52002PC0767

Voorstel voor een Verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 40/94 inzake het Gemeenschapsmerk /* COM/2002/0767 def. - CNS 2002/0308 */


Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 40/94 inzake het Gemeenschapsmerk

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3288/94 van de Raad van 22 december 1994 [1], heeft door middel van een communautaire inschrijving een eenvormige bescherming van dit teken in alle lidstaten tot stand gebracht. Deze regeling voldeed grotendeels aan de verwachtingen van de gebruikers. Het had ook een positieve invloed op de verwezenlijking van de interne markt. Dat blijkt uit een op initiatief van de Commissie uitgevoerde evaluatie van de resultaten van deze regeling, die door het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM), hierna "het Bureau" genoemd, met succes wordt beheerd.

[1] PB L 349 van 31.12.1994, blz. 83.

Overeenkomstig artikel 39, lid 7, van de verordening heeft de Commissie vijf jaar nadat het Bureau voor de indiening van aanvragen werd geopend, aan de Raad een verslag [2] voorgelegd over de werking van de in dit artikel beschreven wijze van recherche, inclusief de aan de lidstaten gedane betalingen. Daarin werd ingegaan op de problemen die zich hebben voorgedaan, en op de verschillende oplossingen daarvoor. Voorts moest de Commissie, indien nodig, op grond van de ervaring en de ontwikkeling van de recherchetechnieken passende wijzigingen van de wijze van recherche voorstellen.

[2] PB ...

Zoals de Commissie in een verklaring betreffende artikel 89 van de verordening had beloofd, heeft zij de Raad ook een mededeling [3] over de werking van het stelsel van vertegenwoordiging voor het Bureau voorgelegd. Daarin komt zij tot de conclusie dat het op het ogenblik niet nodig is het in dit artikel beschreven stelsel te wijzigen.

[3] PB ...

Bij het onderzoek naar de werking van de wijze van recherche en het stelsel van vertegenwoordiging zijn andere punten naar voren gekomen waar verduidelijking of wijziging een positieve invloed zou hebben op het beheer van de communautaire regeling. Hierdoor zouden de doeltreffendheid en toegevoegde waarde van de regeling worden vergroot en zou het nu al berekend zijn op de gevolgen van een toekomstige toetreding, zonder dat de kern van de regeling, die heel goed zijn nut ten aanzien van de vastgestelde doelen heeft bewezen, wordt aangetast.

Dit voorstel is in nauwe samenwerking met het Bureau opgesteld. Voorts hebben de verschillende bij de verordening inzake het Gemeenschapsmerk betrokken verenigingen in het kader van de periodiek door het BHIM bijeengeroepen werkgroep "Gemeenschapsmerk" als gebruikers de gelegenheid gehad hun mening over de voorgestelde wijzigingen te geven. Zij hebben de Commissie bovendien schriftelijk hun commentaar doen toekomen [4]. De voorstellen vonden bij de meeste van deze verenigingen een positief onthaal. Verder zijn de lidstaten in diverse vergaderingen van de Raad van Bestuur van het BHIM op de hoogte gebracht van het voornemen van de Commissie de Raad een voorstel voor te leggen over enkele thans relevant geachte punten. Uit alle gedachtewisselingen is opnieuw het nut van een dergelijke maatregel gebleken.

[4] AIPPI, AIM, ECTA, FICPI, UNICE, INTA.

Houders van Gemeenschapsmerken (artikel 5)

Artikel 5 bepaalt wie er houder van een Gemeenschapsmerk kunnen zijn. Onderdanen van derde landen die geen lid zijn van het Verdrag van Parijs en/of van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) kunnen alleen houder van een Gemeenschapsmerk worden wanneer in een gepubliceerd besluit van de Commissie is vastgesteld dat deze derde landen aan de onderdanen van alle lidstaten dezelfde bescherming verlenen als aan hun eigen onderdanen.

Om uiteenlopende redenen wordt nu gekozen voor een flexibeler benadering van deze eis. Wanneer geen wederkerigheid wordt opgelegd, wordt de toegang tot de communautaire regeling zeker vereenvoudigd. Op de wereldmarkt bestaat thans de tendens dergelijke obstakels uit de weg te ruimen. Bovendien is gebleken dat het te ingewikkeld is om vast te stellen of er tussen regelingen wederkerigheid en/of gelijkwaardigheid bestaat. De voordelen van deze bepaling wegen niet op tegen de nadelen ervan voor de goede werking van de communautaire regeling. Voorts moet de verordening betreffende het Gemeenschapsmerk worden aangepast aan de nieuwe regeling van het Gemeenschapsmodel, in het kader waarvan de Raad wederkerigheid en gelijkwaardigheid ook niet als toetredingsvoorwaarde voor derde landen stelt.

Er wordt dan ook voorgesteld deze eisen te schrappen. Ook het nationaliteitsvereiste wordt geschrapt. Dat betekent dat voortaan alle natuurlijke of rechtspersonen en publiekrechtelijke lichamen houder van een Gemeenschapsmerk kunnen zijn. Bijgevolg worden alle andere voorwaarden in deze bepaling overbodig.

De regels betreffende de voorrang van een ouder merk, waarvoor de voorwaarden van wederkerigheid en gelijkwaardigheid overeenkomstig artikel 29, lid 5, van de verordening ook gelden, blijven niettemin van toepassing teneinde geen afbreuk te doen aan de verworven rechten van houders die onderdaan van een van de lidstaten zijn.

Recherche (artikel 39)

Door recherche kan worden nagegaan of er sprake is van strijd met andere, oudere rechten waarop in de oppositieprocedure een beroep kan worden gedaan, wat de inschrijving van het aangevraagde Gemeenschapsmerk zou kunnen verhinderen.

Wat de werking van de recherche betreft, heeft de ervaring volgens het bovengenoemde verslag geleerd dat dit voor het Bureau een zeer dure regeling is, die met name door de gebruikers nauwelijks wordt gewaardeerd en die de communautaire inschrijvingsprocedure vertraagt. Sommige lidstaten hebben zich nooit aan het recherchesysteem gehouden en daardoor het nuttig effect ervan ten dele ondermijnt, terwijl de kwaliteit van de rechercheverslagen ongelijk en doorgaans weinig bevredigend is. Deze ernstige nadelen zullen nog veel zwaarder wegen na de komende toetredingen, met name wat de kosten betreft. De prognoses wijzen er namelijk op dat de kosten van elk rechercheverslag bij twaalf nieuwe lidstaten per inschrijvingsaanvrage meer dan verdubbelen zouden. Dit is een te grote belasting voor de aanvragers, en met name voor het midden- en kleinbedrijf, dat op deze manier niet langer meer competitief zou zijn. Zo bereikt men het tegengestelde van wat men wil, namelijk hulp bieden aan ondernemingen die het zich financieel niet kunnen veroorloven na te gaan of het door hen gewenste merk in strijd zou zijn met andere merkrechten. Exorbitante kosten van een recherchesysteem zouden daarnaast ook gevolgen hebben voor een goed beheer door en de financiële onafhankelijkheid van het Bureau.

Preventief ingrijpen is dus gewenst. Gelet op alle beschikbare gegevens lijkt de minst schadelijke oplossing om het recherchesysteem van artikel 39 van de verordening simpelweg te schrappen. Aangezien de recherche geen werkelijke waarde aan de regeling toevoegt, lijkt dat de beste oplossing.

Vertegenwoordiging (artikel 89)

Wat de vertegenwoordiging betreft, kan uit bovengenoemd verslag de conclusie worden getrokken dat het huidige stelsel voorlopig kan worden gehandhaafd. Er zijn evenwel problemen vastgesteld ten aanzien van bepaalde erkende gemachtigden, die, na hun zakenadres of werkplek naar een andere lidstaat te hebben overgebracht, niet langer bevoegd zijn cliënten voor de centrale dienst voor de industriële eigendom van hun vroegere lidstaat te vertegenwoordigen. Zij moeten daarom op de lijst van erkende gemachtigden worden doorgehaald tenzij de voorzitter van het Bureau hun een bijzondere ontheffing verleent uit hoofde van artikel 89, lid 4. De tekst van artikel 89, lid 2, onder c), wordt aangepast om dergelijke situaties te voorkomen. Om als vertegenwoordiger bij het Bureau te kunnen optreden, is het dus voldoende dat men woonachtig is in een van de lidstaten van de Gemeenschap. Verandering van zakenadres of werkplek naar een andere lidstaat heeft dan geen gevolgen meer voor de vertegenwoordiging bij het Bureau.

Kamers van beroep (artikelen 130 en 131)

Uit de ervaring met en de evaluatie van de werking van de kamers van beroep is naar voren gekomen dat bepaalde aspecten van deze kamers voor verbetering vatbaar zijn. De kamers moeten met name meer mogelijkheden krijgen om hun efficiëntie en productiviteit te vergroten. Dat is van essentieel belang voor de geloofwaardigheid van de communautaire regeling en de werkzaamheden van het Bureau, met name naar buiten toe. Ook de gebruikers hebben het grootste belang bij een dergelijke verbetering.

In dit verband worden de volgende maatregelen genomen:

(1) De leden van de kamers van beroep, inclusief de voorzitters, worden voortaan door de Raad van Bestuur en niet meer door de Raad benoemd. Door deze maatregel moet de benoemingsprocedure efficiënter en gemakkelijker worden. De Raad van Bestuur van het BHIM heeft in zijn zitting van 14 mei 2001 (CA-01-07) namelijk met eenparigheid van stemmen besloten nieuwe leden van de kamers van beroep op niveau A5 en niet meer op niveau A3 te benoemen. Daarom wordt het niet langer zinvol geacht de Raad van Ministers met deze benoemingen te belasten. Voortaan worden deze beslissingen door de Raad van Bestuur genomen. Het beginsel dat de lidstaten deze beslissing nemen, wordt dus gehandhaafd.

Om de onafhankelijkheid van de leden, zoals voorzien in de verordening zelf, te waarborgen blijft het ontslag van de leden daarentegen onder de verantwoordelijkheid van het Hof van Justitie vallen. De zaak wordt bij het Hof aanhangig gemaakt door de Raad van Bestuur,

(2) Een voorzitter van een kamer van beroep kan voortaan ook de functie van voorzitter van de beroepsafdeling uitoefenen. Hij moet met name zorgen voor een efficiënt administratief beheer van de kamers van beroep en een zo groot mogelijke samenhang tussen de beslissingen van de verschillende kamers. Overigens vallen deze maatregelen ook onder de bevoegdheden van de voorzitter van het Bureau die alle nodige maatregelen kan nemen, zoals met name het vaststellen van interne administratieve instructies, om de goede werking van het Bureau te waarborgen (artikel 119).

(3) Enkel en alleen om de procedures bij de kamers van beroep te versnellen kunnen beslissingen voortaan, onder bepaalde voorwaarden, door één lid worden genomen. Deze mogelijkheid moet beperkt blijven tot specifieke zaken waarin, in voorkomend geval, de partijen zijn gehoord en mag niet worden toegepast wanneer het gaat om bepalingen waarover nooit eerder een beslissing is genomen.

(4) Om te voorkomen dat de verschillende kamers van beroep op tegenstrijdige wijze over gelijksoortige zaken beschikken, wat voor de werkzaamheden van het Bureau en ten opzichte van de buitenwereld problemen meebrengt, kunnen de kamers besluiten bepaalde zaken door een uitgebreide kamer te laten behandelen. De beraadslagingen van deze uitgebreide kamer moeten richtsnoeren en beginselen aandragen voor gevallen waarover niet eerder uitspraak is gedaan, om zo de nodige samenhang tussen de beslissingen van de kamers van beroep te waarborgen.

Procedurele aspecten

(a) Absolute weigeringsgronden (artikel 7)

Wat de verenigbaarheid van de regeling van het Gemeenschapmerk met de communautaire regeling inzake de bescherming van geografische aanduidingen in de Gemeenschap betreft, is ook nu al in artikel 142 bepaald dat Verordening (EG) nr. 40/94 Verordening (EEG) nr. 2081/92, en met name artikel 14, onverlet laat. Aan de absolute weigeringsgronden wordt een nieuwe bepaling toegevoegd waarin dit aspect bij het onderzoek van een aanvrage om een Gemeenschapsmerk explicieter wordt genoemd.

(b) Relatieve weigeringsgronden (artikel 8)

De houders van tekens die op communautair niveau beschermd zijn, kunnen voortaan op grond van de communautaire regeling tegen de inschrijving van een Gemeenschapsmerk oppositie voeren wanneer aan de voorwaarden van artikel 8, lid 4, van Verordening (EG) nr. 40/94 is voldaan. In de huidige tekst wordt immers alleen rekening gehouden met het recht van oppositie op grond van het geldende recht van de lidstaten. Door deze wijziging worden de uitoefening en verdediging van verworven rechten door de betrokken houders vergemakkelijkt en geconsolideerd. Wanneer de betrokken rechten ouder zijn en op dezelfde gronden zijn verleend, kan een Gemeenschapsmerk overeenkomstig artikel 52, lid 2, nietig worden verklaard.

Het gaat hierbij bijvoorbeeld om houders van tekens die beschermd zijn krachtens Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen [5], dan wel Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen [6].

[5] PB L 208 van 24.7.1992, blz. 1.

[6] PB L 3 van 5.1.2002, blz. 1.

(c) Faillissementsprocedure (artikel 21)

Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad bevat gemeenschappelijke regels inzake insolventie [7]. Enerzijds wordt volgens deze verordening de term "faillissement" vervangen door "insolventie", zodat de titel en de bewoordingen van artikel 21 dienovereenkomstig moeten worden aangepast. Anderzijds bepaalt die verordening dat de inschrijving van een insolventieprocedure in een register en de bekendmaking daarvan ook tot de bevoegdheid van de curator behoren en niet alleen tot die van de bevoegde nationale instantie, d.w.z. een rechtbank. Deze mogelijkheid wordt daarom aan de tekst toegevoegd.

[7] PB L 160 van 30.6.2000, blz. 1.

(d) Indiening van de aanvrage (artikel 25)

Om te voorkomen dat gebruikers zonder reden worden gestraft met intrekking van de aanvrage van een Gemeenschapsmerk omdat deze pas na de vastgestelde termijn door de nationale diensten aan het Bureau is doorgestuurd, is de termijn voor doorzending aan het Bureau verlengd en mag de aanvrage bij een te late doorzending niet meer geacht te zijn ingetrokken, maar moet de datum van indiening gewoon worden uitgesteld en worden vervangen door de datum van ontvangst door het Bureau.

(e) Afsplitsing van de aanvrage en de inschrijving (artikelen 44 bis en 48 bis)

Om de in de verordening vastgestelde procedure zowel voor de gebruikers als voor het Bureau te vereenvoudigen en gemakkelijker uitvoerbaar te maken, zijn nieuwe bepaling ingevoegd waardoor een verzoek tot afsplitsing van een aanvrage tot inschrijving of van een inschrijving ingediend en vervolgens onderzocht kan worden. Dit is in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen in het Verdrag inzake handelsmerkenrecht van 27 oktober 1994.

(f) Herziening van beslissingen ex parte en inter partes (artikelen 60 en 60 bis)

Herziening van beslissingen is voortaan ook mogelijk bij beroepen inter partes. Het doel van deze wijziging is om het aantal beroepen voor de kamers van beroep te beperken. De term "prejudicieel" wordt geschrapt omdat deze tot verwarring leidt.

(g) Herroeping van een beslissing (artikel 77 bis)

Bij wijze van uitzondering kan het Bureau, wanneer het een onjuiste procedurele beslissing neemt, met inbegrip van een onjuiste inschrijving in het register, deze fout binnen zes maanden na de datum waarop de beslissing werd genomen of de inschrijving werd verricht herroepen of ambtshalve corrigeren. Op deze wijze kan de situatie worden rechtgezet, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de beginselen van gewettigd vertrouwen en rechtszekerheid waarop de houders of betrokken derden een beroep kunnen doen. Tegen de beslissing van het Bureau kan beroep worden ingesteld.

(h) Volmachten (artikelen 88 en 89)

De gevallen waarin en de voorwaarden waaronder een volmacht verplicht blijft of wordt, worden geregeld in de uitvoeringsverordening, daar dit een procedurele kwestie is. Bovendien zal de procedure inzake vertegenwoordiging bij de aanvrage voor een Gemeenschapmerk hierdoor minder tijd in beslag nemen.

Deze maatregel heeft voornamelijk ten doel de tekst op een lijn te brengen met de nieuwe verordening inzake Gemeenschapsmodellen, die ook een eenvormige titel betreft. In dat verband heeft de Raad er namelijk voor gekozen deze bevoegdheid aan de Commissie over te dragen. Artikel 78 van Verordening (EG) nr. 6/2002 bepaalt dan ook dat in de uitvoeringsverordening zal worden vastgesteld of en onder welke voorwaarden gemachtigden een ondertekende volmacht voor toevoeging aan het dossier aan het Bureau moeten overleggen.

(i) Verdeling van de kosten (artikel 81)

Wat de verdeling van de kosten betreft, wordt, wanneer de kosten die moeten worden vergoed zich beperken tot de aan het Bureau betaalde taksen en de kosten van vertegenwoordiging, het te vergoeden bedrag ambtshalve vastgesteld door de oppositieafdeling, de nietigheidsafdeling of de griffie van de kamers van beroep, zonder dat daartoe een verzoek moet worden ingediend. Hiermee wordt beoogd overbodig werk voor het Bureau te vermijden.

(j) Voortzetting van de procedure (artikel 78 bis)

Het nieuwe artikel 78 bis voorziet in een schorsing van de procedure wanneer een van de partijen bij de procedure voor het Bureau een door het Bureau gestelde termijn niet in acht heeft genomen. Tegen betaling van een taks is het in dat geval op verzoek mogelijk dat de procedure automatisch wordt voortgezet. Het Bureau kan de al begonnen procedure dan voortzetten alsof de termijn wel in acht was genomen. Aan deze mogelijkheid zijn bepaalde voorwaarden verbonden, zodat zij niet van toepassing is bij niet-inachtneming van de termijnen betreffende de indiening van de aanvrage, een beroep op het recht van voorrang, het onderzoek van de aanvrage, de oppositieprocedure, het beroep bij het Hof van Justitie en de aanvrage voor herstel in de vorige toestand.

(k) Verzoek tot omzetting en voorwaarden (artikelen 109 en 110)

Teneinde het onderzoek naar de ontvankelijkheid van verzoeken tot omzetting van een aanvrage om een Gemeenschapsmerk in een aanvrage om een nationaal merk te harmoniseren en te centraliseren, wordt dit uitgevoerd door het Bureau en niet door de nationale diensten. Zo kan het Bureau beslissen over de ontvankelijkheid van het verzoek tot omzetting, terwijl de nationale diensten beslissen over de inhoud van de omzetting in een nationaal merk.

Bij de raadpleging over dit punt vond deze maatregel een zeer gunstig onthaal bij de lidstaten en de gebruikers. Hierdoor wordt de taak van de nationale diensten vereenvoudigd en wordt, door het gecentraliseerde onderzoek van de aanvrage, vermeden dat uiteenlopende criteria worden aangewend bij de beslissing over de ontvankelijkheid van het verzoek tot omzetting.

(l) Reconventionele vordering (artikel 96)

De bepalingen van artikel 56 over het onderzoek van een vordering tot vervallen- of nietigverklaring voor het Bureau zijn ook van toepassing bij een reconventionele vordering tot vervallen- of nietigverklaring. In lid 5 van artikel 96 ontbreekt evenwel de verwijzing naar artikel 56, lid 2, die de houder van een Gemeenschapsmerk de mogelijkheid biedt de houder van een ouder Gemeenschapsmerk te verzoeken het bewijs van gebruik te leveren. Deze verwijzing moet derhalve worden toegevoegd. Daarentegen bevat lid 5 van artikel 96 ten onrechte een verwijzing naar artikel 56, lid 6, over de inschrijving van een beslissing van een rechtbank voor het Gemeenschapsmerk; een dergelijk inschrijving is namelijk al voorzien in lid 6 van artikel 96. Deze verwijzing wordt daarom geschrapt.

(m) Toezicht op de wettigheid (artikel 118)

De Commissie houdt toezicht op de wettigheid van bepaalde in artikel 118 genoemde handelingen. Het achterwege blijven van een beslissing binnen de gestelde termijnen geldt als impliciete beslissing tot verwerping. De betrokken termijnen moeten worden verlengd met het oog op de rechtszekerheid, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het beginsel dat termijnen moeten worden nageleefd.

(n) Beslissingen over oppositie en nietigheid (artikel 127 en 129)

Met het oog op een zo eenvoudig en efficiënt mogelijke procedure bij de beslissing over oppositie tegen een aanvrage om inschrijving van een Gemeenschapsmerk of over de nietigverklaring ervan, zullen in een aantal eenvoudige gevallen beslissingen voortaan door één lid van de oppositieafdeling of nietigheidsafdeling, bij voorkeur een jurist, kunnen worden genomen.

Taksen (artikel 140)

Bepaalde taksen, die het Bureau geen reële inkomsten opleveren, maar de procedure wel een stuk logger maken, worden afgeschaft.

Comitologie (artikel 141)

Bij Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [8] zijn nieuwe comitologieregels vastgesteld. Artikel 141 van Verordening (EG) nr. 40/94 voorziet in de oprichting van een reglementeringscomité voor diverse vraagstukken die door de uitvoeringsverordeningen worden vastgesteld. Deze bepaling zal aan dat besluit worden aangepast door een Verordening van de Raad tot aanpassing van de bepalingen betreffende de comités die de Commissie bijstaan in de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden die zijn vastgelegd in volgens de raadplegingsprocedure (unanimiteit) goedgekeurde besluiten van de Raad [9]. Daarom is het niet meer nodig artikel 141 in dit voorstel voor een verordening aan te passen.

[8] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

[9] PB C 75 E van 26.3.2002, blz. 448.

2002/0308 (CNS)

Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 40/94 inzake het Gemeenschapsmerk

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 308,

Gezien het voorstel van de Commissie [10],

[10] PB C van , blz.. .

Gezien het advies van het Europees Parlement [11],

[11] PB C van , blz.. .

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [12],

[12] PB C van , blz.. .

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3288/94 van de Raad van 22 december 1994 [13], heeft door middel van een communautaire inschrijving een eenvormige bescherming van dit teken in alle lidstaten tot stand gebracht. Deze regeling voldeed grotendeels aan de verwachtingen van de gebruikers en had ook een positieve invloed op de verwezenlijking van de interne markt.

[13] PB L 349 van 31.12.1994, blz. 83.

(2) Uit de praktische ervaring met de regeling is gebleken dat deze op bepaalde punten verduidelijkt en nader aangevuld kan worden. De doeltreffendheid en toegevoegde waarde van de regeling zouden hierdoor worden vergroot en het zou nu al berekend zijn op de gevolgen van een toekomstige toetreding, zonder dat de kern van de regeling, die heel goed haar nut ten aanzien van de vastgestelde doelen heeft bewezen, wordt aangetast.

(3) De regeling van het Gemeenschapsmerk moet voor iedere gebruiker toegankelijk worden zonder dat er eisen ten aanzien van de wederkerigheid, gelijkwaardigheid of nationaliteit worden gesteld. Dit begunstigt ook het mondiale handelsverkeer. De ongemakken van dergelijke eisen leiden ertoe dat de regeling ingewikkeld, star en inefficiënt is. Bovendien volgt de Raad bij de regeling van het Gemeenschapsmodel op dit punt de lijn van de flexibiliteit.

(4) Met het oog op een rationalisering van de procedure wordt de recherche afgeschaft. Dit is de beste oplossing, aangezien deze geen werkelijke waarde aan de communautaire regeling toevoegt, maar wel bijzonder hoge kosten, een vertraging van de procedure en andere bezwaren meebrengt.

(5) Bepaalde maatregelen moeten de kamers van beroep nieuwe mogelijkheid bieden sneller en beter te werken.

(6) De met de toepassing van de regeling opgedane ervaring heeft aan het licht gebracht dat bepaalde aspecten van de procedure kunnen worden verbeterd. Bepaalde punten zijn dan ook gewijzigd en andere ingevoegd om de gebruikers een nog steeds concurrerend product van hoge kwaliteit te bieden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 40/94 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 5 wordt vervangen door:

"Artikel 5

Houders van Gemeenschapsmerken

Alle natuurlijke of rechtspersonen, met inbegrip van publiekrechtelijke lichamen, kunnen houder van een Gemeenschapsmerk zijn.".

2. Aan artikel 7, lid 1, wordt een nieuw punt k) toegevoegd:

"k) merken die een als beschermde geografische aanduiding of als beschermde oorsprongsbenaming ingediende en nadien geregistreerde benaming overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2081/92 bevatten of uit een dergelijke benaming bestaan, wanneer de producten die onder het merk vallen die geografische aanduiding of oorsprongsbenaming niet mogen dragen."

3. Artikel 8, lid 4, eerste alinea, wordt vervangen door:

"4. Na oppositie door de houder van een niet-ingeschreven merk of een ander in het economisch verkeer gebruikt teken van meer dan alleen plaatselijke betekenis wordt inschrijving van het aangevraagde merk geweigerd indien en voor zover krachtens een op dat teken toepasselijke communautaire regeling of het voor dat teken geldende recht van de lidstaat."

4. Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

(a) De titel "Faillissementsprocedures of soortgelijke procedures" wordt vervangen door "Insolventieprocedures".

(b) In lid 1, de term "Faillissementsprocedure of soortgelijke procedure" wordt vervangen door "Insolventieprocedure".

(c) Lid 2 wordt vervangen door:

"2. Indien een Gemeenschapsmerk betrokken is in een insolventieprocedure, wordt op verzoek van de bevoegde curator of van de bevoegde nationale instantie de desbetreffende vermelding in het register ingeschreven en openbaar gemaakt."

5. Artikel 25, lid 3, wordt vervangen door:

"3. Aanvragen als bedoeld in lid 2 die het Bureau later dan twee maanden na de indiening ontvangt, worden geacht te zijn ingediend op de datum van ontvangst van de aanvrage door het Bureau."

6. Artikel 35, lid 1, wordt vervangen door:

"1. De houder van een Gemeenschapsmerk die voor waren of diensten die gelijk zijn aan of die vallen onder de waren of diensten waarvoor een ouder merk is ingeschreven, houder is van dat ouder merk dat is ingeschreven in een lidstaat dan wel op het grondgebied van de Benelux, of van eenzelfde ouder merk waarvoor een internationale inschrijving met rechtsgevolgen in een lidstaat bestaat, kan de anciënniteit van het oudere merk inroepen met betrekking tot de lidstaat waarin of waarvoor dit merk ingeschreven is."

7. Artikel 36, lid 1, onder b), wordt vervangen door:

"b) of de aanvrage om een Gemeenschapsmerk voldoet aan de voorwaarden van deze verordening en de voorwaarden van de uitvoeringsverordening;"

8. Artikel 37 wordt geschrapt.

9. Artikel 39 wordt geschrapt.

10. Artikel 40 wordt vervangen door:

"1. Indien de voorwaarden waaraan de aanvrage om een Gemeenschapsmerk moet voldoen, vervuld zijn, wordt de aanvrage gepubliceerd, tenzij de aanvrage overeenkomstig artikel 38 wordt afgewezen.

2. Indien de aanvrage, na publicatie, overeenkomstig artikel 38 wordt afgewezen, wordt deze beslissing, wanneer zij onherroepelijk wordt, openbaar gemaakt."

11. Van titel IV, afdeling 5, wordt de titel vervangen door:

"INTREKKING, BEPERKING, WIJZIGING EN AFSPLITSING VAN DE AANVRAGE".

12. Na artikel 44 wordt een nieuw artikel 44 bis ingevoegd:

"Artikel 44 bis

Afsplitsing van de aanvrage

1. De aanvrager kan de aanvrage afsplitsen door te verklaren dat een deel van de waren of diensten die onder de oorspronkelijke aanvrage vallen, het voorwerp zijn van een of meer afgesplitste aanvragen. De waren en diensten van de afgesplitste aanvrage mogen niet overlappen met de waren en diensten die onder de oorspronkelijke aanvrage blijven vallen of die het voorwerp zijn van andere afgesplitste aanvragen.

2. De verklaring van afsplitsing is niet ontvankelijk:

a) indien tegen de oorspronkelijke aanvrage oppositie is ingesteld, en de verklaring van afsplitsing de waren en diensten betreft waartegen de oppositie is gericht, totdat de beslissing van de oppositieafdeling in kracht van gewijsde is gegaan of totdat van de oppositieprocedure wordt afgezien;

b) gedurende de in de uitvoeringsverordening vastgestelde periodes.

3. De verklaring van afsplitsing moet voldoen aan het bepaalde in de uitvoeringsverordening.

4. Op de verklaring van afsplitsing is een taks van toepassing. De verklaring van afsplitsing wordt pas geacht te zijn afgegeven nadat de taks is betaald.

5. De afsplitsing gaat in op de datum van vermelding ervan in het door het Bureau bewaarde dossier over de oorspronkelijke aanvrage.

6. Alle verzoeken en aanvragen en alle taksen die met betrekking tot de oorspronkelijke aanvrage zijn ingediend of betaald vóór de datum van ontvangst van de verklaring van afsplitsing door het Bureau, worden geacht ook voor de afgesplitste aanvrage of aanvragen te zijn ingediend of betaald. De taksen die vóór de datum van ontvangst van de verklaring van afsplitsing voor de oorspronkelijke aanvrage werden betaald, zijn niet terugvorderbaar.

7. De afgesplitste aanvrage behoudt de datum van indiening en de datum van voorrang en anciënniteit van de oorspronkelijke aanvrage."

13. Van titel V wordt de titel vervangen door:

"DUUR, VERNIEUWING, WIJZIGING EN AFSPLITSING VAN HET GEMEENSCHAPSMERK".

14. Na artikel 48 wordt een nieuw artikel 48 bis ingevoegd:

"Artikel 48 bis

Afsplitsing van de inschrijving

1. De houder van het Gemeenschapsmerk kan de inschrijving afsplitsen door te verklaren dat een deel van de waren of diensten die onder de oorspronkelijke inschrijving vallen, het voorwerp zijn van een of meer afgesplitste inschrijvingen. De waren en diensten van de afgesplitste inschrijving mogen niet overlappen met de waren en diensten die onder de oorspronkelijke inschrijving blijven vallen of die het voorwerp zijn van andere afgesplitste inschrijvingen.

2. De verklaring van afsplitsing is niet ontvankelijk:

a) indien tegen de oorspronkelijke inschrijving een vordering tot vervallen- of nietigverklaring is ingediend, en de verklaring van afsplitsing de waren en diensten betreft waartegen de vordering is gericht, totdat de beslissing van de nietigheidsafdeling in kracht van gewijsde is gegaan of totdat de procedure anderszins is beëindigd;

b) indien bij een rechtbank voor het Gemeenschapsmerk een reconventionele vordering tot vervallen- of nietigverklaring is ingediend, en de verklaring van afsplitsing de waren en diensten betreft waartegen de reconventionele vordering is gericht, totdat de beslissing van de rechtbank voor het Gemeenschapsmerk overeenkomstig artikel 96, lid 6, in het register is vermeld.

3. De verklaring van afsplitsing moet voldoen aan het bepaalde in de uitvoeringsverordening.

4. Op de verklaring van afsplitsing is een taks van toepassing. De verklaring van afsplitsing wordt pas geacht te zijn afgegeven nadat de taks is betaald.

5. De afsplitsing gaat in op de datum waarop zij in het register wordt opgenomen.

6. Alle verzoeken en aanvragen en alle taksen die met betrekking tot de oorspronkelijke inschrijving zijn ingediend of betaald vóór de datum van ontvangst van de verklaring van afsplitsing door het Bureau, worden geacht ook voor de afgesplitste inschrijving of inschrijvingen te zijn ingediend of betaald. De taksen die vóór de datum van ontvangst van de verklaring van afsplitsing voor de oorspronkelijke inschrijving werden betaald, zijn niet terugvorderbaar.

7. De afgesplitste inschrijving behoudt de datum van indiening en de datum van voorrang en anciënniteit van de oorspronkelijke inschrijving."

15. Artikel 50, lid 1, onder d), wordt geschrapt.

16. Artikel 51, lid 1, onder a), wordt vervangen door:

"a) het is ingeschreven in strijd met artikel 7;"

17. Artikel 52, lid 2, wordt vervangen door:

"2. Het Gemeenschapsmerk wordt op vordering bij het Bureau of bij reconventionele vordering in een inbreukprocedure tevens nietig verklaard wanneer het gebruik ervan verboden kan worden op grond van het Gemeenschapsrecht of van het nationaal recht inzake de bescherming van een ander ouder recht, met name van een

a) recht op de naam;

b) recht op een afbeelding;

c) auteursrecht;

d) recht van industriële eigendom."

18. Artikel 56, lid 6, wordt vervangen door:

"6. Een vermelding van de beslissing van het Bureau betreffende de vordering tot vervallen- of nietigverklaring wordt in het register opgenomen wanneer ze onherroepelijk is geworden."

19. Artikel 60 wordt vervangen door:

"Artikel 60

Herziening van beslissingen bij beroepen ex parte

1. Indien de partij die het beroep heeft ingesteld de enige partij in de procedure is en de instantie waarvan de beslissing wordt betwist het beroep ontvankelijk en gegrond acht, moet deze instantie haar beslissing herzien.

2. Indien de beslissing niet binnen een maand na ontvangst van de uiteenzetting van de gronden herzien wordt, moet het beroep onverwijld worden voorgelegd aan de kamer van beroep, zonder oordeel over de gronden daarvan."

20. Na artikel 60 wordt een nieuw artikel 60 bis ingevoegd:

"Artikel 60 bis

Herziening van beslissingen bij beroepen inter partes

1. Wanneer tegenover de appellant een andere partij staat en de instantie waarvan de beslissing wordt betwist het beroep ontvankelijk en gegrond acht, moet deze instantie haar beslissing herzien.

2. De beslissing kan alleen worden herzien wanneer de instantie waarvan de beslissing wordt betwist de andere partij in kennis stelt van haar voornemen de beslissing te herzien en wanneer deze partij binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiermee instemt.

3. Indien de instantie waarvan de beslissing wordt betwist binnen een maand na ontvangst van de uiteenzetting van de gronden oordeelt dat de beslissing niet moet worden herzien, moet het beroep onverwijld worden voorgelegd aan de kamer van beroep, zonder oordeel over de gronden daarvan. Indien de instantie oordeelt dat de beslissing moet worden herzien maar de andere partij niet binnen een maand hiermee instemt, moet het beroep na ontvangst van de verklaring van de andere partij dat deze niet met de herziening instemt, of, wanneer een dergelijk verklaring niet binnen de gestelde termijn is ontvangen, na het verstrijken van die termijn, onverwijld worden voorgelegd aan de kamer van beroep, zonder oordeel over de gronden daarvan."

21. Na artikel 77 wordt een nieuw artikel 77 bis ingevoegd:

"Artikel 77 bis

Herroeping

Wanneer het Bureau een beslissing heeft genomen of een inschrijving in het register heeft gedaan die van invloed is op de rechten van een partij en wanneer bij die beslissing of inschrijving een duidelijke materiële fout in strijd met de verordening is gemaakt, kan het Bureau deze beslissing of inschrijving herroepen indien dit nodig is om de fout te corrigeren en de wettigheid te herstellen, voor zover de rechten van de partij of partijen die door de herroeping worden benadeeld niet groter zijn dan de belangen van de partij of partijen die door de herroeping worden bevoordeeld en voor zover het niet in het openbaar belang is om van correctie af te zien. Een dergelijke herroeping is alleen ontvankelijk binnen zes maanden na de datum waarop de beslissing of inschrijving plaatsheeft."

22. Artikel 78, lid 5, wordt vervangen door:

"5. Dit artikel is niet van toepassing op de termijnen bedoeld in lid 2, alsmede in artikel 42, leden 1 en 3, en in artikel 78 bis."

23. Na artikel 78 wordt een nieuw artikel 78 bis ingevoegd:

"Artikel 78 bis

Voortzetting van de procedure

1. De aanvrager of de houder van een Gemeenschapsmerk of een andere partij in een procedure voor het Bureau die tegenover het Bureau een termijn niet in acht heeft genomen, kan behalve in de gevallen bedoeld in artikel 25, lid 3, artikel 27, artikel 29, lid 1, artikel 33, lid 1, artikel 36, lid 2, artikel 42, leden 1 en 3, artikel 63, lid 5, artikel 78 en dit artikel, om voortzetting van de procedure verzoeken, op voorwaarde dat bij dit verzoek de verzuimde handeling alsnog wordt verricht. Het verzoek tot voortzetting van de procedure is alleen ontvankelijk wanneer het binnen twee maanden na het verstrijken van de niet in acht genomen termijn wordt ingediend. Het verzoek wordt pas geacht te zijn ingediend nadat een taks voor voortzetting van de procedure is betaald.

2. Over het verzoek wordt beslist door de instantie die bevoegdheid heeft voor de verzuimde handeling.

3. Wanneer het Bureau het verzoek inwilligt, worden de gevolgen van het niet in acht nemen van de termijn geacht zich niet te hebben voorgedaan.

4. Wanneer het Bureau het verzoek afwijst, wordt de taks terugbetaald."

24. Artikel 81, lid 6, wordt vervangen door:

"6. De oppositieafdeling, de nietigheidafdeling of de kamer van beroep stelt het bedrag vast dat op grond van de voorgaande leden moet worden vergoed, wanneer de kosten zich beperken tot de aan het Bureau betaalde taksen en tot de kosten van vertegenwoordiging. In alle andere gevallen stelt de griffie van de kamer van beroep of een lid van het personeel van de oppositieafdeling of de nietigheidsafdeling op verzoek het te vergoeden bedrag vast. Het verzoek is slechts ontvankelijk binnen twee maanden na de datum waarop de beslissing ten aanzien waarvan vaststelling van de kosten is gevraagd, onherroepelijk is geworden. Het bedrag kan op een binnen de gestelde termijn gedaan verzoek bij beslissing van de oppositieafdeling, de nietigheidsafdeling of de kamer van beroep herzien worden."

25. Artikel 88 wordt als volgt gewijzigd:

a) Lid 3, eerste volzin, wordt vervangen door:

"Natuurlijke en rechtspersonen die in de Gemeenschap een woonplaats, zetel of werkelijke en feitelijke vestiging voor bedrijf of handel hebben, kunnen voor het Bureau optreden door tussenkomst van een werknemer."

b) Er wordt een nieuw lid 4 toegevoegd:

"4. De uitvoeringsverordening regelt of en onder welke voorwaarden een werknemer bij het Bureau een bij het dossier te voegen ondertekende volmacht moet indienen."

26. Artikel 89 wordt als volgt gewijzigd:

a) Lid 1, onder b), wordt vervangen door:

"b) erkende gemachtigden die op een daartoe door het Bureau bij te houden lijst ingeschreven staan. De uitvoeringsverordening regelt of en onder welke voorwaarden de vertegenwoordigers bij het Bureau een bij het dossier te voegen ondertekende volmacht indienen."

b) Lid 2, onder c), eerste volzin, wordt vervangen door:

"c) hij moet bevoegd zijn op het gebied van merken natuurlijke personen en rechtspersonen te vertegenwoordigen voor de centrale dienst voor de industriële eigendom van een lidstaat."

27. Artikel 96, lid 5, wordt vervangen door:

"5. Artikel 56, leden 2 tot en met 5, is van toepassing."

28. Artikel 108 wordt als volgt gewijzigd:

a) Lid 4 wordt vervangen door:

"4. Indien de aanvrage om een Gemeenschapsmerk wordt geacht te zijn ingetrokken, doet het Bureau de aanvrager of de houder van het merk een mededeling toekomen en kent hem daarbij vanaf de datum van die mededeling een termijn van drie maanden toe voor de indiening van het verzoek tot omzetting."

b) Lid 5 wordt vervangen door:

"5. Indien de aanvrage om een Gemeenschapsmerk wordt ingetrokken of het Gemeenschapsmerk geen rechtsgevolgen meer heeft doordat een afstand is ingeschreven of de inschrijving niet vernieuwd is, moet het verzoek tot omzetting worden ingediend binnen drie maanden nadat de aanvrage om het Gemeenschapsmerk is ingetrokken of het Gemeenschapsmerk geen rechtsgevolgen meer heeft."

b) Lid 6 wordt vervangen door:

"6. Indien het Gemeenschapsmerk door een beslissing van het Bureau wordt afgewezen of geen rechtsgevolgen meer heeft op grond van een beslissing van het Bureau of een rechtbank voor het Gemeenschapsmerk, moet het verzoek tot omzetting worden ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan."

29. Artikel 109, lid 3, wordt vervangen door:

"3. Het Bureau gaat na of de omzetting waarom wordt verzocht, voldoet aan de voorwaarden van de verordening, met name aan artikel 108, leden 1, 2 en 4 tot en met 6, en artikel 109, lid 1, alsmede aan de vormvereisten van de uitvoeringsverordening. Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, doet het Bureau het verzoek tot omzetting toekomen aan de centrale diensten voor de industriële eigendom van de in het verzoek aangewezen lidstaten."

30. Artikel 110, lid 1, wordt vervangen door:

"1. Elke centrale dienst voor de industriële eigendom waaraan het verzoek tot omzetting is medegedeeld, kan van het Bureau alle informatie betreffende dit verzoek verkrijgen die hij behoeft om te beslissen over het nationale merk dat uit de omzetting voortvloeit."

31. In artikel 118, lid 3, tweede volzin, wordt "binnen vijftien dagen" vervangen door "binnen een maand" en in de derde volzin wordt "binnen een maand" vervangen door "binnen drie maanden".

32. Artikel 127, lid 2, wordt vervangen door:

"2. De oppositieafdelingen beslissen in een samenstelling van drie leden, waarbij ten minste een van hen jurist is. In een aantal bijzondere gevallen die in de uitvoeringsverordening worden genoemd, kunnen beslissingen evenwel door een enkel lid worden genomen. In ieder geval moeten de door een enkel lid genomen beslissingen betrekking hebben op eenvoudige gevallen."

33. Artikel 129, lid 2, wordt vervangen door:

"2. De nietigheidsafdelingen beslissen in een samenstelling van drie leden, waarbij ten minste een van hen jurist is. In een aantal bijzondere gevallen die in de uitvoeringsverordening worden genoemd, kunnen beslissingen evenwel door een enkel lid worden genomen. In ieder geval moeten de door een enkel lid genomen beslissingen betrekking hebben op eenvoudige gevallen."

34. Artikel 130 wordt als volgt gewijzigd:

1) Lid 2 wordt vervangen door:

"2. De kamers van beroep beslissen in een samenstelling van drie leden, waarbij ten minste twee leden jurist zijn. In een aantal bijzondere gevallen wordt beslist door een uitgebreide kamer die wordt voorgezeten door de voorzitter van de kamers van beroep, of door een enkel lid."

2) Er wordt een nieuw lid 3 toegevoegd:

"3. De door de uitgebreide kamer genomen beslissingen leggen richtsnoeren vast die door de kamers van beroep in soortgelijke gevallen moeten worden gevolgd. Om de bijzondere gevallen vast te stellen die tot de bevoegdheid van de uitgebreide kamer behoren, moet rekening worden gehouden met juridische moeilijkheden of het belang van de zaak of bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen. De samenstelling van de uitgebreide kamer wordt vastgesteld overeenkomstig het in artikel 140, lid 3, bedoelde reglement voor de procesvoering van de kamers van beroep."

(3) Er wordt een nieuw lid 4 toegevoegd:

"4. Teneinde vast te stellen in welke bijzondere gevallen door een enkel lid kan worden beslist, moet rekening worden gehouden met de geringe moeilijkheidsgraad van de juridische of feitelijke vraagstukken, het beperkte belang van de betrokken zaak en het ontbreken van andere bijzondere omstandigheden. Voorts kan het gaan om gevallen die alleen vraagstukken betreffen die al door een vaste jurisprudentie van het Bureau zijn verduidelijkt of die deel uitmaken van een reeks gevallen over hetzelfde onderwerp, waarbij de uitspraak over een geval al in kracht van gewijsde is gegaan. Het lid verwijst de zaak naar de kamer wanneer hij vaststelt dat niet meer wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden. Zo nodig worden deze maatregelen aangevuld overeenkomstig het in artikel 140, lid 3, bedoelde reglement voor de procesvoering van de kamers van beroep."

35. Artikel 131 wordt vervangen door:

"Artikel 131

Onafhankelijkheid van de leden van de kamers van beroep

1. De voorzitter van de kamers van beroep wordt voor vijf jaar benoemd overeenkomstig de procedure van artikel 120 voor de benoeming van de ondervoorzitter van het Bureau. Op voorstel van de Raad van Bestuur, de voorzitter van het Bureau gehoord hebbende, kan de kamervoorzitter door de Raad uit zijn functie worden ontheven. Het mandaat van de kamervoorzitter kan worden verlengd met telkens vijf jaar of tot zijn pensionering indien hij de pensioengerechtigde leeftijd gedurende de nieuwe ambtstermijn bereikt.

De voorzitter van de kamers van beroep heeft bevoegdheden op het vlak van het beheer en de organisatie. Deze bestaan met name is:

(a) het vaststellen van de regels en de organisatie van het werk met de voorzitters van de kamers:

(b) het toedelen van de dossiers en daarbij, op voorstel van de voorzitter van de betrokken kamer, eventueel de termijn voor een beslissing vaststellen;

(c) het vragen aan de voorzitter van het Bureau de Raad van Bestuur te informeren in geval van herhaald verzuim bij de aldus vastgestelde verplichtingen.

Zo nodig worden deze maatregelen aangevuld overeenkomstig het in artikel 140, lid 3, bedoelde reglement voor de procesvoering van de kamers van beroep.

2. De leden van de kamers van beroep, met inbegrip van de voorzitters, worden voor een periode van vijf jaar door de Raad van Bestuur benoemd. Hun mandaat kan worden verlengd met telkens vijf jaar of tot hun pensionering indien zij de pensioengerechtigde leeftijd gedurende de nieuwe ambtstermijn bereiken.

3. Tuchtmaatregelen tegen de voorzitters en leden van de kamers van beroep worden door het Hof van Justitie genomen, nadat de kwestie op voorstel van de kamervoorzitter door de Raad van Bestuur aanhangig is gemaakt.

4. De leden van de kamers zijn onafhankelijk. Bij hun beslissingen zijn zij aan geen enkele aanwijzing gebonden.

5. De voorzitters en de leden van de kamers mogen geen onderzoeker zijn of lid van een oppositieafdeling, van de afdeling merkenadministratie en juridische aangelegenheden of van een nietigheidsafdeling."

36. Artikel 140, lid 2, punten 1 en 4, worden geschrapt.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, op

Voor de Raad

De Voorzitter

FINANCIEEL MEMORANDUM

Beleidsgebied(en): Interne markt

Activiteit(en): Verbetering van de regeling betreffende het Gemeenschapsmerk

Benaming van de actie:

Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 40/94 inzake het Gemeenschapsmerk

Vervolgens aanpassing van de uitvoeringsverordening volgens de procedure van artikel 141 van die verordening.

1. BEGROTINGSONDERDELEN + OMSCHRIJVING

A-1, A-7 0 3 1 Vergaderkosten van comités

2. ALGEMENE CIJFERS

2.1 Totale toewijzing voor de actie (deel B): vastleggingskredieten (mln euro)

Niet van toepassing

2.2 Duur:

(begin- en eindjaar)

2003

2.3 Meerjarenraming van de uitgaven

a) Tijdschema vastleggingskredieten/betalingskredieten (financiering uit de begroting) (zie punt 6.1.1)

Niet van toepassing

mln euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

b) Technische en administratieve bijstand en ondersteuningsuitgaven (zie punt 6.1.2)

Niet van toepassing

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

c) Financiële gevolgen in verband met de personele middelen en andere huishoudelijke uitgaven (zie punten 7.2 en 7.3)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2.4 Verenigbaarheid met de financiële programmering en de financiële vooruitzichten

[X...] Het voorstel is verenigbaar met de financiële programmering.

Het voorstel vereist een herprogrammering van de desbetreffende rubriek van de financiële vooruitzichten,

inclusief, zo nodig, een beroep op de bepalingen van het Interinstitutioneel Akkoord

2.5 Financiële gevolgen voor de ontvangsten [14]

[14] Zie voor nadere informatie de bijgevoegde toelichting.

[...X] Geen enkele financiële implicatie (betreft technische aspecten in verband met de uitvoering van een maatregel).

OF

Financiële gevolgen - Het effect op de ontvangsten is als volgt:

NB: alle opmerkingen en toelichtingen met betrekking tot de methode waarmee de gevolgen voor de ontvangsten worden berekend, moeten op een afzonderlijk blad aan dit financieel memorandum worden toegevoegd.

mln euro (tot op 1 decimaal nauwkeurig)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(Elk begrotingsonderdeel omschrijven en voldoende regels aan de tabel toevoegen indien het effect betrekking heeft op meer dan een begrotingsonderdeel.)

3. BEGROTINGSKENMERKEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4. RECHTSGRONDSLAG

Artikel 308 van het Verdrag

5. OMSCHRIJVING EN MOTIVERING

5.1 Doel van het communautaire optreden [15]

[15] Zie voor nadere informatie de bijgevoegde toelichting.

5.1.1 Doelstellingen

Niet van toepassing

5.1.2 Genomen maatregelen in verband met de evaluatie vooraf

a) Toelichten hoe en wanneer de evaluatie vooraf is uitgevoerd (uitvoerende instantie, tijdschema, eventuele beschikbaarheid van verslag(en) of wijze waarop de informatie is ingewonnen) [16], en

[16] Zie document SEC(2000) 1051 voor de verplichte minimale gegevens die bij nieuwe initiatieven moeten worden ingediend.

Niet van toepassing

b) Korte beschrijving van de feiten die bij de evaluatie vooraf zijn vastgesteld en de hieruit getrokken lessen.)

5.1.3 Genomen maatregelen na de evaluatie achteraf

Niet van toepassing

5.2 Voorgenomen acties en wijze van financiering uit de begroting

Niet van toepassing

5.3 Uitvoering

Niet van toepassing

6. FINANCIËLE GEVOLGEN

6.1 Totale financiële gevolgen voor deel B (voor de gehele programmeringsperiode)

Niet van toepassing. Geen financiële gevolgen voor deel B van de begroting.

6.1.1 Financiering

VK, mln euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

6.2 Berekening van de kosten per overwogen maatregel in deel B (voor de hele programmeringsperiode) [17]

[17] Zie voor nadere informatie de bijgevoegde toelichting.

Niet van toepassing. Geen financiële gevolgen voor deel B van de begroting.

VK, mln euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Zo nodig de wijze van berekening toelichten.

7. GEVOLGEN VOOR DE PERSONELE MIDDELEN EN DE HUISHOUDELIJKE UITGAVEN

7.1 Gevolgen voor de personele middelen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7.2 Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De behoeften aan personele en administratieve middelen zullen worden gedekt uit de toewijzing aan het beherende DG in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure.

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden.

7.3 Andere huishoudelijke uitgaven die uit de actie voortvloeien

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden.

(1) De aard van het comité vermelden, alsmede de groep waarvan het comité deel uitmaakt, vermelden.)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

8. TOEZICHT EN EVALUATIE

8.1 Follow-up

Niet van toepassing

(Bij iedere actie moeten vanaf het begin gegevens worden verzameld over de gebruikte financiële en andere middelen, de geleverde prestaties en de resultaten van de actie. In de praktijk houdt dit in: (i) vaststelling van indicatoren voor financiële en andere middelen, geleverde prestaties en resultaten; (ii) ontwikkeling van gegevensverzamelingsmethoden.)

8.2 Procedure en tijdschema van de voorgeschreven evaluatie

Niet van toepassing

(Beschrijving van het geplande tijdschema voor en de uitvoeringswijze van tussentijdse evaluaties en evaluaties achteraf die nodig zijn om na te gaan of de doelstellingen zijn bereikt. Bij meerjarenprogramma's moet tijdens de duur van het programma ten minste één grondige evaluatie plaatsvinden. Voor de andere acties moet een evaluatie achteraf of een tussentijdse evaluatie worden uitgevoerd na ten hoogste zes jaar.)

9. FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN

Niet van toepassing

(Artikel 3, lid 4, van het Financieel Reglement: "De Commissie verstrekt, om het risico van fraude en onregelmatigheden te voorkomen, in het financieel memorandum inlichtingen over de voorgenomen of bestaande preventieve en beschermende maatregelen.")