31993D0342

93/342/EEG: Beschikking van de Commissie van 12 mei 1993 tot vaststelling van criteria voor de toekenning van een bepaalde gezondheidsstatus aan derde landen ten aanzien van aviaire influenza en Newcastle disease (pseudo- vogelpest)

Publicatieblad Nr. L 137 van 08/06/1993 blz. 0024 - 0030
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 49 blz. 0247
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 49 blz. 0247


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 12 mei 1993 tot vaststelling van criteria voor de toekenning van een bepaalde gezondheidsstatus aan derde landen ten aanzien van aviaire influenza en Newcastle disease (pseudo-vogelpest)

(93/342/EEG)DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 90/539/EEG van de Raad van 15 oktober 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/65/EEG (2), en met name op artikel 22, lid 2,

Gelet op Richtlijn 91/494/EEG van de Raad van 26 juni 1991 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van vers vlees van pluimvee (3), gewijzigd bij Richtlijn 92/116/EEG (4), en met name op artikel 10, lid 2,

Overwegende dat pluimvee, broedeieren en vlees van pluimvee alleen mogen worden ingevoerd uit derde landen die vrij zijn van aviaire influenza en van Newcastle disease; dat bijgevolg criteria moeten worden vastgesteld voor de toekenning aan derde landen van een gezondheidsstatus ten aanzien van deze ziekten;

Overwegende dat bij de vaststelling van de criteria voor derde landen rekening dient te worden gehouden met de bepalingen die voor de Lid-Staten zijn vastgesteld bij de Richtlijnen 92/40/EEG (5) en 92/66/EEG (6) van de Raad;

Overwegende dat de in deze beschikking vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Permanent Veterinair Comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

In deze beschikking wordt verstaan onder

a) "aviaire influenza": de ziekte als omschreven in bijlage A, hoofdstuk I;

b) "Newcastle disease" (pseudo-vogelpest): een infectie als omschreven in bijlage A, hoofdstuk II;

c) "erkende entstof": entstof tegen Newcastle disease die voldoet aan de in bijlage B vastgestelde eisen;

d) "noodenting": enting die wordt toegepast om de ziekte te bestrijden nadat zich een of meer uitbraken hebben voorgedaan, en die wordt uitgevoerd

i) tegen aviaire influenza met onverschillig welke entstof;

ii) tegen Newcastle disease met een niet-erkende entstof;

e) "opruimingsbeleid": de toepassing, bij een uitbraak van aviaire influenza of van Newcastle disease, van de in bijlage C opgenomen maatregelen;

f) "commercieel koppel": elk pluimveekoppel dat bestaat uit ten minste 200 dieren dan wel ander pluimveekoppel waarvan levende dieren, broedeieren of vlees naar de Gemeenschap kunnen worden uitgevoerd.

Artikel 2

Een derde land wordt als vrij van aviaire influenza en van Newcastle disease erkend wanneer het aan de volgende algemene criteria voldoet:

a) het moet op het gebied van de diergezondheid beschikken over een zodanige infrastructuur dat op adequate wijze toezicht kan worden gehouden op de pluimveekoppels;

b) het moet een wetgeving hebben op grond waarvan voor alle soorten pluimvee en voor alle in gevangenschap gehouden vogels een aangifteplicht geldt ten aanzien van aviaire influenza en Newcastle disease;

c) het moet zich ertoe verbinden een grondig onderzoek in te stellen wanneer besmetting met een van beide ziekten wordt vermoed;

d) het moet monsters van elk virus van aviaire influenza of van elk paramyxovirus dat bij gevallen van vermoedelijke besmetting wordt gevonden, laten onderwerpen aan een specifiek laboratoriumonderzoek overeenkomstig de in bijlage A omschreven procedure;

e) het moet beschikken over de nodige laboratoriumcapaciteit in eigen officiële laboratoria of afspraken hebben met andere laboratoria op zijn grondgebied, om snel de nodige tests te kunnen verrichten;

f) het moet toestaan dat deze laboratoria worden gecontroleerd door deskundigen van de Gemeenschap;

g) van elke primaire uitbraak moet het virusisolaten toezenden aan het communautaire referentielaboratorium in Weybridge (Verenigd Koninkrijk);

h) het moet, binnen 24 uur na bevestiging, bij de Commissie aangifte doen van elke primaire uitbraak in een gebied;

i) bij secundaire uitbraken moet het ten minste om de maand bij de Commissie een verslag indienen over de ziektesituatie;

j) wanneer enting tegen aviaire influenza en/of Newcastle disease niet verboden is, moet het de produktie, het testen en de distributie van entstof officieel controleren;

k) het moet de Commissie in kennis stellen van de kenmerken van elke virusstam die bij de produktie van entstof tegen aviaire influenza of tegen Newcastle disease wordt gebruikt.

Artikel 3

1. Onverminderd de in artikel 2 vastgestelde algemene criteria wordt een derde land als vrij van aviaire influenza erkend indien

a) zich bij pluimvee op zijn grondgebied ten minste in de laatste 36 maanden geen enkele uitbraak van deze ziekte heeft voorgedaan en

b) ten minste in de laatste twaalf maanden niet is geënt tegen aviaire influenza, veroorzaakt door subtypes van virussen waarvan bekend is dat zij sterk pathogeen zijn (momenteel H5 en H7).

2. Wanneer in het kader van de ziektebestrijding een opruimingsbeleid wordt toegepast, wordt, onverminderd het bepaalde in lid 1, onder b), de in lid 1, onder a), genoemde periode van 36 maanden verminderd tot

a) zes maanden indien geen noodenting is toegepast;

b) twaalf maanden indien wel noodenting is toegepast, op voorwaarde dat twaalf maanden zijn verlopen nadat de noodenting officieel is beëindigd.

Artikel 4

1. Onverminderd de in artikel 2 vastgestelde algemene criteria wordt een derde land een eerste keer als vrij van Newcastle disease erkend indien

a) zich op zijn grondgebied ten minste in de laatste 36 maanden geen enkele uitbraak van deze ziekte heeft voorgedaan en

b) ten minste in de laatste twaalf maanden niet tegen Newcastle disease is geënt met een niet-erkende entstof.

2. Wanneer in het kader van de ziektebestrijding een opruimingsbeleid wordt toegepast, wordt, onverminderd het bepaalde in lid 1, onder b), de in lid 1, onder a), genoemde periode van 36 maanden verminderd tot

a) zes maanden indien geen noodenting is toegepast;

b) twaalf maanden indien wel noodenting is toegepast, op voorwaarde dat twaalf maanden zijn verlopen nadat deze noodenting officieel is beëindigd.

3. In afwijking van het bepaalde in lid 1, onder a), en lid 2, onder a), wordt een derde land als vrij van Newcastle disease erkend indien alleen voor commerciële koppels aan de in de leden 1 en 2 vastgestelde criteria wordt voldaan.

In dit geval mag het betrokken derde land vers vlees van pluimvee naar de Gemeenschap zenden indien in het gezondheidscertificaat waarvan het vlees vergezeld gaat, de in bijlage D vastgestelde bijkomende garanties worden opgenomen. Uitvoer van levend pluimvee en van broedeieren naar de Gemeenschap is in dit geval niet toegestaan.

4. In afwijking van het bepaalde in lid 1, onder b), en lid 2, onder b), wordt een derde land als vrij van Newcastle disease erkend indien het toestaat dat entstof tegen deze ziekte wordt gebruikt die wel voldoet aan de algemene maar niet aan de specifieke criteria die voor dergelijke entstof zijn vastgesteld in bijlage B.

In dit geval mag het betrokken derde land levend pluimvee en broedeieren of vers vlees van pluimvee naar de Gemeenschap zenden indien in het gezondheidscertificaat waarvan elke zending vergezeld gaat, de in bijlage E of bijlage F vastgestelde bijkomende garanties worden opgenomen.

Artikel 5

Deze beschikking is van toepassing vanaf 1 oktober 1993.

Artikel 6

Deze beschikking is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 12 mei 1993.

Voor de Commissie

René STEICHEN

Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 303 van 31. 10. 1990, blz. 6.

(2) PB nr. L 268 van 14. 9. 1992, blz. 54.

(3) PB nr. L 268 van 24. 9. 1991, blz. 35.

(4) PB nr. L 62 van 15. 3. 1993, blz. 1.

(5) PB nr. L 167 van 22. 6. 1992, blz. 1.

(6) PB nr. L 260 van 5. 9. 1992, blz. 1.

BIJLAGE A

DEFINITIES VAN "AVIAIRE INFLUENZA" EN "NEWCASTLE DISEASE" HOOFDSTUK I Aviaire influenza Aviaire influenza: een pluimveeziekte die wordt veroorzaakt door een influenza-A-virus met een intraveneuze pathogeniteitsindex (IVPI) bij zes weken oude kuikens van meer dan 1,2, of door een influenza-A-virus, subtype H5 of H7, waarbij door bepaling van de nucleotidenvolgorde is aangetoond dat verschillende basische aminozuren aanwezig zijn aan de breukzijde van het hemagglutinine.

De IVPI wordt als volgt bepaald:

Intraveneuze pathogeniteitsindex (IVPI)

1. Besmettelijk allantoïsvocht van de laagste passage die beschikbaar is, bij voorkeur van de oorspronkelijke isolatie zonder dat enige selectie heeft plaatsgevonden, wordt tot op 1: 10 verdund in een steriele isotonische zoutoplossing.

2. Bij tien zes weken oude kuikens (het gebruik van specifiek pathogeenvrije kuikens is verplicht) wordt telkens 0,1 ml verdunde virusoplossing intraveneus ingespoten.

3. De dieren worden gedurende tien dagen om de 24 uur onderzocht.

4. Bij iedere waarneming wordt voor elk dier een van de volgende aantekeningen gemaakt: normaal (0), ziek (1), ernstig ziek (2) of dood (3).

5. Het registreren van de resultaten en het berekenen van de index vindt plaats overeenkomstig het volgende voorbeeld:

/* Tabellen: zie PB */

HOOFDSTUK II Newcastle disease (pseudo-vogelpest - NCD) Newcastle disease: een infectie van pluimvee die wordt veroorzaakt door een aviaire stam van het paramyxovirus 1 met een intracerebrale pathogeniteitsindex (ICPI) bij eendagskuikens van meer dan 0,7.

De ICPI wordt als volgt bepaald:

Intracerebrale pathogeniteitsindex (ICPI)

1. Besmettelijk pas gewonnen allantoïsvocht (de HA-titer ervan moet hoger zijn dan 24) wordt tot op 1: 10 verdund in een steriele isotonische zoutoplossing (antibiotica mogen niet worden gebruikt).

2. Telkens 0,05 ml van de verdunde virusoplossing wordt intracerebraal ingespoten bij tien ééndagskuikens (d.i. tussen 24 en 40 uur na het uitkomen). De kuikens moeten afkomstig zijn van eieren van een specifiek pathogeenvrij koppel.

3. De dieren worden gedurende acht dagen om de 24 uur onderzocht.

4. Bij iedere waarneming worden aan de dieren de volgende punten toegekend: 0 = normaal; 1 = ziek; 2 = dood.

5. De index wordt berekend als aangegeven in het volgende voorbeeld:

/* Tabellen: zie PB */

BIJLAGE B

CRITERIA VOOR ERKENDE ENTSTOFFEN 1. Algemene criteria

A. Entstoffen moeten door de bevoegde autoriteiten van het betrokken derde land worden geregistreerd voordat zij mogen worden gedistribueerd en gebruikt. Voor deze registratie dienen de bevoegde autoriteiten zich te baseren op een volledig dossier met de gegevens over doeltreffendheid en onschadelijkheid; voor ingevoerde entstoffen mogen de bevoegde autoriteiten zich baseren op gegevens die zijn gecontroleerd door de bevoegde autoriteiten van het land waar de entstof wordt geproduceerd, op voorwaarde dat die controles zijn verricht overeenkomstig internationaal aanvaarde normen.

B. Bovendien moeten de invoer of de produktie en de distributie van entstoffen worden gecontroleerd door de bevoegde autoriteiten van het betrokken derde land.

C. Voordat distributie wordt toegestaan moet elke partij entstof namens de bevoegde autoriteiten worden getest op onschadelijkheid, met name ten aanzien van attenuering of inactivering en van de afwezigheid van ongewenste smetstoffen, alsmede op doeltreffendheid.

2. Specifieke criteria

A. Levende geattenueerde entstof tegen NCD moet worden aangemaakt op basis van een NCD-virusstam waarvoor bij een test van de "Master Seed" een intracerebrale pathogeniteitsindex (ICPI) is gebleken van:

- of wel minder dan 0,4 wanneer in het kader van de ICPI-test aan elke vogel ten minste 107 EID50 is toegediend;

- of wel minder dan 0,5 wanneer in het kader van de ICPI-test aan elke vogel ten minste 108 EID50 is toegediend.

B. Geïnactiveerde entstof tegen NCD moet worden aangemaakt op basis van een NCD-virusstam met een intracerebrale pathogeniteitsindex (ICPI) bij ééndagskuikens van minder dan 0,7 wanneer in het kader van de ICPI-test aan elke vogel ten minste 108 EID50 is toegediend.

BIJLAGE C

MAATREGELEN DIE TEN MINSTE MOETEN WORDEN GETROFFEN WANNEER EEN OPRUIMINGSBELEID WORDT TOEGEPAST OM UITBRAKEN VAN AVIAIRE INFLUENZA OF NEWCASTLE DISEASE UIT TE ROEIEN 1. Wanneer besmetting wordt vermoed, moet het betrokken bedrijf onder officieel toezicht worden geplaatst. Dit houdt met name in dat:

a) onmiddellijk de nodige monsters worden genomen en voor onderzoek en diagnose naar een door de bevoegde autoriteiten erkend laboratorium worden gezonden;

b) een inventaris wordt opgemaakt van alle categorieën pluimvee die op het bedrijf worden gehouden, met vermelding van het aantal gestorven en zieke dieren; deze inventaris moet voortdurend worden bijgewerkt en moet bij elk officieel controlebezoek worden gecontroleerd;

c) alle pluimvee op het bedrijf wordt geïsoleerd en, indien mogelijk, in zijn eigen hok wordt gehouden;

d) geen pluimvee op het bedrijf mag worden binnengebracht of van het bedrijf mag worden afgevoerd;

e) voor alle verplaatsingen van personen, voertuigen, materiaal, enz., van en naar het bedrijf een officiële machtiging is vereist;

f) consumptie-eieren van het bedrijf mogen worden afgevoerd nadat zij op adequate wijze zijn ontsmet of rechtstreeks mogen worden verzonden naar een installatie waar zij een adequate warmtebehandeling ondergaan;

g) wordt gezorgd voor de nodige ontsmettingsmiddelen bij de ingangen van de gebouwen waar het pluimvee is gehuisvest en bij de ingang van het bedrijf zelf;

h) een epizooetiologisch onderzoek wordt ingesteld om de besmettingsbron en de mogelijke verdere verspreiding te achterhalen;

i) alle bedrijven waarvan uit het onder h) bedoelde onderzoek is gebleken dat zij ten gevolge van contacten met het besmette bedrijf ook kunnen zijn besmet, onder officieel toezicht worden geplaatst.

2. Zodra de aanwezigheid van de ziekte op een bedrijf officieel is bevestigd, moeten naast de in punt 1 genoemde maatregelen, de volgende maatregelen worden getroffen:

a) alle op het bedrijf aanwezig pluimvee moet onmiddellijk ter plaatse worden afgemaakt; de karkassen en de eieren moeten worden vernietigd; daarbij moet ervoor worden gezorgd dat het gevaar voor verspreiding van de ziekte zo gering mogelijk is;

b) alle stoffen of afvallen die mogelijk zijn verontreinigd, moeten worden vernietigd of zo worden behandeld dat eventueel aanwezig virus zeker wordt vernietigd;

c) vlees, afkomstig van pluimvee dat tijdens de vermoedelijke incubatieperiode is geslacht, moet worden opgespoord en vernietigd;

d) broedeieren die tijdens de vermoedelijke incubatieperiode zijn gelegd, moeten worden opgespoord en vernietigd; uit dergelijke eieren geboren pluimvee moet onder officieel toezicht worden geplaatst;

e) nadat de maatregelen inzake het afmaken en vernietigen van dieren en het vernietigen van eieren zijn beëindigd, moet het bedrijf grondig worden gereinigd en ontsmet;

f) ten vroegste 21 dagen na beëindiging van de ontsmettingswerkzaamheden mag weer pluimvee op het bedrijf worden binnengebracht.

3. De in punt 2 genoemde maatregelen mogen worden beperkt tot die delen van het bedrijf die een epizooetiologische eenheid vormen, op voorwaarde dat de nodige garanties worden gegeven dat verspreiding van de ziekte naar de niet-besmette eenheden van het bedrijf wordt voorkomen.

4. Rond bevestigde ziekte-uitbraken wordt een beschermingsgebied afgebakend met een straal van ten minste 3 km en een toezichtgebied met een straal van ten minste 10 km. Binnen deze gebieden geldt een volledige stand-still en moeten alle verplaatsingen van pluimvee worden gecontroleerd tot ten minste 21 dagen na beëindiging van de ontsmettingswerkzaamheden op het besmette bedrijf. Voordat de in deze gebieden geldende maatregelen worden ingetrokken, dienen de autoriteiten op de pluimveehouderijen de nodige onderzoeken te verrichten en monsters te nemen om te bevestigen dat de ziekte niet meer in het betrokken gebied voorkomt.

5. De in deze bijlage genoemde maatregelen moeten worden uitgevoerd door of onder toezicht van de officiële veterinaire autoriteiten.

BIJLAGE D

BIJKOMENDE GARANTIES DIE MOETEN WORDEN OPGENOMEN IN HET GEZONDHEIDSCERTIFICAAT VOOR DE INVOER IN DE GEMEENSCHAP VAN VERS VLEES VAN PLUIMVEE UIT DERDE LANDEN WAARVOOR ARTIKEL 4, LID 3, VAN BESCHIKKING 93/342/EEG VAN TOEPASSING IS Het slachtpluimveekoppel waarvan het vlees afkomstig is

a) i) is niet geënt met een entstof tegen Newcastle disease die niet aan de in bijlage B, punt 2, bij Beschikking 93/342/EEG vastgestelde specifieke eisen voldoet (1)(), of

ii) is ten minste 30 dagen vóór het slachten geënt met een entstof die niet aan de in bijlage B, punt 2, bij Beschikking 93/342/EEG vastgestelde specifieke eisen voldoet (*), en

b) heeft bij het slachten, op basis van een aselecte bemonstering aan de hand van cloaca-swabs van ten minste 60 dieren per betrokken koppel, een virusisolatietest op Newcastle disease ondergaan, waarbij geen aviaire paramyxovirussen met een intracerebrale pathogeniteitsindex (ICPI) van meer dan 0,4 zijn gevonden, en

c) is in de laatste 30 dagen vóór het slachten niet in contact geweest met pluimvee dat niet aan de onder a) en b) genoemde garanties voldoet.

(1)() Doorhalen wat niet van toepassing is.

BIJLAGE E

BIJKOMENDE GARANTIES DIE MOETEN WORDEN OPGENOMEN IN HET GEZONDHEIDSCERTIFICAAT VOOR DE INVOER IN DE GEMEENSCHAP VAN LEVEND PLUIMVEE EN BROEDEIEREN UIT DERDE LANDEN WAARVOOR ARTIKEL 4, LID 4, VAN BESCHIKKING 93/342/EEG VAN TOEPASSING IS Hoewel het gebruik van entstof tegen Newcastle disease die niet aan de in bijlage B, punt 2, bij Beschikking 93/342/EEG vastgestelde specifieke eisen voldoet, in .................... (1)() niet verboden is, geldt voor

- het levende pluimvee (2)()

- het fokpluimvee waarvan de broedeieren (**)/eendagskuikens (**) afkomstig zijn (**)

hetgeen volgt:

a) i) het is ten minste in de laatste twaalf maanden niet met een dergelijke entstof geënt (**), of

ii) het is in de laatste twaalf maanden, doch niet in de laatste 60 dagen vóór de verzending (**) of vóór het verzamelen van de broedeieren (**), met een dergelijke entstof geënt, en in dat geval is bij het pluimvee in het koppel van oorsprong in de laatste 14 dagen vóór de verzending of vóór het verzamelen van de eieren, op basis van een aselecte bemonstering aan de hand van cloaca-swabs van ten minste 60 dieren per betrokken koppel, een virusisolatietest op Newcastle disease uitgevoerd, waarbij geen aviaire paramyxovirussen met een intracerebrale pathogeniteitsindex (ICPI) van meer dan 0,4 zijn gevonden (**), en

b) het is in de onder a), i), respectievelijk onder a), ii), genoemde periodes van twaalf maanden, respectievelijk 60 dagen, niet in contact geweest met pluimvee dat niet aan de onder a), i), respectievelijk onder a), ii), genoemde garanties voldoet, en

c) het is in de onder a), ii), genoemde periode van 14 dagen onder officieel toezicht geïsoleerd op het bedrijf van oorsprong, en

d) in geval van uitvoer van ééndagskuikens zijn de broedeieren waarvan zij afkomstig zijn, in de broederij of tijdens het vervoer niet in contact geweest met eieren of pluimvee die niet aan bovenstaande garanties voldoen.

(1)() Naam van het land van oorsprong.

(2)() Doorhalen wat niet van toepassing is.

BIJLAGE F

BIJKOMENDE GARANTIES DIE MOETEN WORDEN OPGENOMEN IN HET GEZONDHEIDSCERTIFICAAT VOOR DE INVOER IN DE GEMEENSCHAP VAN VERS VLEES VAN PLUIMVEE UIT DERDE LANDEN WAARVOOR ARTIKEL 4, LID 4, VAN BESCHIKKING 93/342/EEG VAN TOEPASSING IS Hoewel het gebruik van entstof tegen Newcastle disease die niet aan de in bijlage B, punt 2, bij Beschikking 93/342/EEG vastgestelde specifieke eisen voldoet, in .................... (1)() niet verboden is, geldt voor het slachtpluimvee waarvan het vlees afkomstig is, hetgeen volgt:

a) i) het is ten minste in de laatste twaalf maanden niet met een dergelijke entstof geënt (2)(), of

ii) het is in de laatste twaalf maanden, doch niet in de laatste 30 dagen vóór het slachten, met een dergelijke entstof geënt, en in dat geval is bij het pluimvee in het koppel van oorsprong bij het slachten, op basis van een aselecte bemonstering aan de hand van cloaca-swabs van ten minste 60 dieren per betrokken koppel, een virusisolatietest op Newcastle disease uitgevoerd, waarbij geen aviaire paramyxovirussen met een ICPI van meer dan 0,4 zijn gevonden (**), en

b) het is in de onder a), i), respectievelijk onder a), ii), genoemde periodes van twaalf maanden, respectievelijk 30 dagen, niet in contact geweest met pluimvee dat niet aan de onder a), i), respectievelijk onder a), ii), genoemde garanties voldoet.


Beheerd door het Publicatiebureau