31980Y1003(01)

Mededeling van de Commissie over de gevolgen die uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 20 februari 1979 in de zaak 120/78 zijn te trekken ("Cassis de Dijon")

Publicatieblad Nr. C 256 van 03/10/1980 blz. 0002 - 0003


Mededeling van de Commissie over de gevolgen die uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 20 februari 1979 in de zaak 120/78 zijn te trekken ("Cassis de Dijon")

De navolgende tekst is in briefvorm aan de Lid-Staten toegestuurd ; het Europese Parlement en de Raad zijn van deze tekst eveneens in kennis gesteld.

In haar mededeling van 6 november 1978 over "het behoud van het vrije handelsverkeer binnen de Gemeenschap" wees de Commissie erop dat het vrije verkeer van goederen door een toenemend aantal beperkende maatregelen wordt getroffen.

Het door het Hof van Justitie op 20 februari 1979 in de zaak 120/78 ("Cassis de Dijon") gewezen arrest, dat onlangs werd bevestigd door het arrest van 26 juni 1980 in de zaak 788/79, verschaft de Commissie aanknopingspunten voor de interpretatie van het EEG-Verdrag, waardoor zij in staat is een strikter toezicht uit te oefenen op de toepassing van de voorschriften van het Verdrag over het vrije verkeer van goederen, met name van de artikelen 30 tot en met 36.

Het Hof heeft een zeer algemene definitie gegeven van de door de bepalingen van de artikelen 30 e.v. van het EEG-Verdrag verboden belemmeringen in het handelsverkeer. Het betreft "iedere nationale regeling welke het intracommunautaire handelsverkeer al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren".

In zijn arrest van 20 februari 1979 heeft het Hof de draagwijdte van deze definitie voor technische en handelsregelingen nader uitgewerkt:

Ieder in een Lid-Staat rechtmatig geproduceerd en in de handel gebracht produkt dient in beginsel op de markt van iedere andere Lid-Staat te worden toegelaten.

Technische en handelsregelingen mogen, ook wanneer zij zonder onderscheid op nationale en ingevoerde produkten van toepassing zijn, slechts belemmeringen scheppen voor zover zij noodzakelijk zijn om aan dwingende eisen te voldoen en zijn gericht op de verwezenlijking van een doel van algemeen belang waarvoor zij de wezenlijke garantie vormen. Dit doel dient van dien aard te zijn dat het voorrang moet hebben op het vrije verkeer van goederen dat als een van de fundamentele regels der Gemeenschap is te beschouwen.

De Commissie heeft, uitgaande van deze nieuwe aanknopingspunten, de volgende beginselen ontwikkeld: - De Lid-Staten kunnen wat hun eigen produktie betreft en zolang communautaire regelingen ter zake ontbreken, weliswaar de voorwaarden voor het in de handel brengen van produkten aan een regeling onderwerpen, maar voor de uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten is de situatie anders.

Elk uit een andere Lid-Staat ingevoerd produkt dient in beginsel op het grondgebied van elke Lid-Staat te worden toegelaten wanneer het rechtmatig is geproduceerd, d.w.z. wanneer het met de voorschriften van het uitvoerende land in overeenstemming is of volgens behoorlijke en in dat land gebruikelijke procédés werd vervaardigd en op het grondgebied van dat land in de handel is gebracht.

De aanvaarding van dit beginsel houdt in dat de Lid-Staat bij het uitwerken van technische of handelsregelingen, die van invloed kunnen zijn op de goede werking van het vrije verkeer van goederen, deze niet alleen in een uitsluitend nationaal perspectief mag zien noch daarbij slechts rekening mag houden met de uitsluitend voor nationale produkten geldende eisen. Voor een goede werking van de gemeenschappelijke markt dient elke Lid-Staat ook rekening te houden met de legitieme belangen van de andere Lid-Staten.

- Het Hof laat op dit beginsel slechts onder zeer beperkte voorwaarden uitzonderingen toe : belemmeringen die uit dispariteiten en technische en handelsregelingen voortvloeien kunnen slechts worden aanvaard voor zover deze regelingen: - noodzakelijk zijn - d.w.z. aan hun doel aangepast en niet excessief - om te voldoen aan dwingende eisen (volksgezondheid, bescherming van de consument en van het milieu, eerlijk handelsverkeer, enz.);

- zijn gericht op een doel van algemeen belang waarvan het karakter zo dwingend is dat het een uitzondering op een fundamentele regel van het Verdrag, zoals het vrije verkeer van goederen, rechtvaardigt;

- de wezenlijke garantie vormen voor het bereiken van een dergelijk doel, d.w.z. het meest passende middel vormen dat tevens het handelsverkeer het minst belemmert.

Deze jurisprudentie is voor de Commissie aanleiding een aantal richtsnoeren te formuleren:

- De toepassing van de door het Hof ontwikkelde beginselen houdt in dat een Lid-Staat in beginsel niet de verkoop op zijn grondgebied kan verbieden van een produkt dat rechtmatig in een andere Lid-Staat werd geproduceerd en in de handel gebracht, ook wanneer het volgens technische of kwaliteitsvoorschriften werd gefabriceerd die afwijken van die welke van toepassing zijn op zijn eigen produkten. Voor zover het betrokken produkt immers "op passende en bevredigende wijze" beantwoordt aan het door zijn regeling beoogde wettige doel (veiligheid, bescherming van de consument en van het milieu, enz.) kan de Lid-Staat waar het produkt wordt ingevoerd zich ter rechtvaardiging van een verbod tot verkoop van dit produkt op zijn grondgebied niet beroepen op het feit dat de middelen die voor het bereiken van dit doel werden aangewend, verschillen van die welke voor zijn nationale produkten gelden.

In een dergelijk geval zal een absoluut verkoopverbod niet als "noodzakelijk" kunnen worden beschouwd om te voldoen aan- een "dwingende eis", omdat dit verbod niet "de wezenlijke garantie" in de door het arrest van het Hof bedoelde zin vormt.

De Commissie dient dus op te treden tegen een aantal handelsregelingen waarbij technische of kwaliteitseisen worden gesteld die moeten worden nageleefd, willen in andere Lid-Staten geproduceerde en in de handel gebrachte produkten op de nationale markt kunnen worden toegelaten, en zulks in alle gevallen waarin de uit dergelijke regelingen voortvloeiende belemmeringen niet aanvaardbaar zijn in het licht van de zeer beperkende criteria die het Hof van Justitie heeft gesteld.

De Commissie denkt hierbij speciaal aan de regelingen betreffende de samenstelling, aanduiding, presentatie, en verpakking van produkten, alsook aan regelingen waarbij de naleving van bepaalde technische normen wordt voorgeschreven.

- De harmonisatie van nationale wettelijke voorschriften die van invloed zijn op de werking van de gemeenschappelijke markt zal de Commissie vooral in die gevallen tot stand moeten brengen waar het de afschaffing betreft van belemmeringen die het gevolg zijn van nationale voorschriften die in het licht van de door het Hof gestelde criteria geoorloofd zijn.

Zij zal voorts haar activiteiten concentreren op sectoren die in verband met hun economisch belang voor de verwezenlijking van de interne markt voorrang genieten.

Ten einde moeilijkheden in de toekomst te voorkomen zal de Commissie de Lid-Staten in kennis stellen van de mogelijke bezwaren tegen bepaalde maatregelen, die de Lid-Staten voornemens zijn te nemen en waarvan de Commissie kennis draagt. Zij zal binnenkort voorstellen doen voor de hierbij te volgen procedure.

De Commissie is ervan overtuigd dat deze aanpak voor de ondernemers van de Gemeenschap ruimere mogelijkheden voor een vrij handelsverkeer biedt en daarmede de grondslagen voor de industrie van de Gemeenschap verbetert, waarbij ook aan de verwachtingen van de consumenten wordt beantwoord.


Beheerd door het Publicatiebureau