31993L0014

Richtlijn 93/14/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende de reminrichting van twee- of driewielige motorvoertuigen

Publicatieblad Nr. L 121 van 15/05/1993 blz. 0001 - 0019
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 24 blz. 0057
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 24 blz. 0057


RICHTLIJN 93/14/EEG VAN DE RAAD van 5 april 1993 betreffende de reminrichting van twee- of driewielige motorvoertuigen

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,

Gelet op Richtlijn 92/61/EEG van de Raad van 30 juni 1992 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen(1) ,

Gezien het voorstel van de Commissie(2) ,

In samenwerking met het Europese Parlement(3) ,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(4) ,

Overwegende dat er maatregelen dienen te worden vastgesteld om in de periode die op 31 december 1992 eindigt, geleidelijk de interne markt tot stand te brengen; dat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen omvat, waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd;

Overwegende dat in elke Lid-Staat twee- of driewielige voertuigen, wat de reminrichting betreft, bepaalde technische kenmerken dienen te bezitten, die in dwingende, van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillende voorschriften zijn vervat; dat deze door hun ongelijkheid een belemmering voor het handelsverkeer in de Gemeenschap vormen;

Overwegende dat deze hinderpalen voor de verwezenlijking en de werking van de interne markt kunnen worden weggenomen, indien alle Lid-Staten hun nationale regelingen door dezelfde voorschriften vervangen;

Overwegende dat het, om voor elk type twee- of driewielig motorvoertuig de goedkeuringsprocedures van Richtlijn 92/61/EEG te kunnen toepassen, noodzakelijk is geharmoniseerde voorschriften voor de reminrichting van zulke voertuigen vast te stellen;

Overwegende dat het ten einde de toegang tot de markt van derde landen te vergemakkelijken noodzakelijk is de gelijkwaardigheid van de voorschriften van deze richtlijn en van reglement nr. 78 van de ECE/VN vast te stellen,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Deze richtlijn is van toepassing op de reminrichting van elk type voertuig omschreven in artikel 1 van Richtlijn 92/61/EEG.

Artikel 2

De procedure voor het verlenen van de goedkeuring wat de reminrichting van een type twee- of driewielig motorvoertuig betreft alsmede de voorwaarden voor het vrije verkeer van deze voertuigen zijn vastgesteld bij Richtlijn 92/61/EEG in respectievelijk hoofdstuk II en hoofdstuk III.

Artikel 3

Overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 92/61/EEG wordt de gelijkwaardigheid van de voorschriften van onderhavige richtlijn en van reglement nr. 78 van de ECE/VN (doc. E/ECE/324 en E/ECE/TRANS/505 REV. 1 ADD 77 van 20 oktober 1988) erkend.

De instanties die in de Lid-Staten de goedkeuring verlenen, aanvaarden de overeenkomstig bovengenoemd reglement nr. 78 verleende goedkeuringen en goedkeuringsmerken, in de plaats van de overeenkomstig de voorschriften van deze richtlijn verleende goedkeuringen en goedkeuringsmerken.

Artikel 4

Deze richtlijn kan overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 70/156/EEG(5) gewijzigd worden om:

- rekening te houden met wijzigingen van het in artikel 3 genoemde reglement van de ECE/VN;

- de bijlage aan de technische vooruitgang aan te passen.

Artikel 5

1. De Lid-Staten stellen de bepalingen die nodig zijn om vóór 5 oktober 1994 aan deze richtlijn te voldoen vast en maken ze bekend. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

Vanaf de in de eerste alinea vermelde datum mogen de Lid-Staten het voor het eerst in het verkeer brengen van aan deze richtlijn beantwoordende voertuigen niet verbieden om redenen die met de reminrichting verband houden.

Zij passen de bepalingen bedoeld in de eerste alinea toe vanaf 5 april 1995.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst mede van de bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied aannemen.

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Luxemburg, 5 april 1993.

Voor de Raad De Voorzitter J. TROEJBORG

(1) PB nr. L 225 van 10. 8. 1992, blz. 72.

(2) PB nr. C 93 van 13. 4. 1992, blz. 4.

(3) PB nr. C 305 van 23. 11. 1992, blz. 114, en PB nr. C 72 van 15. 3. 1993.

(4) PB nr. C 313 van 30. 11. 1992, blz. 7.

(5) PB nr. L 42 van 23. 2. 1970, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/53/EEG (PB nr. L 225 van 10. 8. 1992, blz. 1).

BIJLAGE

1. DEFINITIES

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.1. "Type voertuig wat de reminrichting betreft":

voertuigen die onderling geen wezenlijke verschillen vertonen, met name wat betreft de volgende punten:

1.1.1. categorie voertuigen, zoals omschreven in artikel 1 van deze richtlijn;

1.1.2. maximale massa, zoals omschreven in punt 1.13;

1.1.3. verdeling van de massa over de assen;

1.1.4. door de constructie bepaalde maximumsnelheid;

1.1.5. reminrichtingen van verschillende typen;

1.1.6. aantal en plaats van de assen;

1.1.7. type van de motor;

1.1.8. aantal versnellingen en hun totale overbrengingsverhouding;

1.1.8.a. overbrengingsverhoudingen van de aandrijfas;

1.1.9. maten van de banden.

1.2. "Reminrichting":

het geheel van organen, met uitzondering van de motor, dat ten doel heeft de snelheid van een bewegend voertuig geleidelijk te verminderen, een bewegend voertuig tot stilstand te brengen of een reeds stilstaand voertuig onbeweeglijk te houden; deze functies worden in punt 2.1.2 nader omschreven. De reminrichting bestaat uit het bedieningsorgaan, de overbrenging en de eigenlijke rem.

1.3. "Bedieningsorgaan":

het orgaan dat door de bestuurder rechtstreeks wordt bediend om de voor het remmen vereiste energie toe te voeren aan de overbrenging of te regelen. Deze energie kan zijn: de spierkracht van de bestuurder, een andere door de bestuurder geregelde energie of een combinatie van beide.

1.4. "Overbrenging":

het geheel van elementen tussen het bedieningsorgaan en de rem dat deze beide op functionele wijze verbindt. Wanneer de remwerking geheel of gedeeltelijk wordt verkregen via een van de bestuurder onafhankelijke, doch door hem gecontroleerde energiebron, maakt de energiereserve eveneens deel uit van de overbrenging.

1.5. "Rem":

de organen van de reminrichting waar zich de krachten ontwikkelen die de beweging van het voertuig tegenwerken.

1.6. "Reminrichtingen van verschillende typen":

inrichtingen die onderling wezenlijke verschillen vertonen, in het bijzonder:

1.6.1. inrichtingen waarvan de elementen verschillende kenmerken bezitten;

1.6.2. inrichtingen waarbij de kenmerken van de materialen waaruit een willekeurig element bestaat verschillend zijn, of waarvan de elementen een verschillende vorm of grootte hebben;

1.6.3. inrichtingen waarvan de elementen op verschillende wijze zijn gecombineerd.

1.7. "Element(en) van een reminrichting":

een of meer afzonderlijke samenstellende delen, waarvan het geheel de reminrichting vormt.

1.8. "Gecombineerd remsysteem":

1.8.1. in het geval van bromfietsen op twee wielen en motorfietsen zonder zijspanwagen, een systeem waarbij het mogelijk is ten minste twee remmen op verschillende wielen met behulp van één bedieningsorgaan gelijktijdig te bekrachtigen;

1.8.2. in het geval van bromfietsen op drie wielen en driewielers, een reminrichting die aangrijpt op alle wielen;

1.8.3. in het geval van motorfietsen met zijspanwagen, een reminrichting die tenminste op het voorwiel en op het achterwiel aangrijpt. Een inrichting die tegelijkertijd op het achterwiel en op het wiel van de zijspanwagen aangrijpt, wordt dus als een achterrem beschouwd.

1.9. "Regelbare remming":

een remming waarbij binnen het normale werkingsgebied van de inrichting, zowel gedurende het aantrekken als het lossen van de remmen:

1.9.1. de bestuurder te allen tijde de remkracht kan vergroten of verkleinen door middel van het bedieningsorgaan;

1.9.2. de remkracht in dezelfde zin verandert als die waarin het bedieningsorgaan wordt gehanteerd (monotone functie), en

1.9.3. de remkracht gemakkelijk op voldoende nauwkeurige wijze kan worden geregeld.

1.10. "Door de constructie bepaalde maximumsnelheid":

de snelheid die het voertuig op vlak terrein bij afwezigheid van toevallige externe invloeden niet kan overschrijden, eventueel ten gevolge van de bijzondere beperkingen waarin bij het ontwerp en de constructie van het voertuig is voorzien.

1.11. "Belast voertuig":

tenzij anders vermeld, het tot de maximale massa belaste voertuig.

1.12. "Onbelast voertuig":

het ledige voertuig, zoals dat voor de proeven wordt aangeboden, alsmede de bestuurder en de voor de proeven noodzakelijke apparatuur en instrumentatie.

1.13. "Maximale massa":

de door de constructeur opgegeven technisch toelaatbare maximale massa (deze massa kan hoger zijn dan de door de nationale overheid toegestane maximale massa).

1.14. "Natte rem(men)":

rem(men) die de in punt 1.3 van aanhangsel 1 bedoelde behandeling heeft (hebben) ondergaan.

2. SPECIFICATIES

2.1. Algemeen

2.1.1. Reminrichting

2.1.1.1. De reminrichting moet zodanig zijn ontworpen, gebouwd en gemonteerd, dat het voertuig onder normale gebruiksomstandigheden en ondanks eventueel optredende trillingen aan de voorschriften van deze bijlage kan voldoen.

2.1.1.2. De reminrichting dient met name zodanig te zijn ontworpen, gebouwd en gemonteerd, dat zij bestand is tegen corrosie en veroudering.

2.1.2. Functies van de reminrichting

De in punt 1.2 omschreven reminrichting moet de volgende functies vervullen:

2.1.2.1. Bedrijfsreminrichting

De bedrijfsreminrichting moet het mogelijk maken de beweging van het voertuig te regelen en het voertuig op veilige, snelle en doeltreffende wijze tot stilstand te brengen, ongeacht de snelheid en belasting en ongeacht de stijgende of dalende helling waarop het voertuig zich bevindt. De werking ervan moet kunnen worden geregeld. De bestuurder moet deze remming vanaf zijn zitplaats kunnen bewerkstelligen zonder zijn handen van het stuurorgaan te nemen.

2.1.2.2. Hulpreminrichting (indien het voertuig hierover beschikt)

De hulpreminrichting moet het bij storing van de bedrijfsreminrichting mogelijk maken het voertuig binnen een redelijke afstand tot stilstand te brengen. De werking ervan moet kunnen worden geregeld. De bestuurder moet deze remming vanaf zijn zitplaats kunnen bewerkstelligen en daarbij ten minste met één hand de controle over het stuurorgaan behouden. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt aangenomen dat er zich in de bedrijfsreminrichting niet meer dan één storing tegelijk kan voordoen.

2.1.2.3. Parkeerreminrichting (indien het voertuig hierover beschikt)

De parkeerreminrichting moet het mogelijk maken het voertuig onbeweeglijk te houden op een stijgende of dalende helling, ook bij afwezigheid van de bestuurder, waarbij dan de actieve elementen aangespannen blijven door middel van een uitsluitend mechanisch werkende inrichting. De bestuurder moet deze remming vanaf zijn zitplaats kunnen bewerkstelligen.

2.2. Kenmerken van de reminrichtingen

2.2.1. Elke bromfiets op twee wielen of motorfiets zonder zijspanwagen moet zijn voorzien van twee bedrijfsreminrichtingen met onafhankelijke bedieningsorganen en overbrengingen, waarvan de één ten minste op het voorwiel en de ander ten minste op het achterwiel werkt.

2.2.1.1. De twee bedrijfsreminrichtingen mogen een rem gemeenschappelijk hebben voor zover een storing van een van beide geen invloed heeft op de doeltreffendheid van de andere. Bepaalde onderdelen zoals de rem zelf, de wielremcilinders en hun zuigers (met uitzondering van de afdichtingen), de drukstangen en de remnokken worden niet beschouwd als zijnde onderhevig aan breuk, op voorwaarde dat deze onderdelen ruim bemeten zijn, met het oog op onderhoud gemakkelijk toegankelijk zijn en bevredigende veiligheidskenmerken vertonen.

2.2.1.2. Een parkeerreminrichting is niet verplicht.

2.2.2. Elke motorfiets met zijspanwagen moet zijn voorzien van dezelfde reminrichtingen die zonder zijspanwagen vereist zouden zijn; indien bij de beproeving van het voertuig met zijspanwagen de vereiste remwerking met deze inrichtingen kan worden bereikt, is op het wiel van de zijspanwagen geen rem vereist; een parkeerreminrichting is niet verplicht.

2.2.3. Elke driewielige bromfiets moet zijn voorzien van:

2.2.3.1. hetzij twee onafhankelijke bedrijfsreminrichtingen die de remmen op alle wielen gelijktijdig bekrachtigen;

2.2.3.2. hetzij een bedrijfsreminrichting die de remmen op alle wielen bekrachtigt en daarenboven een hulpreminrichting, waarvoor eventueel de parkeerrem kan dienen.

2.2.3.3. Bovendien moet elke driewielige bromfiets zijn voorzien van een parkeerreminrichting die op het (de) wiel(en) van ten minste één as werkt. De parkeerreminrichting, die eventueel als een van de twee in punt 2.2.3.1 bedoelde inrichtingen kan fungeren, dient onafhankelijk te zijn van de inrichting die op de andere as(sen) werkt.

2.2.4. Elke driewieler moet zijn voorzien van:

2.2.4.1. een met de voet bediende bedrijfsreminrichting die op alle wielen werkt en een noodreminrichting, die de parkeerrem mag zijn, en

2.2.4.2. een parkeerreminrichting die op de wielen van ten minste één as werkt. De bediening van de parkeerreminrichting moet onafhankelijk zijn van de bediening van de bedrijfsreminrichting.

2.2.5. De reminrichtingen moeten werken op remoppervlakken die op onwrikbare wijze of door middel van onderdelen welke niet aan storing onderhevig zijn, permanent met de wielen zijn verbonden.

2.2.6. De onderdelen van alle op een voertuig gemonteerde reminrichtingen moeten stevig zijn bevestigd om bij normaal gebruik storingen van deze reminrichtingen te voorkomen.

2.2.7. De reminrichtingen moeten ongehinderd functioneren wanneer zij op de juiste wijze zijn gesmeerd en afgesteld.

2.2.7.1. De slijtage van de remmen moet gemakkelijk kunnen worden gecompenseerd door een met de hand bediende of automatisch werkende stelinrichting. Het moet mogelijk zijn de remmen bij te stellen totdat de remvoeringen moeten worden vervangen, zonder afbreuk te doen aan de remwerking.

2.2.7.2. Het bedieningsorgaan en de elementen van de overbrenging en van de remmen moeten een slagreserve bezitten welke zodanig is dat bij verhitting van de remmen en maximale slijtage van de remvoeringen doeltreffend kan worden geremd zonder dat onmiddellijk bijstelling noodzakelijk is.

2.2.7.3. Bij bekrachtiging van de reminrichting mogen er bij correcte afstelling geen onvoorziene contacten tussen de elementen ervan en andere delen optreden.

2.2.8. Bij reminrichtingen met hydraulische overbrenging dient het remvloeistofreservoir zodanig te zijn ontworpen en uitgevoerd dat het remvloeistofpeil gemakkelijk kan worden gecontroleerd.

Deze bepaling is niet van toepassing op bromfietsen met een maximumsnelheid van 25 km/h of minder.

Aanhangsel 1 Remproeven en remwerking

1. REMPROEVEN

1.1. Algemeen

1.1.1. De voor de reminrichting voorgeschreven remwerking is gebaseerd op de remafstand. De remwerking van een reminrichting wordt bepaald hetzij door meting van de op de beginsnelheid betrokken remafstand, hetzij door meting van de aanspreektijd van de reminrichting en de gemiddelde vertraging.

1.1.2. De remafstand is de afstand die door het voertuig wordt afgelegd vanaf het tijdstip waarop de bestuurder het bedieningsorgaan in werking begint te stellen tot het tijdstip waarop het voertuig tot stilstand komt; de beginsnelheid is de snelheid op het tijdstip waarop de bestuurder het bedieningsorgaan in werking begint te stellen. In onderstaande formules voor de meting van de remwerking hebben de gebruikte symbolen de volgende betekenis:

V = beginsnelheid in kilometer per uur (km/h)

S = remafstand in meter (m).

1.1.3. Voor de goedkeuring wordt de remwerking gemeten tijdens wegproeven; deze proeven moeten onder de volgende omstandigheden worden uitgevoerd:

1.1.3.1. de massa van het voertuig moet in overeenstemming zijn met de voor elk type proef vastgestelde voorschriften en dient in het beproevingsrapport te worden vermeld;

1.1.3.2. de proeven moeten worden uitgevoerd bij een snelheid en op een wijze die voor elk type proef zijn vastgesteld; indien de maximumsnelheid van het voertuig niet in overeenstemming is met de voorgeschreven snelheid, moeten de proeven worden uitgevoerd overeenkomstig de overige bijzondere aanwijzingen;

1.1.3.3. de voorgeschreven remwerking moet worden verkregen zonder dat het (de) wiel(en) blokkeert (blokkeren), zonder dat het voertuig van zijn koers afwijkt en zonder abnormale trillingen;

1.1.3.4. tijdens de proeven mag de voor het verkrijgen van de voorgeschreven remwerking op het bedieningsorgaan uitgeoefende kracht de voor de categorie voertuigen vastgestelde maximumwaarde niet overschrijden.

1.1.4. Proefvoorwaarden

1.1.4.1. De beproeving van de bedrijfsrem moet onder de volgende omstandigheden plaatsvinden:

1.1.4.1.1. bij het begin van de proeven of reeks proeven moeten de banden koud zijn en moet de bandspanning beantwoorden aan de voorgeschreven waarde voor de in statische toestand door de wielen effectief gedragen belasting;

1.1.4.1.2. bij proeven met een belast voertuig moet de lading overeenkomstig de voorschriften van de constructeur over het voertuig worden verdeeld;

1.1.4.1.3. bij alle proeven van het type 0 moeten de remmen koud zijn; een rem wordt als koud beschouwd wanneer de temperatuur van de schijf of van de buitenzijde van de trommel lager is dan 100 °C;

1.1.4.1.4. gedurende de gehele proef mag de houding van de bestuurder op het zadel niet veranderen;

1.1.4.1.5. het wegdek van de proefbaan moet vlak en droog zijn en een goede adhesie waarborgen;

1.1.4.1.6. de proeven moeten worden uitgevoerd bij afwezigheid van wind die de resultaten kan beïnvloeden.

1.2. Proef van het type 0 (bedrijfsreminrichting)

1.2.1. Algemeen

1.2.1.1. Voor de remwerking van de bedrijfsrem gelden de voorschriften die voor elke categorie voertuigen zijn vastgesteld.

1.2.2. Proef van het type 0 met ontkoppelde motor

1.2.2.1. De proef moet worden uitgevoerd bij de snelheid die voor de categorie waartoe het voertuig behoort is voorgeschreven, met dien verstande dat voor de desbetreffende cijfers een zekere tolerantie geldt.

Bij voertuigen waarbij de twee bedrijfsremmen afzonderlijk kunnen worden bekrachtigd, dienen de reminrichtingen afzonderlijk te worden beproefd. Met elke inrichting van elke categorie voertuigen moet de minimale remwerking worden bereikt.

1.2.2.1.1. Indien het voertuig is voorzien van een handgeschakelde versnellingsbak of van een automatische transmissie met ontkoppelbare versnellingsbak, moeten de proeven worden uitgevoerd terwijl de versnellingsbak in de vrijstand staat en/of de motor op een of andere wijze van de overbrenging is losgekoppeld.

1.2.2.1.2. Indien het voertuig is voorzien van een ander type automatische transmissie, moeten de proeven volgens de normale procedure worden uitgevoerd.

1.2.3. Proef van het type 0 met gekoppelde motor bij motorfietsen en driewielers

1.2.3.1. De proeven worden uitgevoerd met het onbelaste voertuig en bij diverse snelheden, waarvan de laagste 30 % van de maximumsnelheid van het voertuig bedraagt en de hoogste 80 % van de maximumsnelheid, doch ten hoogste 160 km/h. De maximale remwerking en het gedrag van het voertuig moeten worden geregistreerd en in het beproevingsrapport worden vermeld.

Ingeval twee bedrijfsreminrichtingen afzonderlijk kunnen worden bekrachtigd, moeten deze reminrichtingen samen en gelijktijdig worden beproefd met het voertuig in onbelaste toestand.

1.2.4. Proef van het type 0 met ontkoppelde motor en natte remmen

1.2.4.1. Deze proef moet worden uitgevoerd bij bromfietsen en motorfietsen (behalve in het in punt 1.3.1 bedoelde uitzonderingsgeval). Bij deze proef moet dezelfde procedure worden gevolgd als bij de proef van het type 0 met ontkoppelde motor, waarbij de remmen evenwel volgens de voorschriften van punt 1.3 van dit aanhangsel moeten worden natgemaakt.

1.3. Bijzondere voorschriften betreffende de proeven met natte remmen

1.3.1. Afgeschermde remmen: indien het gaat om een klassieke trommelrem of om een geheel afgeschermde rem, hoeft het voertuig niet te worden onderworpen aan deze reeks proeven van het type 0, aangezien er bij een normaal bedrijf geen water in deze remmen dringt.

1.3.2. De proeven met natte remmen moeten onder dezelfde omstandigheden worden uitgevoerd als die met droge remmen. De reminrichting mag op geen enkele manier worden afgesteld of gewijzigd, tenzij dit noodzakelijk is voor de installatie van het sproeisysteem waarmee de remmen worden natgemaakt.

1.3.3. Gedurende de proef moet elke rem continu met een waterstroom van 15 l/h nat worden gehouden. Indien één wiel van twee remschijven is voorzien, moet iedere schijf als een rem worden beschouwd.

1.3.4. Bij niet-afgeschermde of gedeeltelijk afgeschermde remschijven moet de voorgeschreven waterstroom op zodanige wijze op de draaiende schijf worden gespoten dat het water zich gelijkmatig over het (de) wrijvingsvlak(ken) van schijf en remblok(ken) verdeelt.

1.3.4.1. Bij niet-afgeschermde remschijven moet het water 45° vóór de remblok(ken) op het (de) remvlak(ken) van de schijf worden gespoten.

1.3.4.2. Bij gedeeltelijk afgeschermde remschijven moet het water 45° vóór de afscherming of behuizing op het schijfoppervlak worden gespoten.

1.3.4.3. Een continue waterstraal moet loodrecht op het (de) remvlak(ken) van de schijf (schijven) worden gespoten door middel van enkelstraals spuitopeningen ter hoogte van een punt dat, gaande van de binnenrand naar de buitenrand van het wrijvingsvlak tussen schijf en remblok(ken), op een derde van de afstand is gelegen (zie schema 1).

1.3.5. Bij geheel afgeschermde schijven waarvoor de bepalingen van punt 1.3.1 niet gelden, moet het water aan beide zijden van de afscherming of behuizing worden gespoten op een plaats die in overeenstemming is met de voorschriften van de punten 1.3.4.1 en 1.3.4.3 van dit aanhangsel. Indien de spuitopening zich ter hoogte van een ventilatiespleet of inspectieopening bevindt, moet de waterstraal worden gericht op een punt dat zich op een kwart omwenteling vóór deze opening bevindt.

1.3.6. Ingeval het wat de punten 1.3.3 en 1.3.4 betreft door de aanwezigheid van een vast onderdeel van het voertuig onmogelijk is de waterstraal op de aangegeven wijze aan te brengen, moet deze straal worden gericht op het dichtstbijzijnde punt dat ononderbroken door de waterstraal kan worden bespoten, ook al bevindt dit punt zich op meer dan 45° vóór de remblok(ken).

1.3.7. Bij trommelremmen waarvoor de bepalingen van punt 1.3.1 niet gelden, moet de voorgeschreven hoeveelheid water gelijkelijk aan beide zijden van de reminrichting (dat wil zeggen op de remankerplaat en remtrommel zelf) worden gespoten via een spuitopening die zich ter hoogte van een punt bevindt met een afstand tot het middelpunt van de trommel ter grootte van een derde van de straal van de trommel.

1.3.8. Met inachtneming van punt 1.3.7 en van de eis dat geen enkele spuitopening zich binnen 15° of ter hoogte van een ventilatiespleet of inspectieopening op de remankerplaat mag bevinden, dient het sproeisysteem voor de remtrommels zodanig te worden aangebracht dat een zo continu mogelijke waterstraal wordt verkregen.

1.3.9. Om ervoor te zorgen dat de rem(men) op de juiste wijze wordt (worden) natgemaakt, dient onmiddellijk vóór de aanvang van de reeks proeven met het voertuig te worden gereden:

- terwijl het sproeisysteem continu op de in deze bijlage beschreven wijze functioneert,

- bij de voorgeschreven proefsnelheid,

- zonder de te beproeven rem(men) te gebruiken,

- over een afstand van ten minste 500 m tot aan de plaats waar de proef zal worden uitgevoerd.

1.3.10. Bij velgremmen, zoals toegepast op sommige bromfietsen met een maximumsnelheid van 25 km/h of minder, moet het water op de velg van het wiel worden gespoten zoals afgebeeld in schema 2.

Schema 1 Sproeisysteem voor schijfremmen (plakwerk) Schema 2 Sproeisysteem voor velgremmen 1.4. Proef van het type I (verminderde werking)

1.4.1. Bijzondere bepalingen

1.4.1.1. De bedrijfsrem van motorfietsen en driewielers moet worden beproefd door middel van een aantal malen herhaald remmen op onderstaande wijze bij belast voertuig. Bij voertuigen die van een gecombineerd remsysteem zijn voorzien, volstaat het deze bedrijfsreminrichting aan de proef van het type I te onderwerpen.

1.4.1.2. De proef van het type I bestaat uit drie delen:

1.4.1.2.1. één enkele proef van het type 0 volgens de voorschriften van punt 2.1.2 of 2.2.3.1 van dit aanhangsel;

1.4.1.2.2. een reeks van tien opeenvolgende remmingen die overeenkomstig de voorschriften van punt 1.4.2 worden uitgevoerd;

1.4.1.2.3. één enkele proef van het type 0, die zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen één minuut, na de voltooiing van de proef bedoeld in punt 1.4.1.2.2 wordt uitgevoerd onder dezelfde omstandigheden als bij de proef bedoeld in punt 1.4.1.2.1, waarbij met name de kracht op het bedieningsorgaan zo constant mogelijk wordt gehouden en gemiddeld niet groter is dan de bij de proef van punt 1.4.1.2.1 effectief aangewende kracht.

1.4.2. Proefomstandigheden

1.4.2.1. Het voertuig en de te beproeven rem(men) moeten praktisch droog zijn en de rem(men) moet(en) koud zijn (& le; 100 °C).

1.4.2.2. De beginsnelheid moet:

1.4.2.2.1. bij de beproeving van de voorrem(men) gelijk zijn aan de laagste van de volgende twee snelheden: 70 % van de maximumsnelheid van het voertuig of 100 km/h;

1.4.2.2.2. bij de beproeving van de achterrem(men) gelijk zijn aan de laagste van de volgende twee snelheden: 70 % van de maximumsnelheid van het voertuig of 80 km/h;

1.4.2.2.3. bij de beproeving van een gecombineerd remsysteem gelijk zijn aan de laagste van de volgende twee snelheden: 70 % van de maximumsnelheid van het voertuig of 100 km/h.

1.4.2.3. De afstand tussen het begin van een remming en het begin van de volgende remming moet 1 000 m bedragen.

1.4.2.4. De versnellingsbak en/of koppeling moeten als volgt worden bediend:

1.4.2.4.1. Indien het voertuig van een handgeschakelde versnellingsbak of een automatische transmissie met ontkoppelbare versnellingsbak is voorzien, moet tijdens de remmingen de hoogste versnelling waarbij de beginsnelheid kan worden bereikt, zijn ingeschakeld.

Zodra de snelheid van het voertuig tot 50 % van de beginsnelheid is gedaald, moet de motor worden ontkoppeld.

1.4.2.4.2. Indien het voertuig is voorzien van een volautomatische transmissie, moet de proef onder de normale bedrijfsomstandigheden van een dergelijke inrichting worden uitgevoerd. Voor de aanloop moet de bij de beginsnelheid passende versnelling worden gebruikt.

1.4.2.5. Na elke remming moet de snelheid van het voertuig zo snel mogelijk worden opgevoerd tot de beginsnelheid, die moet worden gehandhaafd tot het begin van de volgende remming. Zo nodig mag het voertuig vóór de acceleratie op het proefterrein worden gekeerd.

1.4.2.6. De op het bedieningsorgaan uitgeoefende kracht moet zodanig worden geregeld dat de vertraging de laagste van de volgende twee waarden heeft:

een gemiddelde vertraging van 3 m/s2 of de maximale vertraging die met deze rem bij de eerste remming kan worden bereikt; deze kracht moet gedurende alle in punt 1.4.1.2.2 bedoelde opeenvolgende remmingen constant worden gehouden.

1.4.3. Restwerking

1.4.3.1. Na afloop van de proef van het type I moet de restwerking van de bedrijfsrem worden gemeten onder dezelfde omstandigheden als bij de proef van het type 0 met ontkoppelde motor (waarbij met name de kracht op het bedieningsorgaan zo constant mogelijk wordt gehouden en gemiddeld niet groter is dan de gemiddelde waarde van de effectief benutte kracht, doch waarbij de temperatuur kan afwijken).

1.4.3.2. Deze restwerking mag niet:

1.4.3.2.1. lager zijn dan 60 % van de bij de proef van het type 0 gemeten vertraging, indien de restwerking als een vertraging wordt uitgedrukt,

of

1.4.3.2.2. hoger zijn dan de volgens onderstaande formule berekende remafstand, indien de restwerking als een remafstand wordt uitgedrukt:

waarin:

S1 = de bij de proef van het type 0 gemeten remafstand

S2 = de bij de beproeving van de restwerking gemeten remafstand

a=0,1

V=de beginsnelheid bij aanvang van de remming als gegeven in punt 2.1.1 of 2.2.2 van dit aanhangsel.

2. REMWERKING

2.1. Voorschriften betreffende de beproeving van voertuigen waarvan de reminrichtingen uitsluitend op het (de) wiel(en) van de vooras of van de achteras werken

2.1.1. Beproevingssnelheid V = 40 km/h(1) voor bromfietsen.

Beproevingssnelheid V = 60 km/h(2) voor motorfietsen.

2.1.2. Remwerking bij belast voertuig

2.1.2.1. Bij de proef van het type I ter bepaling van de restwerking (motorfietsen) moeten de gemeten waarden voor de remweg, de gemiddelde remvertraging en de kracht op het bedieningsorgaan in het beproevingsrapport worden vermeld.

2.1.2.2. Remming met de voorrem alleen

/* Tabellen: zie PB */

/* Tabellen: zie PB */

2.1.3.1. Een proef met de bestuurder alleen is niet noodzakelijk, indien met behulp van cijfers kan worden aangetoond dat de verdeling van de massa over de geremde wielen zodanig is dat met elk van de reminrichtingen een gemiddelde remvertraging van ten minste 2,5 m/s2 of

kan worden bereikt.

2.2. Bepalingen betreffende de beproeving van voertuigen waarvan (ten minste) één van de reminrichtingen een gecombineerde reminrichting is

2.2.1. Bij de proef van het type I ter bepaling van de restwerking (motorfietsen en driewielers) moeten de gemeten waarden voor de remweg, de gemiddelde remvertraging en de kracht op het bedieningsorgaan in het beproevingsrapport worden vermeld.

2.2.2. Beproevingssnelheid V = 40 km/h(3) voor bromfietsen.

Beproevingssnelheid V = 60 km/h(4) voor motorfietsen en driewielers.

2.2.3. Het voertuig moet zowel in onbelaste als in belaste toestand worden beproefd.

2.2.3.1. Remming met de gecombineerde reminrichting alleen

/* Tabellen: zie PB */

De remweg moet aan de volgende eisen voldoen:

(dat wil zeggen een gemiddelde remvertraging van 2,5 m/s2).

2.3. Werking van de parkeerrem (indien aanwezig)

2.3.1. De parkeerrem moet, ook indien deze is gecombineerd met een der andere reminrichtingen, het belaste voertuig op een dalende of stijgende helling van 18 % in stilstand kunnen houden.

2.4. Bepalingen betreffende de bedieningsorganen

2.4.1. Kracht op de bedieningsorganen van de bedrijfsrem

Handbediening & le; 200 N.

Voetbediening & le; 350 N (bromfietsen en motorfietsen).

Voetbediening & le; 500 N (driewielers).

2.4.2. Kracht op het bedieningsorgaan van de parkeerrem (indien aanwezig)

Handbediening & le; 400 N.

Voetbediening & le; 500 N.

2.4.3. Verondersteld wordt dat het aangrijpingspunt van de kracht zich bij handremmen op 50 mm van het uiteinde van de remhendel bevindt.

2.5. Minimum- en maximumwaarden van de remwerking bij natte remmen

2.5.1. De gemiddelde remvertraging die bij natte remmen 0,5 tot 1,0 seconde na de bekrachtiging ervan wordt bereikt, dient ten minste 60 % (1) te bedragen van de waarde die in dezelfde tijd bij een gelijke kracht op het bedieningsorgaan, met droge remmen wordt ontwikkeld.

2.5.2. De kracht op het bedieningsorgaan moet zo snel mogelijk worden aangebracht en dient gelijk te zijn aan de waarde die noodzakelijk is om bij droge remmen een gemiddelde remvertraging van 2,5 m/s2 te bereiken.

2.5.3. Gedurende de beproeving van de natte remmen mag de remvertraging op geen enkel moment meer dan 120 % bedragen van de waarde die met droge remmen wordt bereikt.

Aanhangsel 2 Voorschriften voor bromfietsen op twee wielen, motorfietsen zonder zijspanwagen en driewielers voorzien van een anti-blokkeersysteem

1. ALGEMEEN

1.1. Het doel van deze bepalingen is de minimumprestaties te definiëren voor reminrichtingen met een anti-blokkeersysteem die op bromfietsen op twee wielen, motorfietsen zonder zijspanwagen en driewielers zijn gemonteerd. Deze bijlage legt niet de verplichting op om deze voertuigen uit te rusten met een anti-blokkeersysteem. Indien een dergelijk systeem echter op deze voertuigen is gemonteerd, moet het aan onderstaande voorschriften voldoen.

1.2. De thans bekende systemen omvatten een of meer voelers (sensoren), een of meer besturingseenheden en een of meer regelventielen. Andere systemen zullen als anti-blokkeersystemen in de zin van dit aanhangsel worden beschouwd, indien zij prestaties leveren die tenminste gelijkwaardig zijn aan die welke in dit aanhangsel worden voorgeschreven.

2. DEFINITIES

In dit aanhangsel wordt verstaan onder:

2.1. "Anti-blokkeersysteem":

een onderdeel van een bedrijfsreminrichting met behulp waarvan tijdens het remmen automatisch de mate van slip in de draairichting van het (de) wiel(en) op een of meer wielen wordt geregeld.

2.2. "Voeler" (sensor):

een onderdeel dat de draaiomstandigheden van het (de) wiel(en) of de dynamische toestand van het voertuig registreert en doorgeeft aan de besturingseenheid.

2.3. "Besturingseenheid":

het onderdeel dat de door de voeler(s) doorgegeven signalen evalueert en een signaal doorgeeft naar het regelventiel.

2.4. "Regelventiel":

het onderdeel dat de remkracht(en) doseert overeenkomstig het van de besturingseenheid ontvangen signaal.

3. AARD EN EIGENSCHAPPEN VAN HET SYSTEEM

3.1. Elk geregeld wiel moet zodanig zijn ontworpen dat het tenminste het daarbij horende systeem kan activeren.

3.2. Elke storing in de stroomtoevoer naar de inrichting en/of in de installatie buiten de elektronische besturingseenheid(-heden) moet aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt door middel van een optisch signaal dat ook bij daglicht zichtbaar moet zijn; de bestuurder moet gemakkelijk kunnen controleren of de inrichting functioneert(5) .

3.3. Bij een storing in het anti-blokkeersysteem mag de remwerking bij belast voertuig niet lager zijn dan de laagste van de twee in de punten 2.1.2.2 en 2.1.2.3 van aanhangsel 1 gedefinieerde waarden.

3.4. De werking van de inrichting mag niet worden gestoord door elektromagnetische velden(6) .

3.5. De anti-blokkeersystemen moeten blijven functioneren wanneer de rem tijdens een stilstand van willekeurige duur zo krachtig mogelijk wordt bediend.

4. GEBRUIK VAN DE WRIJVINGSCOËFFICIËNT

4.1. Algemeen

4.1.1. Reminrichtingen met anti-blokkeersysteem van motorfietsen zonder zijspanwagen en driewielers worden aanvaardbaar geacht, indien wordt voldaan aan de voorwaarde

e & ge; 0,70

waarin e het gebruik van de wrijvingscoëfficiënt is, zoals omschreven in het addendum bij dit aanhangsel(7) .

4.1.2. Het gebruik van de wrijvingscoëfficiënt e moet worden gemeten op wegdekken met een wrijvingscoëfficiënt van ten hoogste 0,45, respectievelijk ten minste 0,8.

4.1.3. De proeven worden uitgevoerd bij onbelaste voertuigen.

4.1.4. De beproevingsprocedure ter vaststelling van de wrijvingscoëfficiënt (K) en de formules voor de berekening van het gebruik van de wrijvingscoëfficiënt (e) moeten overeenkomen met die welke zijn vastgesteld in het addendum bij dit aanhangsel.

5. AANVULLENDE CONTROLES

5.1. Op onbelaste voertuigen worden de volgende aanvullende controles verricht.

5.1.1. Op de twee in punt 4.1.2 gedefinieerde soorten wegdek mogen de door een anti-blokkeersysteem geregelde wielen niet blokkeren indien de rem plotseling maximaal worden bekrachtigd(8) bij beginsnelheden tot 0,8 Vmax, evenwel met een maximum van 80 km/h(9) .

5.1.2. Indien een door een anti-blokkeersysteem geregeld wiel overgaat van een oppervlak met een hoge wrijvingscoëfficiënt naar een met een lage wrijvingscoëfficiënt zoals bedoeld in punt 4.1.2, terwijl de reminrichting volledig is bekrachtigd(10) , mag dit wiel niet blokkeren. De rijsnelheid en het ogenblik waarop wordt geremd, worden zo gekozen dat wanneer het anti-blokkeersysteem op een wegdek met hoge wrijvingscoëfficiënt volledig functioneert, de overgang van het ene naar het andere wegdektype bij ongeveer 0,5 Vmax doch maximaal bij 50 km/h plaatsvindt.

5.1.3. Indien een voertuig overgaat van een wegdek met een lage wrijvingscoëfficiënt naar een met hoge wrijvingscoëfficiënt zoals bedoeld in punt 4.1.2, terwijl de reminrichting volledig is bekrachtigd(11) , moet de vertraging van het voertuig binnen redelijke tijd tot een passend hoge waarde toenemen zonder dat het voertuig van zijn aanvankelijke koers afwijkt. De rijsnelheid en het ogenblik waarop wordt geremd, worden zo gekozen dat wanneer het anti-blokkeersysteem op een wegdek met lage wrijvingscoëfficiënt volledig functioneert, de overgang van het ene naar het andere wegdektype bij ongeveer 0,5 Vmax doch maximaal bij 50 km/h plaatsvindt.

5.1.4. Indien beide onafhankelijke reminrichtingen van een anti-blokkeersysteem zijn voorzien, moeten de in de punten 5.1.1, 5.1.2 en 5.1.3 voorgeschreven proeven eveneens worden uitgevoerd bij gelijktijdig gebruik van beide onafhankelijke reminrichtingen, waarbij het voertuig zijn stabiliteit niet mag verliezen.

5.1.5. Tijdens de in de punten 5.1.1, 5.1.2, 5.1.3 en 5.1.4 bedoelde proeven zijn echter perioden van wielblokkering of extreme wielslip toegestaan, op voorwaarde dat de stabiliteit van het voertuig niet nadelig wordt beïnvloed. Wielblokkering is toegestaan wanneer de snelheid van het voertuig lager is dan 10 km/h.

e Addendum 1. BEPALING VAN DE WRIJVINGSCOËFFICIËNT (K)

1.1. De bepaling van de wrijvingscoëfficiënt K berust op het maximale vertragingsgetal van het voertuig zonder wielblokkering, met uitgeschakeld(e) anti-blokkeersysteem(systemen) en met gelijktijdig remmen op alle wielen(12) .

1.2. De remproeven moeten worden uitgevoerd door bij een beginsnelheid van ongeveer 60 km/h (of, in het geval van voertuigen die deze snelheid niet kunnen bereiken, bij een snelheid van ongeveer 0,9 Vmax) en bij onbelast voertuig (met uitzondering van de proefapparatuur en/of de benodigde veiligheidsuitrusting) de remmen te bekrachtigen. De kracht op het bedieningsorgaan moet gedurende de gehele proef constant worden gehouden.

1.3. Het maximale vertragingsgetal van het voertuig kan worden bepaald aan de hand van een reeks proeven waarbij de remkrachten op de voor- en achterwielen steeds worden opgevoerd tot het kritische punt dat wordt bereikt onmiddellijk voordat het (de) wiel(en) blokkeert (blokkeren)(13) .

1.4. Het vertragingsgetal (Z) wordt bepaald met behulp van de tijd (t) die nodig is om de snelheid terug te brengen van 40 km/h tot 20 km/h door middel van de volgende formule:

waarbij t in seconden wordt uitgedrukt.

Bij voertuigen met een lagere maximumsnelheid dan 50 km/h moet het vertragingsgetal worden bepaald met behulp van de tijd die nodig is om de snelheid van het voertuig terug te brengen van 0,8 Vmax tot

0,8 Vmax - 20

waarbij Vmax wordt uitgedrukt in km/h.

De maximale waarde van Z = K.

2. BEPALING VAN HET GEBRUIK VAN DE WRIJVINGSCOËFFICIËNT (e)

2.1. Het gebruik van de wrijvingscoëfficiënt wordt gedefinieerd als het quotiënt van het maximale vertragingsgetal bij ingeschakeld anti-blokkeersysteem (Zmax) en het maximale vertragingsgetal bij uitgeschakeld anti-blokkersysteem (Zm). Alle van een anti-blokkeersysteem voorziene wielen moeten afzonderlijk worden beproefd.

2.2. Zmax moet worden berekend op basis van de gemiddelde waarde van drie proeven, waarbij voor de tijd wordt uitgegaan van de tijd die nodig is om de in punt 1.4 beschreven snelheidsvermindering te bereiken.

2.3. Het gebruik van de wrijvingscoëfficiënt wordt bepaald met de formule:

e

Aanhangsel 3 Inlichtingenformulier wat betreft de reminrichting van een type twee- of driewielig motorvoertuig

(Bij de aanvraag om goedkeuring te voegen wanneer deze los van de aanvraag om goedkeuring van het voertuig wordt ingediend)

Volgnummer (toegekend door de aanvrager): .

Bij de aanvraag om goedkeuring wat betreft de remming van een type twee- of driewielig motorvoertuig moeten de inlichtingen worden verstrekt die zijn genoemd in bijlage II bij Richtlijn 92/61/EEG van 30 juni 1992, deel A, punten:

0.1,

0.2,

0.4 tot en met 0.6,

2.1 tot en met 2.2.1,

3.0 tot en met 3.1.1,

5.2,

5.2.2,

7.1 tot en met 7.4.

Aanhangsel 4 Naam van de bevoegde instantie

Goedkeuringscertificaat wat betreft de reminrichting van een type twee- of driewielig motorvoertuig

MODEL

Verslag nr. ................. van de technische dienst ......................... d.d. .

Goedkeuring nr.: ....................... Uitbreiding nr.: .

1. Fabrieks- of handelsmerk van het voertuig: .

2. Voertuigtype: .

3. Naam en adres van de constructeur: .

4. Naam en adres van diens gemachtigde (indien van toepassing): .

5. Het voertuig is op . ter keuring aangeboden.

6. De goedkeuring is verleend/geweigerd(14) .

7. Plaats: .

8. Datum: .

9. Handtekening: .

(1) Bromfietsen met een maximumsnelheid van minder dan 45 km/h en motorfietsen met een maximumsnelheid van minder dan 67 km/h moeten worden beproefd bij een snelheid van 0,9 Vmax.

(2) Bromfietsen met een maximumsnelheid van minder dan 45 km/h en motorfietsen en driewielers met een maximumsnelheid van minder dan 67 km/h moeten worden beproefd bij een snelheid van 0,9 Vmax.

(3) Voor bromfietsen met een maximumsnelheid van 25 km/h of minder bedraagt deze waarde 40 %.

(4) De technische dienst moet de elektronische besturingseenheid en/of alle bekrachtigingssystemen onderzoeken, ten einde potentiële storingen op te sporen.

(5) Tot het tijdstip waarop uniforme beproevingsprocedures zijn ontwikkeld, moeten de constructeurs de technische diensten inlichten over de beproevingsprocedure.

(6) Bij bromfietsen op twee wielen moet de gemeten waarde voor in het beproevingsrapport worden vermeld, zolang er voor deze grootheid nog geen minimumwaarde is vastgesteld.

(7) De kracht op het bedieningsorgaan is gelijk aan de in punt 2.4 van aanhangsel 1 gedefinieerde maximumkracht voor de categorie voertuig; er mag een grotere kracht worden uitgeoefend indien dat nodig is om het anti-blokkeersysteem te activeren.

(8) Op een wegdek met een lage wrijvingscoëfficiënt (& le; 0,35) mag de beginsnelheid om veiligheidsredenen worden beperkt; in dit geval moeten de waarde K en de beginsnelheid in het beproevingsrapport worden vermeld.

(9) Voor voertuigen die met een gecombineerde reminrichting zijn uitgerust, moeten wellicht aanvullende voorschriften worden opgesteld.

(10) Om deze voorbereidende proeven te vergemakkelijken mag aanvankelijk de maximale remkracht, voordat het kritische punt wordt bereikt, voor elk van de wielen afzonderlijk worden bepaald.

(11) Doorhalen wat niet van toepassing is.


Beheerd door het Publicatiebureau