31993L0039

Richtlijn 93/39/EEG van de Raad van 14 juni 1993 tot wijziging van de Richtlijnen 65/65/EEG, 75/318/EEG en 75/319/EEG inzake geneesmiddelen

Publicatieblad Nr. L 214 van 24/08/1993 blz. 0022 - 0030
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 24 blz. 0178
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 24 blz. 0178


RICHTLIJN 93/39/EEG VAN DE RAAD van 14 juni 1993 tot wijziging van de Richtlijnen 65/65/EEG, 75/318/EEG en 75/319/EEG inzake geneesmiddelen

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

In samenwerking met het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat maatregelen dienen te worden vastgesteld om in de periode die op 31 december 1992 eindigt, geleidelijk de interne markt tot stand te brengen; dat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen omvat, waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd;

Overwegende dat in artikel 15, lid 2, van Tweede Richtlijn 75/319/EEG van de Raad van 20 mei 1975 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten (4) wordt bepaald dat de Commissie bij de Raad een voorstel indient met passende maatregelen tot opheffing van alle nog bestaande belemmeringen voor het vrije verkeer van farmaceutische specialiteiten;

Overwegende dat het in het belang van de volksgezondheid en van de geneesmiddelenconsument noodzakelijk is dat besluiten inzake vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen uitsluitend op de criteria kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid worden gegrond; dat deze criteria tot op grote hoogte zijn geharmoniseerd bij Richtlijn 65/65/EEG van de Raad van 26 januari 1965 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake geneesmiddelen (5), bij Richtlijn 75/319/EEG en bij Richtlijn 75/318/EEG van de Raad van 20 mei 1975 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de analytische, toxicologisch-farmacologische en klinische normen en voorschriften betreffende proeven op farmaceutische specialiteiten (6); dat de Lid-Staten echter in uitzonderingsgevallen de mogelijkheid moeten hebben om op hun grondgebied het gebruik te verbieden van geneesmiddelen die een inbreuk vormen op de objectief gedefinieerde opvattingen inzake openbare orde of openbare zedelijkheid

Overwegende dat een vergunning om een geneesmiddel in één Lid-Staat in de handel te brengen, behalve voor geneesmiddelen waarvoor de vergunning moet worden verleend volgens de gecentraliseerde communautaire procedure van Verordening (EEG) nr. 2309/93 van de Raad van 22 juli 1993 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling (7), in beginsel door de bevoegde instanties van de overige Lid-Staten moet worden erkend, tenzij er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de vergunning voor het betrokken geneesmiddel gevaren voor de volksgezondheid kan opleveren; dat bij een verschil van mening tussen Lid-Staten omtrent de kwaliteit, de veiligheid of de werkzaamheid van een geneesmiddel deze zaak wetenschappelijk moet worden beoordeeld door het aan het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling verbonden Comité voor farmaceutische specialiteiten, hetgeen moet leiden tot één enkele voor de betrokken Lid-Staten bindende beslissing over het geschilpunt; dat deze beslissing tot stand moet komen met gebruikmaking van een snelle procedure, waarbij zorg wordt gedragen voor nauwe samenwerking tussen de Commissie en de Lid-Staten;

Overwegende dat de Lid-Staten, met het oog op een betere bescherming van de gezondheid van de mens en het voorkomen van nodeloze doublures bij het onderzoek van aanvragen voor een vergunning om geneesmiddelen in de handel te brengen, systematisch voor elk geneesmiddel waarvoor zij een vergunning verlenen, beoordelingsrapporten dienen op te stellen die op verzoek door hen dienen te worden uitgewisseld; dat een Lid-Staat bovendien de bestudering van een aanvraag voor een vergunning om een geneesmiddel in de handel te brengen, die op dat tijdstip in een andere Lid-Staat daadwerkelijk wordt behandeld, moet kunnen stopzetten met de bedoeling de beslissing van laatstgenoemde Lid-Staat te erkennen;

Overwegende dat na de totstandkoming van de interne markt slechts van specifieke controles ter waarborging van de kwaliteit van uit derde landen ingevoerde geneesmiddelen kan worden afgezien indien door de Gemeenschap passende maatregelen zijn getroffen om te waarborgen dat de noodzakelijke controles in het uitvoerende land hebben plaatsgevonden;

Overwegende dat het gewenst is tot een systematische en betere samenwerking en uitwisseling van informatie tussen Lid-Staten ten aanzien van het toezicht op geneesmiddelen te komen, vooral wat betreft de controle op bijwerkingen onder praktijkomstandigheden via het inschakelen van de nationale systemen voor geneesmiddelenbewaking,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 65/65/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1. artikel 3 wordt vervangen door:

"Artikel 3

Een geneesmiddel mag in een Lid-Staat slechts in de handel worden gebracht wanneer door de bevoegde instanties van die Lid-Staat een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven overeenkomstig deze richtlijn of wanneer een vergunning is verleend overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2309/93 van de Raad van 22 juli 1993 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling (*).

De bepalingen van deze richtlijn laten de bevoegdheden van de autoriteiten van de Lid-Staten onverlet, zowel ten aanzien van de vaststelling van de prijzen van de geneesmiddelen als ten aanzien van de opneming van de geneesmiddelen in het toepassingsgebied van de nationale ziekteverzekeringsstelsels op basis van gezondheids-, economische en sociale overwegingen.

(*) PB nr. L 214 van 24. 8. 1993, blz. 1.";

2. in artikel 4 wordt na de eerste alinea de volgende alinea ingevoegd:

"De voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon moet in de Gemeenschap gevestigd zijn. Ten aanzien van geneesmiddelen waarvoor op de datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt, een vergunning is afgegeven, passen de Lid-Staten zo nodig deze bepaling toe bij de vijfjaarlijkse verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen waarin artikel 10 voorziet.";

3. in artikel 4, tweede alinea, worden de punten 6 en 11 respectievelijk vervangen door:

"6. Dosering, farmaceutische vorm, wijze van gebruik en wijze van toediening en vermoedelijke houdbaarheid.

Indien van toepassing, redenen voor eventuele voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen die bij de opslag van het produkt, de toediening van het produkt aan patiënten en de verwijdering van afvalprodukten moeten worden genomen, alsmede een aanduiding omtrent mogelijke risico's die het produkt voor het milieu kan inhouden."

"11. Afschriften van een in een andere Lid-Staat of in een derde land verkregen vergunning om het geneesmiddel in de handel te brengen, alsmede een lijst van de Lid-Staten waar een in overeenstemming met deze richtlijn ingediende aanvraag voor een vergunning in behandeling is. Afschriften van de samenvatting van de produktkenmerken, die overeenkomstig artikel 4 bis door de aanvrager is ingediend, respectievelijk overeenkomstig artikel 4 ter door de bevoegde instanties van de Lid-Staat is goedgekeurd. Afschriften van de bijsluiter die overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 92/27/EEG is voorgelegd of door de bevoegde instanties van de Lid-Staat overeenkomstig artikel 10 van diezelfde richtlijn is goedgekeurd. Bijzonderheden omtrent eventuele beslissingen in de Gemeenschap of in een derde land om een vergunning te weigeren en de redenen van deze beslissingen.

Deze gegevens dienen geregeld te worden bijgewerkt.";

4. artikel 4 ter wordt vervangen door:

"Artikel 4 ter

Bij het verlenen van de in artikel 3 bedoelde vergunning voor het in de handel brengen delen de bevoegde instanties van de betrokken Lid-Staat aan de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon de samenvatting van de produktkenmerken mede zoals deze door hen is goedgekeurd. De bevoegde instanties treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de gegevens in de samenvatting in overeenstemming zijn met de bij of na het verlenen van de vergunning voor het in de handel brengen aanvaarde gegevens. De bevoegde instanties doen een afschrift van de vergunning alsmede de in artikel 4 bis bedoelde samenvatting van de produktkenmerken aan het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling toekomen.

Voorts stellen de bevoegde instanties een rapport op met een beoordeling van en opmerkingen over het dossier betreffende de resultaten van het analytische, farmacologisch-toxicologische en klinische onderzoek van het geneesmiddel. Dit beoordelingsrapport wordt bijgewerkt zodra nieuwe gegevens beschikbaar komen die voor de beoordeling van de kwaliteit, de veiligheid of de werkzaamheid van het geneesmiddel van belang zijn.";

5. artikel 6 wordt vervangen door:

"Artikel 6

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de toepassing van nationale wetgeving waarbij de verkoop, de verstrekking of het gebruik van geneesmiddelen als anticonceptivum of abortivum wordt verboden of beperkt. De Lid-Staten delen de desbetreffende nationale wetgeving aan de Commissie mede.";

6. artikel 7 wordt vervangen door:

"Artikel 7

1. De Lid-Staten nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat de procedure voor de verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel binnen 210 dagen na indiening van een geldige aanvraag is voltooid.

2. Wanneer een Lid-Staat constateert dat een na 1 januari 1995 ingediende aanvraag voor een vergunning reeds in een andere Lid-Staat daadwerkelijk in behandeling is, kan de betrokken Lid-Staat besluiten het gedetailleerde onderzoek van de aanvraag voor dat geneesmiddel stop te zetten en het beoordelingsrapport af te wachten dat door de andere Lid-Staat overeenkomstig artikel 4 ter wordt opgesteld.

De betrokken Lid-Staat stelt de andere Lid-Staat en de aanvrager op de hoogte van zijn besluit om het gedetailleerde onderzoek van de betrokken aanvraag tijdelijk stop te zetten. Zodra de andere Lid-Staat het onderzoek van de aanvraag heeft afgerond en tot een besluit is gekomen, zendt hij naar de betrokken Lid-Staat een kopie van zijn beoordelingsrapport.

Binnen 90 dagen na ontvangst van het beoordelingsrapport erkent de betrokken Lid-Staat het besluit van de andere Lid-Staat alsmede de door deze laatste goedgekeurde samenvatting van de produktkenmerken, of volgt hij de procedures van de artikelen 10 tot en met 14 van Richtlijn 75/319/EEG indien hij van oordeel is dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de vergunning voor het betrokken geneesmiddel een risico voor de volksgezondheid (*) kan opleveren.

(*) De uitdrukking "risico voor de volksgezondheid" heeft betrekking op de kwaliteit, de veiligheid en de werkzaamheid van het geneesmiddel.";

7. het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 7 bis

Met ingang van 1 januari 1998 doet een Lid-Staat die er overeenkomstig artikel 4, tweede alinea, punt 11, van in kennis wordt gesteld dat een andere Lid-Staat een vergunning heeft afgegeven voor een geneesmiddel waarvoor in de betrokken Lid-Staat een aanvraag voor een vergunning is ingediend, aan de instanties van de Lid-Staat die de vergunning heeft verleend, onverwijld het verzoek om hem het in artikel 4 ter, tweede alinea, genoemde beoordelingsrapport toe te zenden.

Binnen 90 dagen na ontvangst van het beoordelingsrapport erkent de betrokken Lid-Staat het besluit van de andere Lid-Staat alsmede de door deze laatste goedgekeurde samenvatting van de produktkenmerken, of volgt hij de procedures van de artikelen 10 tot en met 14 van Richtlijn 75/319/EEG indien hij van oordeel is dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de vergunning voor het betrokken geneesmiddel een risico voor de volksgezondheid (*) kan opleveren.

(*) De uitdrukking "risico voor de volksgezondheid" heeft betrekking op de kwaliteit, de veiligheid en de werkzaamheid van het geneesmiddel.";

8. artikel 9 bis wordt vervangen door:

"Artikel 9 bis

De voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon moet, na afgifte van de vergunning, wat de in artikel 4, tweede alinea, punten 4 en 7, genoemde bereidings- en controlemethoden betreft, rekening houden met de vooruitgang van de wetenschap en techniek en de wijzigingen aanbrengen die nodig zijn om te waarborgen dat het geneesmiddel volgens algemeen aanvaarde wetenschappelijke methoden wordt vervaardigd en gecontroleerd. Deze wijzigingen zijn onderworpen aan goedkeuring door de bevoegde instanties van de betrokken Lid-Staat.";

9. artikel 10 wordt vervangen door:

"Artikel 10

1. De vergunning is vijf jaar geldig en kan, indien de houder daar uiterlijk drie maanden vóór de vervaldatum om verzoekt, na bestudering door de bevoegde instantie van een dossier waarin de kennis op het gebied van de geneesmiddelenbewaking en andere ter zake doende informatie over het toezicht op het geneesmiddel zijn verwerkt, telkens met vijf jaar worden verlengd.

2. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen na overleg met de aanvrager aan de vergunning specifieke verplichtingen worden verbonden waaronder:

- aanvullend onderzoek na het verlenen van de vergunning;

- rapportage van bijwerkingen van het geneesmiddel.

Deze uitzonderlijke beslissingen kunnen slechts op objectieve en controleerbare gronden worden genomen en dienen te berusten op een van de motieven bedoeld in Richtlijn 75/318/EEG, bijlage, deel 4, onder G.".

Artikel 2

In Richtlijn 75/318/EEG wordt de naam van het in artikel 2 ter genoemde comité gewijzigd in "Permanent Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik".

Artikel 3

Richtlijn 75/319/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1. hoofdstuk III wordt vervangen door:

"HOOFDSTUK III

Comité voor farmaceutische specialiteiten

Artikel 8

1. Om het nemen van gemeenschappelijke beslissingen door Lid-Staten over het verlenen van vergunningen voor geneesmiddelen op grond van de wetenschappelijke criteria kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid te vergemakkelijken en zo het vrije verkeer van geneesmiddelen binnen de Gemeenschap te verwezenlijken, wordt hierbij een Comité voor farmaceutische specialiteiten ingesteld, hierna "Comité" te noemen. Het Comité wordt verbonden aan het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling, dat is opgericht bij Verordening (EEG) nr. 2309/93 van de Raad van 22 juli 1993 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling (*), hierna "Bureau" te noemen.

2. Naast de andere taken die krachtens de communautaire wetgeving aan het Comité zijn opgedragen, onderzoekt het alle vraagstukken in verband met de verlening, wijziging, schorsing of intrekking van vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen, die overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn aan het Comité worden voorgelegd.

3. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

(*) PB nr. L 214 van 24. 8. 1993, blz. 1.

Artikel 9

1. Ten einde overeenkomstig de procedures van dit hoofdstuk in een of meer van de Lid-Staten erkenning te verkrijgen van een vergunning die overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 65/65/EEG door een Lid-Staat is afgegeven, dient de houder van de vergunning bij de bevoegde instanties van de betrokken Lid-Staat, respectievelijk Lid-Staten, een aanvraag in, vergezeld van de in de artikelen 4, 4 bis en 4 ter van Richtlijn 65/65/EEG genoemde gegevens en bescheiden. Hij verklaart hierbij dat dit dossier volledig gelijk is aan het door de eerste Lid-Staat aanvaarde dossier of geeft aan welke toevoegingen of wijzigingen zijn aangebracht. In het laatste geval bevestigt hij dat de samenvatting van de produktkenmerken die door hem overeenkomstig artikel 4 bis van Richtlijn 65/65/EEG wordt voorgesteld, volledig gelijk is aan die welke overeenkomstig artikel 4 ter van Richtlijn 65/65/EEG door de eerste Lid-Staat is aanvaard. Bovendien verklaart hij dat alle in het kader van deze procedure voorgelegde dossiers volledig gelijk zijn.

2. De houder van de vergunning voor het in de handel brengen stelt het Comité van deze aanvraag in kennis; hij deelt aan het Comité mee welke de betrokken Lid-Staten zijn en de datum waarop de aanvraag is ingediend, en zendt het Comité een afschrift van de door de eerste Lid-Staat verleende vergunning. Tevens zendt hij het Comité afschriften van eventuele vergunningen voor het in de handel brengen die door de andere Lid-Staten voor het betrokken geneesmiddel zijn verleend, en vermeldt hij of er in een Lid-Staat op dat tijdstip een vergunningaanvraag in behandeling is.

3. Uitgezonderd in de in artikel 7 bis van Richtlijn 65/65/EEG bedoelde gevallen, deelt de houder van de vergunning alvorens de aanvraag in te dienen, de Lid-Staat die de vergunning waarop de aanvraag is gebaseerd, heeft verleend, mee dat er overeenkomstig deze richtlijn een aanvraag zal worden ingediend en stelt hij die Lid-Staat van eventuele toevoegingen aan het oorspronkelijke dossier in kennis; deze Lid-Staat kan van de aanvrager alle gegevens en bescheiden verlangen die nodig zijn om te kunnen nagaan of de ingediende dossiers volledig gelijk zijn.

Daarenboven verzoekt de houder van de vergunning de Lid-Staat die de oorspronkelijke vergunning heeft verleend, om een beoordelingsrapport over het betrokken geneesmiddel op te stellen of om, indien nodig, een bestaand beoordelingsrapport bij te werken. Deze Lid-Staat stelt het beoordelingsrapport op of werkt het bij, binnen 90 dagen na ontvangst van het verzoek.

Op het ogenblik dat de aanvraag wordt ingediend overeenkomstig lid 1, zendt de Lid-Staat die de oorspronkelijke vergunning heeft verleend, het beoordelingsrapport toe aan de Lid-Staat of de Lid-Staten waaraan de aanvraag is gericht.

4. Behalve in het in artikel 10, lid 1, bedoelde uitzonderlijke geval erkent elke Lid-Staat binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag en van het beoordelingsrapport de door de eerste Lid-Staat verleende vergunning voor het in de handel brengen. Hij stelt de Lid-Staat die de oorspronkelijke vergunning heeft verleend, de overige bij de aanvraag betrokken Lid-Staten, het Comité en de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon hiervan in kennis.

Artikel 10

1. In afwijking van artikel 9, lid 4, deelt een Lid-Staat, wanneer deze van oordeel is dat er redenen zijn om aan te nemen dat de vergunning voor het betrokken geneesmiddel een risico voor de volksgezondheid (*) kan opleveren, dit onverwijld aan de aanvrager, aan de Lid-Staat die de oorspronkelijke vergunning heeft verleend, aan alle andere bij de aanvraag betrokken Lid-Staten en het Comité mee. De Lid-Staat vermeldt hierbij uitvoerig zijn redenen en geeft aan welke maatregelen zouden kunnen worden genomen om eventuele tekortkomingen in de aanvraag recht te zetten.

2. Alle betrokken Lid-Staten stellen alles in het werk om overeenstemming te bereiken omtrent hetgeen met de aanvraag moet worden gedaan. Zij bieden de aanvrager de gelegenheid zijn standpunt mondeling of schriftelijk toe te lichten. Indien de Lid-Staten er echter binnen de in artikel 9, lid 4, genoemde termijn niet in zijn geslaagd tot overeenstemming te komen, leggen zij de zaak onverwijld aan het Comité voor en wordt de in artikel 13 bedoelde procedure gevolgd.

3. Binnen de in lid 2 genoemde termijn verstrekken de betrokken Lid-Staten het Comité een gedetailleerde opsomming van de punten waarover zij geen overeenstemming hebben kunnen bereiken en de redenen voor dit verschil van inzicht. Een afschrift van deze gegevens wordt aan de aanvrager verstrekt.

4. Zodra de aanvrager ervan in kennis is gesteld dat de zaak aan het Comité is voorgelegd, zendt hij het Comité een afschrift van de in artikel 9, lid 1, genoemde gegevens en bescheiden.

(*) De uitdrukking "risico voor de volksgezondheid" heeft betrekking op de kwaliteit, de veiligheid en de werkzaamheid van het geneesmiddel.

Artikel 11

Indien voor een bepaald geneesmiddel verscheidene aanvragen voor een vergunning voor het in de handel brengen overeenkomstig de artikelen 4 en 4 bis van Richtlijn 65/65/EEG zijn ingediend en door Lid-Staten over de verlening van deze vergunning of over de schorsing of het uit de handel nemen daarvan onderling afwijkende besluiten zijn genomen, kan elke Lid-Staat, de Commissie of de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon deze aangelegenheid aan het Comité voorleggen, waarna de in artikel 13 bedoelde procedure wordt gevolgd.

De betrokken Lid-Staat, de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon of de Commissie geeft een duidelijke omschrijving van de aangelegenheid die aan het Comité voor beraad wordt voorgelegd en stelt, indien nodig, de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon hiervan in kennis.

De Lid-Staten en de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon verstrekken het Comité alle over de betrokken aangelegenheid beschikbare gegevens.

Artikel 12

De Lid-Staten, de Commissie of de aanvrager of de houder van de vergunning kunnen in specifieke gevallen, wanneer de belangen van de Gemeenschap in het geding zijn, de zaak aan het Comité voorleggen, waarna de in artikel 13 bedoelde procedure wordt gevolgd, voordat een beslissing wordt genomen over een aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen, over de schorsing of de intrekking van een vergunning of over wijziging in de voorwaarden van de vergunning voor het in de handel brengen die noodzakelijk lijkt, zulks in het bijzonder om rekening te houden met de gegevens die overeenkomstig hoofdstuk V bis zijn verzameld.

De betrokken Lid-Staat of de Commissie geeft een duidelijke beschrijving van de aangelegenheid die aan het Comité voor beraad wordt voorgelegd en stelt de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon hiervan in kennis.

De Lid-Staten en de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon verstrekken het Comité alle over de betrokken aangelegenheid beschikbare gegevens.

Artikel 13

1. Indien er een beroep wordt gedaan op de in dit artikel beschreven procedure, beraadslaagt het Comité en brengt het binnen een termijn van 90 dagen nadat de aangelegenheid aan het Comité is voorgelegd, een gemotiveerd advies uit.

In de overeenkomstig de artikelen 11 en 12 aan het Comité voorgelegde gevallen kan die termijn echter met 90 dagen worden verlengd.

In spoedgevallen kan het Comité op voorstel van zijn voorzitter besluiten een kortere termijn vast te stellen.

2. Met het oog op zijn beraadslagingen kan het Comité een van zijn leden tot rapporteur aanstellen. Het Comité kan ook een beroep doen op onafhankelijke deskundigen om over specifieke zaken advies uit te brengen. Bij de aanstelling van deskundigen stelt het Comité hun taken vast en geeft het aan binnen welke termijn deze dienen te zijn voltooid.

3. In de in de artikelen 10 en 11 genoemde gevallen stelt het Comité, alvorens zijn advies uit te brengen, de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon in de gelegenheid een schriftelijke of mondelinge toelichting te geven.

In het in artikel 12 genoemde geval kan de voor het in de handel brengen van het geneesmiddel verantwoordelijke persoon worden verzocht een mondelinge of schriftelijke toelichting te geven.

Indien het Comité het nuttig acht, kan het andere personen uitnodigen om gegevens te verstrekken over de aangelegenheid die aan het Comité is voorgelegd.

Het Comité kan de in lid 1 genoemde termijn verlengen om de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon de gelegenheid te bieden zijn toelichting voor te bereiden.

4. Wanneer het Comité van oordeel is dat

- de aanvraag niet aan de criteria voor de afgifte van een vergunning voldoet,

- de overeenkomstig artikel 4 bis van Richtlijn 65/65/EEG door de aanvrager ingediende samenvatting van de produktkenmerken dient te worden gewijzigd,

- aan het verlenen van de vergunning voorwaarden moeten worden verbonden die essentieel worden geacht voor het veilig en doelmatig gebruik van het geneesmiddel alsook voor de geneesmiddelenbewaking, of

- een vergunning voor het in de handel brengen dient te worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken,

stelt het Bureau de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon hiervan onverwijld in kennis. Binnen 15 dagen na ontvangst van het advies kan de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon het Bureau schriftelijk kennis geven van zijn voornemen bezwaar aan te tekenen. In dat geval zendt hij binnen 60 dagen na ontvangst van het advies een gedetailleerd bezwaarschrift naar het Bureau. Binnen 60 dagen na ontvangst van de gronden van het beroep beraadslaagt het Comité over een eventuele herziening van zijn advies; de redenen voor het over het beroep genomen besluit worden bij het in lid 5 genoemde beoordelingsrapport gevoegd.

5. Binnen 30 dagen na de vaststelling van het definitieve advies van het Comité zendt het Bureau dit advies, alsmede een rapport met een beschrijving van de beoordeling van het geneesmiddel en van de redenen voor de genomen besluiten, naar de Commissie, naar de Lid-Staten en naar de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon.

Wanneer over de verlening of het behoud van een vergunning voor het in de handel brengen van het betrokken geneesmiddel gunstig advies wordt uitgebracht, worden bij dit advies de volgende documenten gevoegd:

a) een ontwerp-samenvatting van de produktkenmerken, als omschreven in artikel 4 bis van Richtlijn 65/65/EEG;

b) in voorkomend geval, de voorwaarden waaraan de vergunning zou worden onderworpen overeenkomstig lid 4.

Artikel 14

1. Binnen 30 dagen na ontvangst van het advies stelt de Commissie een ontwerp op van de met betrekking tot de aanvraag vast te stellen beschikking, waarbij met het Gemeenschapsrecht rekening wordt gehouden.

Indien de ontwerp-beschikking inhoudt dat een vergunning voor het in de handel brengen wordt verleend, worden de in artikel 13, lid 5, onder a) en b), bedoelde documenten bijgevoegd.

In het uitzonderlijke geval dat de ontwerp-beschikking afwijkt van het advies van het Bureau, voegt de Commissie tevens een gedetailleerde uiteenzetting van de redenen voor de verschillen bij.

De ontwerp-beschikking wordt aan de Lid-Staten en aan de aanvrager toegezonden.

2. Een definitieve beschikking over de aanvraag wordt vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 37 ter.

3. Het reglement van orde van het in artikel 37 ter bedoelde Comité wordt aangepast om rekening te houden met de taken waarmee het uit hoofde van deze richtlijn wordt belast.

Deze wijzigingen betreffen het volgende:

- behalve in de in lid 1, derde alinea, bedoelde gevallen, wordt het advies van het Permanent Comité schriftelijk uitgebracht;

- elke Lid-Staat beschikt over een termijn van ten minste 28 dagen om schriftelijke opmerkingen over de ontwerp-beschikking bij de Commissie in te dienen;

- elke Lid-Staat kan, met uitvoerige opgave van redenen, schriftelijk verzoeken dat het Permanent Comité de ontwerp-beschikking bespreekt.

Indien de schriftelijke opmerkingen van een Lid-Staat volgens de Commissie belangrijke nieuwe kwesties van wetenschappelijke of technische aard doen rijzen waarop in het advies van het Bureau niet is ingegaan, schorst de voorzitter de procedure en verwijst hij de aanvraag voor verdere behandeling naar het Bureau.

De voor de uitvoering van dit lid noodzakelijke bepalingen worden door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 37 bis.

4. Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde beschikking wordt tot de betrokken Lid-Staten en tot de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon gericht. De Lid-Staten verlenen de vergunning voor het in de handel brengen of zij trekken deze in of zij passen de voorwaarden van een vergunning voor het in de handel brengen zodanig aan dat de vergunning aan de beschikking beantwoordt binnen 30 dagen na kennisgeving van die beschikking. Zij stellen de Commissie en het Comité hiervan in kennis.

5. De in de artikelen 8 tot en met 14 bedoelde procedure is niet van toepassing in de gevallen waarin wordt voorzien bij artikel 9, lid 2, van Richtlijn 92/73/EEG van de Raad van 22 september 1992 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake homeopathische geneesmiddelen (*).

(*) PB nr. L 297 van 13. 10. 1992, blz. 8.

Artikel 15

Een aanvraag van de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon tot wijziging van de voorwaarden van een vergunning voor het in de handel brengen die overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk is verleend, wordt voorgelegd aan alle Lid-Staten die voor het betrokken geneesmiddel reeds een vergunning hebben verleend.

De Commissie treft, in overleg met het Bureau, de nodige voorzieningen om de wijzigingen van de aan de vergunning voor het in de handel brengen verbonden voorwaarden te onderzoeken.

Deze voorzieningen moeten tevens een meldingssysteem of administratieve procedures omvatten voor wijzigingen van geringe omvang, waarbij het begrip "wijziging van geringe omvang" exact wordt omschreven.

Deze bepalingen worden door de Commissie aangenomen in de vorm van een toepassingsverordening overeenkomstig de procedure van artikel 37 bis.

De in de artikelen 13 en 14 bedoelde procedure is van overeenkomstige toepassing op wijzigingen van vergunningen voor het in de handel brengen van produkten die ter arbitrage aan de Commissie worden voorgelegd.

Artikel 15

bis

1. Indien een Lid-Staat van oordeel is dat de voorwaarden van een overeenkomstig dit hoofdstuk verleende vergunning voor het in de handel brengen moeten worden gewijzigd of dat deze vergunning moet worden geschorst of ingetrokken ter bescherming van de volksgezondheid, legt deze Lid-Staat die aangelegenheid onverwijld aan het Comité voor en worden de in de artikelen 13 en 14 bedoelde procedures gevolgd.

2. Onverminderd artikel 12 kan een Lid-Staat in uitzonderlijke gevallen, wanneer het ter bescherming van de volksgezondheid absoluut noodzakelijk is dringende maatregelen te nemen, het in de handel brengen en het gebruik van het betrokken geneesmiddel op zijn grondgebied schorsen totdat er een definitieve beschikking is vastgesteld. De Lid-Staat stelt de Commissie en de andere Lid-Staten uiterlijk op de volgende werkdag van de redenen voor deze maatregel in kennis.

Artikel 15

ter

De artikelen 15 en 15 bis zijn van overeenkomstige toepassing op geneesmiddelen waarvoor na een door het Comité overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 87/22/EEG uitgebracht advies, door de Lid-Staten vóór 1 januari 1995 vergunning is verleend.

Artikel 15

quater

1. Het Bureau publiceert een jaarlijks verslag over de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde procedures en zendt dit verslag ter informatie naar het Europees Parlement en de Raad.

2. Vóór 1 januari 2001 publiceert de Commissie een gedetailleerd overzicht van de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde procedures en stelt zij de eventueel nodige wijzigingen voor om die procedures te verbeteren.

De Raad besluit, overeenkomstig het bepaalde in het Verdrag, binnen één jaar nadat het voorstel van de Commissie bij hem is ingediend.";

2. artikel 22, lid 1, derde alinea, wordt vervangen door:

"Voor uit een derde land ingevoerde geneesmiddelen kan, indien tussen de Gemeenschap en het land van uitvoer passende afspraken zijn gemaakt om te waarborgen dat de fabrikant van het geneesmiddel normen voor goede praktijken bij het vervaardigen van geneesmiddelen volgt die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke door de Gemeenschap zijn vastgesteld, en dat de onder b) genoemde controles in het land van uitvoer zijn verricht, de bevoegde persoon van de verantwoordelijkheid voor het verrichten van deze controles worden ontheven.";

3. na artikel 29 wordt het volgende hoofdstuk V bis toegevoegd:

"HOOFDSTUK V bis

Geneesmiddelenbewaking

Artikel 29

bis

Ten einde te waarborgen dat inzake binnen de Gemeenschap toegelaten geneesmiddelen de geëigende administratieve besluiten worden genomen, rekening houdend met de verkregen gegevens over bijwerkingen van geneesmiddelen bij normaal gebruik, voeren de Lid-Staten een systeem voor geneesmiddelenbewaking in. Dit systeem zal worden gebruikt voor de verzameling van voor het toezicht op geneesmiddelen nuttige gegevens, met name over bijwerkingen van geneesmiddelen bij de mens en voor de wetenschappelijke beoordeling van deze gegevens.

De verzamelde gegevens moeten gerelateerd worden aan de gegevens over de geneesmiddelenconsumptie.

Het systeem dient ook gegevens te verzamelen over frequent voorkomend verkeerd gebruik of ernstig misbruik van het geneesmiddel.

Artikel 29

ter

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

- "bijwerking", een reactie die schadelijk en ongewild is en die optreedt bij doses die normaal bij de mens voor preventie, voor het stellen van een diagnose, voor de behandeling van een ziekte of voor de wijziging van een fysiologische functie worden gebruikt;

- "ernstige bijwerking", een bijwerking die dodelijk is, levensgevaar oplevert, invaliditeit of arbeidsongeschiktheid veroorzaakt of tot opname in een ziekenhuis of verlenging daarvan leidt;

- "onverwachte bijwerking", een bijwerking die niet in de samenvatting van produktkenmerken wordt vermeld;

- "onverwachte ernstige bijwerking", een bijwerking die zowel ernstig als onverwacht is.

Artikel 29

quater

De voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon wordt voortdurend en zonder onderbreking bijgestaan door een ter zake gekwalificeerde, voor de geneesmiddelenbewaking verantwoordelijke persoon.

Deze laatste is belast met:

a) de totstandbrenging en het beheer van een systeem dat waarborgt dat gegevens over alle vermoedelijke bijwerkingen die aan het personeel van de onderneming, waaronder het verkooppersoneel en de artsenbezoekers, worden gerapporteerd, op één punt worden verzameld en geordend;

b) de opstelling voor de bevoegde instanties van de in artikel 29 quinquies genoemde verslagen in de vorm die door deze instantie wordt voorgeschreven, overeenkomstig de relevante communautaire of nationale richtsnoeren;

c) de taak ervoor te zorgen dat aan elk verzoek van de bevoegde instantie om verstrekking van voor de beoordeling van de aan een geneesmiddel verbonden voordelen en risico's benodigde aanvullende gegevens, snel en volledig wordt voldaan, met inbegrip van gegevens over het afzetvolume van of het aantal recepten voor het betrokken geneesmiddel.

Artikel 29

quinquies

1. De voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon dient van alle vermoedelijke ernstige bijwerkingen waarvan hij door een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg in kennis wordt gesteld, aantekening te houden en deze onverwijld en uiterlijk binnen 15 dagen na ontvangst van die gegevens aan de bevoegde instanties te melden.

2. Voorts houdt de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon gedetailleerd aantekening van alle andere vermoedelijke bijwerkingen die hem door een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg worden gemeld. Deze aantekeningen gaan vergezeld van een wetenschappelijke beoordeling.

Tenzij voor het verlenen van een vergunning andere voorwaarden zijn gesteld, moeten deze aantekeningen op eerste verzoek, en andere tijdens de eerste twee jaar na het verlenen van de vergunning ten minste om de zes maanden en ten minste eenmaal per jaar voor de daaropvolgende drie jaar, bij de bevoegde instanties worden ingediend. Daarna worden deze aantekeningen met tussenpozen van vijf jaar samen met de aanvraag voor verlenging van de vergunning of op eerste verzoek ingediend.

Artikel 29

sexies

De Lid-Staten nemen alle nodige maatregelen om artsen en andere beroepsbeoefenaren in de sector gezondheidszorg ertoe aan te zetten vermoedelijke bijwerkingen bij de bevoegde instantie te melden.

De Lid-Staten kunnen aan artsen specifieke eisen stellen ten aanzien van de melding van vermoedelijke ernstige of onverwachte bijwerkingen, met name wanneer deze melding een voorwaarde is voor het verlenen van de vergunning voor het in de handel brengen.

Artikel 29

septies

De Lid-Staten dragen er zorg voor dat meldingen van vermoedelijke ernstige bijwerkingen onverwijld aan het Bureau en aan de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon ter kennis worden gebracht, en in elk geval binnen 15 dagen na de melding.

Artikel 29

octies

Om de uitwisseling van gegevens over geneesmiddelenbewaking binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken stelt de Commissie, in overleg met het Bureau, de Lid-Staten en de betrokken partijen, richtsnoeren op voor de verzameling, de verifiëring en de presentatie van verslagen over bijwerkingen. Bij de opstelling van deze richtsnoeren dient rekening te worden gehouden met de internationale harmoniseringswerkzaamheden inzake terminologie en classificatie op het gebied van de geneesmiddelenbewaking.

Artikel 29

novies

Indien een Lid-Staat naar aanleiding van de beoordeling van verslagen omtrent bijwerkingen overweegt dat een vergunning voor het in de handel brengen moet worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken, stelt hij het Bureau en de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon hiervan onverwijld in kennis.

In noodgevallen kan de betrokken Lid-Staat het in de handel brengen van een geneesmiddel tijdelijk stopzetten, mits het Bureau daarvan uiterlijk op de volgende werkdag in kennis wordt gesteld.

Artikel 29

decies

Alle noodzakelijke wijzigingen ter aanpassing van de bepalingen van dit hoofdstuk aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 37 bis.";

4. na artikel 37 wordt het volgende hoofdstuk ingevoegd:

"HOOFDSTUK VI BIS

Procedures van het Permanent Comité

Artikel 37

bis

Wanneer de in dit artikel vastgestelde procedure moet worden gevolgd, wordt de Commissie bijgestaan door het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik.

De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen al naar gelang van de urgentie van de materie. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité.

Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad, na verloop van drie maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad, geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld.

Artikel 37

ter

Wanneer de in dit artikel vastgestelde procedure moet worden gevolgd, wordt de Commissie bijgestaan door het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik.

De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen al naar gelang van de urgentie van de materie. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité.

Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad, na verloop van drie maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad, geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld, behalve wanneer de Raad zich met gewone meerderheid van stemmen tegen genoemde maatregelen heeft uitgesproken.";

5. in artikel 19 bis van Richtlijn 75/319/EEG wordt de verwijzing naar artikel 2 quater van Richtlijn 75/318/EEG vervangen door een verwijzing naar artikel 37 bis.

Artikel 4

De Lid-Staten treffen alle nodige maatregelen om vóór 1 januari 1995 aan deze richtlijn, met uitzondering van artikel 1, punt 7, te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

De Lid-Staten treffen alle nodige maatregelen om vóór 1 januari 1998 aan artikel 1, punt 7, van deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

De Lid-Staten delen de Commissie de tekst mede van alle bepalingen van intern recht die zij op het door deze richtlijn bestreken gebied vaststellen.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Luxemburg, 14 juni 1993.

Voor de Raad

De Voorzitter

J. TROEJBORG

(1) PB nr. C 330 van 31. 12. 1990, blz. 18, en PB nr. C 310 van 30. 11. 1991, blz. 22.(2) PB nr. C 183 van 15. 7. 1991, blz. 187, en PB nr. C 150 van 31. 5. 1993.(3) PB nr. C 269 van 14. 10. 1991, blz. 84.(4) PB nr. L 147 van 9. 6. 1975, blz. 13. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/27/EEG (PB nr. L 113 van 30. 4. 1992, blz. 8).(5) PB nr. 22 van 9. 2. 1965, blz. 369/65. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/27/EEG (PB nr. L 113 van 30. 4. 1992, blz. 8).(6) PB nr L 147 van 9. 6. 1975, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 91/507/EEG van de Commissie (PB nr. L 270 van 26. 9. 1991, blz. 32).(7) Zie bladzijde 1 van dit Publikatieblad.


Beheerd door het Publicatiebureau