Voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Ivoorkust /* COM/2004/0842 def. - CNS 2004/0286 */
Brussel, 23.12.2004 COM(2004) 842 definitief 2004/0286 (CNS) Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot instelling van beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Ivoorkust (door de Commissie ingediend) TOELICHTING 1. Gezien de recente ontwikkelingen in Ivoorkust, met name het opnieuw oplaaien van de vijandelijkheden en de herhaalde schendingen van het staakt-het-vuren dat op 3 mei 2003 is overeengekomen, heeft de VN-Veiligheidsraad op 15 november 2004 besloten bepaalde beperkende maatregelen tegen Ivoorkust te nemen. 2. De beperkende maatregelen waartoe de Veiligheidsraad in resolutie 1572(2004) heeft besloten, omvatten onder meer de bevriezing met ingang van 15 december 2004 van de tegoeden en economische middelen van personen die door de Verenigde Naties worden aangemerkt als een gevaar voor de vrede en de nationale verzoening in Ivoorkust. 3. Bevriezing van tegoeden en economische middelen van aangewezen personen is mogelijk in het kader van het Verdrag. De Commissie stelt voor een en ander uit te voeren door middel van een verordening van de Raad. 4. De voorgestelde maatregelen zijn vergelijkbaar met die van Verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al Qa‘ida-netwerk en de Taliban en Verordening (EG) nr. 1763/2004 van de Raad tot vaststelling van bepaalde beperkende maatregelen ter ondersteuning van de daadwerkelijke uitvoering van het mandaat van het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY). 2004/0286 (CNS) Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot instelling van beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Ivoorkust DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 60, 301 en 308, Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt 2004/…/GBVB van de Raad van … december 2004 betreffende beperkende maatregelen tegen Ivoorkust[1], Gezien het voorstel van de Commissie[2], Gezien het advies van het Europees Parlement[3], Overwegende hetgeen volgt: (1) De VN-Veiligheidsraad heeft vastgesteld dat de vijandelijkheden in Ivoorkust opnieuw zijn opgelaaid en dat het op 3 mei 2003 overeengekomen staakt-het-vuren herhaaldelijk is geschonden, en heeft daarom, handelende overeenkomstig hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties, bij resolutie 1572 (2004) van 15 november 2004 besloten bepaalde beperkende maatregelen tegen Ivoorkust in te stellen. (2) Gemeenschappelijk standpunt 2004/…GBVB voorziet in de tenuitvoerlegging van de maatregelen bedoeld in resolutie 1572 (2004) van de VN-Veiligheidsraad, met inbegrip van de bevriezing van tegoeden en economische middelen van personen die door het bevoegde sanctiecomité van de Verenigde Naties worden aangemerkt als een gevaar voor de vrede en de nationale verzoening in Ivoorkust, met name personen die de tenuitvoerlegging van de overeenkomst van Linas-Marcoussis en de overeenkomst van Accra III blokkeren, andere personen die op grond van relevante informatie verantwoordelijk worden geacht voor ernstige schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht in Ivoorkust, personen die in het openbaar aanzetten tot haat en geweld, alsmede andere personen die volgens het comité handelen in strijd met het wapenembargo dat eveneens bij resolutie 1572 (2004) is ingesteld. (3) Deze maatregelen vallen binnen het toepassingsgebied van het Verdrag; derhalve is, met name ter voorkoming van concurrentievervalsing, communautaire wetgeving noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van de maatregelen voorzover het de Gemeenschap betreft. Voor de toepassing van deze verordening wordt het grondgebied van de Gemeenschap geacht het gehele grondgebied te omvatten van alle lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is, onder de in dat Verdrag bepaalde voorwaarden. (4) Teneinde de effectiviteit van de maatregelen waarin deze verordening voorziet te waarborgen, dient de verordening op de dag van haar bekendmaking in werking te treden, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: 1. “sanctiecomité”: het comité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties dat bij punt 14 van resolutie 1572 (2004) van de Veiligheidsraad is ingesteld; 2. “tegoeden”: financiële activa en economische voordelen van enigerlei aard, met inbegrip van, maar niet beperkt tot: a) contanten, cheques, geldvorderingen, wissels, postwissels en andere betaalmiddelen; b) deposito’s bij financiële instellingen of andere entiteiten, saldi op rekeningen, schulden en schuldbewijzen; c) in het openbaar en ondershands verhandelde waardepapieren en schuldbewijzen, met inbegrip van aandelen, certificaten van waardepapieren, obligaties, promesses, warrants, schuldbekentenissen en derivatencontracten; d) interesten, dividenden of andere inkomsten over of waarde voortkomende uit of gegenereerd door activa; e) krediet, recht op compensatie, garanties, uitvoeringsgaranties of andere financiële verplichtingen; (f) kredietbrieven, connossementen, koopbrieven; (g) bewijsstukken van een belang in fondsen of financiële middelen; (h) ieder ander exportfinancieringsbewijs; 3. “bevriezing van tegoeden”: het voorkomen van het op enigerlei wijze muteren, overmaken, corrigeren en gebruiken van of omgaan met tegoeden met als gevolg wijzigingen van hun omvang, bedrag, locatie, eigenaar, bezit, onderscheidende kenmerken, bestemming of verdere wijzigingen waardoor het gebruik van bedoelde tegoeden, inclusief het beheer van een beleggingsportefeuille, mogelijk zou worden gemaakt; 4. “economische middelen”: activa van enigerlei aard, materieel of immaterieel, roerend of onroerend, die geen tegoeden vormen, maar kunnen worden gebruikt om tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen; 5. „bevriezing van economische middelen”: het voorkomen van het gebruik van economische middelen om op enigerlei wijze tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen, inclusief, maar niet beperkt tot, het verkopen, verhuren of verhypothekeren daarvan. Artikel 2 1. Alle tegoeden en economische middelen die direct of indirect toebehoren aan, eigendom zijn van of in het bezit zijn van de natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen die in bijlage I zijn vermeld, worden bevroren. 2. Aan of ten behoeve van de in bijlage I vermelde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen mogen geen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking worden gesteld. 3. Het is verboden bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen direct of indirect te ontduiken. Artikel 3 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2 en mits zij het voornemen om de toegang tot dergelijke tegoeden en economische middelen toe te staan, hebben bekendgemaakt aan het sanctiecomité en van het sanctiecomité binnen twee werkdagen na deze bekendmaking geen negatief besluit hebben ontvangen, mogen de in bijlage II genoemde bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder voorwaarden die zij passend achten, toestemming geven voor de vrijgave of de beschikbaarstelling van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, indien zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen: a) noodzakelijk zijn ter dekking van basisuitgaven, zoals betalingen voor voedsel, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of geneeskundige behandelingen, belastingen, verzekeringspremies of openbare voorzieningen; b) uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria en de vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten; c) uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten voor alleen het houden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 2 mogen de in bijlage II vermelde bevoegde autoriteiten van de lidstaten, toestemming geven voor de vrijgave of de beschikbaarstelling van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, indien zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen nodig zijn voor de betaling van buitengewone lasten, mits de betrokken bevoegde autoriteiten die vaststelling hebben bekendgemaakt aan het sanctiecomité, en het sanctiecomité die vaststelling heeft goedgekeurd. Artikel 4 In afwijking van het bepaalde in artikel 2 kunnen de in bijlage II genoemde bevoegde autoriteiten van de lidstaten toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de tegoeden of economische middelen zijn vóór 15 november 2004 in een gerechtelijk, administratief of scheidsrechterlijk onderpand gegeven of er is vóór die datum een gerechtelijke, administratieve of scheidsrechterlijke uitspraak over gedaan; b) de tegoeden of economische middelen zullen uitsluitend worden aangewend om te voldoen aan vorderingen die door een dergelijk onderpand zijn gewaarborgd of door een dergelijke uitspraak geldig zijn verklaard, overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tot vaststelling van de rechten van de personen die houder zijn van dergelijke vorderingen; c) het onderpand of de gerechtelijke uitspraak is niet ten behoeve van een persoon, entiteit of lichaam bedoeld in bijlage I bij deze verordening; d) de erkenning van het onderpand of van de uitspraak is niet in strijd met de openbare orde van de betrokken lidstaat; e) de bevoegde autoriteiten hebben het onderpand of de uitspraak aangemeld bij het sanctiecomité. Artikel 5 De betrokken bevoegde autoriteit stelt de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke op grond van de artikelen 3 en 4 verleende toestemming. Artikel 6 Artikel 2, lid 2, vormt geen belemmering voor de creditering van bevroren rekeningen door financiële instellingen die tegoeden ontvangen die door derden naar de rekening van een op de lijst voorkomende persoon of entiteit zijn overgemaakt, op voorwaarde dat de bijgeboekte bedragen eveneens bevroren worden. De financiële instellingen brengen deze transacties onmiddellijk ter kennis van de bevoegde instanties. Artikel 7 1. Onverminderd de toepasselijke voorschriften inzake rapportage, vertrouwelijkheid en beroepsgeheim en onverminderd het bepaalde in artikel 284 van het Verdrag dienen natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen: a) alle informatie die de naleving van deze verordening vergemakkelijkt, zoals betreffende rekeningen en bedragen die overeenkomstig artikel 2 zijn bevroren, onverwijld te verstrekken aan de in bijlage II genoemde bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar zij hun woonplaats hebben of gevestigd zijn, en deze informatie, direct of via deze bevoegde autoriteiten, aan de Commissie te doen toekomen; b) bij de verificatie van deze informatie samen te werken met de in bijlage II genoemde bevoegde autoriteiten. 2. Alle direct door de Commissie ontvangen aanvullende informatie wordt ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten. 3. Alle overeenkomstig dit artikel verstrekte of ontvangen informatie wordt uitsluitend gebruikt voor de doeleinden waarvoor zij is verstrekt of ontvangen. Artikel 8 Bevriezing van tegoeden of economische middelen of de weigering om tegoeden of economische middelen beschikbaar te stellen, die te goeder trouw wordt uitgevoerd in overeenstemming met deze verordening, mag geen aanleiding geven tot enigerlei aansprakelijkheid van de natuurlijke persoon of rechtspersoon of de entiteit die deze maatregel implementeert, of van de directeuren of werknemers daarvan, tenzij wordt aangetoond dat de tegoeden en economische middelen als gevolg van nalatigheid zijn bevroren. Artikel 9 De Commissie en de lidstaten stellen elkaar onverwijld in kennis van de krachtens deze verordening getroffen maatregelen en wisselen onderling alle andere hun beschikbare en voor deze verordening relevante informatie uit, met name betreffende inbreuken, handhavingsproblemen en uitspraken van nationale rechtbanken. Artikel 10 De Commissie wordt gemachtigd: a) bijlage I te wijzigen op basis van de besluiten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties of het sanctiecomité; en b) bijlage II te wijzigen op basis van door de lidstaten verstrekte informatie. Artikel 11 De lidstaten stellen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op overtreding van de bepalingen van deze verordening en nemen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat deze regels worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld na de inwerkingtreding van de verordening in kennis van deze regels, en stellen haar in kennis van alle latere wijzigingen. Artikel 12 Deze verordening is van toepassing: a) op het grondgebied van de Gemeenschap, met inbegrip van haar luchtruim; b) aan boord van vliegtuigen of vaartuigen die onder de rechtsbevoegdheid van een lidstaat vallen; c) op alle zich op het grondgebied of buiten het grondgebied van de Gemeenschap bevindende personen die onderdaan van een lidstaat zijn; d) op alle rechtspersonen, groepen of entiteiten die volgens het recht van een lidstaat erkend of opgericht zijn; en e) op alle rechtspersonen, groepen of entiteiten die zaken binnen de Gemeenschap doen. Artikel 13 Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie . Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor de Raad De voorzitter BIJLAGE I Lijst van natuurlijke personen, rechtspersonen, groepen en entiteiten, bedoeld in artikel 2 BIJLAGE II Lijst van bevoegde autoriteiten bedoeld in de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7 (aan te vullen door de lidstaten) BELGIË TSJECHIË DENEMARKEN DUITSLAND ESTLAND GRIEKENLAND SPANJE FRANKRIJK IERLAND ITALIË CYPRUS LETLAND LITOUWEN LUXEMBURG HONGARIJE MALTA NEDERLAND OOSTENRIJK POLEN PORTUGAL SLOVENIË SLOWAKIJE FINLAND ZWEDEN VERENIGD KONINKRIJK EUROPESE GEMEENSCHAP Commissie van de Europese Gemeenschappen Directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen Directoraat GBVB Administratieve eenheid A2: Institutionele en juridische aangelegenheden inzake buitenlandse betrekkingen; sancties CHAR 12/163 B-1049 Brussel Tel. +32 2 2958148, +32 2 2962556 Fax +32 2 2967563 [1] PB L [2] PB C […] van […], blz. […]. [3] PB C […] van […], blz. […].