaten inzake vrijstelling van zekerheidstelling die aan hem zijn afgegeven, onverwijld in te leveren bij de autoriteiten die de ontheffing hebben verleend. De Lid-Staten delen de Commissie de gegevens mede van de geldige niet ingeleverde certificaten. De Commissie geeft hiervan kennis aan de andere Lid-Staten. Afdeling 3 Onregelmatigheden en bewijs van de regelmatigheid van het douanevervoer Artikel 378 1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, wordt deze overtreding of onregelmatigheid, onverminderd artikel 215 van het Wetboek, geacht te zijn begaan: - in de Lid-Staat waaronder het kantoor van vertrek ressorteert, of - in de Lid-Staat waaronder het kantoor van doorgang bij binnenkomst in de Gemeenschap ressorteert en waaraan een kennisgeving van doorgang is afgegeven, tenzij, binnen een nader te bepalen termijn als voorzien in artikel 379, lid 2, ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan. 2. Indien, bij gebreke van een dergelijk bewijs, de overtreding of onregelmatigheid geacht blijft te zijn begaan in de Lid-Staat van vertrek of in de Lid-Staat van binnenkomst als bedoeld in lid 1, tweede streepje, worden de rechten en andere heffingen op de betrokken goederen door deze Lid-Staat volgens de communautaire of nationale bepalingen geïnd. 3. Indien, binnen drie jaar na geldigmaking van de aangifte T 1, kan worden vastgesteld in welke Lid-Staat de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, gaat deze Lid-Staat overeenkomstig de communautaire of nationale bepalingen over tot de inning van de rechten en heffingen op de betrokken goederen (met uitzondering van die welke overeenkomstig lid 2 als eigen middelen van de Gemeenschap werden geïnd). De aanvankelijk geïnde rechten en heffingen worden terugbetaald (met uitzondering van die welke als eigen middelen van de Gemeenschap werden geïnd) zodra het bewijs van deze inning is geleverd. 4. De zekerheid die ten behoeve van het communautair douanevervoer werd gesteld, wordt eerst vrijgegeven na afloop van voornoemde termijn van drie jaar, of eventueel na betaling van de rechten en heffingen die van toepassing zijn in de Lid-Staat waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om overtredingen en onregelmatigheden te bestrijden en daar doeltreffende sancties op te stellen. Artikel 379 1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, deelt het kantoor van vertrek dit zo spoedig mogelijk mede aan de aangever, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer. 2. In de in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt onder andere de termijn vermeld waarbinnen bij het kantoor van vertrek, ten genoegen van de douaneautoriteiten, het bewijs moet worden geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Deze termijn bedraagt drie maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het verstrijken van deze termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde Lid-Staat over tot de inning van het verschuldigde bedrag aan rechten en andere heffingen. In de gevallen waarin deze Lid-Staat niet de Lid-Staat is waarin het kantoor van vertrek is gelegen, stelt het kantoor van vertrek deze Lid-Staat daarvan onverwijld in kennis. Artikel 380 Het bewijs van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer in de zin van artikel 378, lid 1, wordt onder meer ten genoegen van de douaneautoriteiten geleverd: a) door overlegging van een door de douaneautoriteiten gewaarmerkt document, waarin wordt verklaard dat de betrokken goederen bij het kantoor van bestemming of, bij toepassing van artikel 406, bij de toegelaten geadresseerde werden aangebracht. Dit document dient de identificatie van de goederen te bevatten; of b) door overlegging van een in een derde land ter zake van de aangifte ten verbruik afgegeven douanedocument, dan wel een kopie of een fotokopie daarvan; deze kopie of fotokopie dient voor conform te worden gewaarmerkt, hetzij door de instantie die het origineel heeft geviseerd, hetzij door de autoriteiten van het betrokken derde land, hetzij door de autoriteiten van een Lid-Staat. Dit document dient de identificatie van de betrokken goederen te bevatten. HOOFDSTUK 5 Intern communautair douanevervoer Artikel 381 1. Voor het vervoer van goederen met toepassing van de regeling intern communautair douanevervoer wordt een aangifte T 2 ingediend. Onder aangifte T 2 wordt verstaan een aangifte gesteld op een formulier dat overeenstemt met het model in de bijlagen 31 tot en met 34 en dat overeenkomstig de toelichting in bijlage 37 wordt gebruikt. 2. Hoofdstuk 4 is van overeenkomstige toepassing op de regeling intern communautair douanevervoer. HOOFDSTUK 6 Gemeenschappelijke bepalingen voor de hoofdstukken 4 en 5 Artikel 382 1. Voor zendingen die zowel goederen omvatten die met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer worden vervoerd als goederen die met toepassing van de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd, kunnen bij een zelfde aangifteformulier voor communautair douanevervoer aanvullende formulieren worden gevoegd die respectievelijk van het teken "T 1 bis" of "T 2 bis" zijn voorzien. In dit geval wordt het teken "T" aangebracht in het rechter deelvak van vak 1 van dit aangifteformulier; de lege ruimte na het teken "T" wordt doorgehaald; bovendien worden de vakken 32 "Artikel nr.", 33 "Goederencode", 35 "Brutomassa (kg)", 38 "Nettomassa (kg)" en 44 "Bijzondere vermeldingen/Voorgelegde stukken/Certificaten en vergunningen" voor invulling ongeschikt gemaakt. De volgnummers van de aanvullende formulieren met het teken "T 1 bis" of "T 2 bis" worden vermeld in vak 31 "Colli en omschrijving van de goederen" van het gebruikte aangifteformulier voor communautair douanevervoer. 2. Indien het teken "T 1", "T 1 bis" of "T 2", "T 2 bis" niet voorkomt in het rechter deelvak van vak 1 van het gebruikte formulier of indien bij zendingen die zowel goederen omvatten die met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer als goederen die met toepassing van de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd, het bepaalde in lid 1 en in artikel 383 niet in acht is genomen, worden de onder geleide van dergelijke documenten vervoerde goederen geacht met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer te worden vervoerd. Voor de toepassing van de rechten of maatregelen bij uitvoer in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek worden deze goederen echter geacht met toepassing van de regeling intern communautair douanevervoer te worden vervoerd. Artikel 383 Voor zendingen die zowel goederen omvatten die met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer als goederen die met toepassing van de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd, worden voor elke categorie goederen afzonderlijke ladingslijsten opgesteld die bij een zelfde aangifteformulier voor communautair douanevervoer kunnen worden gevoegd. In dit geval wordt in het rechter deelvak van vak 1 van dit laatste formulier het teken "T" aangebracht; de lege ruimte na het teken "T" wordt doorgehaald; de vakken 15 "Land van verzending/uitvoer", 32 "Artikel nr.", 33 "Goederencode", 35 "Brutomassa (kg)", 38 "Nettomassa (kg)" en, in voorkomend geval, 44 "Bijzondere vermeldingen/Voorgelegde stukken/Certificaten en vergunningen" worden voor invulling ongeschikt gemaakt. In vak 31 "Colli en omschrijving van de goederen" van het gebruikte formulier worden de volgnummers van de ladingslijsten voor beide categorieën goederen vermeld. Artikel 384 Voor zover nodig doen de douaneautoriteiten van de Lid-Staten elkaar de vaststellingen, documenten, rapporten en processen-verbaal toekomen en verstrekken zij elkaar inlichtingen betreffende het vervoer dat met toepassing van de regeling communautair douanevervoer heeft plaatsgevonden; voorts doen zij elkaar mededeling van onregelmatigheden en overtredingen in verband met deze regeling. Artikel 385 De aangiften en de documenten voor communautair douanevervoer worden opgesteld in één van de officiële talen van de Gemeenschap die door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van vertrek wordt aanvaard. Deze bepaling is niet van toepassing op de bewijzen van forfaitaire zekerheidstelling. De douaneautoriteiten van een andere Lid-Staat waar de aangiften en documenten dienen te worden overgelegd, kunnen, zo nodig, de vertaling in de officiële taal of in één van de officiële talen van deze Lid-Staat verlangen. De douaneautoriteiten van de Lid-Staat waaronder het kantoor van zekerheidstelling ressorteert, bepalen in welke taal de certificaten van borgtocht worden opgesteld. De douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de vrijstelling van de verplichting tot zekerheidstelling wordt verleend, bepalen in welke taal de certificaten inzake vrijstelling worden opgesteld. Artikel 386 1. Het voor de formulieren van de ladingslijsten, de kennisgevingen van doorgang en de ontvangstbewijzen te gebruiken papier is zodanig gelijmd dat het goed te beschrijven is en weegt ten minste 40 g per m2; het is zo stevig dat het bij normaal gebruik niet scheurt of kreukt. 2. Het voor de formulieren van de bewijzen van zekerheidstelling voor een vast bedrag te gebruiken papier is houtvrij, zodanig gelijmd dat het goed te beschrijven is en weegt ten minste 55 g per m2. Het is voorzien van een rode, geguillocheerde onderdruk die elke vervalsing met behulp van mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt. 3. Het voor de formulieren van de certificaten van borgtocht en de certificaten van vrijstelling van zekerheidstelling te gebruiken papier is houtvrij en weegt ten minste 100 g per m2. Het is aan beide zijden voorzien van een geguillocheerde onderdruk, die elke vervalsing met mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt. Deze onderdruk is: - groen voor de certificaten van borgtocht; - lichtblauw voor de certificaten inzake vrijstelling van zekerheidstelling. 4. Het in de leden 1, 2 en 3 bedoelde papier is wit. Voor de in artikel 341, lid 2, bedoelde ladingslijsten wordt de keuze van de kleur van het papier evenwel aan de belanghebbenden overgelaten. Artikel 387 De afmetingen van de formulieren zijn: a) 210 × 297 mm voor de ladingslijsten, waarbij in de lengte een afwijking van ten hoogste 5 mm minder en 8 mm meer is toegestaan; b) 210 × 148 mm voor de kennisgevingen van doorgang en de certificaten van borgtocht en de certificaten inzake vrijstelling van zekerheidstelling; c) 148 × 105 mm voor de ontvangstbewijzen en de bewijzen van forfaitaire zekerheidstelling. Artikel 388 1. De formulieren van het bewijs van forfaitaire zekerheidstelling worden voorzien van de naam en het adres van de drukker of van een teken aan de hand waarvan deze kan worden geïdentificeerd. Deze formulieren zijn bovendien van volgnummers voorzien. 2. De Lid-Staten dragen zorg voor het drukken van de formulieren van de certificaten van borgtocht en van de certificaten inzake vrijstelling van zekerheidstelling. Elk certificaat wordt van een volgnummer voorzien. 3. De formulieren van de certificaten van borgtocht, van de certificaten inzake vrijstelling van zekerheidstelling en van de bewijzen van forfaitaire zekerheidstelling worden met de schrijfmachine of met behulp van een mecanografisch of soortgelijk procédé ingevuld. 4. De formulieren van de ladingslijsten, de kennisgevingen van doorgang en de ontvangstbewijzen worden met de schrijfmachine, met behulp van een mecanografisch of soortgelijk procédé of op duidelijk leesbare wijze met de hand, met inkt en in blokletters, ingevuld. 5. In de formulieren mogen geen doorhalingen of overschrijvingen voorkomen. Wijzigingen worden aangebracht door doorhaling van de onjuiste en, zo nodig, toevoeging van de gewenste gegevens. Elke aldus aangebrachte wijziging wordt goedgekeurd door degene die deze heeft aangebracht, en uitdrukkelijk door de douaneautoriteiten geviseerd. HOOFDSTUK 7 Vereenvoudigingsmaatregelen Afdeling 1 Vereenvoudigde procedure voor de afgifte van het document ten bewijze van het communautaire karakter van goederen Artikel 389 Onverminderd artikel 317, lid 4, kunnen de douaneautoriteiten van elke Lid-Staat een persoon, hierna "toegelaten afzender" genoemd, die aan de in artikel 390 gestelde voorwaarden voldoet en die het communautaire karakter wenst aan te tonen door middel van een document T 2 L van goederen overeenkomstig artikel 315, lid 1, of door middel van een van de in artikel 317 genoemde documenten, hierna "handelsdocumenten" genoemd, toestemming verlenen deze documenten te gebruiken zonder dat zij door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van vertrek behoeven te worden afgetekend. Artikel 390 1. De in artikel 389 bedoelde vergunning wordt slechts verleend aan personen die: a) veelvuldig goederen verzenden; b) een administratie voeren aan de hand waarvan de douaneautoriteiten de goederenbewegingen kunnen controleren, en d) geen ernstige of herhaalde inbreuken op de douane- of de belastingwetgeving hebben gepleegd. 2. De douaneautoriteiten kunnen de vergunning intrekken wanneer de toegelaten afzender niet meer aan de in lid 1 genoemde voorwaarden of aan de in deze afdeling of in de vergunning gestelde eisen voldoet. Artikel 391 1. In de door de douaneautoriteiten te verlenen vergunning wordt onder meer bepaald: a) welk kantoor is belast met de waarmerking vooraf, in de zin van artikel 392, lid 1, onder a), van de formulieren waarop de betrokken documenten worden gesteld; b) de wijze waarop de toegelaten afzender het gebruik van de genoemde formulieren moet rechtvaardigen. 2. De douaneautoriteiten stellen vast binnen welke termijn en op welke wijze de toegelaten afzender het bevoegde kantoor inlicht zodat dit kantoor vóór het vertrek van de goederen eventueel een controle kan verrichten. Artikel 392 1. In de vergunning wordt bepaald dat vak C "Kantoor van vertrek" aan de voorzijde van de formulieren die voor het opstellen van het document T 2 L en, zo nodig, van het (de) document(en) T 2 L bis worden gebruikt of dat de voorzijde van de betreffende handelsdocumenten: a) vooraf wordt voorzien van een afdruk van de stempel van het in artikel 391, lid 1, onder a), bedoelde kantoor en van de handtekening van een ambtenaar van dit kantoor, of b) door de toegelaten afzender wordt voorzien van de afdruk van de speciale, door de douaneautoriteiten aanvaarde metalen stempel die overeenstemt met het model in bijlage 62; deze stempelafdruk mag ook op de formulieren worden voorgedrukt wanneer deze door een daartoe gemachtigde drukkerij worden gedrukt. 2. Uiterlijk op het tijdstip van verzending van de goederen vult de toegelaten afzender het formulier in en ondertekent het. Bovendien vermeldt hij, in het voor controle door het kantoor van vertrek bestemde vak van het document T 2 L of op een duidelijk zichtbare plaats op het gebruikte handelsdocument, de naam van het bevoegde douanekantoor en de datum waarop het document is opgemaakt, en brengt daarop een van de volgende vermeldingen aan: - Procedimiento simplificado, - Forenklet fremgangsmaade, - Vereinfachtes Verfahren, - ÁðëïõóôaaõìÝíç aeéáaeéêáóssá, - Simplified procedure, - Procédure simplifiée, - Procedura semplificata, - Vereenvoudigde regeling, - Procedimento simplificado. 3. Het overeenkomstig lid 2 opgemaakte document dat door de toegelaten afzender is ondertekend, geldt als document ten bewijze van het communautaire karakter van de goederen. Artikel 393 1. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat de documenten T 2 L of de handelsdocumenten die van een afdruk van de speciale stempel als bedoeld in bijlage 62 zijn voorzien en die met behulp van een geïntegreerd systeem voor elektronische of geautomatiseerde gegevensverwerking zijn opgemaakt, niet door de toegelaten afzender worden ondertekend. Deze toestemming wordt eerst gegeven nadat de toegelaten afzender deze autoriteiten een schriftelijke verklaring heeft doen toekomen dat hij aansprakelijk is voor de rechtsgevolgen van de afgifte van alle documenten T 2 L of van alle handelsdocumenten die van de afdruk van de speciale stempel zijn voorzien. 2. Op de overeenkomstig lid 1 opgemaakte documenten T 2 L of de handelsdocumenten wordt in plaats van de handtekening van de toegelaten afzender één van de volgende vermeldingen aangebracht: - Dispensa de firma, - Fritaget for underskrift, - Freistellung von der Unterschriftsleistung, - AEaaí áðáéôaassôáé õðïãñáoeÞ, - Signature waived, - Dispense de signature, - Dispensa dalla firma, - Van ondertekening vrijgesteld, - Dispensada a assinatura. Artikel 394 De toegelaten afzender maakt een kopie van elk overeenkomstig deze afdeling afgegeven document T 2 L of handelsdocument. De douaneautoriteiten bepalen op welke wijze deze kopie ter controle wordt overgelegd en bewaard. Artikel 395 1. De toegelaten afzender is gehouden: a) de voorwaarden in deze afdeling en in de vergunning in acht te nemen; b) alle nodige maatregelen te treffen om de speciale stempel of de formulieren die van de stempelafdruk van het in artikel 391, lid 1, onder a), bedoelde kantoor of van de afdruk van de speciale stempel zijn voorzien, veilig te bewaren. 2. Bij misbruik, door wie dan ook, van formulieren die zijn bestemd voor het opmaken van documenten T 2 L of van handelsdocumenten die vooraf van het stempel van het in artikel 391, lid 1, onder a), bedoelde kantoor zijn voorzien of waarop de afdruk van de speciale stempel is aangebracht, is de toegelaten afzender, onverminderd eventuele strafrechtelijke vervolging, aansprakelijk voor de betaling van de rechten en andere heffingen welke in een bepaalde Lid-Staat ten gevolge van een dergelijk misbruik niet zijn betaald, tenzij hij de douaneautoriteiten die hem de vergunning hebben verleend, het bewijs levert dat hij de in lid 1, onder b), bedoelde maatregelen heeft getroffen. Artikel 396 De douaneautoriteiten van de Lid-Staat van verzending kunnen bepaalde categorieën goederen of bepaalde goederenbewegingen van de bij deze afdeling geboden faciliteiten uitsluiten. Afdeling 2 Vereenvoudiging van de formaliteiten voor douanevervoer bij de kantoren van vertrek en van bestemming Artikel 397 Wanneer de regeling communautair douanevervoer wordt toegepast, worden de formaliteiten voor deze regeling overeenkomstig deze afdeling vereenvoudigd. Deze afdeling geldt echter niet voor goederen waarop de artikelen 463 tot en met 470 van toepassing zijn. Onderafdeling 1 Formaliteiten bij het kantoor van vertrek Artikel 398 De douaneautoriteiten van elke Lid-Staat kunnen elke persoon, hierna "toegelaten afzender" genoemd, die aan de in artikel 399 gestelde voorwaarden voldoet en communautair douanevervoer wil verrichten, op zijn verzoek vergunning verlenen om noch de goederen noch de bijbehorende aangifte voor communautair douanevervoer bij het kantoor van vertrek aan te bieden. Artikel 399 1. De in artikel 398 bedoelde vergunning wordt slechts verleend aan personen die: a) veelvuldig goederen verzenden; b) een administratie voeren aan de hand waarvan de douaneautoriteiten de goederenbewegingen kunnen controleren; c) indien de bepalingen betreffende communautair douanevervoer in zekerheidstelling voorzien, een doorlopende zekerheid hebben gesteld, en die d) geen ernstige of herhaalde inbreuken op de douane- of de belastingwetgeving hebben gepleegd. 2. De douaneautoriteiten kunnen de vergunning intrekken wanneer de toegelaten afzender niet meer aan de in lid 1 genoemde voorwaarden of aan de in deze onderafdeling of in de vergunning gestelde eisen voldoet. Artikel 400 In de door de douaneautoriteiten te verlenen vergunning wordt onder meer bepaald: a) welke kantoren als kantoren van vertrek voor het te verrichten vervoer bevoegd zijn; b) binnen welke termijn en op welke wijze de toegelaten afzender het kantoor van vertrek over het te verrichten vervoer inlicht, zodat dit kantoor vóór het vertrek van de goederen eventueel een controle kan verrichten; c) binnen welke termijn de goederen aan het kantoor van bestemming dienen te worden aangebracht; d) welke identificatiemaatregelen dienen te worden genomen. Met het oog hierop kunnen de douaneautoriteiten voorschrijven dat de toegelaten afzender op de vervoermiddelen of de colli zegels van een speciaal model aanbrengt die door de douaneautoriteiten zijn aanvaard. Artikel 401 1. In de vergunning wordt bepaald dat het voor het kantoor van vertrek bestemde vak aan de voorzijde van de aangifteformulieren voor communautair douanevervoer: a) vooraf wordt voorzien van een afdruk van de stempel van het kantoor van vertrek en van de handtekening van een ambtenaar van dit kantoor, of b) door de toegelaten afzender wordt voorzien van de afdruk van een speciale, door de douaneautoriteiten aanvaarde metalen stempel die overeenstemt met het model in bijlage 62; deze stempelafdruk mag ook op de formulieren worden voorgedrukt wanneer deze door een daartoe gemachtigde drukkerij worden gedrukt. De toegelaten afzender vermeldt in dit vak de datum van verzending van de goederen en geeft de aangifte een nummer volgens de aanwijzingen in de vergunning. 2. De douaneautoriteiten kunnen het gebruik voorschrijven van formulieren die, om ze van andere formulieren te kunnen onderscheiden, van een speciaal teken zijn voorzien. Artikel 402 1. Uiterlijk op het tijdstip van verzending van de goederen vult de toegelaten afzender de reeds ingevulde aangifte voor communautair douanevervoer aan door op de voorzijde van de exemplaren nrs. 1 en 4, in het vak "Controle door het kantoor van vertrek", de termijn waarbinnen de goederen aan het kantoor van bestemming moeten worden aangebracht en de toegepaste identificatiemaatregelen te vermelden en in dit vak één van de volgende vermeldingen aan te brengen: - Procedimiento simplificado, - Forenklet fremgangsmaade, - Vereinfachtes Verfahren, - ÁðëïõóôaaõìÝíç aeéáaeéêáóssá, - Simplified procedure, - Procédure simplifiée, - Procédura semplificata, - Vereenvoudigde regeling, - Procedimento simplificado. 2. Na de verzending van de goederen wordt exemplaar nr. 1 onverwijld naar het kantoor van vertrek gezonden. De douaneautoriteiten kunnen in de vergunning voorschrijven dat exemplaar nr. 1 naar het kantoor van vertrek wordt gezonden zodra de aangifte voor communautair douanevervoer is opgemaakt. De overige exemplaren begeleiden de goederen onder de in de artikelen 341 tot en met 380 gestelde voorwaarden. 3. Indien de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van vertrek bij het vertrek van een zending een controle instellen, tekenen zij het vak "Controle door het kantoor van vertrek" op de voorzijde van de exemplaren nrs. 1 en 4 van de aangifte voor communautair douanevervoer af. Artikel 403 De naar behoren ingevulde aangifte voor communautair douanevervoer die is aangevuld met de in artikel 402, lid 1, voorgeschreven vermeldingen, geldt als document voor extern respectievelijk intern communautair douanevervoer en de toegelaten afzender die de aangifte heeft ondertekend, geldt als aangever. Artikel 404 1. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat de aangiften voor communautair douanevervoer die van een afdruk van de speciale stempel als bedoeld in bijlage 62 zijn voorzien en die met behulp van een geïntegreerd systeem voor elektronische of geautomatiseerde gegevensverwerking zijn opgemaakt, niet door de toegelaten afzender worden ondertekend. Deze toestemming wordt eerst gegeven nadat de toegelaten afzender deze autoriteiten een schriftelijke verklaring heeft doen toekomen dat hij aanvaardt als aangever te gelden voor alle verrichtingen inzake communautair douanevervoer die plaatsvinden onder geleide van documenten voor communautair douanevervoer die van de afdruk van de speciale stempel zijn voorzien. 2. Op de overeenkomstig lid 1 opgemaakte documenten voor communautair douanevervoer wordt in het voor de handtekening van de aangever bestemde vak, één van de volgende vermeldingen aangebracht: - Dispensa de firma, - Fritaget for underskrift, - Freistellung von der Unterschriftsleistung, - AEaaí áðáéôaassôáé õðïãñáoeÞ, - Signature waived, - Dispense de signature, - Dispensa dalla firma, - Van ondertekening vrijgesteld, - Dispensada a assinatura. Artikel 405 1. De toegelaten afzender is gehouden: a) de voorwaarden in deze onderafdeling en in de vergunning in acht te nemen; b) alle nodige maatregelen te treffen om de speciale stempel of de formulieren die van de stempelafdruk van het kantoor van vertrek of van de afdruk van de speciale stempel zijn voorzien, veilig te bewaren. 2. Bij misbruik, door wie dan ook, van formulieren die vooraf van de stempelafdruk van het kantoor van vertrek zijn voorzien of waarop de afdruk van de speciale stempel is aangebracht, is de toegelaten afzender, onverminderd eventuele strafrechtelijke vervolging, aansprakelijk voor de betaling van de rechten en andere heffingen welke in een bepaalde Lid-Staat verschuldigd zijn geworden en die betrekking hebben op de goederen die onder geleide van die formulieren werden vervoerd, tenzij hij de douaneautoriteiten die hem de vergunning hebben verleend, het bewijs levert dat hij de in lid 1, onder b), bedoelde maatregelen heeft getroffen. Onderafdeling 2 Formaliteiten bij het kantoor van bestemming Artikel 406 1. De douaneautoriteiten van elke Lid-Staat kunnen toestaan dat goederen die met toepassing van een regeling communautair douanevervoer worden vervoerd, niet aan het kantoor van bestemming worden aangeboden wanneer zij zijn bestemd voor een persoon die aan de voorwaarden in artikel 407 voldoet, hierna "toegelaten geadresseerde" genoemd, en aan wie door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waaronder het kantoor van bestemming ressorteert, vooraf vergunning is verleend. 2. In het in lid 1 bedoelde geval heeft de aangever aan de ingevolge artikel 96, lid 1, onder a), van het Wetboek op hem rustende verplichtingen voldaan zodra de goederen in ongewijzigde staat en de daarbij behorende exemplaren van het document voor communautair douanevervoer binnen de gestelde termijn en met inachtneming van de getroffen identificatiemaatregelen door de toegelaten geadresseerde in diens bedrijfsruimte of op de in de vergunning aangewezen plaatsen in ontvangst zijn genomen. 3. Voor elke zending die de toegelaten geadresseerde onder de in lid 2 bedoelde omstandigheden in ontvangst neemt, geeft hij, op verzoek van de vervoerder, een ontvangstbewijs af waarin hij verklaart dat hij het document en de goederen heeft ontvangen. Artikel 407 1. De in artikel 406 bedoelde vergunning wordt slechts verleend aan personen die: a) veelvuldig onder de regeling communautair douanevervoer geplaatste zendingen ontvangen; b) een administratie voeren aan de hand waarvan de douaneautoriteiten de goederenbewegingen kunnen controleren, en die c) geen ernstige of herhaalde inbreuken op de douane- of de belastingwetgeving hebben gepleegd. 2. De douaneautoriteiten kunnen de vergunning intrekken wanneer de toegelaten geadresseerde niet meer aan de in lid 1 genoemde voorwaarden of aan de in deze onderafdeling of in de vergunning gestelde eisen voldoet. Artikel 408 1. In de door de douaneautoriteiten te verlenen vergunning wordt onder meer bepaald: a) welke kantoren als kantoren van bestemming bevoegd zijn voor de zendingen die de toegelaten geadresseerde ontvangt; b) binnen welke termijn en op welke wijze de toegelaten geadresseerde het kantoor van bestemming van de aankomst der goederen op de hoogte brengt, zodat dit kantoor bij de aankomst der goederen eventueel een controle kan verrichten. 2. Onverminderd artikel 410 geven de douaneautoriteiten in de vergunning aan of de toegelaten geadresseerde zonder tussenkomst van het kantoor van bestemming over de goederen mag beschikken zodra deze zijn aangekomen. Artikel 409 1. Ten aanzien van de zendingen die in zijn bedrijfsruimte of op de in de vergunning aangewezen plaatsen aankomen, is de toegelaten geadresseerde gehouden: a) het kantoor van bestemming onverwijld, op de in de vergunning voorgeschreven wijze, van eventuele overschotten, tekorten, verwisselingen of andere onregelmatigheden, zoals geschonden zegels, in kennis te stellen; b) de exemplaren van het document voor communautair douanevervoer die de zending hebben begeleid, onverwijld naar het kantoor van bestemming te zenden, onder opgave van de datum van aankomst en van de staat waarin de eventueel aangebrachte zegels zich bevonden. 2. Het kantoor van bestemming brengt op die exemplaren van het document voor communautair douanevervoer de voorgeschreven aantekeningen aan. Onderafdeling 3 Overige bepalingen Artikel 410 De douaneautoriteiten van de Lid-Staat van vertrek of van bestemming kunnen bepaalde categorieën goederen van de in de artikelen 398 en 406 geboden faciliteiten uitsluiten. Artikel 411 1. Wanneer de ontheffing van de verplichting om de aangifte voor communautair douanevervoer op het kantoor van vertrek over te leggen betrekking heeft op goederen die zijn bestemd om, overeenkomstig de artikelen 413 tot en met 442, onder geleide van een vrachtbrief CIM of een overdrachtsformulier TR, te worden verzonden, zien de douaneautoriteiten erop toe dat het teken "T 1" of "T 2", al naar gelang van het geval, op de exemplaren nrs. 1, 2 en 3 van de vrachtbrief CIM of op de exemplaren nrs. 2, 3 A en 3 B van het overdrachtsformulier TR wordt aangebracht. 2. Wanneer de overeenkomstig de artikelen 413 tot en met 442 vervoerde goederen voor een toegelaten geadresseerde zijn bestemd, kunnen de douaneautoriteiten voorschrijven dat, in afwijking van artikel 406, lid 2, en artikel 409, lid 1, onder b), de exemplaren nrs. 2 en 3 van de vrachtbrief CIM of de exemplaren nrs. 1, 2 en 3 A van het overdrachtsformulier TR rechtstreeks door de spoorwegmaatschappij of de vervoersonderneming bij het kantoor van bestemming worden ingeleverd. Afdeling 3 Vereenvoudiging van de formaliteiten voor goederen die per spoor worden vervoerd Onderafdeling 1 Algemene bepalingen betreffende het vervoer per spoor Artikel 412 Artikel 352 is niet van toepassing op het vervoer van goederen per spoor. Wanneer, overeenkomstig artikel 352, lid 2, nog een kennisgeving van doorgang moet worden afgegeven, vervangt de door de spoorwegmaatschappijen gevoerde administratie deze kennisgeving van doorgang. Artikel 413 Wanneer de regeling communautair douanevervoer van toepassing is, worden de formaliteiten in verband met deze regeling vereenvoudigd overeenkomstig de artikelen 414 tot en met 425, 441 en 442 voor het door spoorwegmaatschappijen verrichte vervoer onder geleide van een "vrachtbrief CIM en expresgoed", hierna "vrachtbrief CIM" genoemd. Artikel 414 De vrachtbrief CIM geldt: a) als aangifte of document T 1 voor goederen die met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer worden vervoerd, b) als aangifte of document T 2 voor goederen die met toepassing van de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd. Artikel 415 De spoorwegmaatschappij van elke Lid-Staat houdt de administratie in haar centrale kantoor (kantoren) ter inzage van de douaneautoriteiten van haar land, zodat deze daar de nodige controles kunnen verrichten. Artikel 416 1. De spoorwegmaatschappij die goederen met een vrachtbrief CIM, die als aangifte of document T 1 dan wel T 2 dienst doet, ten vervoer aanneemt, geldt voor dit vervoer als de aangever. 2. De spoorwegmaatschappij van de Lid-Staat over het grondgebied waarvan goederen de Gemeenschap binnenkomen, geldt als aangever voor het vervoer van goederen die door de spoorwegen van een derde land ten vervoer zijn aangenomen. Artikel 417 De spoorwegmaatschappijen dragen er zorg voor dat zendingen die onder de regeling communautair douanevervoer worden vervoerd, gekenmerkt worden door middel van etiketten met een pictogram waarvan het model in bijlage 58 is opgenomen. De etiketten worden aangebracht op de vrachtbrief CIM, alsmede op de wagon, indien het een wagonlading betreft, of op het collo of de colli in andere gevallen. Artikel 418 In geval van wijziging van de vervoersovereenkomst ten einde: - een vervoer binnen in plaats van buiten het douanegebied van de Gemeenschap te beëindigen; - een vervoer buiten in plaats van binnen het douanegebied van de Gemeenschap te beëindigen, mogen de spoorwegmaatschappijen de gewijzigde overeenkomst slechts met voorafgaande toestemming van het kantoor van vertrek ten uitvoer brengen. In alle andere gevallen mogen de spoorwegmaatschappijen de gewijzigde overeenkomst ten uitvoer brengen; zij stellen het kantoor van vertrek onverwijld van de wijziging in kennis. Artikel 419 1. Wanneer een vervoersbeweging onder de regeling communautair douanevervoer binnen de Gemeenschap begint en dient te eindigen, wordt de vrachtbrief CIM bij het kantoor van vertrek overgelegd. 2. Het kantoor van vertrek brengt in het voor de douane bestemde vak van de exemplaren nrs. 1, 2 en 3 van de vrachtbrief CIM op duidelijk zichtbare wijze: - het teken "T 1" aan, indien de goederen met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer worden vervoerd; - het teken "T 2", "T 2 ES" of "T 2 PT" aan, al naar gelang van het geval, indien de goederen met toepassing van de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd overeenkomstig artikel 311, onder b), en artikel 165 van het Wetboek. Het teken "T 2" of "T 2 ES" of "T 2 PT" wordt door middel van het stempel van het kantoor van vertrek gewaarmerkt. 3. Alle exemplaren van de vrachtbrief CIM worden aan de belanghebbende teruggegeven. 4. De in artikel 311, onder a), bedoelde goederen worden, op de door elke Lid-Staat vast te stellen wijze, voor het gehele traject tussen de in het douanegebied van de Gemeenschap gelegen stations van vertrek en van bestemming onder de regeling intern communautair douanevervoer geplaatst zonder dat de voor deze goederen opgestelde vrachtbrief CIM bij het kantoor van vertrek behoeft te worden overgelegd en zonder dat de in artikel 417 bedoelde etiketten behoeven te worden aangebracht. Deze ontheffing van de verplichting tot overlegging geldt evenwel niet voor vrachtbrieven CIM die betrekking hebben op goederen waarop de artikelen 463 tot en met 470 van toepassing zijn. 5. Voor de in lid 2 bedoelde goederen vervult het douanekantoor waaronder het station van bestemming ressorteert, de functie van kantoor van bestemming. Indien de goederen echter in een tussenstation in het vrije verkeer worden gebracht of onder een andere douaneregeling worden geplaatst, vervult het kantoor waaronder dit station ressorteert de functie van kantoor van bestemming. Bij het kantoor van bestemming behoeft ten aanzien van de in artikel 311, onder a), bedoelde goederen geen enkele formaliteit te worden vervuld. 6. Ten behoeve van de in artikel 415 bedoelde controle houdt de spoorwegmaatschappij alle vrachtbrieven CIM die betrekking hebben op het in lid 4 bedoelde douanevervoer in het land van bestemming ter beschikking van de douaneautoriteiten, in voorkomend geval op de wijze die in onderling overleg met deze autoriteiten is vastgesteld. 7. Wanneer communautaire goederen per spoor worden vervoerd van een plaats in een Lid-Staat naar een plaats in een andere Lid-Staat over het grondgebied van een derde land dat geen EVA-land is, wordt de regeling intern communautair douanevervoer toegepast. In dit geval zijn de leden 4, 5, tweede alinea, en 6 van overeenkomstige toepassing. Artikel 420 Rekening houdend met de door de spoorwegmaatschappijen toegepaste identificatiemaatregelen, worden de vervoermiddelen of de colli in het algemeen niet door het kantoor van vertrek verzegeld. Artikel 421 1. In de gevallen bedoeld in artikel 419, lid 5, eerste alinea, levert de spoorwegmaatschappij van de Lid-Staat waaronder het kantoor van bestemming ressorteert, bij dit kantoor de exemplaren nrs. 2 en 3 van de vrachtbrief CIM in. 2. Het kantoor van bestemming geeft exemplaar nr. 2 na aftekening onverwijld aan de spoorwegmaatschappij terug en behoudt exemplaar nr. 3. Artikel 422 1. Wanneer een vervoersbeweging binnen het douanegebied van de Gemeenschap begint en daarbuiten dient te eindigen, zijn de artikelen 419 en 420 van toepassing. 2. Het douanekantoor waaronder het grensstation ressorteert waarlangs het vervoer het douanegebied van de Gemeenschap verlaat, wordt aangemerkt als kantoor van bestemming. 3. Bij het kantoor van bestemming behoeft geen enkele formaliteit te worden vervuld. Artikel 423 1. Wanneer een vervoersbeweging buiten het douanegebied van de Gemeenschap begint en daarbinnen dient te eindigen, wordt het douanekantoor waaronder het grensstation ressorteert waarlangs het vervoer het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomt, als kantoor van vertrek aangemerkt. Bij het kantoor van vertrek behoeft geen enkele formaliteit te worden vervuld. 2. Het douanekantoor waaronder het station van bestemming ressorteert, wordt als kantoor van bestemming aangemerkt. Wanneer de goederen echter op een tussenstation in het vrije verkeer worden gebracht of onder een andere douaneregeling worden geplaatst, wordt het douanekantoor waaronder dit station ressorteert, als kantoor van bestemming aangemerkt. De bij artikel 421 voorgeschreven formaliteiten worden bij het kantoor van bestemming vervuld. Artikel 424 1. Wanneer een vervoersbeweging buiten het douanegebied van de Gemeenschap begint en dient te eindigen, worden het in artikel 423, lid 1, en het in artikel 422, lid 2, bedoelde kantoor als kantoor van vertrek respectievelijk als kantoor van bestemming aangemerkt. 2. Bij het kantoor van vertrek en bij het kantoor van bestemming behoeft geen enkele formaliteit te worden vervuld. Artikel 425 Het in artikel 423, lid 1, en artikel 424, lid 1, bedoelde vervoer van goederen wordt geacht met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer plaats te vinden, tenzij het communautaire karakter van de goederen overeenkomstig de artikelen 313 tot en met 340 wordt aangetoond. Onderafdeling 2 Vervoer met behulp van grote containers Artikel 426 Wanneer de regeling communautair douanevervoer van toepassing is, worden de formaliteiten in verband met deze regeling, overeenkomstig de artikelen 427 tot en met 442, vereenvoudigd, wanneer goederen door tussenkomst van vervoersondernemingen met behulp van grote containers per spoor worden vervoerd door spoorwegmaatschappijen onder geleide van een overdrachtsformulier, in deze titel "overdrachtsformulier TR" genoemd. Genoemd vervoer omvat, in voorkomend geval, het overbrengen van deze zendingen door de vervoersondernemingen, door middel van andere vervoerswijzen dan per spoor, in het land van verzending tot aan het in dat land gelegen station van vertrek, en in het land van bestemming vanaf het in dat land gelegen station van bestemming, alsmede het vervoer over zee tussen deze beide stations. Artikel 427 Voor de toepassing van de artikelen 426 tot en met 442 wordt verstaan onder: 1. "vervoersonderneming": een onderneming die de spoorwegmaatschappijen hebben opgericht in de vorm van een vennootschap, waarvan zij de vennoten zijn en die tot doel heeft goederen met behulp van grote containers onder geleide van "overdrachtsformulieren TR" te vervoeren; 2. "grote container": een container als bedoeld in artikel 670, onder g), - die op doeltreffende wijze kan worden verzegeld wanneer verzegeling overeenkomstig artikel 435 noodzakelijk is, en - waarvan de oppervlakte begrensd door de vier onderste buitenhoeken ten minste 7 m2 bedraagt; 3. "overdrachtsformulier TR": het document waarin de vervoersovereenkomst is vastgelegd op grond waarvan de vervoersonderneming in internationaal vervoer een of meer grote containers van een afzender naar een geadresseerde laat vervoeren. Het overdrachtsformulier TR is in de rechterbovenhoek van een volgnummer voorzien, dat uit acht cijfers bestaat, voorafgegaan door de letters "TR". Het overdrachtsformulier TR bestaat uit de volgende exemplaren, in volgorde van nummering: - nr. 1: exemplaar voor de algemene directie van de vervoersonderneming; - nr. 2: exemplaar voor de nationale vertegenwoordiger van de vervoersonderneming in het station van bestemming; - nr. 3 A: exemplaar voor de douane; - nr. 3 B: exemplaar voor de geadresseerde; - nr. 4: exemplaar voor de algemene directie van de vervoersonderneming; - nr. 5: exemplaar voor de nationale vertegenwoordiger van de vervoersonderneming in het station van vertrek; - nr. 6: exemplaar voor de afzender. Met uitzondering van exemplaar nr. 3 A is elk exemplaar van het overdrachtsformulier TR aan de rechterzijde voorzien van een groene band waarvan de breedte ongeveer 4 cm bedraagt; 4. "lijst van grote containers", hierna "lijst" genoemd: het document dat bij een overdrachtsformulier TR is gevoegd en waarvan het onlosmakelijk deel uitmaakt en dat dient ten geleide van verscheidene grote containers die van een zelfde station van vertrek naar een zelfde station van bestemming worden verzonden, waarbij de douaneformaliteiten in deze stations dienen te worden vervuld. De lijst wordt in evenveel exemplaren opgesteld als er overeenkomstige overdrachtsformulieren TR zijn. Het aantal lijsten wordt vermeld in het daarvoor bestemde vak in de rechterbovenhoek van het overdrachtsformulier TR. Tevens wordt in de rechterbovenhoek van elke lijst het volgnummer van het overeenkomstige overdrachtsformulier TR vermeld. Artikel 428 Het door de vervoersonderneming gebruikte overdrachtsformulier TR geldt: a) als aangifte of document T 1 voor goederen die met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer worden vervoerd; b) als aangifte of document T 2 voor goederen die met toepassing van de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd. Artikel 429 1. In elke Lid-Staat houdt de vervoersonderneming, door bemiddeling van haar nationale vertegenwoordiger(s), de administratie in haar centrale kantoor (kantoren) of in dat van haar nationale vertegenwoordiger(s), ter beschikking van de douaneautoriteiten, zodat deze de nodige controles kunnen verrichten. 2. De vervoersonderneming of haar nationale vertegenwoordiger(s) stelt (stellen) de douaneautoriteiten op hun verzoek zo spoedig mogelijk in kennis van alle documenten, boekhoudkundige bescheiden of inlichtingen betreffende zendingen die reeds vervoerd of nog onderweg zijn en waarvan deze autoriteiten kennis willen nemen. 3. Wanneer het overdrachtsformulier TR overeenkomstig artikel 428 als aangifte of document T 1 dan wel T 2 dienst doet, stelt (stellen) de vervoersonderneming of haar nationale vertegenwoordiger(s): a) de kantoren van bestemming ervan in kennis wanneer exemplaar nr. 1 van het overdrachtsformulier TR zonder aftekening door de douane bij haar is binnengekomen; b) de kantoren van vertrek ervan in kennis wanneer exemplaar nr. 1 van het overdrachtsformulier TR niet aan haar is teruggezonden, en met betrekking tot dat formulier niet kon worden vastgesteld of de zending op regelmatige wijze bij het kantoor van bestemming werd aangeboden dan wel, bij toepassing van artikel 437, of de zending het douanegebied van de Gemeenschap met als bestemming een derde land heeft verlaten. Artikel 430 1. Voor het in artikel 426 bedoelde vervoer dat door de vervoersonderneming in een Lid-Staat wordt aanvaard, geldt de spoorwegmaatschappij van die Lid-Staat als aangever. 2. Voor het in artikel 426 bedoelde vervoer dat door de vervoersonderneming in een derde land wordt aanvaard, geldt de spoorwegmaatschappij van de Lid-Staat over het grondgebied waarvan het vervoer het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomt, als aangever. Artikel 431 Indien douaneformaliteiten dienen te worden vervuld op het traject dat niet per spoor wordt afgelegd tot aan het station van vertrek of dat niet per spoor wordt afgelegd vanaf het station van bestemming, kan het overdrachtsformulier TR slechts op één grote container betrekking hebben. Artikel 432 De vervoersonderneming draagt er zorg voor dat zendingen die onder de regeling communautair douanevervoer worden vervoerd, gekenmerkt worden door middel van etiketten met een pictogram waarvan het model in bijlage 58 is opgenomen. De etiketten worden aangebracht op het overdrachtsformulier TR, alsmede op de grote container respectievelijk grote containers. Artikel 433 In geval van wijziging van de vervoersovereenkomst ten einde: - een vervoer binnen in plaats van buiten het douanegebied van de Gemeenschap te beëindigen, - een vervoer buiten in plaats van binnen het douanegebied van de Gemeenschap te beëindigen, mag de vervoersonderneming de gewijzigde overeenkomst slechts met voorafgaande toestemming van het kantoor van vertrek ten uitvoer brengen. In alle andere gevallen mag de vervoersonderneming de gewijzigde overeenkomst ten uitvoer brengen; zij stelt het kantoor van vertrek onverwijld van de wijziging in kennis. Artikel 434 1. Wanneer een vervoersbeweging onder de regeling communautair douanevervoer binnen de Gemeenschap begint en dient te eindigen, wordt het overdrachtsformulier TR bij het kantoor van vertrek overgelegd. 2. Het kantoor van vertrek brengt in het voor de douane bestemde vak van de exemplaren nrs. 2, 3 A en 3 B van het overdrachtsformulier TR, op duidelijk zichtbare wijze: - het teken "T 1" aan, indien de goederen met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer worden vervoerd; - het teken "T 2", "T 2 ES" of "T 2 PT" aan, al naar gelang van het geval, indien de goederen met toepassing van de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd overeenkomstig artikel 311, onder b), en artikel 165 van het Wetboek. Het teken "T 2", "T 2 ES" of "T 2 PT" wordt door middel van de stempelafdruk van het kantoor van vertrek gewaarmerkt. 3. Wanneer een overdrachtsformulier TR betrekking heeft op (een) container(s) waarin zowel goederen met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer als goederen met toepassing van de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd, maakt het kantoor van vertrek, overeenkomstig artikel 311, onder b), en artikel 165 van het Wetboek, in het voor de douane bestemde vak van de exemplaren nrs. 2, 3 A en 3 B van het overdrachtsformulier afzonderlijk melding van de container(s), al naar gelang van het soort goederen dat deze bevat(ten), en brengt het het teken "T 1", respectievelijk het teken "T 2", "T 2 ES" of "T 2 PT", aan naast de vermelding van de betrokken container(s). 4. Wanneer, in het in lid 3 bedoelde geval, van lijsten van grote containers gebruik wordt gemaakt, worden per categorie container afzonderlijke lijsten opgesteld. De containers worden in het voor de douane bestemde vak van de exemplaren nrs. 2, 3 A en 3 B van het overdrachtsformulier TR aangeduid met het (de) volgnummer(s) van de lijst(en) van grote containers. Het teken "T 1" of het teken "T 2", "T 2 ES" of "T 2 PT" wordt, al naar gelang van de categorie containers waarop het betrekking heeft, naast het (de) volgnummer(s) van de lijst(en) aangebracht. 5. Alle exemplaren van het overdrachtsformulier TR worden aan de belanghebbende teruggegeven. 6. De in artikel 311, onder a), bedoelde goederen worden, op de door elke Lid-Staat vast te stellen wijze, voor het gehele traject onder de regeling intern communautair douanevervoer geplaatst zonder dat het overdrachtsformulier TR betreffende deze goederen bij het kantoor van vertrek behoeft te worden overgelegd en zonder dat de in artikel 432 bedoelde etiketten behoeven te worden aangebracht. Deze ontheffing van de verplichting tot overlegging geldt evenwel niet voor overdrachtsformulieren TR die betrekking hebben op goederen waarop de artikelen 463 tot en met 470 van toepassing zijn. 7. Voor de in lid 2 bedoelde goederen wordt het overdrachtsformulier TR aangeboden bij het kantoor van bestemming waar de goederen voor het vrije verkeer of een andere douaneregeling worden geplaatst. Bij het kantoor van bestemming behoeft ten aanzien van de in artikel 311, onder a), bedoelde goederen geen enkele formaliteit te worden vervuld. 8. Ten behoeve van de in artikel 429 bedoelde controle houdt de vervoersonderneming alle overdrachtsformulieren die op het in lid 6 bedoelde douanevervoer betrekking hebben in het land van bestemming ter beschikking van de douaneautoriteiten, in voorkomend geval op de wijze die in onderling overleg met deze autoriteiten is vastgesteld. 9. Wanneer communautaire goederen per spoor worden vervoerd van een plaats in een Lid-Staat naar een plaats in een andere Lid-Staat, over het grondgebied van een derde land dat geen EVA-land is, wordt de regeling intern communautair douanevervoer toegepast. In dit geval zijn de leden 6, 7, tweede alinea, en 8 van overeenkomstige toepassing. Artikel 435 De identificatie van de goederen geschiedt overeenkomstig artikel 349. Het kantoor van vertrek gaat in de regel niet over tot verzegeling van grote containers wanneer door de spoorwegmaatschappij reeds identificatiemaatregelen zijn toegepast. Wanneer de containers worden verzegeld, wordt dit in het voor de douane bestemde vak van de exemplaren nrs. 3 A en 3 B van het overdrachtsformulier TR vermeld. Artikel 436 1. In de in artikel 434, lid 7, eerste alinea, bedoelde gevallen levert de vervoersonderneming de exemplaren nrs. 1, 2 en 3 A van het overdrachtsformulier TR in bij het kantoor van bestemming. 2. Het kantoor van bestemming geeft de exemplaren nrs. 1 en 2 na aftekening onverwijld aan de vervoersonderneming terug en behoudt exemplaar nr. 3 A. Artikel 437 1. Wanneer een vervoersbeweging binnen het douanegebied van de Gemeenschap begint en daarbuiten dient te eindigen, zijn artikel 434, leden 1 tot en met 5, en artikel 435 van toepassing. 2. Het douanekantoor waaronder het grensstation ressorteert waarlangs het vervoer het douanegebied van de Gemeenschap verlaat, wordt aangemerkt als kantoor van bestemming. 3. Bij het kantoor van bestemming behoeft geen enkele formaliteit te worden vervuld. Artikel 438 1. Wanneer een vervoersbeweging buiten het douanegebied van de Gemeenschap begint en daarbinnen dient te eindigen, wordt het douanekantoor waaronder het grensstation ressorteert waarlangs het vervoer het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomt, als kantoor van vertrek aangemerkt. Bij het kantoor van vertrek behoeft geen enkele formaliteit te worden vervuld. 2. Het douanekantoor waar de goederen worden aangebracht, wordt als kantoor van bestemming aangemerkt. De bij artikel 436 voorgeschreven formaliteiten worden bij het kantoor van bestemming vervuld. Artikel 439 1. Wanneer een vervoersbeweging buiten het douanegebied van de Gemeenschap begint en dient te eindigen, worden de in artikel 438, lid 1, en in artikel 437, lid 2, bedoelde kantoren als kantoor van vertrek respectievelijk als kantoor van bestemming aangemerkt. 2. Bij het kantoor van vertrek en bij het kantoor van bestemming behoeft geen enkele formaliteit te worden vervuld. Artikel 440 Het in artikel 438, lid 1, of artikel 439, lid 1, bedoelde vervoer van goederen wordt geacht met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer plaats te vinden, tenzij het communautaire karakter van de goederen overeenkomstig de artikelen 313 tot en met 340 wordt aangetoond. Onderafdeling 3 Overige bepalingen Artikel 441 1. De artikelen 341, lid 2, tweede alinea, en 342 tot en met 344 zijn van toepassing op de ladingslijsten die eventueel bij de vrachtbrief CIM of het overdrachtsformulier TR zijn gevoegd. Het aantal lijsten wordt aangetekend in het voor de vermelding van de bijlagen bestemde vak van de vrachtbrief CIM of het overdrachtsformulier TR. Voorts wordt op de ladingslijst het nummer vermeld van de wagon waarop de vrachtbrief CIM betrekking heeft of, in voorkomend geval, het nummer van de container waarin de goederen zich bevinden. 2. Bij vervoer, dat binnen het douanegebied van de Gemeenschap begint, van zowel onder de regeling extern communautair douanevervoer als onder de regeling intern communautair douanevervoer geplaatste goederen worden voor elke categorie goederen afzonderlijke ladingslijsten opgesteld. Voor het vervoer met behulp van grote containers onder geleide van overdrachtsformulieren TR worden afzonderlijke ladingslijsten opgesteld voor elke grote container waarin zich goederen van beide categorieën bevinden. De volgnummers van de ladingslijsten die betrekking hebben op elk van de twee categorieën goederen worden vermeld in het voor de omschrijving van de goederen bestemde vak van de vrachtbrief CIM of het overdrachtsformulier TR. 3. In de gevallen als bedoeld in de leden 1 en 2 en met het oog op de toepassing van de in de artikelen 413 tot en met 442 bedoelde procedures maken de bij de vrachtbrief CIM of het overdrachtsformulier TR gevoegde ladingslijsten daarvan onlosmakelijk deel uit en hebben zij dezelfde rechtsgevolgen. Het origineel van deze ladingslijsten wordt afgetekend door het station van verzending. Onderafdeling 4 Toepassingsgebied van de normale en van de vereenvoudigde procedures Artikel 442 1. Wanneer de regeling communautair douanevervoer van toepassing is, vormen de artikelen 412 tot en met 441 geen beletsel voor de toepassing van de in de artikelen 341 tot en met 380 omschreven procedures, met dien verstande dat de artikelen 415 en 417, respectievelijk 429 en 432, niettemin van toepassing zijn. 2. In het in lid 1 bedoelde geval wordt bij het opstellen van de vrachtbrief CIM of het overdrachtsformulier TR in het voor de vermelding van de bijlagen bestemde vak op duidelijke wijze verwezen naar het (de) gebruikte document(en) voor communautair douanevervoer, onder vermelding van de soort, het kantoor van afgifte, de datum en het nummer van geldigmaking van elk gebruikt document. Bovendien moet exemplaar nr. 2 van de vrachtbrief CIM of de exemplaren nrs. 1 en 2 van het overdrachtsformulier TR worden afgetekend door de spoorwegmaatschappij waaronder het laatste bij het communautair douanevervoer betrokken station ressorteert. Deze spoorwegmaatschappij tekent de exemplaren af na te hebben nagegaan dat het vervoer van de goederen geschiedt onder geleide van het document, respectievelijk de documenten, voor communautair douanevervoer waarnaar wordt verwezen. 3. Wanneer, overeenkomstig de artikelen 426 tot en met 440, communautair douanevervoer onder geleide van een overdrachtsformulier TR plaatsvindt, valt de in het kader van dit vervoer gebruikte vrachtbrief CIM buiten het toepassingsgebied van de leden 1 en 2 en van de artikelen 412 tot en met 425. Op de vrachtbrief CIM wordt in het voor de vermelding van de bijlagen bestemde vak op duidelijke wijze naar het overdrachtsformulier TR verwezen. Deze verwijzing bevat de vermelding "Overdrachtsformulier TR", gevolgd door het volgnummer. HOOFDSTUK 8 Bijzondere voorschriften betreffende bepaalde wijzen van vervoer en postzendingen Afdeling 1 Vervoer door de lucht Artikel 443 Gebruikmaking van de regeling communautair douanevervoer is bij het vervoer van goederen door de lucht slechts verplicht wanneer deze goederen in een luchthaven van de Gemeenschap worden geladen of overgeladen. Artikel 444 1. Wanneer, ingevolge artikel 443, gebruikmaking van de regeling communautair douanevervoer verplicht is bij het vervoer van goederen door de lucht vanaf een luchthaven in de Gemeenschap, geldt het bij deze goederen behorende manifest, waarvan de inhoud overeenstemt met het model dat in aanhangsel 3 van bijlage 9 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart is opgenomen, als aangifte voor het communautair douanevervoer. 2. Wanneer de zending zowel goederen bevat die onder de regeling extern communautair douanevervoer als goederen die onder de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd, wordt elke categorie goederen op een afzonderlijk manifest vermeld. 3. Het (de) in de leden 1 en 2 bedoelde manifest(en) bevat (bevatten) een door de luchtvaartmaatschappij gedateerde en ondertekende aantekening waaruit blijkt dat dit (deze) manifest(en) als aangifte voor communautair douanevervoer dienst doet (doen) en waarin de douanestatus van de goederen is vermeld. Het (de) aldus opgestelde en ondertekende manifest(en) geldt (gelden), al naar gelang van het geval, als aangifte T 1 of T 2. In het (de) manifest(en) bedoeld in de leden 1 en 2 worden de volgende gegevens vermeld: - de naam van de luchtvaartmaatschappij die de goederen vervoert; - het vluchtnummer; - de datum van de vlucht; - de naam van de luchthaven van lading (vertrek) en lossing (bestemming); en voor elke in het manifest vermelde zending: - het nummer van de luchtvrachtbrief (airway bill); - het aantal colli; - een korte omschrijving van de goederen of, in geval van groepagezending, de vermelding "consolidated" (eventueel afgekort); - de brutomassa. 4. De luchtvaartmaatschappij die goederen vervoert onder geleide van de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde manifesten, geldt voor dit vervoer als aangever. 5. Behoudens wanneer de luchtvaartmaatschappij de hoedanigheid van toegelaten afzender in de zin van artikel 398 bezit, worden de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde manifesten ten minste in tweevoud ter aftekening overgelegd aan de douaneautoriteiten van de luchthaven van vertrek, die een exemplaar behouden. Deze autoriteiten kunnen verlangen dat alle luchtvrachtbrieven die op de in de manifesten vermelde goederen betrekking hebben, ter controle worden overgelegd. 6. De luchtvaartmaatschappij die de goederen vervoert, deelt de douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming de naam van de luchthaven(s) van vertrek mee. De douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming kunnen besluiten dat een dergelijke mededeling niet gedaan behoeft te worden door luchtvaartmaatschappijen ten aanzien waarvan geen twijfel bestaat over de luchthaven of luchthavens van vertrek gezien de aard en het geografische gebied van de luchtverbindingen die deze maatschappijen onderhouden. 7. Een exemplaar van de in de leden 1 tot en met 5 bedoelde manifesten wordt aan de douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming overgelegd, die dit exemplaar behouden. 8. Onverminderd lid 7 kunnen de douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming eisen dat de manifesten betreffende alle op de luchthaven geloste goederen bij hen ter controle worden aangeboden. Deze autoriteiten kunnen eveneens eisen dat alle luchtvrachtbrieven betreffende de op de manifesten vermelde zendingen bij hen ter controle worden aangeboden. 9. De douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming zenden de douaneautoriteiten van elke luchthaven van vertrek maandelijks een door de luchtvaartmaatschappijen opgestelde lijst toe van de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde manifesten die in de loop van de voorafgaande maand werden overgelegd. Deze lijst wordt door de douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming afgetekend. Elk manifest wordt op deze lijst omschreven door middel van: - het referentienummer van het manifest; - de naam (eventueel afgekort) van de luchtvaartmaatschappij die de goederen heeft vervoerd; - het vluchtnummer; - de datum van de vlucht. De douaneautoriteiten kunnen de luchtvaartmaatschappijen, onder de voorwaarden welke zij bij bilaterale en multilaterale regelingen vaststellen, toestemming verlenen deze gegevens zelf, overeenkomstig de eerste alinea, aan de douaneautoriteiten van elke luchthaven van vertrek mee te delen. Zij stellen de douaneautoriteiten van de overige Lid-Staten van deze toestemming in kennis. Wanneer onregelmatigheden worden vastgesteld met betrekking tot de gegevens van de in deze lijst opgenomen manifesten, stelt het kantoor van bestemming het kantoor van vertrek hiervan in kennis, onder verwijzing naar onder andere de luchtvrachtbrieven die betrekking hebben op de desbetreffende goederen die tot deze vaststelling hebben geleid. 10. Op verzoek van de betrokken luchtvaartmaatschappijen kunnen de douaneautoriteiten van de Lid-Staten, door middel van bilaterale of multilaterale regelingen, toestaan dat in plaats van het in lid 1 bedoelde manifest, gebruik wordt gemaakt van vereenvoudigde procedures voor communautair douanevervoer met behulp van de tussen deze luchtvaartmaatschappijen bestaande systemen voor de uitwisseling van gegevens. 11. a) Internationale luchtvaartmaatschappijen die zijn gevestigd of een regionaal kantoor hebben in het douanegebied van de Gemeenschap en: - die gebruik maken van een systeem voor de uitwisseling van gegevens tussen luchthavens van vertrek en van bestemming in de Gemeenschap, en - die voldoen aan de onder b) genoemde voorwaarden, krijgen op hun verzoek toestemming de in de leden 1 tot en met 9 omschreven procedures voor communautair douanevervoer te vereenvoudigen. Na ontvangst van het verzoek wordt dit door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de luchtvaartmaatschappij is gevestigd ter kennis gebracht van de douaneautoriteiten van de andere Lid-Staten op het grondgebied waarvan de luchthavens van vertrek en bestemming zich bevinden die door middel van een systeem voor de uitwisseling van gegevens met elkaar in verbinding staan. Indien hiertegen binnen 60 dagen na kennisgeving geen bezwaar is gemaakt, verlenen de douaneautoriteiten, onder voorbehoud van artikel 97, lid 2, onder a), van het Wetboek, vergunning tot toepassing van de onder c) omschreven vereenvoudigde procedure. Deze vergunning is in alle betrokken Lid-Staten geldig voor het communautair douanevervoer tussen de in de vergunning genoemde luchthavens. b) Gebruikmaking van de onder c) bedoelde vereenvoudigde procedure wordt slechts toegestaan aan luchtvaartmaatschappijen: - die een belangrijk aantal intracommunautaire vluchten uitvoeren; - die veelvuldig goederen verzenden en ontvangen; - waarvan de schriftelijke of elektronische vastlegging van gegevens van dien aard is dat de douaneautoriteiten hun activiteiten bij vertrek en bestemming kunnen controleren; - die geen ernstige of herhaalde inbreuken hebben gepleegd op de douane- of belastingwetgeving; - waarvan de administratie geheel ter beschikking van de douaneautoriteiten staat; - die zich tegenover de douaneautoriteiten volledig aansprakelijk stellen ten aanzien van hun verplichtingen en medewerking verlenen bij de opsporing van overtredingen en onregelmatigheden. c) De vereenvoudigde procedure wordt als volgt toegepast: - de luchtvaartmaatschappij houdt in haar administratie de gegevens bij inzake de status van alle goederen die zij vervoert; - het manifest in de luchthaven van vertrek dat met behulp van het systeem voor de uitwisseling van gegevens wordt doorgezonden, wordt het manifest in de luchthaven van bestemming; - de luchtvaartmaatschappij vermeldt, al naar gelang van het geval, T 1, T 2, TE (gelijk aan T 2 ES), TP (gelijk aan T 2 PT) en C (gelijk aan T 2 L) naast elke post van het manifest; - de regeling communautair douanevervoer wordt als aangezuiverd beschouwd wanneer het met behulp van het systeem voor de uitwisseling van gegevens doorgezonden manifest in de luchthaven van bestemming ter beschikking wordt gesteld van de douaneautoriteiten en de goederen bij hen zijn aangebracht; - de douaneautoriteiten in de luchthavens van vertrek en bestemming krijgen op hun verzoek een afdruk van het met behulp van het systeem voor gegevensuitwisseling doorgezonden manifest; - de douaneautoriteiten in de luchthaven van vertrek verrichten administratieve controles achteraf op basis van een risicoanalyse; - de douaneautoriteiten in de luchthaven van bestemming verrichten administratieve controles op basis van een risicoanalyse en zenden de douaneautoriteiten van de luchthaven van vertrek ter controle zo nodig de bijzonderheden toe inzake de manifesten die met behulp van het systeem voor de uitwisseling van gegevens zijn doorgezonden; - de luchtvaartmaatschappij is belast met de vaststelling en mededeling aan de douaneautoriteiten van alle overtredingen of onregelmatigheden die in die luchthaven van bestemming worden ontdekt; - de douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming stellen de douaneautoriteiten van de luchthaven van vertrek binnen een redelijke termijn in kennis van alle overtredingen of onregelmatigheden; - deze overtredingen en onregelmatigheden kunnen worden geregeld volgens procedures die tussen de luchtvaartmaatschappijen en de douaneautoriteiten op de plaatsen van bestemming en vertrek worden overeengekomen. Artikel 445 Wanneer, overeenkomstig artikel 443, het gebruik van de regeling communautair douanevervoer verplicht is voor goederen die vanaf een luchthaven in de Gemeenschap door de lucht worden vervoerd, vormt artikel 444 geen beletsel voor belanghebbende om gebruik te maken van de in de artikelen 341 tot en met 380 omschreven procedures voor communautair douanevervoer. In dit geval zijn de in artikel 444 omschreven procedures niet van toepassing. Afdeling 2 Vervoer over zee Artikel 446 Gebruikmaking van de regeling communautair douanevervoer bij het vervoer van goederen over zee is slechts verplicht wanneer deze goederen in een haven van de Gemeenschap worden geladen of overgeladen. Artikel 447 De regeling communautair douanevervoer is niet van toepassing wanneer de in artikel 91, lid 1, van het Wetboek bedoelde goederen in een haven binnen het douanegebied van de Gemeenschap in een vaartuig worden geladen: - voor uitvoer naar een derde land zonder dat zij in een andere haven in het douanegebied van de Gemeenschap worden gelost of overgeladen, of - voor vervoer naar een vrije zone die in een haven is gelegen; in dit geval is het gebruik van het in artikel 313, lid 3, onder b), bedoelde inlichtingenblad verplicht. Artikel 448 1. Wanneer, overeenkomstig artikel 446, gebruikmaking van de regeling communautair douanevervoer verplicht is bij het vervoer van goederen over zee vanuit een haven in de Gemeenschap, kunnen de douaneautoriteiten van de Lid-Staten, op verzoek van de betrokken scheepvaartmaatschappijen en onder de in de leden 2 tot en met 10 gestelde voorwaarden, de procedures voor het communautair douanevervoer vereenvoudigen door toe te staan dat het bij deze goederen behorende manifest gebruikt wordt als aangifte of document voor communautair douanevervoer. 2. Na ontvangst van het verzoek wordt dit door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de scheepvaartmaatschappij is gevestigd ter kennis gebracht van de douaneautoriteiten van de andere Lid-Staten op het grondgebied waarvan de voorziene havens van vertrek en bestemming zijn gelegen. Indien hiertegen binnen 60 dagen na kennisgeving geen bezwaar is gemaakt, verlenen de douaneautoriteiten de betrokken scheepvaartmaatschappij de gevraagde vergunning. Deze vergunning geldt in alle betrokken Lid-Staten als een bilaterale of multilaterale regeling als bedoeld in artikel 97, lid 2, onder a), van het Wetboek. Wanneer deze vergunning niet wordt verleend, is de in de artikelen 341 tot en met 380 omschreven regeling communautair douanevervoer van toepassing. Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor alle belanghebbenden, met inbegrip van scheepvaartmaatschappijen die een dergelijke vergunning hebben verkregen om, in voorkomend geval, de in de artikelen 341 tot en met 380 omschreven regeling communautair douanevervoer toe te passen. 3. De in lid 1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend aan scheepvaartmaatschappijen die: - een administratie voeren aan de hand waarvan de douaneautoriteiten hun activiteiten kunnen controleren; - geen ernstige of herhaalde inbreuken op de douane- en belastingwetgeving hebben gepleegd; - manifesten gebruiken die: - ten minste de naam en het volledige adres van de betrokken scheepvaartmaatschappij, de identiteit van het schip, de plaats van lading en van lossing en het connossement bevatten en voor elke zending het nummer, de aard, de merken en nummers van de colli, de omschrijving van de goederen, de brutomassa in kilogram en, in voorkomend geval, de nummers van de containers; - voor de douaneautoriteiten gemakkelijk te gebruiken en te controleren zijn; - vóór het vertrek van het betrokken schip naar behoren ingevuld en ondertekend kunnen worden overgelegd aan de douaneautoriteiten. 4. In de in lid 1 bedoelde vergunning wordt bepaald dat, wanneer de zending zowel goederen bevat die onder de regeling extern communautair douanevervoer worden vervoerd als goederen die op grond van artikel 163 van het Wetboek en artikel 311 onder de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd, elke categorie goederen op een afzonderlijk manifest moet worden vermeld. 5. Het (de) in de leden 1 en 3 bedoelde manifest(en) bevat (bevatten) een door de scheepvaartmaatschappij gedateerde en ondertekende aantekening waaruit blijkt dat het (de) manifest(en) als aangifte voor communautair douanevervoer dienst doet (doen) en waarin de douanestatus van de goederen is vermeld. Het (de) aldus opgestelde en ondertekende manifest(en) geldt (gelden), al naar gelang van het geval, als aangifte T 1 of T 2. 6. De scheepvaartmaatschappij die goederen vervoert onder geleide van de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde manifesten, geldt voor dit vervoer als aangever. 7. Behoudens wanneer de scheepvaartmaatschappij de hoedanigheid van toegelaten afzender in de zin van artikel 398 bezit, worden de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde manifesten ten minste in tweevoud ter aftekening overgelegd aan de douaneautoriteiten van de haven van vertrek, die een exemplaar behouden. 8. De in de leden 1 tot en met 4 bedoelde manifesten worden ter aftekening overgelegd aan de douaneautoriteiten in de haven van bestemming, die een exemplaar behouden ten einde de goederen eventueel onder douanetoezicht te plaatsen. 9. Onverminderd lid 8 kunnen de douaneautoriteiten van de haven van bestemming eisen dat de manifesten en connossementen betreffende alle in de haven geloste goederen bij hen ter controle worden aangeboden. 10. De douaneautoriteiten van de haven van bestemming zenden de douaneautoriteiten van elke haven van vertrek maandelijks een door de scheepvaartmaatschappijen of hun vertegenwoordigers opgestelde lijst toe van de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde manifesten die in de loop van de voorafgaande maand werden aangeboden. Deze lijst wordt door de douaneautoriteiten van de haven van bestemming afgetekend. Elk manifest wordt op deze lijst omschreven door middel van: - het referentienummer van het manifest; - de naam (eventueel afgekort) van de scheepvaartmaatschappij die de goederen heeft vervoerd; - de datum van het zeevervoer. Wanneer onregelmatigheden worden vastgesteld met betrekking tot de gegevens van de in deze lijst opgenomen manifesten, stelt het kantoor van bestemming het kantoor van vertrek hiervan in kennis, onder verwijzing naar onder andere de connossementen die betrekking hebben op de desbetreffende goederen die tot de vaststelling hebben geleid. 11. a) Internationale scheepvaartmaatschappijen die zijn gevestigd of een regionaal kantoor hebben in het douanegebied van de Gemeenschap en die voldoen aan de onder b) genoemde voorwaarden, krijgen op hun verzoek toestemming de in de leden 1 tot en met 10 omschreven procedure voor communautair douanevervoer te vereenvoudigen. Na ontvangst van het verzoek wordt dit door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de scheepvaartmaatschappij is gevestigd ter kennis gebracht van de douaneautoriteiten van de andere Lid-Staten op het grondgebied waarvan de voorziene havens van vertrek en bestemming zijn gelegen. Indien hiertegen binnen 60 dagen na kennisgeving geen bezwaar is gemaakt, verlenen de douaneautoriteiten, onder voorbehoud van artikel 97, lid 2, onder a), van het Wetboek, vergunning tot toepassing van de onder c) omschreven vereenvoudigde procedure. Deze vergunning is in alle betrokken Lid-Staten geldig voor het communautair douanevervoer tussen de in de vergunning genoemde havens. b) Gebruikmaking van de onder c) bedoelde vereenvoudigde procedure wordt slechts toegestaan aan scheepvaartmaatschappijen die: - zijn gemachtigd manifesten te gebruiken in overeenstemming met dit artikel; - een belangrijk aantal geregelde intracommunautaire verbindingen onderhouden; - veelvuldig goederen verzenden en ontvangen, en die - zich tegenover de douaneautoriteiten volledig aansprakelijk stellen ten aanzien van hun verplichtingen en medewerking verlenen bij de opsporing van overtredingen en onregelmatigheden. c) De vereenvoudigde procedure wordt als volgt toegepast: - de scheepvaartmaatschappij houdt in haar administratie en op de kopieën van de manifesten de gegevens bij inzake de status van alle goederen die zij vervoert; - de scheepvaartmaatschappij mag één manifest gebruiken voor alle vervoerde goederen en vermeldt, al naar gelang van het geval, T 1, T 2, TE (gelijk aan T 2 ES), TP (gelijk aan T 2 PT) en C (gelijk aan T 2 L) naast elke post van het manifest; - de regeling communautair douanevervoer wordt als aangezuiverd beschouwd wanneer de manifesten en de goederen bij de douane-autoriteiten in de haven van bestemming zijn aangebracht; - de douaneautoriteiten in de haven van vertrek verrichten administratieve controles achteraf op basis van een risicoanalyse; - de douaneautoriteiten in de haven van bestemming verrichten administratieve controles op basis van een risicoanalyse en zenden de douaneautoriteiten in de haven van vertrek ter controle zo nodig de bijzonderheden toe inzake de manifesten; - de scheepvaartmaatschappij is belast met de vaststelling en mededeling aan de douaneautoriteiten van alle overtredingen of onregelmatigheden, die in de haven van bestemming worden ontdekt; - de douaneautoriteiten van de haven van bestemming stellen de douaneautoriteiten van de haven van vertrek binnen een redelijke termijn in kennis van alle overtredingen of onregelmatigheden. Artikel 449 In afwijking van het bepaalde in artikel 446, worden goederen die in een vrije zone gelegen in een haven binnen het douanegebied van de Gemeenschap zijn geladen of overgeladen, geacht in een haven in een derde land te zijn geladen of overgeladen, tenzij door middel van een aantekening van de douaneautoriteiten op de scheepsdocumenten wordt aangetoond dat het schip uit een plaats in deze haven afkomstig is die geen deel uitmaakt van de vrije zone. Afdeling 3 Vervoer door middel van pijpleidingen Artikel 450 1. Wanneer de regeling communautair douanevervoer van toepassing is, worden de in het kader van deze regeling te vervullen formaliteiten overeenkomstig de leden 2 tot en met 6 aangepast voor het vervoer van goederen door middel van pijpleidingen. 2. De door middel van pijpleidingen vervoerde goederen worden geacht onder de regeling communautair douanevervoer te zijn geplaatst: - op het tijdstip waarop zij het douanegebied van de Gemeenschap door middel van een pijpleiding binnenkomen; - op het tijdstip waarop zij in de pijpleiding worden gebracht, wanneer het goederen betreft die zich reeds in het douanegebied van de Gemeenschap bevinden. In voorkomend geval wordt het communautaire karakter van deze goederen overeenkomstig de artikelen 313 tot en met 340 vastgesteld. 3. Voor de in lid 2 bedoelde goederen wordt de exploitant van de pijpleiding die in de Lid-Staat is gevestigd over het grondgebied waarvan de goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen of de exploitant van de pijpleiding die in de Lid-Staat is gevestigd waar het vervoer begint, als aangever aangemerkt. 4. Voor de toepassing van artikel 96, lid 2, van het Wetboek wordt de exploitant van de pijpleiding die is gevestigd in de Lid-Staat over het grondgebied waarvan de goederen per pijpleiding worden vervoerd, geacht de vervoerder te zijn. 5. Het communautair douanevervoer wordt geacht te zijn beëindigd op het tijdstip waarop de per pijpleiding vervoerde goederen de installaties of het distributienetwerk van de geadresseerde bereiken en in diens administratie worden opgenomen. 6. De bij het vervoer betrokken ondernemingen voeren een administratie en houden deze ter beschikking van de douaneautoriteiten zodat deze alle controles kunnen verrichten die zij in het kader van het in de leden 2, 3 en 4 bedoelde communautair douanevervoer nodig achten. HOOFDSTUK 9 Vervoer onder geleide van een carnet TIR of een carnet ATA Afdeling 1 Gemeenschappelijke bepalingen Artikel 451 1. Wanneer, overeenkomstig artikel 91, lid 2, onder b) en c), en artikel 163, lid 2, onder b), van het Wetboek, goederen van de ene naar een andere plaats binnen het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd met toepassing van de regeling voor: - internationaal goederenververvoer onder geleide van een carnet TIR (TIR-overeenkomst), - onder geleide van een carnet ATA (ATA-overeenkomst), wordt het douanegebied van de Gemeenschap, wat het gebruik van het carnet TIR of het carnet ATA voor dit vervoer betreft, als één gebied aangemerkt. 2. Voor het gebruik van carnets ATA als doorvoerdocumenten wordt onder "doorvoer" verstaan het vervoer van goederen van een douanekantoor dat in het douanegebied van de Gemeenschap is gelegen naar een ander douanekantoor dat in hetzelfde gebied is gelegen. Artikel 452 Wanneer het vervoer van de ene naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap gedeeltelijk over het grondgebied van een derde land plaatsvindt, zijn de aan de TIR-regeling of de ATA-regeling verbonden formaliteiten en controles van toepassing op de plaatsen waar het vervoer tijdelijk het douanegebied van de Gemeenschap verlaat en waar het opnieuw dit gebied binnenkomt. Artikel 453 1. Wanneer goederen onder geleide van carnets TIR of carnets ATA in het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd, worden zij geacht niet-communautaire goederen te zijn, tenzij hun communautaire karakter wordt vastgesteld. 2. Het communautaire karakter van de in lid 1 bedoelde goederen wordt aangetoond en vastgesteld overeenkomstig de artikelen 314 tot en met 324. Artikel 454 1. Dit artikel is van toepassing onverminderd de specifieke bepalingen van de TIR- en van de ATA-overeenkomst betreffende de aansprakelijkheid van de organisaties die zich garant hebben gesteld bij het gebruik van een carnet TIR of een carnet ATA. 2. Wanneer wordt vastgesteld dat in de loop van of in verband met vervoer onder geleide van een carnet TIR, respectievelijk doorvoer onder geleide van een carnet ATA, in een bepaalde Lid-Staat een overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt de actie tot invordering van de eventueel verschuldigde rechten en andere heffingen door deze Lid-Staat volgens de nationale of communautaire bepalingen ingesteld, onverminderd eventuele strafrechtelijke maatregelen. 3. Wanneer het niet mogelijk is te bepalen op welk grondgebied de overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt deze geacht te zijn begaan in de Lid-Staat waar zij is vastgesteld, tenzij binnen de in artikel 455, lid 1, bedoelde termijn ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het vervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan. Indien, bij gebreke van een dergelijk bewijs, de overtreding of onregelmatigheid geacht blijft te zijn begaan in de Lid-Staat waar zij is vastgesteld, worden de rechten en andere heffingen op de betrokken goederen door deze Lid-Staat overeenkomstig de communautaire of nationale bepalingen ingevorderd. Indien later wordt vastgesteld in welke Lid-Staat de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, worden aan deze Lid-Staat de rechten en andere heffingen - met uitzondering van het bedrag dat overeenkomstig de tweede alinea als eigen middelen van de Gemeenschap werd geïnd - die in deze Lid-Staat op de goederen van toepassing zijn, terugbetaald door de Lid-Staat die deze aanvankelijk had geïnd. Een eventueel overschot wordt terugbetaald aan degene die de rechten en heffingen aanvankelijk had betaald. Indien het bedrag van de aanvankelijk geïnde en door de innende Lid-Staat terugbetaalde rechten en andere heffingen lager is dan het bedrag van de rechten en andere heffingen die verschuldigd zijn in de Lid-Staat waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, gaat deze Lid-Staat over tot invordering van het verschil overeenkomstig de communautaire of nationale bepalingen. De douaneadministraties van de Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om overtredingen en onregelmatigheden tegen te gaan en daar doeltreffende sancties op te stellen. Artikel 455 1. Wanneer wordt vastgesteld dat in de loop van of in verband met vervoer onder geleide van een carnet TIR, respectievelijk doorvoer onder geleide van een carnet ATA, een overtreding of onregelmatigheid is begaan, delen de douaneautoriteiten dit mede aan de houder van het carnet TIR, respectievelijk het carnet ATA, en aan de aansprakelijke organisatie binnen de bij artikel 11, lid 1, van de TIR-overeenkomst, respectievelijk artikel 6, lid 4, van de ATA-overeenkomst, vastgestelde termijn. 2. Het bewijs van de regelmatigheid van het vervoer onder geleide van een carnet TIR, respectievelijk een carnet ATA, in de zin van artikel 454, lid 3, eerste alinea, wordt geleverd binnen de bij artikel 11, lid 2, van de TIR-overeenkomst, respectievelijk artikel 7, leden 1 en 2, van de ATA-overeenkomst, vastgestelde termijn. 3. Het bewijs ten genoegen van de douaneautoriteiten kan onder andere worden geleverd: a) door overlegging van een door de douaneautoriteiten gewaarmerkt document waarin wordt verklaard dat de betrokken goederen aan het kantoor van bestemming zijn aangebracht. Dit document dient een gedetailleerde omschrijving van de goederen te bevatten; of b) door overlegging van een in een derde land ter zake van de aangifte ten verbruik afgegeven douanedocument, dan wel een kopie of fotokopie daarvan; deze kopie of fotokopie dient te worden gewaarmerkt hetzij door de instantie die het origineel heeft afgetekend, hetzij door de autoriteiten van het betrokken derde land, hetzij door de autoriteiten van een Lid-Staat. Dit document dient een gedetailleerde omschrijving van de betrokken goederen te bevatten; of c) wat de ATA-overeenkomst betreft, door een van de in artikel 8 van deze overeenkomst bedoelde bewijsmiddelen. Afdeling 2 Procedure van het carnet TIR Artikel 456 In artikel 1, onder h), van de TIR-overeenkomst wordt onder "douanekantoor van doorgang" verstaan ieder douanekantoor via hetwelk een wegvoertuig, een vervoerscombinatie of een container, als in de TIR-overeenkomst omschreven, tijdens een TIR-vervoer in het douanegebied van de Gemeenschap wordt ingevoerd of uit het douanegebied van de Gemeenschap wordt uitgevoerd. Artikel 457 Voor de toepassing van artikel 8, lid 4, van de TIR-overeenkomst wordt of is de organisatie die zich garant heeft gesteld, aansprakelijk ten opzichte van de douaneautoriteiten van elke Lid-Staat over het grondgebied waarvan de goederen met toepassing van de TIR-regeling worden vervoerd zodra de goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen of verzonden worden vanaf een kantoor van vertrek in het douanegebied van de Gemeenschap tot aan de plaats van uitgang uit het douanegebied van de Gemeenschap of tot aan het kantoor van bestemming in dit gebied. Afdeling 3 Procedure van het carnet ATA Artikel 458 1. De douaneautoriteiten van iedere Lid-Staat wijzen een centralisatiekantoor aan dat belast is met de cooerdinatie van de maatregelen bij overtredingen of onregelmatigheden in verband met carnets ATA. Deze autoriteiten delen de Commissie het aangewezen kantoor en het volledige adres daarvan mede. Een lijst van deze kantoren wordt bekendgemaakt in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. 2. Voor de bepaling van de Lid-Staat die de rechten en andere heffingen moet invorderen, wordt aangemerkt als Lid-Staat waar een overtreding of onregelmatigheid tijdens een doorvoer onder geleide van een carnet ATA in de zin van artikel 454, lid 3, tweede alinea, wordt vastgesteld, die Lid-Staat waar de goederen zijn teruggevonden en, indien zij niet zijn teruggevonden, die Lid-Staat waarvan het centralisatiekantoor in het bezit is van de meest recente strook van het carnet. Artikel 459 1. Wanneer de douaneautoriteiten van een Lid-Staat het ontstaan van een douaneschuld vaststellen, wordt zo spoedig mogelijk een vordering ingediend bij de aansprakelijke organisatie van de Lid-Staat. Wanneer het ontstaan van de douaneschuld het gevolg is van het feit dat de goederen waarop het carnet ATA betrekking heeft, niet zijn wederuitgevoerd of niet op regelmatige wijze zijn vrijgegeven binnen de overeenkomstig de ATA-overeenkomst vastgestelde termijnen, wordt de vordering niet eerder dan drie maanden na de datum waarop de geldigheidsduur van het carnet is verstreken, ingediend. 2. Het centralisatiekantoor dat een vordering indient, zendt, voor zover mogelijk terzelfder tijd, een informatienota overeenkomstig het in bijlage 59 opgenomen model naar het centralisatiekantoor waaronder het kantoor van tijdelijke invoer ressorteert. Indien het centralisatiekantoor in het bezit is van de niet-aangezuiverde strook, voegt het een kopie van deze strook bij de informatienota. De informatienota kan bovendien steeds worden gebruikt indien dit nodig wordt geacht. Artikel 460 1. Het bedrag van de rechten en heffingen waarop de in artikel 459 bedoelde vordering betrekking heeft, wordt berekend aan de hand van het vaststellingsformulier dat overeenstemt met het model in bijlage 60 en dat wordt ingevuld overeenkomstig de daarbij gegeven aanwijzingen. Het vaststellingsformulier kan na de vordering worden verzonden, maar in elk geval binnen drie maanden na het indienen van de vordering en binnen zes maanden na de datum waarop de douaneautoriteiten met de invorderingsactie zijn begonnen. 2. Overeenkomstig en onder de voorwaarden van artikel 461 betekent de toezending door de douaneadministratie naar een met haar verbonden aansprakelijke organisatie van dit formulier niet dat de andere aansprakelijke organisaties in de Gemeenschap vrijgesteld worden van het betalen van de eventuele rechten en heffingen, indien blijkt dat de overtreding of onregelmatigheid werd begaan in een andere Lid-Staat dan die waarin de procedure aanvankelijk werd ingeleid. 3. Het vaststellingsformulier wordt, al naar gelang van het geval, in twee of drie exemplaren ingevuld. Het eerste exemplaar is bestemd voor de aansprakelijke organisatie waarmee de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de vordering wordt ingediend, is verbonden. Het tweede exemplaar wordt bewaard door het centralisatiekantoor van afgifte. Zo nodig wordt een derde exemplaar door het centralisatiekantoor van afgifte verzonden naar het centralisatiekantoor waaronder het kantoor van tijdelijke invoer ressorteert. Artikel 461 1. Wanneer wordt vastgesteld dat een overtreding of onregelmatigheid werd begaan in een andere Lid-Staat dan die waarin de procedure werd ingeleid, sluit het centralisatiekantoor van de eerste Lid-Staat het dossier, wat hem betreft, af. 2. Met het oog op de afsluiting van het dossier doet het centralisatiekantoor van de eerste Lid-Staat het centralisatiekantoor van de tweede Lid-Staat de gegevens van dit dossier toekomen en betaalt het de aansprakelijke organisatie waarmee het is verbonden de eventueel reeds gestorte of voorlopig betaalde bedragen terug. Het dossier kan evenwel slechts worden afgesloten indien het centralisatiekantoor van de eerste Lid-Staat van het centralisatiekantoor van de tweede Lid-Staat een decharge heeft ontvangen waarin met name wordt vermeld dat een vordering, overeenkomstig de beginselen van de ATA-overeenkomst, in die tweede Lid-Staat is ingediend. Het model van de decharge is opgenomen in bijlage 61. 3. Het centralisatiekantoor van de Lid-Staat waar de overtreding of onregelmatigheid werd begaan, belast zich met de invorderingsprocedure en int zo nodig bij de aansprakelijke organisatie waarmee het verbonden is, de bedragen van de verschuldigde rechten en heffingen volgens de tarieven van de Lid-Staat waarin het is gevestigd. 4. De procedure wordt overgedragen binnen de termijn van één jaar na afloop van de geldigheid van het carnet en mits de betaling niet definitief is geworden op grond van artikel 7, lid 2 of lid 3, van de ATA-overeenkomst. Na het verstrijken van deze termijn is artikel 454, lid 3, derde en vierde alinea, van toepassing. HOOFDSTUK 10 Vervoer met toepassing van de procedure van formulier 302 Artikel 462 1. Wanneer, overeenkomstig artikel 91, lid 2, onder e), en artikel 163, lid 2, onder e), van het Wetboek, goederen van de ene naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd onder geleide van het formulier 302 als bedoeld in de op 19 juni 1951 te Londen ondertekende Overeenkomst tussen de landen die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, wordt het douanegebied van de Gemeenschap, wat het gebruik van dit document voor dit vervoer betreft, als één grondgebied aangemerkt. 2. Wanneer het in lid 1 bedoelde vervoer ten dele over het grondgebied van een derde land geschiedt, zijn de controles en formaliteiten in verband met het gebruik van het formulier 302 van toepassing op de plaatsen waar de goederen het douanegebied van de Gemeenschap tijdelijk verlaten en weer binnenkomen. 3. Wanneer wordt vastgesteld dat in de loop van of in verband met vervoer onder geleide van een formulier 302 in een bepaalde Lid-Staat een overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt de actie tot invordering van de eventueel verschuldigde rechten en andere heffingen door deze Lid-Staat volgens de communautaire of nationale bepalingen ingesteld, onverminderd eventuele strafrechtelijke vervolging. 4. Artikel 454, lid 4, is van overeenkomstige toepassing. HOOFDSTUK 11 Gebruik van documenten voor communautair douanevervoer voor de toepassing van maatregelen bij de uitvoer van bepaalde goederen Artikel 463 1. Dit hoofdstuk bevat de bepalingen die van toepassing zijn op goederen die binnen het douanegebied van de Gemeenschap onder een regeling communautair douanevervoer of een andere douanevervoerregeling worden vervoerd en waarvan de uitvoer uit de Gemeenschap hetzij is verboden hetzij aan beperkingen, rechten of andere heffingen is onderworpen. 2. Dit hoofdstuk is echter slechts van toepassing voor zover dit mogelijk is volgens de bepalingen waarbij het verbod, de beperking, de rechten of de heffing wordt ingesteld en onverminderd de bijzondere voorwaarden van deze bepalingen. Artikel 464 Wanneer de in artikel 463, lid 1, bedoelde goederen onder een regeling communautair douanevervoer worden geplaatst, brengt de aangever in het vak "Omschrijving van de goederen" van de aangifte voor communautair douanevervoer één van de volgende vermeldingen aan, al naar gelang van het geval: - Salida de la Comunidad sometida a restricciones, - Udpassage fra Faellesskabet undergivet restriktioner, - Ausgang aus der Gemeinschaft - Beschraenkungen unterworfen, - ¸îïaeïò áðue ôçí Êïéíueôçôá õðïêaaéìÝíç óaa ðaañéïñéóìïýò, - Export from the Community subject to restrictions, - Sortie de la Communauté soumise à des restrictions, - Uscita dalla Comunità assoggettata a restrizioni, - Verlaten van de Gemeenschap aan beperkingen onderworpen, - Saída da Comunidade sujeita a restrições; - Salida de la Comunidad sujeta a pago de derechos, - Udpassage fra Faellesskabet betinget af afgiftsbetaling, - Ausgang aus der Gemeinschaft - Abgabenerhebungen unterworfen, - ¸îïaeïò áðue ôçí Êïéíueôçôá õðïêaaéìÝíç óaa aaðéâUEñõíóç, - Export from the Community subject to duty, - Sortie de la Communauté soumise à imposition, - Uscita dalla Comunità assoggettata a tassazione, - Verlaten van de Gemeenschap aan belastingheffing onderworpen, - Saída da Comunidade sujeita a pagamento de imposições. Artikel 465 1. Wanneer de in artikel 463, lid 1, bedoelde goederen onder een andere regeling voor douanevervoer dan de regeling communautair douanevervoer worden geplaatst, laat het douanekantoor waar de formaliteiten voor verzending worden vervuld het in artikel 472 bedoelde controle-exemplaar T 5 opmaken. De belanghebbende brengt in vak 104 van dit exemplaar, al naar gelang van het geval, één van de bij artikel 464 voorgeschreven vermeldingen aan. 2. Het in lid 1 bedoelde douanekantoor brengt op het douanedocument onder geleide waarvan de goederen zullen worden vervoerd, al naar gelang van het geval, één van de in artikel 464 voorgeschreven vermeldingen aan. Artikel 466 De artikelen 464 en 465 zijn niet van toepassing wanneer voor goederen die ten uitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap worden aangegeven aan het douanekantoor waar de uitvoerformaliteiten worden vervuld, het bewijs wordt overgelegd dat ontheffing is verleend van de voor deze goederen vastgestelde beperkingen, dat de verschuldigde rechten bij uitvoer, belastingen of heffingen zijn betaald of dat de goederen op grond van hun status het douanegebied van de Gemeenschap zonder verdere formaliteiten mogen verlaten. Artikel 467 1. Indien de in artikel 463, lid 2, bedoelde bepaling zekerheidstelling voorschrijft, dient zekerheid te worden gesteld in de gevallen waarin, volgens de gegevens van het douanedocument, de in artikel 463, lid 1, bedoelde goederen, die tussen twee plaatsen in het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd, dit gebied tijdens het vervoer anders dan door de lucht zullen verlaten. 2. De zekerheid wordt gesteld bij het kantoor waar de formaliteiten voor het verzenden van de goederen worden vervuld of bij een andere instantie die daartoe is aangewezen door de Lid-Staat waaronder dat kantoor ressorteert, op de door de douaneautoriteiten van deze Lid-Staat vast te stellen wijze. Wanneer het gaat om een maatregel waarbij een belasting of heffing wordt ingesteld, behoeft de zekerheid niet te worden gesteld indien bij het vervoer van goederen onder de regeling communautair douanevervoer een zekerheid anders dan in geld is gesteld of indien een vrijstelling van zekerheidstelling geldt uit hoofde van de persoon van de aangever. Artikel 468 1. Artikel 465 is eveneens van toepassing op de in artikel 463, lid 1, bedoelde goederen die over het grondgebied van een EVA-land tussen twee plaatsen in het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd en die in een EVA-land opnieuw worden verzonden. In afwijking van artikel 482 begeleidt het origineel van het controle-exemplaar T 5 de goederen tot aan het bevoegde douanekantoor in de Lid-Staat van bestemming. Het kantoor van vertrek stelt de termijn vast waarbinnen de goederen opnieuw het douanegebied van de Gemeenschap moeten binnenkomen. 2. Indien de in artikel 463, lid 2, bedoelde bepaling zekerheidstelling voorschrijft, wordt, in afwijking van artikel 467, in alle in lid 1 bedoelde gevallen zekerheid gesteld. Artikel 469 Wanneer de goederen na hun aankomst bij het kantoor van bestemming niet onmiddellijk opnieuw voor het vrije verkeer worden vrijgegeven, ziet dit kantoor erop toe dat alle maatregelen worden genomen die op grond van artikel 463, lid 2, van toepassing zijn op die goederen. Artikel 470 Indien de in artikel 463, lid 1, bedoelde goederen, die onder de in artikel 467 genoemde voorwaarden, ook door de lucht, worden vervoerd, niet binnen de gestelde termijn opnieuw in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, worden zij geacht op onregelmatige wijze vanuit de Lid-Staat waaruit zij werden verzonden naar een derde land te zijn uitgevoerd, tenzij wordt aangetoond dat zij door toeval of overmacht verloren zijn gegaan. HOOFDSTUK 12 Het gebruik van documenten (controle-exemplaar T 5) bij toepassing van communautaire bepalingen die de controle op het gebruik en/of de bestemming van goederen met zich brengen Artikel 471 Voor dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a) "bevoegde autoriteiten": de douaneautoriteiten of elke andere autoriteit die met de uitvoering van dit hoofdstuk is belast; b) "kantoor": het douanekantoor of elke andere dienst op lokaal niveau dat of die met de uitvoering van dit hoofdstuk is belast. Artikel 472 1. Wanneer de toepassing van een communautaire bepaling inzake de in- of uitvoer van goederen of inzake het goederenverkeer binnen het douanegebied van de Gemeenschap afhankelijk is gesteld van het bewijs dat de goederen het gebruik en/of de bestemming hebben gekregen dat of die bij die bepaling is voorzien of voorgeschreven, wordt dit bewijs geleverd door overlegging van het controle-exemplaar T 5. Het controle-exemplaar T 5 wordt gesteld op een exemplaar van het formulier T 5, eventueel aangevuld met een of meer formulieren T 5 bis overeenkomstig artikel 478 of aangevuld met een of meer ladingslijsten T 5 overeenkomstig de artikelen 479 en 480. Het is niet uitgesloten verscheidene controle-exemplaren T 5 terzelfder tijd, maar voor verschillende doeleinden, te gebruiken, voor zover het gebruik van elk ervan volgens communautaire voorschriften is vereist. 2. Degene die een controle-exemplaar T 5 in de zin van lid 1 ondertekent, is gehouden de in dat document aangeduide goederen het aangegeven gebruik en/of de aangegeven bestemming te geven. Artikel 473 Het controle-exemplaar T 5 wordt gesteld op een formulier dat overeenstemt met het model in de bijlagen 63, 64 en 65. Dit formulier wordt ingevuld overeenkomstig de toelichting in bijlage 66 en, in voorkomend geval, de aanvullende aanwijzingen in andere communautaire voorschriften. Elke Lid-Staat vult deze toelichting zo nodig aan. Het controle-exemplaar T 5 wordt afgegeven en gebruikt overeenkomstig de artikelen 476 tot en met 485. Artikel 474 1. Het voor de formulieren te gebruiken papier is lichtblauw, zodanig gelijmd dat het goed te beschrijven is, en met een gewicht van ten minste 40 g per m2. Het moet zo ondoorzichtig zijn dat de gegevens die op de ene zijde worden aangebracht de leesbaarheid van de gegevens op de andere zijde niet aantasten en het moet zo stevig zijn dat het bij normaal gebruik niet scheurt of kreukt. 2. De afmetingen van het formulier zijn: a) 210 × 297 mm voor het formulier T 5 (bijlage 63) en voor het formulier T 5 bis (bijlage 64), waarbij in de lengte een afwijking van ten hoogste 5 mm minder of 8 mm meer is toegestaan; b) 297 × 420 mm voor de ladingslijsten T 5 (bijlage 65), waarbij in de lengte een afwijking van ten hoogste 5 mm minder of 8 mm meer is toegestaan. 3. De verschillende exemplaren van de formulieren worden op de volgende wijze met kleur gemerkt: - het origineel is aan de rechterzijde van een doorlopende zwarte kantlijn voorzien; - de breedte van deze kantlijn is ongeveer 3 mm. 4. Het retouradres en de belangrijke opmerking op de voorzijde van het formulier kunnen in het rood worden gedrukt. Artikel 475 De bevoegde autoriteiten kunnen eisen dat de formulieren van het controle-exemplaar T 5 van de naam en het adres van de drukker worden voorzien of van een teken aan de hand waarvan hij kan worden geïdentificeerd. Artikel 476 Het controle-exemplaar T 5 wordt opgemaakt in een van de officiële talen van de Gemeenschap die door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van vertrek is aanvaard. De bevoegde autoriteiten van een andere Lid-Staat waar dat document wordt overgelegd, kunnen de vertaling in de officiële taal of een van de officiële talen van die Lid-Staat verlangen. Artikel 477 1. Het controle-exemplaar T 5 wordt met de schrijfmachine of door middel van een mecanografisch of soortgelijk procédé ingevuld. Het mag eveneens in duidelijk leesbaar schrift met de hand, met inkt en in blokletters worden ingevuld. In de formulieren mag geen doorhaling of overschrijving voorkomen. Wijzigingen worden aangebracht door doorhaling van het onjuiste en, zo nodig, toevoeging van het gewenste gegeven. Elke aldus aangebrachte wijziging wordt goedgekeurd door diegene die haar heeft aangebracht en uitdrukkelijk geviseerd door de bevoegde autoriteiten. 2. Bovendien kan het controle-exemplaar T 5 eveneens worden ingevuld en vervaardigd met behulp van een reproduktietechniek, voor zover de voorschriften met betrekking tot het model, het papier en de afmetingen van de formulieren, de te gebruiken taal, de leesbaarheid alsmede het verbod op doorhalingen en overschrijvingen strikt in acht worden genomen. Artikel 478 1. De bevoegde autoriteiten van elke Lid-Staat kunnen toestaan dat op hun grondgebied gevestigde ondernemingen het controle-exemplaar T 5 aanvullen met een of meer formulieren T 5 bis, voor zover al deze formulieren slechts op één enkele zending goederen betrekking hebben die op één enkel vervoermiddel zijn geladen, voor één enkele geadresseerde of voor één enkel gebruik zijn bestemd en/of één enkele bestemming dienen te krijgen. 2. Het aantal gebruikte formulieren T 5 bis wordt vermeld in vak 3 van het controle-exemplaar T 5 waarbij zij zijn gevoegd. Het registratienummer van het controle-exemplaar T 5 wordt in het vak voor de registratie van elk formulier T 5 bis vermeld. Het totale aantal colli waarop het formulier T 5 en het (de) formulier(en) T 5 bis betrekking hebben, wordt in vak 6 van het controle-exemplaar T 5 vermeld. Artikel 479 1. De bevoegde autoriteiten van elke Lid-Staat kunnen toestaan dat op hun grondgebied gevestigde ondernemingen het controle-exemplaar T 5 aanvullen met een of meer ladingslijsten T 5 die de gegevens bevatten die normalerwijze in de vakken 31, 33, 35, 38, 100, 103 en 105 van het formulier T 5 voorkomen, voor zover alle formulieren slechts op één enkele zending goederen betrekking hebben die op één enkel voertuig zijn geladen, voor één enkele geadresseerde of voor één enkel gebruik zijn bestemd en/of één enkele bestemming dienen te krijgen. 2. Alleen de voorzijde van het formulier van de ladingslijst T 5 mag worden gebruikt. Elk artikel dat op de ladingslijst T 5 voorkomt, wordt voorafgegaan door een volgnummer. In de andere kolommen worden de andere gevraagde gegevens van dit artikel vermeld. Onmiddellijk onder het laatste artikel wordt een horizontale lijn getrokken en wordt het onbeschreven gedeelte doorgehaald, zodat het niet mogelijk is later nog iets toe te voegen. Het totale aantal colli waarover de in de lijst genoemde goederen zijn verdeeld, de totale brutomassa en de totale nettomassa van deze goederen worden onderaan de desbetreffende kolommen vermeld. 3. Wanneer ladingslijsten T 5 worden gebruikt, worden de vakken 31, 33, 35, 38, 100, 103 en 105 van het controle-exemplaar T 5 waarop zij betrekking hebben, doorgehaald. Dit document kan dan niet door formulieren T 5 bis worden aangevuld. 4. Het aantal gebruikte ladingslijsten T 5 wordt vermeld in vak 4 van het controle-exemplaar T 5. Het registratienummer van het controle-exemplaar T 5 wordt in het vak voor de registratie van elke ladingslijst T 5 vermeld. Het aantal colli dat door de verschillende ladingslijsten wordt gedekt, wordt in vak 6 van het controle-exemplaar T 5 vermeld. Artikel 480 1. De in artikel 479, lid 1, bedoelde toestemming kan inhouden dat de ondernemingen waarvan de administratie op een geïntegreerd systeem voor elektronische of geautomatiseerde gegevensverwerking is gebaseerd, ladingslijsten T 5 gebruiken die met behulp van een dergelijk systeem zijn opgemaakt en die alle gegevens bevatten die voorkomen op de lijst die overeenstemt met het model in bijlage 65, doch die niet voldoen aan alle voorwaarden van de artikelen 473, 474, 475 en 477 noch aan de voorwaarde van artikel 479, lid 2, dat elk in de lijst opgenomen artikel door een volgnummer moet worden voorafgegaan. Deze lijsten moeten niettemin zo zijn opgemaakt en ingevuld dat zij zonder moeite door de bevoegde kantoren kunnen worden gebruikt. 2. Deze toestemming wordt slechts verleend aan ondernemingen die alle waarborgen bieden die de bevoegde autoriteiten nodig achten. 3. Als ladingslijst bedoeld in artikel 479, lid 1, mogen eveneens worden gebruikt lijsten waarin de goederen zijn omschreven en die met het oog op het vervullen van de formaliteiten bij verzending/uitvoer worden opgemaakt, zelfs indien deze lijsten afkomstig zijn van ondernemingen waarvan de administratie niet op een geïntegreerd systeem voor de elektronische of geautomatiseerde gegevensverwerking is gebaseerd. 4. Degene aan wie deze toestemming is verleend is aansprakelijk voor elk misbruik, door wie dan ook, van de ladingslijsten die hij opmaakt. Artikel 481 1. Het controle-exemplaar T 5 en, in voorkomend geval, de formulieren T 5 bis of de ladingslijsten T 5 worden door de belanghebbende in één origineel en ten minste één kopie opgemaakt. Elk van deze documenten wordt door de belanghebbende ondertekend. 2. Het controle-exemplaar T 5 en, in voorkomend geval, de formulieren T 5 bis of de ladingslijsten T 5 bevatten, wat de omschrijving van de goederen en de bijzondere vermeldingen betreft, alle gegevens die volgens de communautaire bepalingen die controle voorschrijven, zijn vereist. 3. Wanneer de goederen niet onder de regeling communautair douanevervoer zijn geplaatst, wordt op het controle-exemplaar T 5 naar het document inzake de eventueel gebruikte regeling verwezen. Indien geen gebruik is gemaakt van een regeling voor douanevervoer, wordt op het controle-exemplaar T 5 een van de volgende aantekeningen aangebracht: - mercancías fuera del procedimiento de tránsito, - ingen forsendelsesprocedure, - nicht im Versandverfahren befindliche Waren, - aassôaa ôç ìíaassá «AAìðïñaaýìáôá aaêôueò aeéáaeéêáóssáò aeéáìaaôáêueìéóçò», - goods not covered by a transit procedure, - marchandises hors procédure de transit, - merci non vincolate ad una procedura di transito, - goederen niet geplaatst onder een regeling voor douanevervoer, - mercadorias não abrangidas por um procedimento de trânsito. 4. Het document voor communautair douanevervoer of het document inzake de gebruikte regeling voor douanevervoer bevat een verwijzing naar het (de) afgegeven controle-exemplaar (controle-exemplaren) T 5. Artikel 482 1. Bij communautair douanevervoer of een andere regeling voor douanevervoer geeft het kantoor van vertrek het controle-exemplaar T 5 af en behoudt hiervan een kopie. Het origineel van het controle-exemplaar T 5 begeleidt de goederen ten minste tot het kantoor waar de controle op het gebruik en/of de bestemming van de goederen wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als het document dat wordt gebruikt voor de regeling voor douanevervoer. 2. Wanneer goederen waarvan het gebruik en/of de bestemming moeten worden gecontroleerd niet onder een regeling voor douanevervoer worden geplaatst, wordt het controle-exemplaar T 5 afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van verzending die een kopie behouden. Op het controle-exemplaar T 5 wordt een van de in artikel 481, lid 3, bedoelde vermeldingen aangebracht. 3. Het controle-exemplaar T 5 en, in voorkomend geval, het (de) controleformulier (controleformulieren) T 5 bis of de ladingslijsten T 5 worden door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van vertrek afgetekend. De aftekening bevat de volgende gegevens die in vak A (kantoor van vertrek) van deze documenten worden vermeld: a) wat het controle-exemplaar T 5 betreft: de naam en een afdruk van de stempel van het kantoor van vertrek, de handtekening van de bevoegde persoon, de datum van aftekening en een registratienummer dat een vo4orgedrukt nummer kan zijn; b) wat het formulier T 5 bis of de ladingslijst T 5 betreft: het nummer dat op het controle-exemplaar T 5 voorkomt. Dit nummer wordt aangebracht met een stempel waarin de naam van het kantoor van vertrek voorkomt of het wordt met de hand aangebracht. In het laatste geval wordt een afdruk van de stempel van dit kantoor bij het nummer geplaatst. De originele exemplaren van deze documenten worden aan de belanghebbende teruggegeven zodra alle administratieve formaliteiten zijn vervuld. 4. De goederen en de originelen van de controle-exemplaren T 5 worden bij het kantoor van bestemming aangeboden. Artikel 483 1. Het kantoor van bestemming controleert het voorziene of voorgeschreven gebruik en/of de voorziene of voorgeschreven bestemming of laat deze onder zijn verantwoordelijkheid controleren. 2. Het kantoor van bestemming registreert de gegevens van de controle-exemplaren T 5, zo nodig door een kopie ervan te behouden, en bewaart de aantekeningen over de verrichte controles. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 485, wordt het origineel van het controle-exemplaar T 5, direct nadat het kantoor van bestemming de vereiste formaliteiten heeft vervuld en het exemplaar van de nodige aantekeningen heeft voorzien, teruggezonden naar het adres dat in het vak "Terugzenden aan" is vermeld. Artikel 484 Degene die het controle-exemplaar T 5 en de bijbehorende zending bij het kantoor van bestemming aanbiedt, ontvangt op zijn verzoek een ontvangstbewijs op een formulier dat overeenstemt met het model in bijlage 47. Dit ontvangstbewijs kan het controle-exemplaar T 5 niet vervangen. Artikel 485 1. De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten staan toe dat een zending die vergezeld gaat van een controle-exemplaar T 5, en het controle-exemplaar T 5 zelf worden gesplitst vóór de beëindiging van de regeling waarvoor dit exemplaar werd afgegeven. Gesplitste zendingen kunnen opnieuw worden gesplitst. 2. Lid 1 doet geen afbreuk aan de communautaire bepalingen die betrekking hebben op produkten uit interventievoorraden, waarvan het gebruik en/of de bestemming moet (moeten) worden gecontroleerd en die in een andere Lid-Staat worden verwerkt alvorens hun definitieve gebruik en/of bestemming te krijgen. 3. De in lid 1 bedoelde splitsing wordt uitgevoerd volgens de leden 4 tot en met 7. De Lid-Staten zijn bevoegd van deze bepalingen af te wijken wanneer alle zendingen die het gevolg zijn van de splitsing het aangegeven gebruik en/of de aangegeven bestemming zullen krijgen in de Lid-Staat waar de splitsing plaatsvindt. 4. Het kantoor waar de splitsing plaatsvindt geeft overeenkomstig artikel 481 een uittreksel uit het controle-exemplaar T 5 af voor ieder gedeelte van de gesplitste zending en gebruikt daarvoor een formulier van het controle-exemplaar T 5. Op ieder uittreksel worden in ieder geval de bijzondere aantekeningen overgenomen die in de vakken 100, 104, 105, 106 en 107 van het oorspronkelijke controle-exemplaar T 5 voorkomen en worden bovendien de nettomassa en de nettohoeveelheid van de betrokken goederen vermeld. Op ieder uittreksel worden in vak 106 het registratienummer, de datum, het kantoor en het land van afgifte van het oorspronkelijke controle-exemplaar T 5 vermeld, door middel van een van de volgende vermeldingen: - Extracto del ejemplar de control: (número, fecha, oficina y país de expedición), - Udskrift af kontroleksemplar: (nummer, dato, udstedelsessted og land), - Auszug aus dem Kontrollexemplar: (Nummer, Datum, ausstellende Stelle und Ausstellungsland), - Áðueóðáóìá ôïõ áíôéôýðïõ aaëÝã÷ïõ: (áñéèìueò, çìaañïìçíssá, ãñáoeaassï êáé ÷þñá aaêaeueóaaùò), - Extract of control copy: ... (Number, date, office and country of issue), - Extrait de l'exemplaire de contrôle: (numéro, date, bureau et pays de délivrance), - Estratto dell'esemplare di controllo: (numero, data, ufficio e paese di emissione), - Uittreksel uit controle-exemplaar: (nummer, datum, kantoor en land van afgifte), - Extracto do exemplar de controlo: (número, data, estância, país de emissão). 5. Het kantoor waar de splitsing plaatsvindt, maakt op het oorspronkelijke controle-exemplaar T 5 melding van de splitsing. Te dien einde brengt dit kantoor in het vak "Controle van het gebruik en/of de bestemming" een van de volgende vermeldingen aan: - . . . (número) extractos expedidos - copias adjuntas, - . . . (antal) udstedte udskrifter - kopier vedfoejet, - . . . (Anzahl) Auszuege ausgestellt - Durchschriften liegen bei, - . . . (áñéèìueò) aaêaeïèÝíôá áðïóðUEóìáôá - óõíçììÝíá áíôssãñáoeá, - . . . (number) extracts issued - copies attached, - . . . (nombre) extraits délivrés - copies ci-jointes, - . . . (numero) estratti rilasciati - copie allegate, - . . . (aantal) uittreksels afgegeven - kopieën bijgevoegd, - . . . (quantidade) extractos emitidos - cópias juntas. Het oorspronkelijke controle-exemplaar T 5 wordt samen met de kopieën van de afgegeven uittreksels onverwijld teruggezonden aan het in het vak "Terugzenden aan" vermelde adres. Het kantoor waar de splitsing wordt uitgevoerd, behoudt een kopie van het oorspronkelijke controle-exemplaar T 5 en van de afgegeven uittreksels. 6. De originelen van de uittreksels van het controle-exemplaar T 5 worden bij de deelzendingen gevoegd, in voorkomend geval samen met de documenten die op de gebruikte regeling betrekking hebben. 7. De bevoegde kantoren van de Lid-Staten van bestemming van de delen van de gesplitste zending controleren het voorziene of voorgeschreven