Richtlijn 89/677/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende achtste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten
Publicatieblad Nr. L 398 van 30/12/1989 blz. 0019 - 0023
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 15 Deel 9 blz. 0147
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 15 Deel 9 blz. 0147
RICHTLIJN VAN DE RAAD van 21 december 1989 houdende achtste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (89/677/EEG) DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A, Gezien het voorstel van de Commissie (1), In samenwerking met het Europese Parlement (2), Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3), Overwegende dat maatregelen dienen te worden vastgesteld die ertoe bestemd zijn de interne markt geleidelijk tot stand te brengen in de loop van een periode die op 31 december 1992 eindigt; dat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen omvat, waarin he vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd; Overwegende dat ondanks het verbod op het op de markt brengen van bepaalde siervoorwerpen die bestemd zijn om lichteffecten te verkrijgen en voorzien zijn van een glazen recipiënt met gevaarlijke vloeistoffen in de zin van de definities van Richtlijn 67/548/EEG (4), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 86/431/EEG (5), nog steeds voorwerpen op de markt worden aangetroffen die dezelfde gevaren opleveren en als spel voor een of meer personen worden gebruikt en soms zelfs decoratieve aspecten hebben; Overwegende dat het gehalte (0,01 gewichtspercent - 100 ppm) aan PCB/PCT's in preparaten, met inbegrip van afgewerkte olie, dient te worden herzien; dat bij Richtlijn 87/101/EEG van de Raad van 22 december 1987 houdende wijziging van Richtlijn 75/439/EEG betreffende de verwijdering van afgewerkte olie (6), dit gehalte op 0,005 gewichtspercent is gesteld; Overwegende dat benzeen (CAS nr. 71-43-2) een toxische verbinding is die het centrale zenuwstelsel en de bloedvormende organen kan aantasten en voorts kanker en met name leukemie kan veroorzaken; dat deze stof in Richtlijn 67/548/EEG als kankerverwekkend categorie nr. I is ingedeeld; PB nr. C 256 van 9. 10. 1989, blz. 70. PB nr. C 337 van 31. 12. 1988, blz. 7. dat de bescherming tegen de gevaren van benzeen wordt geregeld in Conventie nr. 136 en Aanbeveling nr. 144 van de IAO (Internationale Arbeidsorganisatie); Overwegende dat de verbindingen 2-naftylamine (CAS nr. 91-59-8), 4-nitrobifenyl (CAS nr. 92-93-3), 4-aminobifenyl (CAS nr. 92-67-1) en benzidine (CAS nr. 92-87-5) kanker en met name kanker van de urinewegen kunnen veroorzaken; dat deze stoffen in Richtlijn 67/548/EEG als kankerverwekkend categorie I zijn ingedeeld; dat deze verbindingen, hoewel zij momenteel in de Gemeenschap nog maar in zeer geringe gecontroleerde uitsluitend voor onderzoek bestemde hoeveelheden worden gefabriceerd, desondanks in andere verbindingen of preparaten als verontreiniging aanwezig kunnen zijn; Overwegende dat, naast de specifieke maatregelen voor blootstelling op het werk, de vaststelling van een maximale concentratie, alsmede een beperking van het gebruik van deze verbindingen als zodanig of als bestanddeel van preparaten de mogelijkheid bieden de preventie van kanker als beroepsziekte en de bescherming van de consument te verbeteren; Overwegende dat loodverbindingen in het algemeen en de in maagsap oplosbare loodzouten in het bijzonder, gevaarlijk zijn voor de gezondheid; dat dergelijke verbindingen nog dikwijls als pigmenten voor bepaalde verven voor decoratiedoeleinden worden gebruikt; dat er derhalve voorschriften dienen te worden vastgesteld voor het gebruik van deze verbindingen in dergelijke gevallen; dat het gebruik van loodwit in verf wordt geregeld door IAO-conventie nr. 13; Overwegende dat bepaalde, als oppervlaktebekleding gebruikte aangroeiwerende preparaten die ter bescherming van scheepsrompen en/of uitrusting onder water worden gebruikt, een schadelijke uitwerking hebben op het aquatische leven ten gevolge van het gebruik van bepaalde chemische verbindingen, met name arseen-, kwik- en tinverbindingen; dat voor een betere bescherming van het milieu voorschriften dienen te worden vastgesteld voor het gebruik van deze verbindingen in dergelijke preparaten; Overwegende dat niet alleen di-ì-oxo-di-n-butylstanniohydroxyboraan (C8H19BO3Sn, CAS nr. 75113-37-0), maar tevens de afbraak-/ontbindingsprodukten daarvan voor de mens en het milieu, en vooral voor het aquatisch milieu, gevaarlijke stoffen vormen; dat het gebruik van deze stoffen aan voorschriften moet worden onderworpen; Overwegende dat reeds door sommige Lid-Staten vastgestelde beperkingen voor het gebruik of voor het op de markt brengen van bovengenoemde verbindingen of preparaten die deze verbindingen bevatten, rechtstreeks van invloed zijn op de instelling en de werking van de interne markt; dat derhalve moet worden overgegaan tot een onderlinge aanpassing van de wettelijke bepalingen van de Lid-Staten op dit gebied en bijlage I bij Richtlijn 76/769/EEG (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 85/610/EEG (2), bijgevolg wijziging behoeft; Overwegende dat deze richtlijn de huidige bepalingen van het Gemeenschapsrecht betreffende de eventuele vaststelling door de Lid-Staten van strengere beperkingen van het gebruik van de betrokken stoffen en preparaten op de arbeidsplaats, onverlet laat, HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 Bijlage I bij Richtlijn 76/769/EEG wordt als volgt gewijzigd: 1. in punt 1 van de linkerkolom wordt de in het derde streepje vermelde waarde 0,01 % vervangen door de waarde 0,005 %; 2. punt 3 wordt vervangen door: "3. "3. Vloeibare stoffen of preparaten die als gevaarlijk worden beschouwd in de zin van de definities van artikel 2, lid 2, en de criteria in bijlage VI, deel II D, van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 86/431/EEG (2). Worden niet toegelaten: - in siervoorwerpen bestemd om licht- of kleureffecten te verkrijgen door verschillende fasen, bij voorbeeld in sfeerlampen en asbakken, - in scherts- en fopartikelen, - in spelen voor één of meer personen of in alle voorwerpen die bestemd zijn om als zodanig te worden gebruikt, zelfs als deze fungeren als siervoorwerp. (1) PB nr. 196 van 16. 8. 1967, blz. 1. (2) PB nr. L 247 van 1. 9. 1986, blz. 1.''; 3. aan punt 5 benzeen, rechterkolom wordt de volgende tekst toegevoegd: "Wordt niet toegelaten in concentraties gelijk aan of hoger dan 0,1 gew. % in stoffen en preparaten die op de markt worden gebracht. In afwijking hiervan is deze bepaling niet van toepassing voor: a) brandstoffen die vallen onder Richtlijn 85/210/EEG; b) stoffen en preparaten die bestemd zijn om te worden gebruikt in industriële procédés waarbij geen grotere benzeenemissie kan plaatsvinden dan is voorzien in de bestaande wetgeving; c) afvalstoffen die vallen onder de Richtlijnen 75/442/EEG (1) en 78/319/EEG (2). (1) PB nr. L 194 van 25. 7. 1975, blz. 39. (2) PB nr. L 84 van 31. 3. 1978, blz. 43.''; 4. de volgende punten worden toegevoegd: "13. "13. 2-Naftylamine Cas nr. 91-59-8 en de zouten daarvan Worden niet toegelaten in concentraties gelijk aan of hoger dan 0,1 gew. % in stoffen en preparaten die op de markt worden gebracht. "14. "15. Benzidine Cas nr. 92-87-5 en de zouten daarvan 4-Nitrobifenyl Cas nr. 92-93-3 In afwijking hiervan is deze bepaling niet van toepassing op afvalstoffen die een of meer van deze verbindingen bevatten en die vallen onder de Richtlijnen 75/442/EEG en 78/319/EEG. "16. 4-Aminobifenyl Cas nr. 92-67-1 en de zouten daarvan Deze stoffen en preparaten mogen niet aan het grote publiek worden verkocht. Onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen inzake de indeling, verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en preparaten moet op de verpakking van dergelijke preparaten de volgende tekst leesbaar en onuitwisbaar worden vermeld: "Uitsluitend voor beroepsmatig gebruik''. "17. Loodcarbonaten: - neutraal loodcarbonaat PbCO3 Cas nr. 598-63-0 - basisch loodcarbonaat 2PbCO3Pb(OH)2 Cas nr. 1319-46-6 Worden niet toegelaten als verbindingen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om als verven te worden gebruikt, behalve voor de restauratie en het onderhoud van kunstwerken alsmede van historische gebouwen en hun interieurs, indien Lid-Staten op hun grondgebied het gebruik ervan wensen toe te staan overeenkomstig de bepalingen van de IAO-conventie nr. 13 over het gebruik van loodwit in verven. "18. Loodsulfaten PbSO4 (1 : 1) Cas nr. 7446-14-2 PbxSO4 Cas nr. 1739-80-7 Worden niet toegelaten als verbindingen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om als verven te worden gebruikt, behalve voor de restauratie en het onderhoud van kunstwerken alsmede van historische gebouwen en hun interieurs, indien Lid-Staten op hun grondgebied het gebruik ervan wensen toe te staan overeenkomstig de bepalingen van de IAO-conventie nr. 13 over het gebruik van loodsulfaten in verven. "19. Kwikverbindingen Worden niet toegelaten als verbindingen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om te worden gebruikt: a) ter voorkoming van de aangroeiing van micro-organismen, planten of dieren op: - scheepsrompen; - fuiken, drijvers, netten, alsmede alle overige apparatuur of uitrus- ting die bij de teelt van vissen en schaal- en schelpdieren wordt gebruikt; - alle apparatuur of uitrusting die zich geheel of gedeeltelijk onder water bevindt; b) ter bescherming van hout; c) voor de impregnatie van zware industriële textielprodukten en garens bestemd voor de fabricage daarvan; d) bij de behandeling van industrieel water, ongeacht het gebruik daarvan. "20. Arseenverbindingen 1. Worden niet toegelaten als verbindingen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om te worden gebruikt: a) ter voorkoming van de aangroeiing van micro-organismen, planten of dieren op: - scheepsrompen; - fuiken, drijvers, netten, alsmede alle overige apparatuur of uitrusting die bij de teelt van vissen en schaal- en schelpdieren wordt gebruikt; - alle apparatuur of uitrusting die zich geheel of gedeeltelijk onder water bevindt; b) ter bescherming van hout. In dit geval is het verbod niet van toepassing op oplossingen van anorganische zouten die koper, chroom of arseen bevatten en in industriële installaties worden gebruikt voor het impregneren van hout onder vacuuem of onder druk. Bovendien kunnen de Lid-Staten op hun grondgebied het gebruik toestaan van preparaten die dinitrofenol, fluoride en arseen bevatten voor het opnieuw bewerken in situ van reeds geplaatste houten palen voor luchtleidingen. Dergelijke preparaten mogen alleen worden aangewend door vakmensen bij procédés onder vacuuem of onder druk. 2. Worden niet toegelaten als verbindingen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om te worden gebruikt bij de behandeling van industrieel water, ongeacht het gebruik daarvan. "21. Organische tinverbindingen 1. Worden niet toegelaten als verbindingen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om te worden gebruikt ter voorkoming van de aangroeiing van micro-organismen, planten of dieren op: a) scheepsrompen met een lengte over alles, zoals gedefinieerd in ISO-norm 8666, van minder dan 25 meter; b) fuiken, drijvers, netten, alsmede alle overige apparatuur of uitrusting die bij de teelt van vissen en schaal- en schelpdieren wordt gebruikt; c) alle apparatuur of uitrusting die zich geheel of gedeeltelijk onder water bevindt. Dergelijke stoffen en preparaten mogen - alleen in verpakkingen met een inhoud van 20 liter of meer op de markt worden gebracht; - niet aan het grote publiek worden verkocht, maar uitsluitend aan degenen die deze stoffen en preparaten beroepsmatig gebruiken. Onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen inzake de indeling, verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en preparaten moet op de verpakking van dergelijke preparaten de volgende tekst leesbaar en onuitwisbaar worden vermeld: "Niet gebruiken op boten met een lengte over alles van minder dan 25 meter, alsmede op alle apparatuur of uitrusting die bij de teelt van vissen en schaal- en schelpdieren wordt gebruikt. Uitsluitend voor beroepsmatig gebruik.'' 2. Worden niet toegelaten als verbindingen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om te worden gebruikt bij de behandeling van industrieel water, ongeacht het gebruik daarvan. "22. Di-ì-oxo-di-n-butylstanniohydroxy- boraan C8H19BO3Sn, Cas nr. 75113-37-0 (DBB) Wordt in concentraties van 0,1 % of meer niet toegelaten in verbindingen en bestanddelen van op de markt gebrachte preparaten. In afwijking daarvan is deze bepaling niet van toepassing op de verbindingen en de preparaten die deze stof (DBB) bevatten, wanneer deze uitsluitend worden verwerkt tot eindprodukten waarin deze stof niet meer voorkomt in een concentratie van 0,1 % of hoger.''. Artikel 2 1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 18 maanden na de vaststelling van deze richtlijn aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. 2. De Lid-Staten delen de Commissie uiterlijk 18 maanden na de vaststelling van deze richtlijn de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Artikel 3 Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten. Gedaan te Brussel, 21 december 1989. Voor de Raad De Voorzitter E. CRESSON (1) PB nr. C 43 van 16. 2. 1988, blz. 9. (2) PB nr. C 96 van 17. 4. 1989, blz. 190, en (3) PB nr. C 175 van 4. 7. 1988, blz. 10, en (4) PB nr. 196 van 16. 8. 1967, blz. 1. (5) PB nr. L 247 van 1. 9. 1986, blz. 1. (6) PB nr. L 42 van 12. 2. 1987, blz. 43. (1) PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 201. (2) PB nr. L 375 van 31. 12. 1985, blz. 1.