Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma "Jeugd in actie"voor de periode 2007-2013 {SEC(2004)960} /* COM/2004/0471 def. - COD 2004/0152 */
Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van het programma "JEUGD IN ACTIE"voor de periode 2007-2013 {SEC(2004)960} (ingediend door de Commissie) TOELICHTING BIJ HET VOORSTEL VOOR EEN BESLUIT INZAKE HET PROGRAMMA 'JEUGD IN ACTIE' [1] [1] Voorlopige benaming 1. Achtergrond van het voorstel In haar mededeling van 10 februari "Bouwen aan onze gemeenschappelijke toekomst - Beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen in de uitgebreide Unie - 2007-2013" stelt de Commissie voor bij de werkzaamheden van de Europese Unie zeer grote prioriteit toe te kennen aan de invulling van het Europese burgerschap. Op 9 maart heeft Commissie haar mededeling [2] "Naar een actief burgerschap: cultuur en verscheidenheid in Europa bevorderen door programma's voor jeugd, cultuur, de audiovisuele sector en participatie van de burgers" ingediend, waarin de hoofdlijnen van een nieuw programma op het gebied van de jeugd uiteengezet worden. [2] COM (2004)154 def. van 9.3.2004 In dit verband is het vooral belangrijk burgerschap te verwerkelijken door de Europese cultuur en verscheidenheid te stimuleren op terreinen waar de Europese burgers, en met name jongeren, rechtstreeks betrokken worden bij het integratieproces. Het programma "JEUGD" loopt in 2006 af. In het licht van de bovengenoemde mededelingen, de resultaten van de publieke raadpleging, het tussentijdse evaluatieverslag [3] en de ex-ante evaluatie van het toekomstige instrument dient de Commissie met het oog op de goedkeuring van een nieuw programma voor de periode 2007-2013 dit voorstel tot wetgeving in. [3] COM (2004)158 def. van 08.03.2004 1.1. Vertreksituatie De doelstellingen van het bij Besluit nr. 1031/2000/EG vastgestelde programma JEUGD berusten op artikel 149, lid 2, van het EG-Verdrag, dat met name bepaalt dat het optreden van de Gemeenschap erop gericht is "de ontwikkeling van uitwisselingsprogramma's van jongeren en jongerenwerkers te bevorderen". Uit de tussentijdse evaluatie van het programma JEUGD blijkt dat dit instrument waardering vindt en een onmiskenbaar effect heeft. Deze evaluatie omvat ook een reeks aanbevelingen om met name rekening te houden met de trends op het gebied van jongeren, de verwachtingen die dit soort programma heeft gewekt en de vraag naar vereenvoudiging. Met het oog op de naleving van de verplichtingen van het Verdrag en de positieve bevindingen van de tussentijdse evaluatie van het programma stelt de Commissie voor de maatregelen op het gebied van de jeugd voort te zetten. 1.2. De noodzaak van een nieuwe fase. Sinds de goedkeuring door de Commissie in november 2001 van het witboek "Een nieuw elan voor Europa's jeugd" is de samenwerking op het gebied van de jeugd in een stroomversnelling geraakt. Ter stimulering van de samenwerking tussen de lidstaten bevat het witboek met name het voorstel de open coördinatiemethode in te voeren in verband met vier prioritaire thema's, namelijk: inspraak, voorlichting, vrijwilligerswerk van en een beter inzicht in jongeren. Het Europees Parlement heeft in zijn advies van mei 2002 zijn steun uitgesproken voor de voorstellen van de Commissie. De Raad heeft de voorstellen van het witboek verwelkomd en in juni 2002 een kader voor Europese samenwerking op het gebied van de jeugd vastgesteld. In november 2003 heeft de Raad gemeenschappelijke doelstellingen voor de participatie en informatie van jongeren vastgelegd, die ook zijn meegenomen in het programmavoorstel. De invulling van de rechtsgrondslag berust op en ontleent haar legitimatie aan andere communautaire beleidsontwikkelingen: * de conclusies van de Raad van Ministers van mei 2003, die in mei 2004 opnieuw bekrachtigd werden, waarin erop wordt aangedrongen de continuïteit van het huidige programma met behoud van de specifieke kenmerken ervan in het licht van de ontwikkelingen van de politieke samenwerking te waarborgen * de Europese Raad te Laken die ertoe opriep de jongeren beter vertrouwd te maken met het Europese project en de Europese instellingen * het nieuwe grondwettelijke verdrag dat nieuwe dimensies biedt op het gebied van de jeugd, met name de participatie van jongeren aan het democratische bestel en de oprichting van een corps van jonge vrijwilligers voor de vaststelling van een kader voor de gemeenschappelijke deelname van jonge Europeanen aan de solidariteitsacties van de Unie. * het verslag van het Europees Parlement van februari 2004 dat een verzoek bevat aan de Commissie een programma te formuleren dat een voortzetting is van het huidige programma en waaraan voldoende financiële middelen worden toegewezen om aan de steeds toenemende behoeften op het gebied van het jeugdbeleid tegemoet te kunnen komen * de conclusies van de Raad van juni 2003 waarin er in reactie op de mededeling van de Commissie over de buurlanden van het uitgebreide Europa op wordt gewezen dat een intensievere culturele samenwerking, wederzijds begrip en samenwerking op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding mogelijke beleidslijnen voor de Europese Unie zouden kunnen vormen Uit het voorafgaande blijkt dat het programma een bijdrage aan het actieve burgerschap van jongeren in de samenleving en aan hun verbondenheid met Europa dient te leveren. Ook moet het programma bijdragen aan de vorming in de brede zin van het woord van de jongeren en aldus aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het proces van Lissabon. Voorts dient het programma het mogelijk te maken hun solidariteitsgevoel en wederzijds begrip te ontwikkelen, waardoor een bijdrage wordt geleverd aan zowel de sociale samenhang van de Unie als aan de vrede. 1.3. De doelstellingen van het nieuwe programma Voor het programma worden de volgende doelen voorgesteld: - bevordering van het actief burgerschap van jongeren in het algemeen en van hun Europees burgerschap in het bijzonder - ontwikkeling van de solidariteit van jongeren, vooral met het oog op de versterking van de sociale samenhang van de Europese Unie - stimulering van het wederzijds begrip tussen de volkeren via jongeren; - bijdrage aan de ontwikkeling van de kwaliteit van de systemen ter ondersteuning van de activiteiten van jongeren en aan die van de capaciteit van de maatschappelijke organisaties op jeugdgebied - stimulering van de Europese samenwerking op het terrein van het jeugdbeleid. Deze doelstellingen sluiten aan bij de prioriteiten inzake de samenwerking op jeugdgebied en bij de recente ontwikkelingen ten aanzien van het burgerschap. 2. Resultaten van de publieke raadpleging van de belanghebbende partijen en van de effectbeoordeling Het voorstel van de Commissie is in overeenstemming met het governance-beginsel opgesteld. De voornaamste actoren op jeugdgebied hadden de mogelijkheid hun reacties betreffende het toekomstige programma kenbaar te maken (het Europees Jeugdforum, NGO's, jongerenwerkers en de nationale agentschappen voor het programma JEUGD, enz.) 2.1. Publieke raadplegingen Uit de door de Commissie in december 2002 gestarte publieke raadpleging op het terrein van het onderwijs, de beroepsopleiding en jongeren en de direct van de begunstigden van het programma JEUGD afkomstige bijdragen bleek dat de actoren op jeugdgebied en de nationale instanties het eens waren over de noodzaak: 1. een specifiek voor jongeren bedoeld programma te behouden, dat ook verband houdt met andere voor jongeren relevante terreinen 2. de continuïteit van het programma JEUGD te garanderen, voor zover het de activiteiten en de toegang tot het programma betreft 3. de Europese identiteit van jongeren en hun actieve participatie aan de samenleving te ontwikkelen 4. met de in het witboek van de Commissie over de jeugd in kaart gebrachte beleidsprioriteiten rekening te houden 5. de initiatieven in het kader van de door de open coördinatiemethode in gang gezette beleidssamenwerking te ondersteunen 6. tot de ontwikkeling van jongerenorganisaties bij te dragen en de werkzaamheden van jongerenwerkers te ondersteunen 7. het programma beter toegankelijk te maken voor derde landen en meer bekendheid aan deze activiteiten te geven 8. ervoor te zorgen dat de activiteiten van het programma en - meer in het algemeen - het werk van jongerenwerkers, die bijdragen tot de vorming en het informeel en niet-formeel leren van jongeren, meer erkenning krijgen. 9. voorstellen te doen voor eenvoudige en flexibele, op de doelgroep afgestemde mechanismen. 2.2. Tussentijdse evaluatie van het programma De Commissie heeft eveneens rekening gehouden met de resultaten van de tussentijdse evaluatie van het huidige programma JEUGD. De diensten van de Commissie hebben het evaluatieverslag opgesteld aan de hand van de door de programmalanden ingediende effectstudies en van de seminars die door de Commissie in samenwerking met de nationale agentschappen, begunstigden en onafhankelijke deskundigen waren georganiseerd. De evaluatie levert waardevolle en met elkaar overeenstemmende inzichten op. Enerzijds vindt het programma JEUGD bijzonder veel waardering. Anderzijds leidt de evaluatie - in het licht van de ontwikkelingen op jeugdgebied, de politieke samenwerking in verband met jongerenkwesties en de moeilijkheden die eigen zijn aan dit soort programma - tot een reeks aanbevelingen: 1. het programma moet nog meer worden afgestemd op de doelgroep, te weten alle jongeren ongeacht hun achtergrond, in het bijzonder kansarme jongeren 2. in elke programmafase moet de steun voor begunstigden en projecten worden verbeterd via maatregelen die het programma dichter bij de begunstigden brengen en de kwaliteit van de projecten verhogen 3. de procedures moeten worden vereenvoudigd en zo flexibel mogelijk worden gemaakt, rekening houdend met de doelgroep 4. de transparantie en de samenhang in de uitvoering van het programma moeten worden versterkt, met name op decentraal niveau 5. de kwaliteit van het werk moet worden verhoogd door een evaluatie van de projecten. De feedback daarvan moet aan de begunstigden worden doorgegeven en de verwezenlijkte activiteiten moeten erkenning krijgen 6. de vrijwilligersactiviteiten moeten zowel kwalitatief als kwantitatief verder worden ontwikkeld 7. het programma moet meer worden opengesteld voor derde landen 8. er dienen innoverende projecten te worden uitgevoerd en de benodigde onderzoeken te worden verricht, zodat op de ontwikkelingen vooruitgelopen kan worden 9. het programma en elke afzonderlijke actie moeten zichtbaar worden gemaakt en de verkregen resultaten moeten worden benut 2.3. Ex-ante evaluatie In het verslag over de ex-ante evaluatie worden de overwegingen toegelicht die aan dit voorstel ten grondslag liggen. Het verslag stelt dat op Europees niveau op de behoeften van jongeren - van tienerleeftijd tot volwassenheid - moet worden ingespeeld en dat aan de politieke verlangens van de diverse Europese instellingen, met name de Raad van Ministers en het Europees Parlement, tegemoet moet worden gekomen. Voorts maakt het duidelijk hoe in het voorstel voor het programma de recente ontwikkeling van de politieke samenwerking op Europees vlak op jeugdgebied en de tenuitvoerlegging van de in het kader van de open coördinatiemethode vastgelegde prioriteiten tot uitdrukking komen. 3. Juridische aspecten van het voorstel 3.1. Rechtsgrondslag Het voorstel voor het programma is gebaseerd op artikel 149, lid 2, van het Verdrag, dat betrekking heeft op onderwijs, beroepsopleiding en jeugd en met name bepaalt dat het optreden van de Gemeenschap erop gericht is "de ontwikkeling van uitwisselingsprogramma's voor jongeren en jongerenwerkers te bevorderen". 3.2. De acties van het programma Het voorstel voor het programma omvat de volgende vijf acties: De actie "Jeugd voor Europa" heeft vooral tot doel de actieve deelname van jongeren te bevorderen door de ondersteuning van uitwisselingen, mobiliteit, jongereninitiatieven en projecten van jongeren ten behoeve van participatie aan het democratische leven. De actie "Europees vrijwilligerswerk" beoogt de solidariteit van jongeren concreet vorm te geven en hun actieve inzet en het wederzijds begrip tussen jongeren te bevorderen. Het Europese vrijwilligerswerk wordt uitgevoerd in de vorm van een individueel of collectief project, zodat jongeren de kans krijgen hun persoonlijke inzet tot uitdrukking te brengen maar zij ook betrokken worden bij de op solidariteit gerichte maatregelen van de Unie. Voorts kan deze actie de samenwerking tussen vrijwilligersdiensten bevorderen. De actie "Jeugd voor de wereld" bevordert de totstandbrenging van wederzijds begrip en actieve participatie van jongeren in een klimaat van openheid. Deze actie maakt het mogelijk om in het programma een plaats in te ruimen voor projecten van nabuurlanden van het uitgebreide Europa en met andere derde landen op jeugdgebied samen te werken. De actie "Jongerenwerkers en ondersteuningssystemen" heeft tot doel de kwaliteit van de ondersteuningsstructuren voor jongeren te verbeteren. Deze actie maakt het mogelijk de organisaties die op Europees niveau op jeugdgebied werkzaam zijn - en met name het Europees Jeugdforum - te ondersteunen. Zo kunnen uitwisselings-, scholings- en informatiemaatregelen ten behoeve van jongerenwerkers, projecten ter bevordering van innovatie en kwaliteit, samenwerkingsverbanden met regionale en lokale instanties en maatregelen ter benutting en ondersteuning van de programmastructuren ontwikkeld worden. De actie "Ondersteuning van beleidssamenwerking" is gericht op de bevordering van de samenwerking op het gebied van jeugdbeleid door de gestructureerde dialoog tussen jongeren en de politiek verantwoordelijken op jeugdgebied, de samenwerking met internationale organisaties en maatregelen ten behoeve van een betere kennis van jongerenkwesties te ondersteunen. 3.3. Subsidiariteit en evenredigheid Het programma is voornamelijk van toepassing in situaties waarin de lidstaten niet doeltreffend kunnen optreden. Het programma vult nationale of regionale maatregelen aan. Het voorstel voor de rechtsgrondslag stelt mogelijkheden voor om hiertoe bij te dragen. De Europese meerwaarde hangt samen met de aard van de actie. De lidstaten zouden niet in staat zijn afzonderlijk mobiliteitsinitiatieven voor jongeren in geheel Europa of met partnerlanden, multilaterale uitwisselingen, Europees vrijwilligerswerk, het opzetten van netwerken en de Europese scholing van jongerenwerkers, laat staan de ondersteuning van Europese NGO's op jeugdgebied, te organiseren. De Europese meerwaarde komt ook tot uiting in een hefboomwerking bij het nationaal beleid, door de te volgen koers (prioriteit voor kansarme jongeren, initiatieven, projecten inzake participatieve democratie, enz.) aan te geven en de samenwerking op beleidsterrein (bijvoorbeeld de gestructureerde dialoog met jongeren, samenwerking met nationale vrijwilligersdiensten, onderzoek) te ondersteunen. Het multiplicatoreffect van het programma is aanzienlijk, aangezien de begunstigden ervan via de projecten een Europese blik kunnen verwerven waarvan zij hun collega's en leeftijdgenoten kunnen laten profiteren. De uitvoering van het programma op jeugdgebied zal bovendien gepaard gaan met maatregelen om de zichtbaarheid van het beleid van de Unie ten gunste van jongeren aanzienlijk te vergroten. 3.4. Keuze van het instrument De Commissie wil de opzet en de uitvoering van de communautaire instrumenten vereenvoudigen. In dit verband zijn tijdens de opstelling van het nieuwe programma verscheidene opties de revue gepasseerd. De optie alle programma's inzake burgerschap in één enkel kaderprogramma samen te voegen werd verworpen, aangezien dit geen vereenvoudiging zou betekenen. Op de diverse terreinen die onder "burgerschap" vallen, met name cultuur en jeugd, zijn namelijk verschillende artikelen van het Verdrag en specifieke besluitvormings- en administratieve regels van toepassing en zij zijn vaak bestemd voor uiteenlopende doelgroepen. Ook is overwogen de onderwijsprogramma's samen te voegen. Deze optie werd van de hand gewezen omdat de activiteiten op het terrein van onderwijs en beroepsopleiding zich voornamelijk richten op onderwijsstelsels, terwijl maatregelen op jeugdgebied bestemd zijn voor alle jongeren en via veel flexibeler structuren geïmplementeerd worden. Bovendien ontwikkelen het onderwijs en het terrein van de jeugd zich in een verschillende wettelijke en administratieve context. Een autonoom programma op jeugdgebied dat het mogelijk maakt aan te haken bij andere communautaire programma's is de optie die het best tegemoetkomt aan de behoefte aan vereenvoudiging en flexibiliteit. 3.5. Vereenvoudiging Het toekomstige programma betekent een vereenvoudiging ten opzichte van de huidige situatie. De nieuwe rechtsgrondslag geldt voor alle activiteiten die momenteel op basis van twee verschillende rechtsgrondslagen (het programma JEUGD en het communautaire actieprogramma ter bevordering van organisaties die op Europees niveau actief zijn op het terrein van jeugdzaken) worden uitgevoerd. De huidige vier begrotingsonderdelen worden vervangen door één. Aangezien het nieuwe programma de samenwerking op jeugdgebied dient te bevorderen, is de rechtsgrondslag ruim van opzet en bevat deze een flexibiliteitsclausule, zodat het programma aan eventuele nieuwe prioriteiten kan worden aangepast. Het zal grotendeels op gedecentraliseerde wijze worden beheerd; de gecentraliseerde projecten zullen worden uitgevoerd door een uitvoerend agentschap. Deze beheersmethoden worden behandeld in het financieel memorandum. Ter vereenvoudiging van het administratieve beheer van het programma omvat het voorstel voor een rechtsgrondslag de afwijkingen die zijn toegestaan bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement en de uitvoeringsmaatregelen daarvan. 4. budgettaire implicaties De kosten van het programma voor de periode 2007-2013 bedragen 915 miljoen euro (880,6 miljoen euro voor de activiteiten van het programma en 34,4 miljoen euro voor de technische bijstand). 5. Conclusie De nieuwe rechtsgrondslag neemt de voornaamste elementen van het programma JEUGD 2000-2006 over en past deze aan de aanbevelingen van de tussentijdse evaluatie, de publieke raadpleging en de uit het witboek resulterende vernieuwingen aan. Deze rechtsgrondslag is zodanig van opzet dat het programma aan toekomstige beleidslijnen op jeugdgebied aangepast kan worden. 2004/0152 (COD) Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van het programma "JEUGD IN ACTIE"voor de periode 2007-2013 HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel 149, lid 4, Gezien het voorstel van de Commissie [4], [4] PB C [...] van [...], blz. [...]. Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [5], [5] PB C [...] van [...], blz. [...]. Gezien het advies van het Comité van de Regio's [6], [6] PB C [...] van [...], blz. [...]. Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [7], [7] PB C [...] van [...], blz. [...]. Overwegende hetgeen volgt: (1) Het Verdrag stelt een burgerschap van de Unie in en bepaalt dat het optreden van de Gemeenschap erop gericht is op het gebied van onderwijs, beroepsopleiding en jeugd met name de ontwikkeling van uitwisselingsprogramma's voor jongeren en jongerenwerkers en van een onderwijs van hoog gehalte te bevorderen. (2) Het Verdrag van de Europese Unie berust op de beginselen van vrijheid, democratie, de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden. De bevordering van het actief burgerschap van jongeren dient aan de verdere ontwikkeling van deze waarden bij te dragen. (3) Bij Besluit nr. 1031/2000/EG van 13 april 2000 hebben het Europees Parlement en de Raad het communautaire actieprogramma "Jeugd " vastgelegd [8]. Aan de hand van de door middel van dit programma verworven ervaring dienen de samenwerking en de maatregelen van de Europese Unie op dit terrein te worden voortgezet en versterkt. [8] PB L 117 van 18.05.2000, blz. 1 (4) Bij Besluit nr. 790/2004/EG van 21 april 2004 hebben het Europees Parlement en de Raad een communautair actieprogramma ter ondersteuning van organisaties die op Europees niveau actief zijn op het terrein van jeugdzaken [9] vastgelegd. [9] PB L 138 van 30.04.2004, blz. 24 (5) Tijdens de bijzondere bijeenkomst van de Europese Raad op 23 en 24 maart te Lissabon werd een strategisch doel overeengekomen, dat onder meer actief werkgelegenheidsbeleid betrof waarbij meer belang werd toegekend aan onderwijs en levenslang leren, dat is aangevuld met de strategie voor duurzame ontwikkeling van de Europese Raad in Göteborg van 15 en 16 juni 2001. (6) In de Verklaring van Laken die als bijlage bij de conclusies van de Europese Raad van 14 en 15 december 2001 is gevoegd, wordt gesteld dat een van de fundamentele uitdagingen waarop de Europese Unie een antwoord moet vinden de vraag betreft hoe de burgers, in de eerste plaats de jongeren, nader tot het Europese project en de Europese instellingen moeten worden gebracht. (7) Op 21 november 2001 heeft de Commissie een witboek "Een nieuw elan voor Europa's jeugd" goedgekeurd, waarin een kader voor samenwerking op jeugdgebied wordt voorgesteld ter verbetering van inspraak, voorlichting en vrijwilligerswerk van jongeren en het inzicht in de jongerenproblematiek; het Europees Parlement heeft zich in zijn advies van 14 mei 2002 bij deze voorstellen aangesloten. (8) In de resolutie van de Raad en van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 27 juni 2002 [10] wordt met name een open coördinatiemethode vastgesteld voor de prioriteiten, participatie, informatie, vrijwilligerswerk van jongeren en een betere kennis van jongeren; hiermee moet bij de uitvoering van dit programma rekening worden gehouden. [10] PB C 168 van 13.7.2002, blz. 2. (9) De Raad benadrukt in zijn conclusies van 5 mei 2003 [11] de noodzaak om de bestaande, specifiek op jongeren gerichte communautaire instrumenten in stand te houden en te ontwikkelen, aangezien zij essentieel zijn voor de ontwikkeling van de samenwerking van de lidstaten in jeugdzaken en dat voorts de prioriteiten en doelstellingen van deze instrumenten moeten worden afgestemd op het nieuwe kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken. [11] PB C 115 van 13.5.2003, blz. 1 (10) Overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag omvat het optreden van de Gemeenschap een bijdrage tot onderwijs en opleiding van hoog gehalte en moet het erop gericht zijn de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van man en vrouw te bevorderen. (11) Er dient tegemoet te worden gekomen aan de bijzondere behoeften van mensen met een handicap. (12) Het is noodzakelijk het actief burgerschap te bevorderen en zich meer in te zetten voor de bestrijding van alle vormen van uitsluiting, waaronder racisme en vreemdelingenhaat. (13) De kandidaat-lidstaten van de Europese Unie en de landen van de EVA, die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, kunnen in overeenstemming met de met hen gesloten overeenkomsten deelnemen aan de communautaire programma's. (14) De Europese Raad van Thessaloniki van 19 en 20 juni 2003 heeft "De agenda van Thessaloniki voor de westelijke Balkan: op weg naar Europese integratie" goedgekeurd, waarin wordt vastgelegd dat landen die betrokken zijn bij het stabilisatie- en associatieproces op basis van tussen de Gemeenschap en deze landen te sluiten overeenkomsten kunnen deelnemen aan de communautaire programma's. (15) Er moeten stappen worden genomen om het programma open te stellen voor de Zwitserse Bondsstaat. (16) De in 1995 tijdens de Euro-mediterrane conferentie goedgekeurde Verklaring van Barcelona bepaalt dat uitwisselingen van jongeren een middel dienen te zijn om toekomstige generaties voor te bereiden op een hechtere samenwerking tussen de Euro-mediterrane partners. (17) De Raad beschouwt in zijn conclusies van 16 juni 2003 op basis van de mededeling van de Commissie "De grotere Europese nabuurschap: een nieuw kader voor de betrekkingen met de oostelijke en zuidelijke buurlanden" intensivering van de culturele samenwerking, wederzijds begrip en samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding met de nabuurlanden als de voornaaste uitgangspunten voor de maatregelen van de EU. (18) De tussentijdse verslagen van het huidige programma JEUGD en de publieke raadpleging betreffende de toekomst van de communautaire werkzaamheden op het terrein van onderwijs, opleiding en jongeren maken duidelijk dat er een krachtige - en in sommige opzichten groeiende - behoefte bestaat aan voortgezette samenwerkings- en mobiliteitsactiviteiten op jeugdgebied op Europees niveau en dringen aan op een eenvoudiger, gebruikersvriendelijker en soepeler uitvoering hiervan. (19) Het programma dient door de Commissie en de lidstaten gezamenlijk te worden gevolgd en regelmatig te worden geëvalueerd, zodat het kan worden aangepast, met name ten aanzien van de prioriteiten voor de tenuitvoerlegging van de maatregelen; (20) De rechtsgrondslag van het programma moet zo flexibel geformuleerd worden, dat er eventuele wijzigingen kunnen worden aangebracht in de acties om zo op de veranderende behoeften tijdens de periode 2007-2013 te kunnen inspelen en de onnodig gedetailleerde bepalingen van de voorgaande programma's te vermijden. Daarom moeten in het besluit alleen generieke definities van de acties en van de begeleidende administratieve en financiële bepalingen worden opgenomen. (21) Er moet worden voorzien in bijzondere bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad [12] en de uitvoeringsmaatregelen daarvan en in afwijkingen van deze teksten die noodzakelijk zijn vanwege de kenmerken van de begunstigden en de aard van de acties. [12] PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1 (22) Er moeten passende maatregelen worden genomen ter voorkoming van onregelmatigheden en fraude en ter terugvordering van verloren gegane, uitgekeerde of onjuist gebruikte middelen. (23) In het besluit wordt het budget voor het programma voor de gehele looptijd ervan vastgelegd, dat voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt vormt in de zin van punt 33 van het Interinstitutioneel akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure [13]; [13] PB L 172 van 18.06.1999, blz. 1 (24) Aangezien de doelstellingen van het programma niet op toereikende wijze door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, omdat daartoe multilaterale partnerschappen, transnationale mobiliteitsmaatregelen en de uitwisseling van informatie op Europees niveau vereist zijn en zij derhalve - met het oog op de transnationale en multilaterale dimensie van de acties en maatregelen van dit programma - beter op communautair niveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap in overeenstemming met het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen treffen. Overeenkomstig het in bovengenoemd artikel vastgelegde subsidiariteitsbeginsel, gaat dit besluit niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. (25) Het is noodzakelijk maatregelen vast te stellen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit besluit in overeenstemming met Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden. (26) Er moeten overgangsmaatregelen worden genomen ten behoeve van het toezicht op de vóór 31 december 2006 begonnen acties overeenkomstig Besluit nr. 1031/2000/EG en Besluit nr. 790/2004/EG van 21 april 2004, BESLUITEN: Artikel 1 [Vaststelling van het programma] 1. Bij dit besluit wordt het communautaire actieprogramma "JEUGD IN ACTIE" (hierna "het programma" genoemd) vastgesteld, dat tot doel heeft de samenwerking op jeugdgebied in de Europese Unie te ontwikkelen. , 2. Het programma wordt uitgevoerd in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013. Artikel 2 [Algemene doelstellingen van het programma] 1. De algemene doelstellingen van het programma zijn: a) bevordering van het actief burgerschap van jongeren in het algemeen en van hun Europees burgerschap in het bijzonder; b) ontwikkeling van de solidariteit van jongeren, vooral met het oog op de versterking van de sociale samenhang van de Europese Unie; c) stimulering van het wederzijds begrip tussen de volkeren via de jongeren; d) bijdrage aan de ontwikkeling van de kwaliteit van de systemen ter ondersteuning van de activiteiten van jongeren en aan die van de capaciteit van de maatschappelijke organisaties op jeugdgebied; e) stimulering van de Europese samenwerking op het terrein van het jeugdbeleid. 2. De algemene doelstellingen vullen de doelstellingen aan die worden nagestreefd op andere actieterreinen van de Europese Unie, met name op het terrein van onderwijs en beroepsopleiding in de context van een Europa van de kennis en het levenslang leren en op het terrein van cultuur en sport. 3. De algemene doelstellingen van het programma dragen bij tot de ontwikkeling van het beleid van de Unie, met name met betrekking tot de erkenning van de culturele en multiculturele verscheidenheid van Europa, de bestrijding van alle vormen van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid en met betrekking tot de duurzame ontwikkeling. Artikel 3 [Specifieke doelstellingen van het programma] De specifieke doelstellingen van het programma zijn: 1. In het kader van de algemene doelstelling «Bevordering van het actief burgerschap van jongeren in het algemeen en van hun Europees burgerschap in het bijzonder»: a) jongeren en de hen vertegenwoordigende organisaties de mogelijkheid bieden deel te nemen aan de ontwikkeling van de samenleving in het algemeen en van de Europese Unie in het bijzonder; b) bij jongeren het gevoel ontwikkelen dat zij bij de Europese Unie horen; c) de mobiliteit van jongeren in Europa ontwikkelen; d) het intercultureel leren onder jongeren ontwikkelen; e) propageren van de fundamentele waarden van de Unie onder jongeren; f) initiatief, ondernemingszin en creativiteit bij jongeren aanmoedigen; g) de deelname van de meest kansarme jongeren aan het programma bevorderen; h) erop toezien dat het beginsel van gelijkheid van vrouwen en mannen bij de deelname aan het programma in acht wordt genomen en dat de gelijke behandeling van beide geslachten in de acties wordt bevorderd. 2. In het kader van de algemene doelstelling «Ontwikkeling van de solidariteit van jongeren, vooral met het oog op de versterking van de sociale samenhang van de Europese Unie»:a) jongeren de mogelijkheid bieden hun persoonlijke inzet tot uitdrukking te brengen door vrijwilligerswerk op Europees en internationaal niveau; b) jongeren betrekken bij de solidariteitsactiviteiten van de Europese Unie; c) bijdragen tot de samenwerking tussen burger- en vrijwilligersdiensten, waarbij jongeren op nationaal niveau betrokken zijn. 3. In het kader van de algemene doelstelling «Stimulering van het wederzijds begrip tussen de volkeren via de jongeren»: a) de uitwisselingen en de interculturele dialoog tussen Europese jongeren en jongeren uit naburige landen ontwikkelen; b) in deze landen bijdragen aan de ontwikkeling van de kwaliteit van de ondersteuningsstructuren voor jongeren en aan de kwaliteit van de werkzaamheden van jongerenwerkers; c) met andere landen thematische samenwerking ontwikkelen waarbij jongeren en jongerenwerkers zijn betrokken. 4. In het kader van de algemene doelstelling «Bijdrage aan de ontwikkeling van de kwaliteit van de systemen ter ondersteuning van de activiteiten van jongeren en aan die van de capaciteit van de maatschappelijke organisaties op jeugdgebied»:a) bijdragen tot het opzetten van netwerken tussen organisaties; b) de opleiding en de samenwerking van jongerenwerkers ontwikkelen; c) stimuleren van innovatie op het terrein van activiteiten ten behoeve van jongeren; d) bijdragen tot een betere informatie van jongeren; e) ijveren voor de erkenning van niet-formeel onderwijs van jongeren; 5. In het kader van de algemene doelstelling «Stimulering van de Europese samenwerking op het terrein van het jeugdbeleid»: a) de uitwisseling van goede praktijken en de samenwerking tussen overheden en politiek verantwoordelijken aanmoedigen; b) de gestructureerde dialoog tussen de politiek verantwoordelijken en de jongeren aanmoedigen; c) de kennis omtrent jongerenkwesties verbeteren. Artikel 4 [Acties van het programma] De algemene en specifieke doelstellingen worden door middel van de volgende acties uitgevoerd, waarvan de bijzonderheden in de bijlage worden vermeld. 1) Jeugd voor Europa Deze actie beoogt de ondersteuning van uitwisselingen van jongeren ter verbetering van hun mobiliteit en van projecten en activiteiten die gericht zijn op hun deelname aan het democratische bestel met het oog op de ontwikkeling van het burgerschap van en het wederzijds begrip tussen jongeren. 2) Europees vrijwilligerswerk Deze actie beoogt de versterking van de deelname van jongeren aan diverse vormen van vrijwilligerswerk binnen en buiten de Europese Unie. 3) Jeugd voor de wereld Deze actie beoogt de ondersteuning van projecten met de in artikel 5 van het programma vermelde partnerlanden, met name uitwisselingen van jongeren en jongerenwerkers, ondersteuning van projecten die het wederzijdse begrip tussen jongeren en hun solidariteitsbesef versterken en de ontwikkeling van de samenwerking op jeugdgebied en van maatschappelijke organisaties in deze landen. 4) Jongerenwerkers en ondersteuningssystemen Deze actie beoogt de ondersteuning van de op Europees niveau op jeugdgebied werkzame organisaties, met name de werking van niet-gouvernementele organisaties en het opzetten van netwerken daarvan, de uitwisseling, opleiding en oprichting van netwerken van jongerenwerkers, de stimulering van de innovatie en de kwaliteit van de maatregelen, de informatie van jongeren en de invoering van voor de verwezenlijking van de programmadoelstellingen benodigde structuren en activiteiten. 5) Ondersteuning van beleidssamenwerking Deze actie beoogt de organisatie van de dialoog tussen de diverse actoren op jeugdgebied, met name jongeren, jongerenwerkers en de politiek verantwoordelijken, het bijdragen aan de ontwikkeling van de beleidssamenwerking op jeugdgebied, het uitvoeren van de nodige werkzaamheden en het opzetten van de nodige netwerken met het oog op het verkrijgen van een beter inzicht in jongerenkwesties. Artikel 5 [Deelname aan het programma] 1. Aan het programma kan worden deelgenomen door de volgende landen (hierna "de programmalanden" genoemd): a) de lidstaten; b) de EVA-staten, die lid zijn van de EER, overeenkomstig de bepalingen van de EER-overeenkomst; c) Turkije en de Midden- en Oost-Europese landen in het kader van de pretoetredingsstrategie in overeenstemming met de algemene beginselen en voorwaarden voor deelname van deze landen aan de communautaire programma's, die zijn vastgelegd in de kaderovereenkomst en de besluiten van de Associatieraden; d) de landen van de westelijke Balkan in overeenstemming met de met deze landen te treffen regelingen ingevolge de nog te sluiten kaderovereenkomsten betreffende hun deelname aan de communautaire programma's; e) de Zwitserse Bondsstaat, als met dit land een bilaterale overeenkomst wordt gesloten. 2. De in de punten 2.1, 2.2 en 3 van de bijlage vermelde acties komen in aanmerking voor samenwerking met landen die associatie- of samenwerkingsovereenkomsten met de Europese Gemeenschap hebben gesloten (hierna "de partnerlanden van het programma" genoemd). De in de eerste alinea bedoelde samenwerking wordt - voor zover van toepassing - gefinancierd uit aanvullende kredieten volgens door de partnerlanden van het programma nader overeen te komen procedures. Artikel 6 [Toegang tot het programma] 1. Het programma is bestemd voor jongeren, groepen jongeren, jongerenwerkers, jongerenorganisaties en andere op jeugdgebied werkzame partners. 2. Onverminderd de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van de acties in de bijlage, is het programma bestemd voor jongeren van 13 tot 30 jaar. 3. De begunstigden dienen legaal te verblijven in een land dat deelneemt aan het programma of, afhankelijk van de aard van de actie, in een partnerland van het programma. 4. Alle jongeren moeten zonder onderscheid toegang kunnen krijgen tot de activiteiten van het programma overeenkomstig de voorwaarden in de bijlage. De Commissie en de programmalanden zetten zich in het bijzonder in voor deelname van jongeren die om educatieve, sociale, lichamelijke, geestelijke, economische, culturele of geografische redenen de grootste moeilijkheden ondervinden om deel te nemen aan het programma. 5. De programmalanden nemen passende maatregelen om de belemmeringen voor de mobiliteit van de deelnemers op te heffen, hun toegang te bieden tot de gezondheidszorg, hen in staat te stellen hun socialezekerheidsrechten te behouden en in het gastland te reizen en te verblijven. Hierbij gaat het met name om het recht op binnenkomst en verblijf en het vrije verkeer. De programmalanden nemen - voor zover nodig - passende maatregelen om het verblijf van begunstigden uit derde landen op hun grondgebied mogelijk te maken. Artikel 7 [Internationale samenwerking] In het kader van het programma is ook samenwerking mogelijk met op jeugdgebied bevoegde internationale organisatie, met name de Raad van Europa. Artikel 8 [Tenuitvoerlegging van het programma] 1. De Commissie zorgt voor de uitvoering van de acties van het programma overeenkomstig de bijlage. 2. De Commissie en de programmalanden nemen passende maatregelen voor de ontwikkeling van structuren op Europees, nationaal - en voor zover van toepassing - op regionaal of lokaal niveau ter verwezenlijking van de doelstellingen van het programma en ter optimale benutting van de acties van het programma. 3. De Commissie en de programmalanden nemen passende maatregelen ter bevordering van de erkenning van het niet-formele en informele onderwijs aan jongeren, met name door afgifte van een getuigschrift of certificaat van nationaal of Europees niveau, waarmee met name de door de begunstigden verworven ervaring en de directe deelname van jongeren of jongerenwerkers aan een actie van het programma wordt erkend. 4. De Commissie en de programmalanden zorgen voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie door het nemen van doeltreffende, evenredige en afschrikkende maatregelen. 5. De Commissie en de programmalanden zorgen voor voldoende informatie over en publiciteit voor de door het programma ondersteunde acties. 6. De programmalanden moeten: a) maatregelen nemen die noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van het programma op hun niveau door de partijen die een rol spelen bij de diverse aspecten op jeugdgebied in overeenstemming met de nationale praktijk daarbij te betrekken; b) zorgen voor de oprichting of aanwijzing van en het toezicht op de nationale agentschappen voor het beheer van de uitvoering van de acties van het programma op nationaal niveau in overeenstemming met artikel 54, lid 2, onder c), van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad. Hierbij worden de volgende criteria in acht genomen: i) een als nationaal agentschap opgericht of aangewezen orgaan bezit rechtspersoonlijkheid (en valt onder het nationaal recht van het deelnemende land). Een ministerie kan niet als nationaal agentschap worden aangewezen. ii) het beschikt over voldoende personeel dat beroeps- en taalvaardigheden bezit die zijn afgestemd op de werkzaamheden in het kader van internationale samenwerking; iii) het beschikt over een adequate infrastructuur, met name wat betreft informaticavoorzieningen en communicatiemiddelen; iv) het functioneert in een administratieve context die het in staat stelt zich naar behoren van zijn taken te kwijten en elk belangenconflict te vermijden; v) het is in staat de regels voor het beheer van de financiële middelen en de contractuele bepalingen, als vastgesteld op communautair niveau, toe te passen; vi) het biedt voldoende financiële waarborgen (bij voorkeur van een overheidsinstantie) en bezit een beheerscapaciteit die berekend is op de hoeveelheid communautaire middelen die het zal beheren. c) de verantwoordelijkheid dragen voor het degelijke beheer door de onder b) hierboven bedoelde agentschappen van de aan deze overgedragen kredieten die voor de subsidiëring van projecten zijn bestemd. Met name zijn zij er verantwoordelijk voor dat de nationale agentschappen de beginselen van transparantie, gelijke behandeling en niet-cumulatie met andere communautaire middelen en de verplichting tot terugvordering van middelen die de begunstigden eventueel schuldig zijn, naleven; d) de nodige maatregelen nemen om audits uit te voeren en toezicht te houden op de financiën van de onder b) hierboven genoemde nationale agentschappen, en zij moeten met name: i) de Commissie, voordat het nationale agentschap met zijn werkzaamheden begint, de noodzakelijke garanties bieden ten aanzien van het bestaan, de relevantie en de goede werking van de toegepaste procedures, de controle- en boekhoudsystemen en de procedures voor het plaatsen van opdrachten en het toekennen van subsidies binnen het nationale agentschap overeenkomstig de regels van goed financieel beheer. ii) de Commissie aan het einde van elk begrotingsjaar verzekeren dat de financiële systemen en de procedures van de nationale agentschappen betrouwbaar hun rekeningen correct zijn. e) de aansprakelijkheid op zich nemen voor de niet-ingevorderde middelen bij aan het onder b) hierboven bedoelde nationaal agentschap toe te schrijven gevallen van onregelmatigheid, nalatigheid of fraude, waardoor de Commissie de fondsen bij het nationale agentschap moet terugvorderen. 7. In het kader van de in artikel 9, lid 1, vermelde procedure kan de Commissie voor elke actie in de bijlage richtsnoeren opstellen die gebaseerd zijn op de ontwikkeling van de prioriteiten van de Europese samenwerking in verband met jongerenkwesties, zodat de acties van het programma aan deze ontwikkeling kunnen worden aangepast. Artikel 9 [Uitvoeringsmaatregelen] 1. De noodzakelijke maatregelen voor de uitvoering van dit besluit, voor zover het de volgende kwesties betreft, worden overeenkomstig de in artikel 10, lid 2, bedoelde beheersprocedure vastgesteld. a) De uitvoeringsbepalingen van het programma, met inbegrip van het jaarlijkse werkprogramma; b) Het algemene evenwicht tussen de verschillende acties van het programma; c) De toe te passen criteria op financieel terrein (met name de jongerenpopulatie, het BBP en de geografische afstand tussen landen) voor de indicatieve verdeling van de middelen tussen de lidstaten ten behoeve van de gedecentraliseerd beheerde acties. d) De regelingen voor de evaluatie van het programma; e) De regelingen betreffende de certificering van de deelname van jongeren aan de acties; f) De regelingen voor de aanpassing van de acties van het programma, als bedoeld in artikel 8, lid 7. 2. De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen met betrekking tot andere kwesties worden goedgekeurd overeenkomstig de raadplegingsprocedure van artikel 10, lid 3. Artikel 10 [Comité] 1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie. 2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit nr. 1999/468/EG van toepassing. De in artikel 4, lid 3, van Besluit nr. 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op twee maanden. 3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit nr. 1999/468/EG met inachtneming van artikel 8 van dat besluit van toepassing. 4. Het comité stelt zijn reglement van orde vast. Artikel 11 [Complementariteit met andere communautaire instrumenten] 1. De Commissie zorgt voor de samenhang tussen het programma en andere communautaire actieterreinen, met name onderwijs, beroepsopleiding, cultuur, sport, talen, sociale integratie, gelijkheid van mannen en vrouwen, bestrijding van discriminatie, onderzoek en het ondernemings- en buitenlands beleid van de Unie. 2. Middelen van het programma en van andere communautaire instrumenten kunnen tezamen worden bestemd voor de uitvoering van maatregelen die zowel aan de doelstellingen van het programma als van deze instrumenten beantwoorden. 3. De Commissie en de lidstaten van de Europese Unie zorgen voor de valorisatie van de acties van het programma die bijdragen aan de ontwikkeling van de doelstellingen van andere communautaire actieterreinen zoals met name onderwijs, opleiding, cultuur en sport. Artikel 12 [Complementariteit met nationale beleidsmaatregelen en instrumenten] 1. De programmalanden kunnen een Europese kwaliteitsmerk ontvangen voor nationale of regionale acties die met de in artikel 4 bedoelde acties overeenkomen. 2. Een programmaland kan aan de begunstigden van het programma nationale middelen ter beschikking stellen, die volgens de voorschriften van het programma beheerd worden, en daartoe gebruik maken van de gedecentraliseerde structuren van het programma, voor zover dit land naar evenredigheid deelneemt in de financiering daarvan. Artikel 13 [Algemene financiële bepalingen] 1. De financiële middelen voor de uitvoering van dit programma voor de in artikel 1 bedoelde periode worden vastgesteld op 915 miljoen euro. 2. De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegewezen binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten. Artikel 14 [Financiële bepalingen betreffende de begunstigden] 1. Overeenkomstig artikel 114, lid 1, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad [14] kunnen de begunstigden van het programma natuurlijke personen zijn. [14] PB L 248 van 16.09.2002, blz. 1. 2. Overeenkomstig artikel 176, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie [15], kan de Commissie afhankelijk van de kenmerken van de begunstigden en de aard van de acties besluiten of deze vrijgesteld kunnen worden van de verificatie van de benodigde beroepsbekwaamheden en -kwalificaties om de actie of het werkprogramma tot een goed einde te brengen. [15] PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1 3. Naargelang de aard van de actie kan de financiële steun de vorm van een subsidie of een beurs aannemen. De Commissie kan ook prijzen toekennen voor in het kader van het programma uitgevoerde activiteiten of projecten. Overeenkomstig artikel 181 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie en afhankelijk van de aard van de actie kunnen ook forfaitaire financieringen en/of de toepassing van tarieven voor eenheidskosten toegestaan worden. 4. De exploitatiesubsidies die in het kader van dit programma worden toegekend aan op Europees niveau werkzame organen, als bedoeld in artikel 162 van Verordening nr. 2342/2002 van de Commissie, hebben overeenkomstig artikel 113, lid 2, van Verordening nr. 1605/2002 geen verplicht degressief karakter in geval van verlenging. 5. Overeenkomstig artikel 54, lid 2, onder c) van Verordening nr. 1605/2002 kan de Commissie overheidstaken en met name taken tot uitvoering van de begroting aan de in artikel 8, lid 2, bedoelde structuren toevertrouwen. 6. Overeenkomstig artikel 38, lid 1, van Verordening nr. 2342/2002 geldt de in lid 5 hierboven beschreven mogelijkheid ook voor de structuren van de programmalanden die niet onder het recht van de lidstaten, de staten van de Europese Economische Ruimte (EER) of de kandidaat-lidstaten van de Europese Unie vallen. Artikel 15 [Toezicht en evaluatie] 1. De Commissie ziet erop toe dat dit programma regelmatig wordt geëvalueerd. Dit toezicht heeft ook betrekking op de in lid 3 vermelde verslagen en specifieke activiteiten. 2. De Commissie zorgt voor een regelmatige, onafhankelijke en externe evaluatie van het programma. 3. De programmalanden doen de Commissie uiterlijk op 30 juni 2010 een verslag over de tenuitvoerlegging van het programma en uiterlijk op 30 juni 2015 een verslag over het effect van het programma toekomen. 4. De Commissie legt aan het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's het volgende voor: a) uiterlijk op 31 maart 2011, een tussentijds evaluatieverslag over de behaalde resultaten en over de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de uitvoering van dit programma; b) uiterlijk op 31 december 2011, een mededeling over de voortzetting van dit programma; c) uiterlijk op 31 maart 2016, een ex post-evaluatieverslag . Artikel 16 [Overgangsbepaling] De vóór 31 december 2006 op grond van Besluit nr. 1031/2000/EG en Besluit nr. 790/2004/EG van 21 april 2004 begonnen werkzaamheden worden tot de afronding ervan in overeenstemming met de bepalingen van deze besluiten beheerd. Het in artikel 8 van Besluit nr. 1031/2000/EG bedoelde comité wordt vervangen door het in artikel 10 van dit besluit bedoelde comité. Artikel 17 [Inwerkingtreding] Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en is van toepassing met ingang van 1 januari 2007. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor de Raad De Voorzitter De Voorzitter BIJLAGE In het kader van de acties ter verwezenlijking van de algemene en specifieke doelstellingen van het programma worden kleinschalige projecten ondersteund, die de actieve participatie van jongeren bevorderen. Voor de deelname van jongeren aan de diverse acties van het programma zijn geen voorafgaande ervaring of kwalificaties vereist, behalve in bepaalde bijzondere gevallen die in de acties nader aangegeven worden. De acties omvatten de volgende maatregelen: ACTIE 1 - Jeugd voor Europa Deze actie heeft tot doel het actieve burgerschap van en het wederzijdse begrip tussen jongeren te bevorderen via de volgende maatregelen: 1.1. Uitwisseling van jongeren Jongerenuitwisselingen maken het mogelijk dat een groep of meer groepen jongeren als gast van een groep uit een ander land gezamenlijk gemeenschappelijke activiteiten uitvoeren. Het gaat hierbij in beginsel om jongeren tussen 13 en 25 jaar. Deze activiteiten, die berusten op transnationale partnerschappen tussen de verschillende bij een project betrokken actoren, beogen de actieve participatie van jongeren en hebben tot doel hen in staat te stellen de uiteenlopende sociale en culturele realiteiten te ontdekken en te leren kennen, van elkaar te leren en het besef dat zij Europese burgers zijn te stimuleren. De ondersteuning is in eerste instantie bedoeld voor multilaterale mobiliteitsactiviteiten voor groepen. Bilaterale uitwisselingen van jongerengroepen komen vooral dan in aanmerking als het om een eerste activiteit gaat op Europees niveau of om een activiteit van kleine of lokale organisaties zonder Europese ervaring. Deze uitwisselingen zijn eveneens geschikt voor kansarme jongeren, die zo intensiever bij het programma worden betrokken. Deze maatregel ondersteunt ook voorbereidende activiteiten, met name op taal- en intercultureel gebied, die bedoeld zijn om de jongeren actiever bij de projecten te betrekken en internationale ontmoetingen van jongeren die onderwerpen die voor hun toekomst en die van Europa van belang zijn willen bespreken. 1.2. Ondersteuning van jongereninitiatieven Bij deze maatregel worden projecten ondersteund, in het kader waarvan jongeren actief en direct door henzelf opgezette activiteiten uitvoeren en waarbij zij de hoofdrol spelen om zo eigen initiatief, ondernemingszin en creativiteit te kunnen ontwikkelen. Deze maatregel is in principe bestemd voor jonge mensen tussen 18 en 30 jaar, hoewel ook jongeren vanaf 16 jaar - mits onder adequate begeleiding - aan bepaalde initiatieven kunnen deelnemen. Door deze maatregel kunnen op lokaal, regionaal en nationaal niveau opgezette groepsprojecten en de netwerkvorming met soortgelijke projecten in andere landen ondersteund worden, zodat het Europese karakter daarvan versterkt wordt en de samenwerking en de uitwisseling van ervaringen tussen jongeren bevorderd worden. Bijzondere aandacht zal worden geschonken aan kansarme jongeren. 1.3. Projecten inzake participatieve democratie Via deze maatregel worden projecten of activiteiten ondersteund die bedoeld zijn om de participatie van jongeren aan het democratische bestel te bevorderen. Deze projecten en activiteiten zijn gericht op de actieve deelname van jongeren aan het leven in hun lokale, regionale of nationale gemeenschap. Het gaat hierbij in beginsel om jongeren tussen 13 en 30 jaar. Deze activiteiten of projecten worden uitgevoerd door transnationale partnerschappen, waardoor op Europees niveau ideeën, uitwisselingen van ervaringen en goede praktijkvoorbeelden van projecten of activiteiten op lokaal of regionaal niveau kunnen worden gebundeld met de bedoeling de participatie van jongeren op verschillende niveaus te verbeteren. In het kader van deze activiteiten kunnen onder meer raadplegingen van jongeren betreffende hun behoeften en verlangens worden georganiseerd, zodat nieuwe benaderingen ten aanzien van de actieve participatie van jongeren aan een democratisch Europa kunnen worden ontwikkeld. ACTIE 2 - Europees vrijwilligerswerk Het vrijwilligerswerk beoogt de ontwikkeling van de solidariteit onder de jongeren, de bevordering van hun actieve burgerschap en de stimulering van het wederzijdse begrip tussen de jongeren via de volgende maatregelen: 2.1. Individueel Europees vrijwilligerswerk De jonge vrijwilliger neemt in een ander land dan dat waarin hij/zij verblijft deel aan een niet-winstgevende en onbezoldigde activiteit die voor de gemeenschap van belang is. Het Europese vrijwilligerswerk mag niet tot gevolg hebben dat het aantal potentiële of bestaande betaalde banen afneemt of daardoor wordt verdrongen. De duur van het Europese vrijwilligerswerk bedraagt enige maanden tot uiterlijk één jaar. In naar behoren gemotiveerde gevallen zijn ook kortere periodes toegestaan, met name om de deelname van kansarme jongeren te bevorderen. Deze maatregel is in principe bestemd voor jonge mensen tussen 18 en 30 jaar, hoewel ook jongeren vanaf 16 jaar - mits onder adequate begeleiding - aan bepaalde initiatieven kunnen deelnemen. Deze maatregel dekt geheel of gedeeltelijk met name de vergoeding voor de vrijwilliger, zijn/haar verzekering en verblijfs- en reiskosten en - zo nodig - wordt een extra toelage gegeven aan kansarme jongeren. Ook worden via deze maatregel de activiteiten in verband met de opleiding van de jonge vrijwilligers - met name vóór hun vertrek - en de activiteiten ter coördinatie van de diverse partners ondersteund. Ook bestaat eventueel de mogelijkheid tot de follow-up van initiatieven die gebaseerd zijn op de gedurende het Europese vrijwilligerswerk verworven ervaringen. De lidstaten en de Commissie zien toe op de naleving van bepaalde kwaliteitsnormen: het vrijwilligerswerk omvat ook een element van niet-formeel onderwijs dat bestaat uit scholingsactiviteiten ter voorbereiding van de jongeren op het persoonlijke vlak en in intercultureel en technisch opzicht en uit een voortdurende persoonlijke begeleiding. Het partnerschap tussen de diverse bij het project betrokken actoren en de risicopreventie worden van bijzonder belang geacht. 2.2. Europees vrijwilligerswerk in groepsverband Door middel van deze maatregel worden vrijwilligersprojecten ondersteund die dezelfde kenmerken hebben als de in punt 2.1 beschreven projecten en worden groepen jongeren in staat gesteld gemeenschappelijk deel te nemen aan activiteiten van Europees of internationaal belang op de terreinen cultuur, sport, civiele bescherming, milieu, ontwikkelingshulp, enz. Het gaat hierbij in beginsel om jongeren tussen 18 en 30 jaar. Afhankelijk van de uit te voeren taken en de situaties waarin de vrijwilligers worden ingezet, kan het noodzakelijk zijn dat voor bepaalde soorten projecten kandidaten met specifieke vaardigheden worden geselecteerd. 2.3. Samenwerking tussen civiele en vrijwilligersdiensten In het kader van deze maatregel wordt de samenwerking tussen nationale en internationale vrijwilligersdiensten voor jongeren ondersteund. De versterking van de synergiëen tussen en het op elkaar afstemmen van de diverse vormen van vrijwilligersdiensten op Europees en nationaal niveau kunnen door het programma ondersteund worden met het oog op de bevordering van de Europese dimensie. ACTIE 3 - Jeugd voor de wereld Deze actie beoogt de totstandbrenging van wederzijds begrip in een klimaat van openheid. Zij wil gelijktijdig een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige systemen ter ondersteuning van de activiteiten van jongeren in de betrokken landen. De partnerlanden van het programma komen in aanmerking voor deelname aan deze actie. 3.1. Samenwerking met de nabuurlanden van het uitgebreide Europa Via deze maatregelen worden partnerlanden van het programma ondersteund, die nabuurlanden van het uitgebreide Europa zijn [16]. [16] Onder voorbehoud van toekomstige ontwikkelingen worden als nabuurlanden beschouwd: Wit-Rusland, Moldavië, de Russische Federatie, Oekraïne, Algerije, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko, de Palestijnse gebieden, Syrië en Tunesië. In het kader van deze maatregel worden - in beginsel multilaterale - uitwisselingen van jongeren ondersteund, waardoor verscheidene groepen jongeren uit programmalanden en naburige landen van Europa in de gelegenheid worden gesteld samen een activiteitenprogramma uit te voeren. Het gaat hierbij in beginsel om jongeren tussen 13 en 25 jaar. Deze activiteiten, die op transnationale partnerschappen tussen de diverse actoren van een project berusten, omvatten voorafgaande scholing van leidinggevend personeel en veronderstellen een actieve participatie van de jongeren; beoogd wordt hun de mogelijkheid te bieden verschillende sociale en culturele realiteiten te ontdekken en verder te leren kennen. Activiteiten ter bevordering van de actieve participatie van deze jongeren bij de projecten komen in aanmerking voor financiering, met name als het gaat om de voorbereiding op taal- en intercultureel terrein. Op voorwaarde dat in deze nabuurlanden adequate nationale beheersstructuren worden opgericht, komen deze initiatieven die door jongeren of groepen jongeren op lokaal, regionaal en nationaal niveau in deze landen worden opgezet in aanmerking voor ondersteuning, indien zij in samenwerking met soortgelijke initiatieven in de programmalanden worden uitgevoerd. Het betreft hier door jongeren zelf opgezette activiteiten, waarbij zij de hoofdrol spelen. Deze maatregel is in principe bestemd voor jonge mensen tussen 18 en 30 jaar, hoewel ook jongeren vanaf 16 jaar - mits onder adequate begeleiding - aan bepaalde initiatieven kunnen deelnemen. Via deze maatregel worden activiteiten ondersteund ter versterking van de capaciteit van de niet-gouvernementele organisaties op het gebied van jeugdzaken en ter bevordering van de vorming van netwerken daarvan, waardoor de belangrijke rol die deze organisaties bij de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld in nabuurlanden kunnen spelen wordt erkend. De maatregel beoogt ook de scholing van jongerenwerkers en de uitwisseling van ervaringen, expertise en goede praktijken tussen deze jongerenwerkers. Voorts worden activiteiten gesteund om duurzame en kwalitatief hoogwaardige projecten en partnerschappen te ontwikkelen. Ook wordt er steun verleend aan projecten die innovatie en kwaliteit stimuleren om zo op jeugdgebied vernieuwende benaderingen ingang te doen vinden, in de praktijk te brengen en te bevorderen. Aan activiteiten voor op jongeren en jongerenwerkers gerichte informatie kan financiële steun worden verleend. Deze maatregel ondersteunt ook activiteiten waardoor de samenwerking op jeugdgebied met nabuurlanden mogelijk wordt gemaakt. Met name beogen deze activiteiten de bevordering van de samenwerking en de uitwisseling van ideeën en goede praktijken op jeugdgebied en andere maatregelen met het oog op de valorisatie en de verspreiding van de resultaten van de projecten en activiteiten op jeugdterrein van de betrokken landen. 3.2. Samenwerking met andere landen Door middel van deze maatregel worden samenwerkingsactiviteiten op jeugdgebied ondersteund, met name de uitwisseling van goede praktijken met de andere partnerlanden van het programma. De uitwisseling en scholing van jongerenwerkers en de totstandbrenging van partnerschappen en netwerken van jongerenorganisaties worden aangemoedigd. Tussen deze landen en de programmalanden kunnen op thematische basis multilaterale uitwisselingen plaatsvinden. De steun is bestemd voor activiteiten met een potentieel multiplicatoreffect. In het kader van de samenwerking met geïndustrialiseerde landen komen bij deze maatregel alleen Europese begunstigden van de projecten voor financiering in aanmerking. ACTIE 4 - Jongerenwerkers en ondersteuningssystemen Deze actie beoogt de ontwikkeling van de kwaliteit van de ondersteuningsstructuren voor jongeren, de ondersteuning van de werkzaamheden van jongerenwerkers, de ontwikkeling van de kwaliteit van het programma en de aanmoediging van jongeren om zich als burgers op Europees niveau in te zetten door steun te verlenen aan organisaties die op Europees niveau op jeugdgebied werkzaam zijn. 4.1. Ondersteuning van organisaties die op Europees niveau op jeugdgebied werkzaam zijn In het kader van deze maatregel worden op Europees niveau op jeugdgebied werkzame niet-gouvernementele organisaties ondersteund, die doelstellingen van algemeen Europees belang nastreven. De activiteiten van deze organisaties dienen vooral een bijdrage te leveren aan de actieve deelname van jongeren aan het openbare leven en de samenleving en aan de ontwikkeling en uitvoering van Europese samenwerkingactiviteiten op jeugdterrein in de breedste zin van het woord. Een organisatie die in aanmerking wil komen voor een exploitatiesubsidie, dient aan de volgende bepalingen te voldoen: - de organisatie moet juridisch minstens een jaar bestaan; - de organisatie mag geen winstoogmerk hebben - de organisatie dient in een van de programmalanden overeenkomstig artikel 5, lid 1, of in bepaalde Oost-Europese landen gevestigd te zijn [17] [17] Wit-Rusland, Moldavië, de Russische Federatie, Oekraïne - de organisatie dient haar activiteiten op Europees niveau uit te oefenen, hetzij alleen of binnen een of meer gecoördineerde verbanden, en haar structuur en deze activiteiten dienen ten minste 8 programmalanden te bestrijken; het kan een Europees netwerk betreffen, dat op het terrein van jongerenkwesties werkzame organisaties vertegenwoordigt - de activiteiten van de organisatie moeten stroken met de basisbeginselen van het communautaire optreden op het gebied van jeugdzaken - de organisatie kan haar activiteiten uitsluitend ten gunste van jongeren uitvoeren of de organisatie heeft een bredere doelstelling en voert een deel van haar activiteiten ten behoeve van jongeren uit - de organisatie dient de jongeren bij de ten behoeve van hen ontwikkelde activiteiten te betrekken De organisaties die in aanmerking komen voor een exploitatiesubsidie, worden aan de hand van oproepen tot het indienen van voorstellen geselecteerd. Met de aldus geselecteerde organisaties kunnen meerjarige partnerschaps-kaderovereenkomsten worden gesloten. Deze kaderovereenkomsten sluiten evenwel niet de mogelijkheid uit dat er jaarlijkse oproepen tot het indienen van voorstellen voor nog verdere begunstigden worden georganiseerd. Activiteiten van jongerenorganisaties die kunnen bijdragen aan de versterking en de doelmatigheid van het communautaire optreden betreffen met name: - vertegenwoordiging van de standpunten en de belangen van de jongeren in al hun diversiteit op Europees niveau - uitwisselingen van jongeren en vrijwilligerswerk - niet-formeel en informeel leren en activiteitenprogramma's voor jongeren - bevordering van het interculturele leren en begrip - debatten over Europese vraagstukken, het beleid van de Europese Unie of het jongerenbeleid - verspreiding van informatie over de communautaire activiteiten - activiteiten ter bevordering van de participatie en het initiatief van jongeren Bij deze maatregel wordt bij de vaststelling van de exploitatiesubsidies alleen rekening gehouden met kosten die noodzakelijk zijn voor de goede afwikkeling van de normale activiteiten van de geselecteerde organisatie, met name personeelskosten, algemene kosten (huur, andere kosten van huisvesting, uitrusting, kantoorbenodigdheden, telecommunicatie, portokosten, enz.), kosten van interne vergaderingen en kosten voor publicatie, voorlichting en verspreiding. De subsidie wordt toegekend met inachtneming van de onafhankelijkheid van de organisatie ten aanzien van de selectie van haar leden en haar autonomie wat de gedetailleerde vaststelling van haar activiteiten betreft. Minstens 20% van de begroting van de betrokken organisaties moet uit andere dan communautaire bronnen worden medegefinancierd. 4.2. Ondersteuning van het Europees Jeugdforum In het kader van deze maatregel kunnen onder de volgende voorwaarden subsidies worden toegekend voor de ondersteuning van de permanente activiteiten van het Europees Jeugdforum, dat een organisatie is die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreeft: - onafhankelijkheid van het Europees Jeugdforum bij de toelating van zijn leden, waarbij een zo breed mogelijke vertegenwoordiging van de verschillende soorten jeugdorganisaties moet worden gegarandeerd - autonomie van het Europees Jeugdforum bij de gedetailleerde vaststelling van zijn activiteiten - een zo groot mogelijke betrokkenheid bij de activiteiten van het Europees Jeugdforum van de jongerenorganisaties die niet bij het Forum zijn aangesloten en van de jongeren die geen lid zijn van een organisatie - een actieve bijdrage van het Europees Jeugdforum aan de politieke processen die de jongeren op Europees niveau betreffen, met name door te reageren op verzoeken van de Europese instellingen wanneer deze de maatschappelijke organisaties willen raadplegen en door de standpunten van deze instellingen aan zijn leden uit te leggen De voor subsidiëring in aanmerking komende uitgaven van het Europees Jeugdforum betreffen zowel zijn exploitatiekosten als de uitgaven die nodig zijn voor de uitvoering van zijn acties. Om de continuïteit van het Europees Jeugdforum te garanderen, wordt bij de toekenning van de middelen van het programma rekening gehouden met de volgende richtsnoer: de jaarlijks aan het Europees Jeugdforum toegekende middelen bedragen niet minder dan 2 miljoen euro. De subsidies kunnen aan het Europees Jeugdforum worden toegekend tegen overlegging van een passend werkprogramma en een passende begroting. De subsidies kunnen uit hoofde van een partnerschaps-kaderovereenkomst met de Commissie jaarlijks of op verlengbare basis worden toegekend. Minstens 20% van de begroting van het Forum moet uit andere dan communautaire bronnen worden medegefinancierd. De activiteiten van het Europees Jeugdforum omvatten met name: - vertegenwoordiging van de jongeren bij de Europese Unie - coördinatie van de standpunten van de aangesloten organisaties ten aanzien van de Europese Unie - doorgeven van informatie over jeugdzaken aan de Europese instellingen - doorgeven van informatie van de Europese Unie aan nationale jeugdraden en niet-gouvernementele organisaties - bevordering van en voorbereiding op de deelname door jongeren aan het democratische leven - bijdragen aan het nieuwe samenwerkingskader op het gebied van jeugdzaken waartoe op het niveau van de Europese Unie besloten is - bijdrage aan de ontwikkeling van het jongerenbeleid, het jongerenwerk, onderwijskansen, aan het doorgeven van informatie over jongeren en aan de ontwikkeling van vertegenwoordigende structuren voor jongeren in geheel Europa - discussies en bezinning over jongeren in Europa en andere delen van de wereld en over de maatregelen van de Unie voor jongeren 4.3. Scholing en vorming van netwerken van jongerenwerkers Door middel van deze maatregel worden werkzaamheden ondersteund die de scholing van sociaal pedagogische werkers, met name jongerenwerkers, leidinggevenden van projecten, jongerenadviseurs en pedagogische projectmedewerkers tot doel hebben. Ook wordt hierbij steun verleend aan de uitwisseling van ervaringen, expertise en goede praktijken tussen deze jongerenwerkers. Deze maatregel ondersteunt ook activiteiten om de ontwikkeling van duurzame en kwalitatief hoogwaardige projecten en partnerschappen te vergemakkelijken. Er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan activiteiten die de deelname stimuleren van jongeren die de meeste moeilijkheden ondervinden bij de deelname aan communautaire acties. 4.4. Projecten ter stimulering van innovatie en kwaliteit Deze maatregel beoogt de ondersteuning van projecten die bedoeld zijn vernieuwende benaderingen op jeugdgebied ingang te doen vinden, in de praktijk te brengen en te bevorderen. Deze vernieuwende benaderingen kunnen betrekking hebben op de inhoud en de doelstellingen in samenhang met de ontwikkeling van het Europese samenwerkingskader op jeugdgebied, de deelname van partners van uiteenlopende aard of de verspreiding van informatie. 4.5. Informatieactiviteiten voor jongeren en jongerenwerkers In het kader van deze maatregel worden de informatie en communicatie ten behoeve van jongeren ondersteund door de verbetering van hun toegang tot relevante informatie en communicatiediensten, zodat zij in grotere mate kunnen deelnemen aan het openbare leven en hun potentieel als actieve en verantwoordelijke burgers beter kunnen verwezenlijken. Met het oog hierop wordt steun verleend aan activiteiten op Europees en nationaal niveau waardoor jongeren beter toegang verkrijgen tot informatie en communicatiediensten, waardoor de verspreiding van kwalitatief hoogwaardige informatie en de deelname van jongeren aan de voorbereiding en verspreiding van informatie worden bevorderd. Met name draagt deze maatregel bij aan de totstandkoming van Europese, nationale, regionale en lokale jongerenportalen ter verspreiding van voor jongeren bestemde informatie via allerlei - in het bijzonder de door jongeren meest gebruikte - informatiekanalen. Ook kunnen op deze wijze maatregelen worden ondersteund ter bevordering van de medewerking van jongeren bij de formulering en verspreiding van begrijpelijke, gebruikersvriendelijke en gerichte adviezen en informatie ter verbetering van de kwaliteit van de informatie en de toegang van jongeren hiertoe. 4.6. Partnerschappen Deze maatregel maakt het mogelijk partnerschappen met regionale en lokale instanties te financieren met de bedoeling op den duur projecten te ontwikkelen, waarin diverse maatregelen van het programma gecombineerd zijn. De financiering is bestemd voor projecten en coördinatieactiviteiten. 4.7 Ondersteuning van de structuren van het programma Deze maatregel maakt de financiering mogelijk van de in artikel 8, lid 2, bedoelde structuren, met name de nationale agentschappen. De ondersteuning kan plaatsvinden in de vorm van een exploitatiesubsidie van ten hoogste 50% van de in het werkprogramma van het agentschap goedgekeurde totale subsidiabele kosten. Via deze maatregel kunnen ook gelijkgestelde instanties gefinancierd worden, zoals de nationale coördinatoren, de "resource centres", het EURODESK-netwerk, het Euro-mediterrane platform voor jongeren en de Europese organisaties van jonge vrijwilligers, die op nationaal niveau optreden als uitvoerend agentschap overeenkomstig artikel 54, lid 2, onder c), en lid 3, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002. 4.8 Valorisatie De Commissie kan seminars, colloquia of bijeenkomsten organiseren om de uitvoering van het programma te vergemakkelijken. Zij kan ook de nodige maatregelen ten behoeve van informatie, publicatie en verspreiding nemen en werkzaamheden in verband met de evaluatie en controle van het programma uitvoeren. Deze activiteiten kunnen worden gefinancierd uit subsidies die verkregen zijn door middel van overheidsopdrachten of zij kunnen rechtstreeks door de Commissie georganiseerd en gefinancierd worden. ACTIE 5 - Ondersteuning van beleidssamenwerking Door middel van deze actie wordt beoogd de Europese samenwerking op het terrein van het jongerenbeleid te bevorderen. 5.1. Ontmoetingen van jongeren en politiek verantwoordelijken op jeugdgebied Via deze maatregel worden activiteiten ondersteund waardoor beleidssamenwerking en de gestructureerde dialoog tussen jongeren en hun organisaties en de politiek verantwoordelijken mogelijk worden gemaakt. Met name beogen deze activiteiten de bevordering van de samenwerking en de uitwisseling van ideeën en goede praktijken op jeugdgebied, de door de voorzitterschappen van de Unie georganiseerde conferenties en andere maatregelen ter benutting en verspreiding van de resultaten van de projecten en activiteiten op jeugdterrein van de Europese Unie. 5.2. Ondersteuning van activiteiten ter verbetering van het begrip en de kennis van jongerenkwesties Deze maatregel ondersteunt specifieke projecten ter identificatie van de bestaande kennis over de in het kader van de open coördinatiemethode vastgestelde prioritaire thema's en projecten ter aanvulling en actualisering van deze kennis en ter vereenvoudiging van de toegang ertoe. Deze maatregel beoogt ook de ondersteuning van de ontwikkeling van methoden voor de analyse en vergelijking van de resultaten van studies en de kwaliteitsborging daarvan. Eveneens kan in het kader van het programma steun worden verleend aan activiteiten ten behoeve van het opzetten van netwerken van de diverse bij jongerenkwesties betrokken actoren. 5.3. Samenwerking met internationale organisaties Door middel van deze maatregel kan de samenwerking van de voor jongerenkwesties bevoegde internationale organisaties, met name de Raad van Europa en de Organisatie van de Verenigde Naties of haar gespecialiseerde instellingen, ondersteund worden. 6. PROGRAMMABEHEER Uit de financiële middelen van het programma kunnen ook de uitgaven worden gedekt ten behoeve van maatregelen in verband met voorbereidende werkzaamheden, follow-up, controle, audits en evaluatie, die voor het beheer van het programma en de verwezenlijking van de doelstellingen rechtstreeks noodzakelijk zijn, met name uitgaven voor studies, bijeenkomsten, informatie- en publicatieactiviteiten en onkosten in verband met IT-netwerken voor de uitwisseling van informatie en verdere uitgaven voor administratieve en technische bijstand, waarvan de Commissie bij het beheer van het programma gebruik kan maken. 7. CONTROLES EN AUDITS Voor de volgens de procedure van artikel 13, lid, 2, van dit besluit geselecteerde projecten wordt een op steekproeven gebaseerd auditsysteem ingevoerd. De begunstigde van een exploitatiesubsidie houdt alle bewijsstukken van gemaakte onkosten gedurende vijf jaar na de laatste betaling ter beschikking van de Commissie. De begunstigde van een exploitatiesubsidie zorgt ervoor dat eventuele bewijsstukken in het bezit van partners of leden ter beschikking van de Commissie worden gesteld. De Commissie heeft het recht om de aanwending van de subsidie aan een audit te onderwerpen via haar tussenpersonen of via een bevoegde externe organisatie naar keuze. Deze audits kunnen worden uitgevoerd tijdens de volledige looptijd van de overeenkomst, en tijdens een periode van vijf jaar vanaf de datum waarop het saldo van de subsidie is betaald. De auditresultaten kunnen er eventueel toe leiden dat de Commissie besluiten tot terugvordering neemt. Het personeel van de Commissie en de door de Commissie gemachtigde externe personen hebben op passende wijze toegang tot met name de kantoren van de begunstigde, evenals tot alle noodzakelijke gegevens, ook in elektronische vorm, om deze audits tot een goed einde te brengen. De Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) hebben dezelfde rechten als de Commissie, en met name het recht van toegang. De overeenkomstig artikel 10 door de Commissie genomen besluiten, de overeenkomsten met de nationale agentschappen, de overeenkomsten met de deelnemende derde landen en de daaruit voortvloeiende overeenkomsten en contracten voorzien met name in het toezicht en de financiële controle door de Commissie (of een bevoegde vertegenwoordiger van de Commissie), met inbegrip van OLAF, en audits - zo nodig ter plaatse - door de Europese Rekenkamer. Deze controles kunnen bij de nationale agentschappen en, zo nodig, ook bij de ontvangers van de subsidies plaatsvinden. De Commissie kan bovendien overeenkomstig Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad controles en onderzoeken ter plaatse uitvoeren. Voor de in dit besluit bedoelde communautaire acties dient onder het in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 genoemde begrip "onregelmatigheid" elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht of een niet-nakoming van een contractuele verplichting te worden verstaan als gevolg van een handeling of nalatigheid van een rechtspersoon waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld door een onverschuldigde uitgave. FICHE FINANCIÈRE LÉGISLATIVE PROGRAMME "JEUNESSE EN ACTION" Domaine(s) politique(s): EDUCATION CULTURE Activité(s): JEUNESSE Dénomination de l'action: Proposition de programme "JEUNESSE EN ACTION" 1. LIGNE(S) BUDGÉTAIRE(S) + INTITULÉ(S) Ligne 15.07.02 JEUNESSE Ligne 15.01.04.04 JEUNESSE dépenses d'appui Ligne 15.01.04.30 Agence exécutive Education et Culture 2. DONNÉES CHIFFRÉES GLOBALES 2.1 Enveloppe totale de l'action : 915.000.000 euros 2.2 Période d'application: 2007-2013 2.3 Estimation globale pluriannuelle des dépenses: a) Echéancier des crédits d'engagement / crédits de paiement (intervention financière) (cf. point 6.1.1) Millions d'euros (à la 3e décimale) >RUIMTE VOOR DE TABEL> NB : cette programmation ne tient pas compte d'un éventuel financement des structures sur une période de deux ans. b) Assistance technique et administrative (ATA) et dépenses d'appui (DDA) (cf. point 6.1.2) >RUIMTE VOOR DE TABEL> >RUIMTE VOOR DE TABEL> c) Incidence financière globale des ressources humaines et autres dépenses de fonctionnement (cf. points 7.2 et 7.3) >RUIMTE VOOR DE TABEL> >RUIMTE VOOR DE TABEL> 2.4 Compatibilité avec la programmation financière et les perspectives financières [X] Proposition compatible avec la communication de la Commission du 10 février 2004 « construire notre avenir commun - Défis politiques et moyens budgétaires de l'Union élargie - 2007-2013 ». Cette proposition nécessite une reprogrammation de la rubrique concernée des perspectives financières, y compris, le cas échéant, un recours aux dispositions de l'accord interinstitutionnel. 2.5 Incidence financière sur les recettes [18] [18] Pour plus de précisions, voir la note explicative séparée. [X] Aucune implication financière (concerne des aspects techniques relatifs à la mise en oeuvre d'une mesure). OU Incidence financière - L'effet sur les recettes est le suivant: NEANT 3. CARACTÉRISTIQUES BUDGÉTAIRES >RUIMTE VOOR DE TABEL> 4. BASE LÉGALE Article 149 du traité 5. DESCRIPTION ET JUSTIFICATION 5.1 Nécessité d'une intervention communautaire 5.1.1 Description des besoins * Evolution de la jeunesse en Europe Il y a 50 millions de jeunes entre 15 et 25 ans dans les 15 Etats membres, 60 millions si l'on compte les dix pays qui vont rejoindre l'Union en 2004 et 75 millions avec tous les pays candidats. Le Livre Blanc a montré que, dans ses contours sociologiques, économiques et culturels, la jeunesse a fortement évolué sous l'effet des changements démographiques, mais aussi des modifications de l'environnement social, des comportements individuels et collectifs, des rapports familiaux et des conditions du marché du travail. Les démographes observent que sous la pression des facteurs économiques et des facteurs socioculturels, les jeunes sont plus âgés quand ils franchissent certaines étapes de la vie: fin des études, accès à l'emploi, constitution d'une famille, etc. De plus les itinéraires de vie ne sont pas linéaires, les jeunes peuvent à la fois être étudiant, chargé de famille, travailleur, ou à la recherche d'un emploi, vivre chez les parents. Les allers et retours entre les différents statuts sont devenus de plus en plus fréquents. En ce qui concerne l'implication des jeunes dans la vie publique, on constate que les jeunes s'investissent moins que par le passé dans les structures traditionnelles de l'action politique et sociale (partis, syndicats), leur participation aux consultations démocratiques est faible, ainsi que leur engagement dans des organisations de jeunesse. Cela ne signifie nullement que les jeunes se désintéressent de la vie publique. La plupart démontrent une volonté de participer et d'influencer les choix de société, mais selon des formes d'engagement plus individuel et plus ponctuel notamment en dehors du cadre participatif classique. Il incombe aux autorités publiques de combler le fossé existant entre la volonté d'expression des jeunes et les modalités et structures offertes à cet effet par nos sociétés, sous peine d'alimenter le déficit citoyen. L'Europe a un rôle à jouer à la fois parce que certaines de ces modalités se situent d'emblée au niveau européen, comme les échanges de jeunes ou d'animateurs socio-éducatifs, mais également parce que le cadre européen peut s'avérer optimum pour l'expérimentation et l'échange de bonnes pratiques dans ce domaine. Les jeunes expriment également des doutes sur les institutions internationales qui leur semblent difficilement accessibles et peu à l'écoute de leurs préoccupations. Ce rapport pour le moins contrasté entre les jeunes et la mondialisation est un signe de malaise et ne peut être ignoré. En ce qui concerne plus précisément l'intégration européenne, l'Europe constitue pour les jeunes un espace de liberté où ils peuvent vivre, travailler, étudier ou voyager. Cependant les institutions qui gèrent l'Union européenne sont pour nombre de jeunes considérées comme lointaines. Dans la poursuite du projet communautaire et notamment dans la perspective de l'élargissement et du rapprochement avec les pays voisins, beaucoup dépend de l'adhésion des jeunes générations au projet européen. Finalement, les jeunes européens vivent dans des sociétés ouvertes aux influences culturelles et économiques extérieures. La lutte contre les discriminations, en particulier contre le racisme et la xénophobie, l'attachement au caractère multiculturel de nos sociétés, les questions liées à l'immigration et au dialogue interculturel trouvent au sein de la jeunesse un terrain particulièrement propice, capable de la mobiliser. * Enjeu politique L'ensemble des défis décrits ci-dessus représentent un enjeu très vaste et s'inscrivent dans les priorités actuelles de la Commission : la citoyenneté, la croissance et la paix. En matière de citoyenneté, il convient de créer les conditions pour que les jeunes européens puissent davantage s'affirmer comme citoyens solidaires, responsables, actifs et tolérants dans une société plurielle. L'implication accrue des jeunes à la vie de la communauté locale, régionale, nationale et européenne et l'émergence d'une citoyenneté active constituent des enjeux majeurs, pour le présent, mais également pour le futur de nos sociétés. Ces défis sont des défis qui sont communs aux Etats membres. A ceci s'ajoute la nécessité de développer auprès des jeunes leur conscience d'appartenir à l'Europe, leur adhésion aux valeurs prônées par l'Union et leur citoyenneté européenne. Mais il convient également de répondre aux aspirations des jeunes en leur donnant la possibilité de renforcer leur éducation et leur formation, sur un plan moins formel que ce qui est réalisé dans les systèmes éducatifs académiques ou dans le cadre de la formation professionnelle. Ces activités d'éducation non formelle méritent d'être soutenues et reconnues au niveau européen car elles contribuent, pour leur part, au processus de Lisbonne et, à leur manière, à la croissance en Europe. Enfin la volonté des jeunes de construire de nouvelles relations entre jeunes Européens et jeunes du monde entier, leur souci de compréhension mutuelle, d'esprit de tolérance et d'ouverture est le meilleur atout pour la paix dans le monde. Pour ne prendre que l'exemple des relations euro-méditerranéennes, le rapport des sages [19] remis à la Commission établit que la jeunesse a une importance fondamentale pour le succès du dialogue entre les Peuples et les Cultures dans cette région d'autant plus que 50% de la population dans les pays arabes a moins de 20 ans. Le « dialogue rénové » dont parle ce rapport est en ligne avec les priorités du domaine de la jeunesse qui sont développées dans le cadre du partenariat euro-méditerranéen. En outre le rapport des sages préconise un renforcement du volontariat en « incitant la jeunesse des deux rives à un "engagement civil commun au service de la région euro-méditerranéenne". [19] Rapport du Groupe des Sages créé à l'initiative du Président de la Commission « Le Dialogue entre les Peuples et les Cultures dans l'Espace euro-méditerranéen » http://europa.eu.int/comm/europeaid/ index_fr.htm * Réponse aux défis La méthode ouverte de coordination dans le domaine de la jeunesse est la procédure politique qui a été adoptée pour trouver en commun des réponses à ces défis et le nouveau programme européen pour la jeunesse doit accompagner et soutenir cette démarche politique. Dans ce contexte, il y a lieu d'intervenir à deux niveaux: - Les jeunes Les jeunes sont les premiers acteurs du programme. Celui-ci doit permettre aux jeunes, aux groupes de jeunes ou aux organisations de jeunes de mettre en oeuvre notamment, à leur initiative, des projets d'échanges, de mobilité, de solidarité, ou de participation. Ces activités favorisent la prise de conscience européenne chez les jeunes ainsi que leur inclusion sociale dans le monde adulte. L'aspect le plus marquant du programme est son universalité en ce sens qu'il est le seul programme européen a être accessible à tous les jeunes et notamment les jeunes avec le moins d'opportunités, car ce programme est mis en oeuvre en dehors du cadre scolaire. Le programme est ouvert aux jeunes de 13 à 30 ans. L'élargissement de la tranche d'âge par rapport au programme actuel (15-25 ans) se justifie par le fait que, d'une part les jeunes adolescents atteignent plus tôt la maturité que leurs aînés et d'autre part, les jeunes sont plus âgés quand ils franchissent les étapes de la vie qui les conduisent à l'autonomie. La participation active des jeunes, leurs expériences, leur éducation informelle et non-formelle ainsi que leur employabilité sont des éléments qui ont un impact positif et contribuent aux objectifs des politiques de la famille, de l'éducation et de l'emploi, de l'égalité des genres et de l'inclusion sociale. Afin de répondre à la demande des jeunes qui veulent se rendre utiles dans un souci de solidarité et afin d'accroître leur sentiment d'appartenance à une communauté de valeurs qu'est l'Europe, le Service Volontaire Européen sera étendu afin de mettre à disposition de l'Union une force d'intervention en soutien des actions de solidarité de l'Union, internes ou externes. - Les systèmes qui soutiennent les activités des jeunes Il ne serait pas réaliste de couvrir l'ensemble des besoins de tous les jeunes Européens, ce qui ne serait d'ailleurs pas conforme à l'esprit de subsidiarité de ce programme et à la nécessité de se concentrer sur les actions avec une valeur ajoutée européenne. C'est pourquoi, par souci d'efficience, le programme propose également de soutenir les activités d'autres acteurs du domaine de la jeunesse et en premier lieu les animateurs socio-éducatifs, le Forum européen de la Jeunesse [20], les organisations non gouvernementales de jeunesse actives au niveau européen et les Agences Nationales du programme. Ceux-ci forment les bases sur lesquelles s'appuient les jeunes pour établir leurs projets et par lesquelles les projets sont mis en oeuvre. Le programme prévoit donc les moyens pour permettre le développement de ces éléments structurants qui ont un important effet multiplicateur. [20] Le Forum européen de la Jeunesse est une organisation internationale composée de conseils nationaux de jeunesse et organisations internationales non-gouvernementales de jeunesse représentant les intérêts des jeunes de l'ensemble de l'Europe. Il s'agit de la seule plate-forme en Europe qui représente les organisations de jeunesse auprès de l'Union européenne. Une autre proposition qui vise l'efficience par un effet structurant et multiplicateur est le soutien à la coopération des politiques nationales de jeunesse. Le programme peut ainsi être utilisé comme levier vis-à-vis de ces politiques, dans le respect de la subsidiarité. Le programme est ouvert aux Etats membres de l'UE, aux pays candidats, aux pays de l'AELE membres de l'EEE, ainsi qu'à la Confédération Helvétique, et aux pays des Balkans occidentaux. Des projets peuvent également être réalisés en partenariat avec d'autres pays, en premier lieu avec les pays concernés par la Communication de la Commission "l'Europe élargie - voisinage: un nouveau cadre pour les relations avec nos voisins de l'Est et du Sud" [21]. [21] COM (2003) 104 final du 11.3.2003 5.1.2 Objectifs du programme Dans ce contexte, les objectifs généraux du programme sont: a) Promouvoir la citoyenneté active des jeunes, en général, et leur citoyenneté européenne en particulier; b) Développer la solidarité des jeunes, notamment afin de renforcer la cohésion sociale de l'Union européenne; c) Favoriser la compréhension mutuelle des peuples à travers les jeunes; d) Contribuer au développement de systèmes de qualité en soutien aux activités des jeunes et à celui de la capacité des organisations de la société civile dans le domaine de la jeunesse; e) Favoriser la coopération européenne en matière de politiques de jeunesse. Les objectifs proposés dans le programme sont cohérents, d'une part avec les priorités en matière de coopération dans le domaine de la jeunesse, d'autre part avec les développements récents en matière de citoyenneté. Ceux-ci assurent également la continuité du programme "JEUNESSE" actuel, ainsi que du programme d'action communautaire pour la promotion des organismes actifs au niveau européen dans le domaine de la jeunesse (ONG de jeunesse) qui vient d'être adopté prochainement par le Conseil et le Parlement européen. 5.1.3 Valeur ajoutée européenne Bien que le programme ne soit pas le seul instrument qui touche les jeunes et que celui-ci soit complémentaire d'instruments au niveau national et européen, sa valeur ajoutée est néanmoins importante, compte tenu de la spécificité de ses objectifs. L'évaluation intermédiaire du programme JEUNESSE 2000-2006 a mis en évidence que la plupart des projets financés n'auraient jamais eu une dimension européenne sans un appui européen. Le programme est dans certains Etats membres complémentaire d'actions nationales ou régionales, lorsqu'il n'est pas tout simplement la seule activité structurée en faveur de la jeunesse en attendant que des actions se mettent en place au niveau des autorités nationales. L'évaluation intermédiaire met également en valeur l'impact du programme sur les politiques des administrations publiques nationales qui tendent à s'orienter vers les priorités du programme. En ce qui concerne les projets qui visent les jeunes et les animateurs socio-éducatifs directement, la valeur ajoutée européenne est souvent directement liée à la nature de l'action : mobilité des jeunes à travers l'Europe ou avec des pays partenaires, service volontaire européen, mise en réseau de projets, formation européenne d'animateurs socio-éducatifs, soutien aux ONG de jeunesse qui poursuivent des objectifs d'intérêt général européen. Les Etats membres ne seraient tout simplement pas en mesure d'organiser individuellement de telles actions. La valeur ajoutée européenne se traduit également par un effet de levier vis-à-vis des politiques nationales, soit en montrant la voie à suivre (priorité aux jeunes avec moins d'opportunités, projets d'initiative locale, projets de démocratie participative), soit en stimulant l'innovation, la recherche et la coopération. L'effet multiplicateur du programme peut être considéré comme important car aujourd'hui les activités liées à la jeunesse cherchent de façon plus systématique à acquérir une dimension transnationale. Afin de favoriser les synergies avec d'autres interventions, le programme prévoit la mise en oeuvre de systèmes de labelisation avec des actions similaires réalisés dans les pays participants au programme, ainsi qui la mise en valeur des actions du programme qui contribuent au développement d'autres politiques dans les domaines notamment de l'éducation, de la formation, de la culture et du sport. La mise en oeuvre d'un programme européen dans le domaine de la jeunesse est un élément essentiel pour contribuer à l'émergence chez les tous les jeunes d'une citoyenneté européenne. 5.1.4 Dispositions prises relevant de l'évaluation ex ante a) Evaluation ex-ante Un rapport d'évaluation ex-ante accompagne le projet de base légal pour le programme. Ce rapport a été préparé par les services de la Commission. Le rapport d'évaluation ex-ante prend en compte les contributions résultant de la consultation de la société civile: - Le rapport de la consultation publique - La position du Forum européen de la Jeunesse - L'avis des agences nationales du programme actuel - Les travaux du groupe de travail sur les nouveaux instruments - Les résultants d'un séminaire des chercheurs sur les nouveaux instruments Le rapport d'évaluation ex-ante prend également en compte les enseignements apportés par l'évaluation intermédiaire du programme JEUNESSE qui s'est basée notamment sur: - les études d'impacts des actions 1, 2, 3 et 5, élaborées sous la responsabilité des autorités nationales par des experts externes ou avec le support des Agences nationales ont suivi le guide méthodologique proposé par la Commission (v. 5.1.3). - Une série de séminaires qui ont permis notamment "l'évaluation des procédures" du programme JEUNESSE et l'évaluation des actions 3 et 5, et des actions des pays tiers - Une évaluation externe du partenariat entre le Conseil de l'Europe et la Commission en matière de formation dans le domaine de la jeunesse - Une évaluation externe des actions avec les pays tiers Finalement ce rapport prend également en compte les derniers développements politiques dans le domaine de la jeunesse, en particulier: - les conclusions du Conseil du mai 2003 concernant la nouvelle génération de programme pour la jeunesse, confirmées par le Conseil de mai 2004 - Les conclusions de la Conférence européenne sur le service civique et la jeunesse qui s'est tenue à Rome sous présidence italienne en novembre 2003 - Le rapport des sages sur les relations euro-méditerranéennes de novembre 2003 b) constatations et enseignements tirés de l'évaluation ex ante Les principaux éléments avancés par l'évaluation ex-ante sont: 1. Préserver un programme spécifique au domaine de la jeunesse avec des passerelles avec les autres domaines qui concernent les jeunes. 2. Garantir la continuité avec le programme JEUNESSE en termes d'actions (échanges de jeunes, Service volontaire Européen, projets d'initiatives et mesures de soutien) et d'accès au programme (ouverture à tous les jeunes, en particulier à ceux avec le moins d'opportunités, soutient à des projets organisés par des ONG et les organisations locales qui s'occupent des jeunes sur le terrain, dans une approche décentralisée) 3. Développer l'identité européenne des jeunes et leur citoyenneté active dans la société. 4. Prendre en compte les priorités politiques définies dans le Livre Blanc de la Commission sur la jeunesse, en développant les projets de participation démocratique, en améliorant l'information des jeunes, en étendant les possibilités de volontariat en en soutenant les actions nécessaires à une meilleure connaissance du domaine de la jeunesse. 5. Soutenir les initiatives prises dans le cadre de la coopération politique mise en oeuvre par la méthode ouverte de coordination (échanges de bonnes pratiques, complémentarités...). 6. Contribuer au développement des organisations de jeunesse et soutenir le travail des animateurs de jeunesse. 7. Ouvrir davantage le programme vers les pays tiers et donner à ces activités plus de visibilité. 8. Contribuer à la reconnaissance des activités du programme et plus généralement du travail des animateurs de jeunesse qui contribuent à l'éducation et à l'apprentissage informels et non formels des jeunes. 9. Proposer des mécanismes qui soient simples et flexibles compte tenu du public cible visé. 5.1.5 Dispositions prises à la suite de l'évaluation intermédiaire du programme actuel L'évaluation intermédiaire du programme JEUNESSE permet de dégager les recommandations suivantes: 1. Cibler encore mieux le programme sur son public cible, à savoir les jeunes de toutes conditions, en particulier ceux avec moins d'opportunités. 2. Améliorer l'assistance aux bénéficiaires et aux projets, dans toutes les phases, par des mesures de proximité et de qualité. 3. Simplifier les procédures et les rendre aussi flexibles que possible compte tenu du public visé. 4. Renforcer la transparence et la cohérence dans la mise en oeuvre du programme, notamment au niveau décentralisé. 5. Augmenter la qualité du travail par une évaluation des projets avec un retour d'information auprès des bénéficiaires et une reconnaissance des activités réalisées. 6. Développer les activités de volontariat tant sur le plan qualitatif que sur le plan quantitatif. 7. Ouvrir davantage le programme sur les pays tiers. 8. Anticiper les évolutions par la mise en oeuvre de projets innovants et la réalisation des études nécessaires. 9. Donner une visibilité au programme et à chacune de ses actions et valoriser les résultats obtenus. 5.2 Actions envisagées et modalités de l'intervention budgétaire 5.2.1 Actions du programme Les objectifs du programme sont soutenus par cinq actions opérationnelles - Jeunesse pour l'Europe Cette action vise à soutenir les échanges de jeunes, leurs initiatives, leur participation à la vie démocratique et toute activité permettant de développer leur citoyenneté et la compréhension mutuelle entre les jeunes. La population type est représentée par les jeunes de 13 à 30 ans. - Le Service Volontaire Européen Cette action vise à renforcer la participation des jeunes à différentes formes d'activités de volontariat, à l'intérieur et en dehors de l'Union européenne. Cette action concerne les jeunes de 18 à 30 ans. - Jeunesse pour le monde Cette action vise à soutenir des projets avec les pays partenaires du programme, notamment l'échange de jeunes et d'animateurs socio-éducatifs, le soutien aux initiatives qui renforcent la compréhension mutuelle des jeunes et leur sens de la solidarité ainsi que le développement de la coopération dans le domaine de la jeunesse et de la société civile dans ces pays. Cette action concerne les jeunes de 13 à 30 ans et les animateurs socio-éducatifs. - Animateurs socio-éducatifs et systèmes d'appui Cette action a pour objet d'assurer le soutien aux organismes actifs au niveau européen dans le domaine de la jeunesse, notamment les organisations non gouvernementales de jeunesse, leur mise en réseau, l'échange, la formation et la mise en réseau des animateurs socio-éducatifs, la stimulation de l'innovation et de la qualité des actions menées dans le domaine de la jeunesse, l'information des jeunes et la mise en place des structures et activités nécessaires au programme pour atteindre ses objectifs. Cette action concerne des milliers d'organisations de jeunes et d'animateurs socio-éducatifs. - Soutien à la coopération politique Cette action permet d'organiser le dialogue entre les différents acteurs du monde de la jeunesse, en particulier les jeunes, les animateurs socio-éducatifs et les responsables politiques, de contribuer au développement de la coopération politique dans le domaine de la jeunesse et d'effectuer les travaux et les mises en réseau nécessaires à une meilleure connaissance du domaine de la jeunesse. 5.2.2 Caractéristiques des actions - Le programme est ouvert aux jeunes entre 13 et 30 ans Cette proposition est la conséquence de l'analyse du Livre Blanc et de l'évaluation du programme actuel par les Etats membres. Les jeunes sont prêts à participer à des projets plus tôt que précédemment et ils accèdent à l'autonomie plus tard. Il est néanmoins proposé que l'âge de participation au programme soit modulé en fonction de la nature des activités. - Le programme intègre le soutien aux ONG européennes de jeunesse La Commission a proposé une base légale pour ce soutien aux ONG pour la période 2004 - 2006. Au delà, ce soutien fait partie intégrante de l'objectif visant à promouvoir la citoyenneté active des jeunes en général, et leur citoyenneté européenne en particulier. Il doit donc être intégré au nouveau programme proposé. - Le programme est ouvert aux pays qui ont vocation à rejoindre un jour ou l'autre l'Union européenne ainsi qu'aux pays membre de l'AELE. Cette proposition est dans le droit fil du programme actuel. Elle est appliquée aux pays actuellement candidats à l'adhésion, aux Balkans occidentaux, aux Etats de l'AELE membres de l'EEE et à la Suisse. - Une action particulière est créée pour les actions avec les pays tiers, appelés pays partenaires du programme Le programme actuel autorise des actions avec les pays tiers, mais leur offre peu de visibilité du fait de leur éparpillement. La création de l'action « Jeunesse pour le monde » permettra d'augmenter cette visibilité. - Cette action prévoit deux niveaux de coopération, l'un avec les pays voisins de l'Europe, l'autre avec le reste du monde Avec les pays voisins de l'Europe, le programme propose de pouvoir faire le même type d'activités que celles réalisées au sein de l'Union, à quelques exceptions près liées à leur faisabilité dans ces pays. Pour le reste du monde, les mesures sont beaucoup plus ciblées (échanges de bonnes pratiques, d'animateurs socio-éducatifs, de jeunes mais dans des conditions limitées) sous peine de transformer le programme en un programme mondial difficile à gérer. - La base légale ouvre la possibilité au soutien à des structures régionales et locales pour aider les jeunes dans leur projet La gestion centralisée indirecte via des agences nationales dans chaque pays participant au programme est confirmée. Dans certains pays, il convient cependant de prévoir des relais locaux ou régionaux pour l'information et le support des jeunes dans la mise en oeuvre de leurs projets. - La Commission pourra, après avis du comité et donc du Parlement européen, adapter les mesures prévues au sein de chaque action. La base légale proposée couvre jusqu'en 2013. Le programme doit être au service du processus politique initié suite au Livre Blanc. Le programme doit donc pouvoir s'adapter de manière flexible aux priorités qui résulteront, durant la prochaine décennie, de ce processus politique. - Le programme pourra établir des passerelles avec d'autres instruments communautaires Le domaine de la jeunesse est complémentaire avec d'autres domaines, en particulier l'éducation, la formation professionnelle, la culture, le sport, l'inclusion sociale, la lutte contre les discriminations, la recherche, l'action extérieure de l'Union. Le programme pourra, établir des actions avec d'autres programmes pour établir des passerelles avec ces domaines. La mise en commun éventuelle de moyens financiers ne pourra se faire qu'en accord avec les bases légales respectives de chaque instrument et leurs autorités décisionnelles en matière de budget. - Les pays participant au programme pourront financer eux-mêmes des projets similaires à ceux du programme qui recevront un label européen, et des partenariats pourront être signés avec certaines entités comme les régions, avec un cofinancement de leur part Ces mesures visent l'efficience du programme et son effet multiplicateur. Il s'agit de mobiliser les énergies et les fonds pour démultiplier l'action du programme, dans le respect des compétences et des règles propres à chaque partenaire. - Le programme, dans le respect du Règlement financier doit tenir compte de l'environnement spécifique auquel il s'adresse - il n'est pas basé sur un système institutionnalisé - les acteurs proviennent de la société civile, des ONG ou encore d'initiatives locales - les jeunes eux-mêmes créent leurs activités - tous les jeunes peuvent participer - les projets sont basés sur l'initiative individuelle et volontaire - les projets sont réalisés dans les communautés locales mais en dehors du cadre scolaire - moindre capacité financière et capacité de planification à long terme de la part des bénéficiaires En conséquence, la proposition de programme utilise à chaque fois que possible et que nécessaire les flexibilités offertes par le nouveau règlement financier. 5.2.3 Objectifs spécifiques du programme OBJECTIFS SPECIFIQUES // INDICATEURS 1. Promouvoir la citoyenneté active des jeunes, en général, et leur citoyenneté européenne en particulier // - en donnant la possibilité aux jeunes et à leurs organisations de représentation de participer au développement de la société en général et de l'Union européenne en particulier; // - qualité des plans de travail des ONG - nombre des ONG ayant plus de 8 partenaires en Europe - en développant auprès des jeunes le sentiment d'appartenance à l'Union européenne; // - niveau d'adhésion à l'Europe des jeunes ayant participé au programme - en développant la mobilité des jeunes en Europe; // - niveau de mobilité des jeunes ayant participé au programme - en développant l'apprentissage interculturel au sein de la jeunesse; // A propos des jeunes ayant participé au programme: - attitudes modifiées concernant les jeunes d'autres cultures - en assurant la promotion des valeurs fondamentales de l'Union auprès des jeunes; // - nombre de projets intégrant les thèmes de paix, liberté, égalité des genres, démocratie, droit de l'homme, tolérance - en encourageant l'esprit d'initiative, d'entreprise et de créativité; // - nombre de projets qui implique directement les jeunes dans leur réalisation (et impact sur le développement personnel) - nombre d'initiatives ayant favorisé l'employabilité des jeunes - nombre de projets qui se pérennisent - en veillant à la participation au programme des jeunes qui ont le moins d'opportunités; // - nombre de jeunes moins favorisés participant au programme - type de compétences acquises - en veillant au respect de l'égalité entre les femmes et les hommes dans participation au programme. // - [break-down by gender of actions beneficiaries] 2. Développer la solidarité des jeunes notamment afin de renforcer la cohésion sociale de l'Union // - en donnant la possibilité aux jeunes d'exprimer leurs engagements personnels par des activités de volontariat au niveau européen et international; // - progrès dans le développement personnel du jeune - taux de satisfaction parmi les jeunes ayant effectué un SVE, vis à vis de la qualité de l'engagement qu'ils ont pu concrétiser. - en associant les jeunes aux actions de solidarité de l'Union européenne; // - nombre d'actions de solidarités - contribution à la réussite de l'intervention - en contribuant à la coopération entre les services civils et volontaires impliquant des jeunes au niveau national. // - niveau d'intensité de la coopération 3. Favoriser la compréhension mutuelle des peuples à travers les jeunes // - en développant entre les jeunes de l'Union européenne et les jeunes des pays voisins, des échanges et le dialogue interculturel; // A propos des jeunes ayant participé au programme: - attitudes modifiées concernant les jeunes d'autres cultures - en contribuant à développer dans ces pays, la qualité des structures en appui aux jeunes et du travail des animateurs socio-éducatifs. // - Niveau de qualité des structures (ONG, coordinateurs,...) travaillant dans le programme - en développant avec les autres pays des coopérations thématiques impliquant les jeunes et les animateurs sociaux-éducatifs. // - niveau d'intensité de la coopération - niveau d'effet multiplicateur 4. Contribuer au développement de systèmes de qualité en soutien aux activités des jeunes et de la capacité des organisations de la société civile dans le domaine de la jeunesse // - en contribuant à la mise en réseau des organisations; // - nombre de nouveaux réseaux - équilibre entre les différents types de réseaux - nombre de réseaux croisés entre différents types - taux de pérennisation des réseaux - en développant la formation et la coopération des animateurs socio-éducatifs; // - effet multiplicateur de la formation - opportunité de la formation - en stimulant l'innovation en matière d'activités en faveur des jeunes; // - niveau d'utilisation effective des résultats et diffusion de ceux-ci - en contribuant à l'amélioration de l'information des jeunes; // - niveau d'information des jeunes sur les questions européennes - nombre de projets d'information qui incluent les jeunes - en oeuvrant à la reconnaissance de l'éducation non formelle des jeunes; // - introduction dans EUROPASS et CV européen des acquis émanant du programme 5. Favoriser la coopération européenne en matière de politiques de jeunesse // - en encourageant l'échange de bonnes pratiques et la coopération entre administrations et responsables politiques; // - niveau d'intensité de la coopération - nombre de bonnes pratiques répertoriées - en encourageant le dialogue structuré entre les responsables politiques et les jeunes; // - qualité du dialogue (pertinence par rapport à l'agenda politique) - régularité des rencontres - en améliorant la connaissance du domaine de la jeunesse; // - niveau d'intensité de la mise en réseau - niveau d'homogénéité (EUR25) des connaissances sur les thèmes essentiels 5.2.4 Mesures concrètes à prendre pour la mise en oeuvre de l'action Actions // Indicateurs ACTION 1 - Jeunesse pour l'Europe // 1.1 Echanges de jeunes // - nombre de projets d'échanges - nombre de jeunes participant aux échanges - destination des échanges - domaines concernés par les échanges 1.2 Soutien aux initiatives des jeunes // - nombre de projets - nombre de jeunes participant aux initiatives - âge des initiateurs de projets - domaines concernés par les initiatives 1.3 Projets de démocratie participative // - à définir en fonction de l'expérience des projets pilotes en cours ACTION 2 - Service volontaire Européen // 2.1 Service volontaire européen individuel // - nombre de volontaires par âge/sexe/formation - destination des volontaires - domaines concernés par le volontariat - durée du volontariat 2.2 Service volontaire européen d'intervention // Idem 2.1 2.3 Coopération entre services civils ou volontaires // - nombre d'activités réalisées dans le cadre de la coopération ACTION 3 - Jeunesse pour le monde // 3.1 Coopération avec les pays voisins de l'Union élargie // - utiliser les indicateurs pertinents des autres mesures 3.2 Coopération avec les autres pays // - utiliser les indicateurs pertinents des autres mesures ACTION 4 - Animateurs socio-éducatifs et systèmes d'appui // 4.1 Soutien aux organismes actifs au niveau européen dans le domaine de la jeunesse // - nombre d'ONG soutenues - nombre d'activités européennes gérées à travers ce soutien 4.2 Soutien au Forum Européen de la Jeunesse // - données qualitatives sur les activités (enquête) 4.3 Formation et mise en réseau des animateurs socio-éducatifs // - nombre de formations - nombre de mises en réseau - nombre d'animateurs socio-educatifs participants 4.4 Projets pour stimuler l'innovation et la qualité // - nombre de projets 4.5 Actions d'information à destination des jeunes et des animateurs socio-éducatifs // - nombre d'actions réalisées - nombre de relais EURODESK - nombre d'accès, rubriques, links dans le portail européen 4.6 Partenariats // - nombre de partenariats - effet multiplicateur 4.7 Soutien aux structures du programme // - donnée qualitative sur les activités (enquête) 4.8 Valorisation // - nombre d'action de valorisation ACTION 5 - Soutien à la coopération politique // 5.1 Rencontres des jeunes, des responsables de politiques de la jeunesse // - nombre de rencontres réalisées 5.2 Soutien aux activités de recherche // - nombre de projets de recherche réalisés en relation avec la Méthode ouverte de coordination - nombre de mise en réseau de chercheurs - nombre de chercheurs participants 5.3 Coopération avec des Organisations internationales // - nombre d'activités réalisées dans le cadre de la coopération avec le Conseil de l'Europe - nombre d'activités réalisées dans le cadre de la coopération avec d'autre organisations internationales Les modalités d'intervention budgétaire sont les subventions sous forme de forfaits, coûts réels, marché, transferts de fonds aux structures nationales, subventions de fonctionnement aux structures et ONG, accords et partenariats. 5.3 Modalités de mise en oeuvre Pour la gestion de ce programme, la Commission envisage de recourir à deux formes d'externalisation, en délégant la gestion de certains volets du programme, conformément à l'article 54 du Règlement financier, soit à des agences nationales, soit à une agence exécutive. Une partie des actions restera toutefois gérée dans les services de la Commission. 5.3.1. Gestion centralisée indirecte par recours à des agences nationales Le recours à des agences nationales se justifie tout d'abord par le volume des interventions que soutiendra le programme, notamment en ce qui concerne les volets liés à la mobilité: la Commission ne dispose pas des ressources lui permettant de gérer ces actions au sein de ses services. Les très grands nombres de bénéficiaires concernés ont, de fait, imposé le recours à de telles agences dès l'adoption des premiers programmes dans le domaine de la jeunesse, selon un modèle qui s'est progressivement consolidé et est à présent pleinement reconnu par le Règlement financier. Le recours à des agences nationales découle également de considérations plus qualitatives: ces agences présentent l'avantage de connaître le contexte national et les besoins prioritaires à ce niveau; elles sont à même de créer un environnement de plus grande convivialité avec les bénéficiaires finals; elles peuvent offrir les garanties adéquates dans le cadre d'un contrôle renforcé (incluant une définition précise des responsabilités respectives de la Commission et des autorités nationales en la matière). Par ailleurs, les agences nationales sont souvent mieux armées qu'une institution au niveau central européen pour assurer un suivi effectif des activités soutenues par le programme, compte tenu de leur proximité avec les bénéficiaires finals et de leur meilleure connaissance du contexte local. Elles constituent également un relais d'information efficace, au niveau national, sur le programme communautaire. La Commission considère qu'il convient de décentraliser les actions lorsque l'une ou plusieurs parmi les conditions suivantes s'appliquent: * Il est permis de croire qu'une méthode rationnelle de distribution des ressources budgétaires entre les Etats membres peut être identifiée qui correspondra au taux de fréquence de l'activité dans les Etats membres; * Les actions sont en tant que telles de petite envergure ou s'adressent à des particuliers, de sorte que toute la panoplie des candidatures et sélections n'est pas garantie au niveau Européen; * Les actions répondent à des besoins spécifiques des Etats membres et devraient dès lors correspondre aux priorités établies dans ces Etats membres pour qu'elles aient un impact approprié sur la pratique et les politiques nationales. Sur cette base, les principaux volets du programme concernés par cette approche sont une grande majorité des projets des actions 1, 2, 3, et 4 du programme. Le recours à ce mode de gestion est sans préjudice de la visibilité de l'action communautaire; les conventions passées avec les agences nationales précisent notamment les obligations de ces dernières quant à la mention du soutien de l'Union en faveur des actions gérées par leur intermédiaire. Ces conventions fixent également les exigences en matière de non-discrimination dans l'octroi des soutiens communautaires ainsi que les exigences de nature à éviter les conflits d'intérêts. Conformément à la communication de la Commission au Parlement européen et au Conseil relative à la gestion des programmes communautaires par réseaux d'agences nationales [22], ces conventions s'inscriront dans le cadre d'une décision de la Commission adoptant les dispositions quant aux responsabilités de la Commission et des pays participants en ce qui concerne ces agences nationales dans le cadre des orientations générales de mise en oeuvre du programme. [22] COM(2001)648 final du 13.11.2001. L'article 8 du projet de décision reprend les critères qu'il est proposé de retenir pour la désignation des agences nationales par les autorités des pays participant au programme. 5.3.2. Gestion centralisée indirecte par recours à une agence exécutive Pour les projets à traiter au niveau européen comme les projets et le soutien aux ONG européennes de jeunesse (actions 1, 2 et 4), certains projets avec les pays partenaires du programme qui ne disposent pas de structures de gestion appropriées (action 3), ou certains projets qui ont vocation à être décentralisés après une période probatoire de gestion centralisée, typiquement lorsqu'il s'agit de nouvelles actions mise en oeuvre par le programme, la Commission envisage de recourir à la délégation à une agence exécutive. Une telle agence est envisagée dans le cadre de la gestion de la génération actuelle des programmes dans le domaine de l'éducation et de la culture (le plus souvent en remplacement de Bureaux d'assistance technique maintenus jusqu'alors de manière transitoire); il est proposé de prolonger cette agence, de façon à lui déléguer également des tâches de gestion relatives à la génération 2007-2013 des programmes, dont le programme Jeunesse. Les ressources internes de la Commission sont insuffisantes pour couvrir les besoins liés à la gestion des volets du programme qui doivent être gérés centralement; de là le recours successif, pour les programmes antérieurs, à des BAT puis à une agence exécutive. Par ailleurs, une généralisation du recours aux agences nationales, au-delà de ce qui est déjà prévu, n'est pas envisageable; il reviendrait à déléguer à ces agences la gestion de volets qui ne répondraient pas aux critères repris ci-dessus. Le recours à une agence exécutive constitue aussi un gage de bonne gestion des volets gérés centralement, à travers une utilisation optimale des ressources; cette approche repose sur la vision d'une administration recentrée sur ses activités et fonctions prioritaires, la mise en oeuvre technique des programmes étant effectuée par une entité spécialisée disposant des ressources nécessaires. Pour des raisons d'homogénéité de traitement et de procédures à travers les divers programmes du domaine de l'éducation et de la culture, ainsi que d'économie, il est proposé qu'une unique agence exécutive assiste la Commission dans la gestion de l'ensemble des programmes du domaine. Une étude coûts/bénéfice menée à l'occasion de la création de l'agence pour les programmes de la génération actuelle conclut au caractère économique de cette approche. 5.3.3. Gestion directe dans les services de la Commission Les volets gérés centralement ne présentent pas tous le même enjeu stratégique. Certains sont plus sensibles que d'autres (nature expérimentale, proximité avec des questions politiques d'actualité, bénéficiaires concernés...); il convient de réserver à la Commission la gestion directe de ces projets en nombre limité. Cet élément a été pris en compte pour partager entre la Commission et l'agence exécutive les volets à gérer depuis Bruxelles. Que certains volets continuent d'être gérés par la Commission contribuera à conserver un niveau approprié de savoir-faire en matière de gestion, gage également de la qualité du contrôle sur l'agence exécutive et les agences nationales. D'autre part, la gestion des volets du programme confiés à des agences nationales, requiert d'importantes ressources au niveau centralisé (fixation des orientations de travail des agences nationales, conformément aux priorités décidées par la Commission; gestion des relations contractuelles Commission/agence nationale; suivi et contrôle de la gestion par ces agences nationales...). Toutefois, il ne paraît pas souhaitable de confier ces tâches à l'agence exécutive, c-à-d d'externaliser le suivi d'une autre externalisation. L'option retenue consiste donc à considérer qu'un volet de programme, si sa gestion est externalisée, implique soit un réseau d'agences nationales, soit l'agence exécutive, de manière exclusive. De même, l'exploitation, au niveau centralisé, des actions gérées par les agences nationales, sera assumée par la Commission et non par l'agence exécutive. Pour le nouveau programme « jeunesse » une telle gestion centralisée directe se fera typiquement pour une partie de l'action 4 (soutien aux structures du programme, valorisation, partenariats) et pour l'action 5 (soutien à la coopération politique). La gestion du programme sera ainsi caractérisée par la coexistence de trois modes: gestion par une agence exécutive; par des agences nationales; gestion directe par les services. Le mode de gestion à retenir pour un volet donné répond aux caractéristiques propres de ce volet, dans le respect des orientations générales en matière d'externalisation et en veillant à éviter tout empiètement sur les deux autres modes, pour que la coexistence de trois modes de gestion ne crée pas de confusion. Pour autant, il est prévu, lorsque c'est opportun, que des procédures et outils communs aux trois modes de gestion s'appliquent. Par ailleurs, la Commission reste garante de la consolidation des données relatives à la gestion des programmes, quels que soient les modes de gestion utilisés. 6. INCIDENCE FINANCIÈRE 6.1 Incidence financière totale sur la partie B (pour toute la période de programmation) 6.1.1 Intervention financière Crédits d'engagement en millions d'euros (à la 3e décimale) >RUIMTE VOOR DE TABEL> 6.1.2 Assistance technique et administrative (ATA), dépenses d'appui (DDA) et dépenses TI (crédits d'engagement) >RUIMTE VOOR DE TABEL> >RUIMTE VOOR DE TABEL> Ces dépenses incluent la contribution du programme aux frais de fonctionnement de l'agence exécutive Education et culture, notamment les frais de personnel qui seront exposés par cette agence au titre de ce programme. Ces dépenses de personnel correspondent à une estimation de 31 personnes (personnel statutaire de l'agence et agents contractuels). 6.2 Calcul des coûts par mesure envisagée en partie B (pour toute la période de programmation) [23] [23] Pour plus d'informations, voir la note explicative séparée. Crédits d'engagement en millions d'euros (à la 3ème décimale) >RUIMTE VOOR DE TABEL> 7. INCIDENCE SUR LES EFFECTIFS ET LES DÉPENSES DE FONCTIONNEMENT Le contenu et la portée géographique du nouveau programme conduisent à un accroissement modéré des ressources humaines de 5 personnes. En ce qui concerne le contenu, le programme présente un nombre de nouveaux volets qui devront faire l'objet d'un suivi. En outre le développement de certaines mesures en termes quantitatif et qualitatif, tel que le service volontaire européen induit un suivi plus important. Le programme a également une portée géographique plus large, notamment avec l'ouverture à la CEI. Les besoins en ressources humaines et administratives seront couverts à l'intérieur de la dotation allouée à la Direction générale gestionnaire dans le cadre de la procédure d'allocation annuelle. L'allocation de postes dépendra d'une part de l'organisation interne de la prochaine Commission et d'autre part d'une éventuelle réallocation de postes entre services suite aux nouvelles perspectives financières. 7.1 Incidence sur les ressources humaines >RUIMTE VOOR DE TABEL> 7.2 Incidence financière globale des ressources humaines >RUIMTE VOOR DE TABEL> Les montants correspondent aux dépenses totales pour 12 mois. 7.3 Autres dépenses de fonctionnement découlant de l'action >RUIMTE VOOR DE TABEL> Les montants correspondent aux dépenses totales de l'action pour 12 mois. (1) Préciser le type de comité ainsi que le groupe auquel il appartient. I. Total annuel (7.2 + 7.3) // 4.220.600 EUR II. Durée de l'action // 7 III. Coût total de l'action (I x II) // 29.544.200 EUR 8. SUIVI ET ÉVALUATION 8.1 Système de suivi L'évaluation ex-ante propose des indicateurs visant à apprécier l'impact du programme via un suivi des résultats tangibles obtenus. Ils sont indicatifs et non exhaustifs. Ils feront l'objet d'études plus approfondies quant aux cibles visées et aux méthodes de mesures, d'ici la mise en oeuvre effective du programme. Un système de suivi sera mis en place notamment par les Agences Nationales afin d'assurer la collecte régulière de ces indicateurs. Ce système devra être validé par les pays participant au programme pour être appliqué de façon homogène. Les contrats avec les Agences Nationales prévoiront explicitement une obligation de "reporting". 8.2 Modalités et périodicité de l'évaluation prévue La base légale du programme prévoit le dispositif suivant : 1. La Commission assure un suivi régulier du présent programme. Le suivi comprend les rapports énumérés au paragraphe 3, ainsi que des activités spécifiques. 2. La Commission assure l'évaluation régulière, indépendante et externe du programme. 3. Les pays participant au programme transmettent à la Commission, au plus tard le 30 juin 2010 un rapport de mise en oeuvre du programme, et au plus tard le 30 juin 2015 un rapport sur l'impact du programme. 4. La Commission présente au Parlement européen, au Conseil, au Comité économique et social européen et au Comité des régions: a) un rapport intermédiaire d'évaluation sur les résultats obtenus et sur les aspects qualitatifs et quantitatifs de la mise en oeuvre du présent programme au plus tard le 31 mars 2011; b) une Communication sur la continuation du présent programme au plus tard le 31 décembre 2011; c) un rapport d'évaluation ex post au plus tard le 31 mars 2016. 9. MESURES ANTI-FRAUDE Pour les projets sélectionnés conformément à la procédure décrite à l'article 11 paragraphe 2 de la présente décision, un système d'audit par échantillonnage est mis en place. Le bénéficiaire d'une subvention garde à la disposition de la Commission tous les justificatifs des dépenses effectuées pendant une période de cinq ans à compter du dernier paiement. Le bénéficiaire d'une subvention veille à ce que, le cas échéant, les justificatifs qui seraient conservés par ses partenaires ou ses membres soient mis à la disposition de la Commission. La Commission, soit directement par l'intermédiaire de ses agents soit par l'intermédiaire de tout autre organisme externe qualifié de son choix, a le droit d'effectuer un audit sur l'utilisation qui est faite de la subvention. Ces audits peuvent se faire pendant toute la durée du contrat ainsi que pendant une période de cinq ans à compter de la date de paiement du solde de la subvention. Le cas échéant, les résultats de ces audits pourront conduire à des décisions de recouvrement de la part de la Commission. Le personnel de la Commission ainsi que les personnes extérieures mandatées par la Commission ont un accès approprié, en particulier aux bureaux du bénéficiaire, ainsi qu'à toutes les informations nécessaires, y compris sous format électronique, pour mener à bien ces audits. La Cour des Comptes ainsi que l'Office européen de Lutte antifraude (OLAF) disposent des mêmes droits, notamment le droit d'accès, que la Commission. Les décisions de la Commission prises en application de l'article 10, les conventions avec les Agences nationales, les accords avec les pays tiers participants, ainsi que les conventions et contrats qui en découlent prévoient notamment un suivi et un contrôle financier de la Commission (ou tout représentant autorisé par elle), dont l'OLAF, et des audits de la Cour des Comptes, le cas échéant sur place. Ces contrôles peuvent être effectués auprès des Agences nationales, ainsi qu'au besoin auprès des bénéficiaires de subventions. La Commission peut également procéder à des contrôles et vérifications sur place en conformité avec le règlement (Euratom, CE) No 2185/96 du Conseil.