31981L0576

Richtlijn 81/576/EEG van de Raad van 20 juli 1981 tot wijziging van Richtlijn 77/541/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake veiligheidsgordels en bevestigingssystemen in motorvoertuigen

Publicatieblad Nr. L 209 van 29/07/1981 blz. 0032 - 0033
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 11 blz. 0149
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 13 Deel 11 blz. 0215
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 11 blz. 0149
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 13 Deel 11 blz. 0215


RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 20 juli 1981

tot wijziging van Richtlijn 77/541/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake veiligheidsgordels en bevestigingssystemen in motorvoertuigen

( 81/576/EEG )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op artikel 100 ,

Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ) ,

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 2 ) ,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 3 ) ,

Overwegende dat Richtlijn 77/541/EEG van de Raad van 28 juni 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake veiligheidsgordels en bevestigingspunten in motorvoertuigen ( 4 ) in bijlage I onder andere voorschriften bevat betreffende het uitrusten met veiligheidsgordels en bevestigingssystemen van motorvoertuigen van categorie M1 , als omschreven in bijlage I van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( 5 ) , laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 80/1267/EEG ( 6 ) ;

Overwegende dat het voor de veiligheid van het wegverkeer nodig is onmiddellijk de uitrusting met veiligheidsgordels en bevestigingssystemen die voldoen aan Richtlijn 77/541/EEG voor te schrijven voor de voertuigen van bepaalde categorieën M en N en toe te staan en te bevorderen voor de voertuigen van de overige categorieën M en N door uitbreiding van het toepassingsgebied van die richtlijn ; dat deze uitbreiding mogelijk wordt gemaakt door de technische vooruitgang op het gebied van de automobielfabricage ;

Overwegende dat te dien einde Richtlijn 77/541/EEG moet worden gewijzigd ;

Overwegende dat deze wijziging medebrengt dat bepaalde voorschriften van de bijlagen bij Richtlijn 77/541/EEG moeten worden aangepast aan de technische vooruitgang ; dat de inwerkingtreding van de onderhavige richtlijn dient samen te vallen met die van de bepalingen die ingevolge de aanneming van de onderhavige richtlijn zullen worden vastgesteld ten einde de voorschriften van de bijlagen bij Richtlijn 77/541/EEG aan de technische vooruitgang aan te passen ,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD :

Artikel 1

Richtlijn 77/541/EEG wordt als volgt gewijzigd :

1 . artikel 9 wordt als volgt gelezen :

" Artikel 9

Onder voertuig in de zin van deze richtlijn wordt verstaan elk voor het wegverkeer bestemd motorvoertuig van de categorieën M en N als omschreven in bijlage I van Richtlijn 70/156/EEG met ten minste vier wielen en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/uur . " ;

2 . in bijlage I :

a ) wordt punt 3.1 als volgt gelezen :

" 3.1 . Uitrusting van de voertuigen

Alle in artikel 9 bedoelde voertuigen die behoren tot de categorieën M1 en N1 , alsmede die welke behoren tot de categorie M2 ( voor zover het toelaatbare maximumgewicht van deze laatste categorie voertuigen niet meer dan 3 500 kg bedraagt en zij geen staanplaatsen bevatten ) moeten zijn voorzien van veiligheidsgordels of bevestigingssystemen die aan deze richtlijn voldoen . Deze veiligheidsgordels of bevestigingssystemen moeten van de hieronder aangegeven uitvoering zijn ( hierbij mogen evenwel geen oprolmechanismen zonder vergrendeling ( punt 1.8.1 ) of oprolmechanismen met handbediende ontgrendeling ( punt 1.8.2 ) worden gebruikt ) .

Indien andere in artikel 9 bedoelde voertuigen van veiligheidsgordels of bevestigingssystemen zijn voorzien , moeten deze voldoen aan alle voorschriften van deze richtlijn met uitzondering van die van de punten 3.1.1 tot en met 3.1.3 . " ;

b ) wordt punt 3.1.1 als volgt gelezen :

" 3.1.1 . Op de zitplaatsen voorin aan de zijkanten : driepuntsgordels met oprolmechanismen met noodvergrendeling ( punt 1.8.4 ) met meervoudige gevoeligheid ;

3.1.1.1 . voor de plaats van de passagier zijn oprolmechanismen met automatische vergrendeling ( punt 1.8.3 ) evenwel toegestaan ;

3.1.1.2 . op de plaats van de passagier van voertuigen van categorie M2 worden heupgordels al dan niet met oprolmechanismen evenwel als voldoende beschouwd wanneer de voorruit zich buiten de in bijlage II van Richtlijn 74/60/EEG omschreven referentiezone bevindt ;

met betrekking tot gordels , wordt de voorruit beschouwd als een deel van de referentiezone , wanneer zij met de proefinrichting in statisch contact kan komen volgens de in bijlage II van Richtlijn 74/60/EEG beschreven methode . " ;

c ) wordt punt 3.1.3 als volgt gelezen :

" 3.1.3 . Op de zitplaatsen achterin van voertuigen van categorie M1 : heup- of driepuntsgordels , al dan niet met oprolmechanismen . " ;

d ) wordt het volgende punt toegevoegd :

" 3.1.5 . In afwijking van de voorgaande bepalingen mag op voertuigen van de categorieën N1 en M2 een oprolmechanisme met noodvergrendeling van type 4N ( punt 1.8.5 ) worden toegestaan in plaats van een oprolmechanisme van type 4 ( punt 1.8.4 ) , indien de met de beproeving belaste diensten er naar behoren van kunnen worden overtuigd dat het aanbrengen van een oprolmechanisme van type 4 de bestuurder zou hinderen . " .

Artikel 2

De Lid-Staten doen de nodige bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen op hetzelfde tijdstip dat wordt vastgesteld voor de inwerkingtreding van de bepalingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de richtlijn welke ingevolge de aanneming van deze richtlijn overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 77/541/EEG moet worden vastgesteld ten einde de voorschriften van de bijlagen bij laatstgenoemde richtlijn aan de technische vooruitgang aan te passen . Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis .

Artikel 3

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten .

Gedaan te Brussel , 20 juli 1981 .

Voor de Raad

De Voorzitter

P. WALKER

( 1 ) PB nr. C 87 van 9 . 4 . 1980 , blz. 4 .

( 2 ) PB nr. C 265 van 13 . 10 . 1980 , blz. 77 .

( 3 ) PB nr. C 230 van 8 . 9 . 1980 , blz. 6 .

( 4 ) PB nr. L 220 van 29 . 8 . 1977 , blz. 95 .

( 5 ) PB nr. L 42 van 23 . 2 . 1970 , blz. 1 .

( 6 ) PB nr. L 375 van 31 . 12 . 1980 , blz. 34 .


Beheerd door het Publicatiebureau